Klachtenmeldpunt beslist: Gemeente mocht zzp’ers niet bij voorbaat uitsluiten van opdrachten Geplaatst 7 juni 2026 door Claartje Vogel Het is een veelgehoorde frustratie van zelfstandig ondernemers: overheidsopdrachten waarbij staat ‘niet geschikt voor zzp’ers’, terwijl wel degelijk werk lijkt voor een zelfstandig ondernemer. Overheden moeten stoppen met die automatische uitsluiting, adviseert het Klachtenmeldpunt Aanbesteden na een melding van zzp’er Richard Zwiers. Gemeente Pijnacker-Nootdorp sloot zzp’ers vooraf uit De zelfstandig adviseur zag op inhuurplatform Flextender een opdracht die perfect past bij zijn expertise: adviseur Energietransitie bij de gemeente Pijnacker-Nootdorp. Maar helaas: in de regels stond dat zzp’ers niet mogen reageren. De gemeente wilde zo schijnzelfstandigheid voorkomen. Onterecht en overdreven, vond Zwiers. Daarom diende hij met juridische hulp van vakbond FNV Zelfstandigen een klacht in bij het Klachtenmeldpunt Aanbesteden. ‘Buitenproportioneel’ en in strijd met de regels “Een hele groep werkenden vooraf uitsluiten is buitenproportioneel en in strijd met de regels voor overheidsopdrachten”, zegt hij. “Ik snap dat gemeenten schijnzelfstandigheid en problemen met de Belastingdienst willen voorkomen. Maar je kunt niet alle zzp’ers vooraf uitsluiten. Dat mag niet volgens de Aanbestedingswet.” In zijn klacht schrijft hij dat zzp’ers vooraf uitsluiten ook in strijd met het Deliveroo-arrest. In deze belangrijke uitspraak van de Hoge Raad staat dat de aard van een arbeidsrelatie afhangt van een ‘holistische weging van alle omstandigheden van het geval’. De bedrijfsvorm (zzp) is daarbij geen doorslaggevend punt: je moet naar de hele situatie en de persoon kijken. Past ook niet bij overheidsbeleid Bovendien gaat het in tegen het beleid van minister Thierry Aartsen (Werk en Participatie). In een recente Kamerbrief schreef hij nog dat overheden zelfstandigen niet bij voorbaat mogen uitsluiten. Hij benadrukte dat het ligt aan de aard van de werkzaamheden of een zzp’er een overheidsopdracht mag uitvoeren. Lees ook: Thierry Aartsen (Minister Werk en Participatie): “We moeten af van ouderwetse kijk op de arbeidsmarkt en zzp’ers snel een eigen plek in de wet geven” Specifieke functie: juist geschikt voor zzp Daarom diende Zwiers een klacht in. In zijn betoog toont hij aan dat deze opdracht juist goed past bij een zzp’er: Het gaat om een hoge, zelfstandige adviesfunctie. Een zelfstandige kan die uitstekend uitvoeren zonder direct gezag van de gemeente. Hij voegde ook bewijs toe dat hij zelf een echte, zelfstandige ondernemer is met expertise in dit vakgebied. Zwiers wilde dat de gemeente naar zijn persoonlijke situatie kijkt en zijn aanmelding alsnog beoordeelt. Uitspraak: laat zzp’ers meedoen of geef betere onderbouwing Het Klachtenmeldpunt Aanbesteden geeft Zwiers gelijk. De eis ‘niet voor zzp’ers’ gaat te ver. Het meldpunt adviseert de gemeente Pijnacker-Nootdorp om de regels aan te passen of beter te onderbouwen waarom de opdracht bij voorbaat ongeschikt is voor zelfstandigen. De gemeente volgt het advies van het Klachtenmeldpunt. “Wij zullen de aanbesteding intrekken”, schrijft de inkoopadviseur in een mail aan Zwiers. Vervolgens wil de gemeente de opdracht opnieuw uitzetten, zonder de beperkende voorwaarde. Gaat hij zich nu inschrijven? ‘Inmiddels nieuwe opdracht’ De gemeente neemt het advies wel over en stelt de opdracht binnenkort open voor zzp’ers. Zwiers weet nog niet of hij gaat reageren. Na lang zoeken heeft hij namelijk ondertussen een opdracht bij een andere gemeente. “De opdracht krijgen was niet mijn voornaamste doel”, legt hij uit. “Mijn motivatie was rechtvaardigheid voor zzp’ers.” Strijd is nog niet klaar Zwiers is blij met de uitspraak, maar hij is nog niet klaar met zijn strijd tegen de uitsluiting op voorhand door overheden. “Door onterechte uitsluiting vooraf worden zelfstandigen rechtstreeks getroffen in hun broodwinning”, zegt hij. “Dat moet stoppen. Ik zie dat dit nog vaak voorkomt. Ik probeer de omvang van het probleem in kaart te brengen en ben bezig met nog een tweede klachtenprocedure tegen een provincie.” Zwiers ziet dat gemeenten en provincies worstelen met de angst om als werkgever aangemerkt te worden. Maar zzp’ers categorisch uitsluiten of dwingen via detachering te werken lost dat niet op, zegt hij. Volgens hem zijn er betere manieren voor gemeenten om schijnzelfstandigheid te voorkomen. Denk aan werken met goedgekeurde modelovereenkomsten van de Belastingdienst, opdrachten duidelijker formuleren en de webmodule Beoordeling arbeidsrelatie van de overheid raadplegen. Rol van de intermediair Hij merkt dat bureaus zelfstandig ondernemers vaker vragen om via detachering te werken. “Daarmee stappen ze veel te makkelijk over de bewuste keuze voor het ondernemerschap heen”, zegt hij. “Als ik via detachering werk, geef ik mijn vrijheid op. Dat is niet zomaar iets, het gaat over hoe ik mijn werkend leven in wil delen als professional. Bovendien kan een opdracht vaak prima door een zzp’er uitgevoerd worden. Dat blijkt ook uit deze uitspraak.” Zwiers is teleurgesteld in intermediair Flextender, waar de opdracht van de gemeente Pijnacker-Nootdorp op stond. “Het is de taak van een bureau om te zorgen dat aanbestedingen eerlijk en volgens de regels verlopen”, zegt Zwiers. “Dat hebben ze nagelaten. Ze hebben me nu uitgenodigd om te praten en willen samen zoeken naar een oplossing.” Flextender: opdracht was niet geschikt voor zzp “We worstelen met dit soort situaties”, reageert commercieel directeur Jaap Jan Westland van Flextender. Hij legt uit dat er namelijk een verschil zit tussen wat het aanbestedingsrecht voorschrijft en de handhaving van de Belastingdienst. “We zien dat de Belastingdienst ook bij gemeenten en andere lagere overheden niet alleen blaft maar ook doorbijt. Het is dus logisch dat overheden kritisch kijken of een opdracht geschikt is voor zzp’ers.” Dat verklaart de terughoudendheid van overheden, zegt hij. “Zijn ze soms te rigoureus hun conclusies? Ja. Dan is het ook onze rol om te adviseren als kritische vriend.” Westland neemt de klacht ter harte, maar denkt niet dat zijn oordeel over deze opdracht anders zal zijn. Kortom, volgens hem was deze uitvraag inderdaad niet geschikt voor zzp. Westland: “De les die wij uit deze casus leren is dat we onze opdrachtgevers moeten helpen om beter te motiveren waarom een bepaalde opdracht wel of niet geschikt voor een zzp’er. Ons uitgangspunt is dat zzp’ers zoveel mogelijk eerlijke kansen krijgen.” Geplaatst in Professioneel inhuren | Tags aanbestedingswet, marktplaats | 4s Reacties
Modern VMS speelt in op trends direct sourcing en Statement of Work Geplaatst 5 juni 2026 door Arthur Lubbers Een Vendor Management System (VMS) automatiseert en stroomlijnt de volledige inhuurcyclus van externe arbeidskrachten, van leveranciersselectie tot administratieve verwerking. (Bron: Aanbieders van VMS-systemen in Nederland en België, 2026/2027). Evolutie van het VMS De eerste VMS’en kwamen ruim dertig jaar geleden op de markt, als (stand alone) tool voor efficiënte (kostenbesparende) inhuur van personeel. In de loop der jaren kwam vervolgens de nadruk ook te liggen op het voldoen aan de wettelijke vereisten (regelgeving) rondom inhuur (compliance). Dat is zeer relevant nu de handhaving op schijnzelfstandigheid een hot item is dat voor onzekerheid in de markt zorgt. En ook de nieuwe cao’s voor uitzenden en de cao voor detacheren, die beide het toepassen van gelijkwaardige beloning voorschrijven, maken het voldoen aan compliancy-eisen lastiger en dus de noodzaak om dit via een VMS in te regelen groter. Naast kostenefficiëntie en compliance is het ontsluiten van de arbeidsmarkt belangrijker geworden. Door de structurele schaarste aan (extern) talent wordt van een VMS verwacht dat het systeem ook bijdraagt aan effectievere werving en selectie van externe medewerkers. Tegenwoordig levert Artificial Intelligence (AI) (voorspellende) data-analyses die inzicht geven in de inhuurbehoefte (skills gaps) binnen een organisatie waarin via (aan het VMS gekoppelde) slimme recuitmenttechnologie dient te worden voorzien. In 2026 is het tijdperk aangebroken van agentic automation: de volgende generatie waarbij intelligente automatisering (AI agents) automatisch complexere taken uitvoert (autonome processen). Deze trend binnen IT doet nu ook zijn intrede in de VMS-wereld. Kortom, mede door de technologische mogelijkheden en toegenomen behoefte aan professionalisering van de inhuur, zijn de toepassingen en het belang van het VMS fors uitgebreid. Direct sourcing via VMS VMS-technologie wordt meer en meer ingezet voor het opbouwen van talentpools. Met ‘ik ken nog wel iemand’ kom je er als inhurende manager niet meer. De structurele krapte op de arbeidsmarkt betreft vooral hooggekwalificeerde specialisten. En zij voeren vaak werkzaamheden uit die hard nodig zijn voor de continuïteit van de organisatie. De beschikbaarheid van deze specialisten is daarom cruciaal. En dus wil je deze freelancers direct aan je organisatie binden om hen in te zetten wanneer dat nodig is. Daarvoor wil je putten uit je talentenpool. Dat verklaart de trend naar meer rechtstreeks inhuren (direct sourcing) van de externe professionals. Daar komt bij dat lang niet alle freelancers via een intermediair willen werken. De grootste winst van direct sourcing is dat je ook die kandidaten bereikt. Het opbouwen en onderhouden van een professioneel netwerk van zzp’ers/freelancers (talentenpool) wordt steeds vaker uitbesteed aan een Managed Service Provider (MSP) die daarvoor een VMS gebruikt. Een VMS moet dus bijdragen aan het ontsluiten van de freelance-markt. Dankzij de marktplaatsen en leverancierskanalen kunnen VMS’en ook toegang bieden tot de volledige kandidatenmarkt. Direct sourcing vanuit een talentenpool kan op verschillende manieren. Logisch is gebruik te maken van employer branding (werkgeversmerk) om externe talenten te boeien en in je pool te krijgen. In de praktijk zijn hiervoor meerdere mogelijkheden, zoals ‘werken bij’-sites die naast het Applicant Tracking System (ATS) voor vast personeel een koppeling hebben met een VMS en/of een aparte site voor de talentenpool. Er wordt gebruikgemaakt van de kennis, expertise en technologische toepassingen in werving en selectie van vast personeel (Talent Acquisition), dat veel verder ontwikkeld is dan voor flex. Voor zogenaamde ‘talent curation’ (het strategisch werven, screenen en onderhouden van een talentpool) wordt tegenwoordig gebruikgemaakt van AI-toepassingen. Lees ook: Direct sourcing ook via Freelance.nl voor opdrachtgevers én MSP/brokers Statement of Work (SoW) grote ‘onzichtbare’ kostenpost Een Vendor Management Systeem wordt standaard ingezet voor de reguliere Time & Material-inhuur, in de volksmond ‘uurtje-factuurtje’ genoemd. Bij Statement of Work (SoW) gaat het om de inkoop van projecten of eenmalige diensten. Denk aan IT-projecten of management consulting. Het beheren van inhuur via SoW kun je zien als projectmanagement. Het grote verschil met de reguliere inhuur van extern talent is dat bij een SoW-overeenkomst afspraken (vaste prijs-opdracht) worden gemaakt op basis van resultaat (output), en niet zozeer op basis van gewerkte uren met uurtarieven. Statement of Work (SoW) is de laatste jaren sterk in opkomst. Volgens Ardent Partners/Future of Work Exchange’s research gaat momenteel 40 à 60 procent van alle uitgaven aan externe arbeid via SoW-contracten. Het is een ‘onzichtbare’ kostenpost, waarvan het overzicht (en dus inzicht) ontbreekt en daarmee ook een efficiënte, integrale aanpak. Door die SoW ook via een VMS te laten lopen, kun je er wél grip op krijgen. Vooral grotere organisaties zetten daarom voor het uitbesteden en beheren van projectmatig werk steeds vaker een VMS in. Inmiddels zou volgens onderzoeksbureau SIA (VMS Global Landscape 2024 Insights) van de wereldwijde VMS-spend under management (circa $ 270 miljard) 28 procent SoW-spend zijn (dus ca. $ 75 miljard). Lees ook: SOW-beheer zonder rompslomp: zo help je de inhurende manager en de organisatie SoW-opties zitten niet standaard in elk VMS. Toch hebben inmiddels vrijwel alle grote aanbieders van VMS-systemen een SoW-module beschikbaar of zijn ze bezig met het ontwikkelen van SoW-functionaliteiten in hun VMS. Dat vereist namelijk een andere manier van werken. Er zijn VMS-aanbieders die specifiek aanvullende tools voor SoW ontwikkelen. Daarnaast zien we een ontwikkeling naar integratie van SoW, waarbij het geen losse module is, maar een logisch onderdeel van het inhuurprogramma wordt. Een aantal VMS-aanbieders kiest voor integratie in het systeem, waarbij inhuur zowel op basis van SoW (output) mogelijk is als op basis van Time & Material (uren). Volgens softwarebedrijf Zivio wordt SoW nog lang niet overal professioneel gemanaged, ondanks de grote geldstromen die hiermee gepaard gaan. Zivio schat dat slechts 20 procent van SoW via een VMS wordt beheerd. Daar zitten dus groeikansen voor VMS-aanbieders. Dit is een bewerkt gedeelte uit het onderzoeksrapport Aanbieders van VMS-systemen in Nederland en België, 2026/2027 Lees ook: Waarom je nu SoW moet opnemen in je inhuurprogramma Lancering nieuwe VMS-rapport Meer weten over VMS-systemen? Op donderdag 11 juni om 14:30 uur lanceren NextConomy en ZiPconomy tijdens een live webinar de zevende editie van het VMS Onderzoeksrapport. Het rapport is na de lancering gratis te downloaden op beide websites. Tijdens het gratis webinar bespreken Marleen Deleu (NextConomy) en Jan-Willem Weijers (ZiPconomy) de opvallendste inzichten uit het rapport. Samen met VMS-expert Bart De Borger, één van de beoordelaars van het User Experience-onderzoek, gaan zij dieper in op de resultaten en de ontwikkelingen in de markt. Geplaatst in Professioneel inhuren | Tags direct sourcing, sow, vms, VMS. onderzoek | Laat een reactie achter
Nieuwe internationale afspraken moeten platformwerk toekomstbestendig(er) maken Geplaatst 5 juni 2026 door Martijn Arets Van 1 tot en met 12 juni komen vertegenwoordigers van werkenden, platformbedrijven en overheden van over heel de wereld bijeen in Genève om bij de International Labour Organisation (ILO) om in gesprek te gaan over een internationale ‘ILO Platformwork Convention’. Een unieke gebeurtenis waar de belangen van alle werkenden op de arbeidsmarkt worden besproken. Update: Op 12 juni kwamen vertegenwoordigers van werkenden, werkgevers en overheden tot overeenstemming voor de ILO Platformwork Convention. Lees hier de hele overeenkomst. Toegang tot werk Platformbedrijven zijn voor tussen de 154 miljoen (voltijd) en 435 miljoen (voltijd en deeltijd) mensen wereldwijd op dagelijkse basis de toegangspoort naar werk. In 2022 werd het aantal platformwerkers in Europa geschat op 28 miljoen, met de voorspelling dat dit aantal in 2025 zou zijn gestegen naar 43 miljoen. Hoewel exacte cijfers ontbreken en ook sterk afhankelijk is van een gebruikte definitie, is men het erover eens dat het aantal mensen dat gebruik maakt van de diensten van online platformbedrijven voor toegang tot werk groeit. Bekend geworden in sectoren als maaltijdbezorging en taxi is er intussen geen sector waar online werkplatformen niet actief zijn. De platformeconomie wordt daarnaast ook wel de kraam- en experimenteerkamer van technologie op de arbeidsmarkt genoemd, wat aangeeft de impact van wat er gebeurt in de platformeconomie en de manier waarop deze wordt vormgegeven gevolgen heeft voor de gehele arbeidsmarkt. Lees ook: Waarom werken jongeren via platformen? Deze factoren spelen een rol Globaal fenomeen Hoewel platformwerk vaak vanuit een lokale, nationale of continentale context wordt bekeken, is het op veel vlakken ook een globaal fenomeen. Platformbedrijven opereren vaak internationaal en in het geval van online werk bevinden vraag naar en aanbod van werk zich vaak in andere landen, en in veel gevallen op andere continenten. Daarnaast houden platformbedrijven elkaar goed in de gaten, waardoor een werkwijze of businessmodel in één land ook snel in andere landen voet aan de grond kan krijgen. Het maken van afspraken over platformwerk op globaal niveau afspraken is deze en volgende week onderwerp van de 114e International Labour Conference in Genève. Hier komen vertegenwoordigers van werkenden, werkgevers (de platformbedrijven) en overheden samen om afspraken te maken voor de ‘Platformwork Convention’. Een historisch moment Het gegeven dat platformwerk in Genève zo prominent op de agenda staat is historisch te noemen om verschillende redenen. Platformen faciliteren sectoren die ook voor de opkomst van de platformeconomie bekend stonden om de precaire omstandigheden van werkenden. Denk aan maaltijdbezorging, (thuis)schoonmaak, oppas en niet-locatiegebonden werk dat werd uitbesteed aan landen als India, de Filipijnen, Kenia en Mexico. Sectoren, veelal opererend in de informele markt, waarvan iedereen wist dat de omstandigheden voor werkenden vaak slecht waren. En die onder andere door het onzichtbare (gefragmenteerde) karakter van de markt en de lage organisatiegraad ervoor zorgden dat overheden en vertegenwoordigers het zich konden permitteren deze groep werkenden in veel gevallen links te laten liggen. Onzichtbare werkenden Onzichtbaarheid zorgde voor een gebrek aan politieke noodzaak om actie te ondernemen. Platformbedrijven controleren deze markten als spil tussen een gefragmenteerde groep aanbieders (werkenden) en afnemers (klanten), wat zorgt voor een groei van de markt, maar ook een groeiende eenzijdige afhankelijkheid en beïnvloeding door technologie. De zichtbaarheid van deze bedrijven en de groeiende afhankelijkheid van de werkenden zorgde ervoor dat sectoren die jarenlang werden genegeerd opeens wél in de spotlight staan. Dat de toekomst van deze sectoren op internationaal niveau op de agenda staan is, als je het mij vraagt, historisch te noemen. Historisch ook omdat het proces naar de conventie, leest hier de ‘draft tekst’ die het startpunt vormt van de onderhandeling, ervoor heeft gezorgd dat vertegenwoordigers van werkenden wereldwijd elkaar de afgelopen jaren hebben gevonden om gezamenlijk een agenda te maken. Zo publiceerde een wereldwijde coalitie van meer dan 30 werknemersorganisaties, vakbonden en maatschappelijke organisaties een gezamenlijke verklaring in aanloop naar de ILC en ontstond vorig jaar het ‘Global Platform Workers Solidarity Project (GPWSP)’, een “netwerk van grassroots-organisaties voor platformwerkers uit meer dan 27 landen, dat wordt gesteund door investeerders, maatschappelijke organisaties en onderzoekers”. Ik heb nog niet eerder gezien dat vertegenwoordigers van werkenden op deze manier sector, land en organisatie overstijgend samenwerken. En als laatste is de discussie in Genève misschien ook wel historisch complex. Complex omdat vertegenwoordigers van werkenden en bedrijven het ondanks de grote tegenstelling in belangen het op sommige punten met elkaar eens moeten worden. En complex omdat de inrichting van platformwerk vaak afhankelijk is van de sector en de institutionele omgeving waarin het opereert. En wat er uit Genève komt ook nationaal en sectoraal moet worden door vertaald. Dit lijkt misschien een onmogelijke opgave, maar naar mijn mening is dit de enige weg: internationale kaders zetten en vervolgens nationaal door vertalen. Hoe platformbedrijven de arbeidsmarkt veranderden Platformwerk is onder te verdelen in zowel locatiegebonden als niet-locatiegebonden werk, waarbij unieke of generieke skills worden gevraagd en technologie een lage of hoge mate van invloed heeft op toegang, invulling, sturing, prijsstelling en evaluatie van werk. Wat de sector kenmerkt is dat vraag en aanbod zich bevinden in gefragmenteerde markten met veel informatie asymmetrie, werk is opgedeeld in kleine(re) opdrachten (‘gigs’), de verantwoordelijkheid die normaal bij een werkgever ligt naar de individuele werkende is verschoven en het platformbedrijf als ‘private regulator’ de voorwaarden en regels van het ‘spel’ bepaalt en handhaaft via technologie. De opkomst van platformen in sommige markten en regio’s heeft er ook voor gezorgd dat markten nog gefragmenteerder werden: door diensten als taxiritjes te subsidiëren werd markt ‘gekocht’ en concurrentie uitgeschakeld, waardoor individuele werkenden alleen via het platform nog werk konden vinden. Tegelijkertijd zorgt het freelancemodel ervoor dat platformen het zich kunnen permitteren een ‘oversupply’ van werkenden aan te houden, de kosten voor geen werk zijn immers voor de individuele werkende. Wat ook bijdraagt aan een groeiende concurrentie tussen individuele werkenden en uitdagingen in het organiseren van werkenden. In veel gevallen bestond het werk dat via platformen wordt gedaan al voor de opkomst van platformen: ook voor Uber, Bolt en InDrive waren er taxichauffeurs en voor DoorDash, Deliveroo en Gojek werden maaltijden door bezorgers op (motor)scooters en brommers bezorgd. Ook maakten schoonmakers huizen schoon en pasten oppassers op kinderen terwijl de ouders een avondje uit gingen. Platformbedrijven verlaagden via technologie de zoekkosten tussen vraag en aanbod, en maken het voor beide zijden makkelijker om in de markt actief te zijn en hebben de mogelijkheid om een markt efficiënter te organiseren. Door de centrale positie van het platform liggen er ook kansen om wijzigingen voor een grote groep werkenden (en klanten) centraal door te voeren en zo de omstandigheden van een markt te beïnvloeden. Lees ook: ‘Platformwerk moet van turbokapitalisme naar verantwoorde arbeidsvoorwaarden’ De grootste uitdagingen (en oplossingen) De centrale positie die het platformbedrijf heeft in een gefragmenteerde markt is dus uniek. Waarbij de uitdaging ligt dat de belangen van alle deelnemers (vraag, aanbod en platformbedrijf) in een transactie niet altijd op een lijn liggen, terwijl er slechts één partij is die de regels en voorwaarden van het spel bepaalt: het platformbedrijf. En hoe je met die verantwoordelijkheid om moet gaan, hoe je iedereen een gelijke(re) informatie- en beslissingspositie geeft en hoe je die positie kunt gebruiken om voor goede condities voor de werkende te zorgen is de centrale vraag in de discussie. Waarbij de focus ligt op inzicht over en invloed op automatische besluitvormingsprocessen, toegang tot data, een eerlijke (of: fatsoenlijke) betaling waarbij de risico’s niet alleen bij de werkende liggen, en representatie. Gebrek aan inzicht Het gebrek aan inzicht over automatische besluitvormingsprocessen is in veel platformwerksectoren een groot issue. Werkenden kunnen geen goed geïnformeerde beslissing nemen en ervaren druk van het niet weten van de ‘spel’regels voor toegang tot werk waar zij afhankelijk van zijn. Wat de impact op werkenden is wordt pakkend beschreven in de blog ‘From Recognition to Responsibility: Worker-Led Perspectives on Labor Standards for the Platform Economy’: “Data workers shared how task allocation is unpredictable, with no visibility into how work is distributed or why opportunities suddenly disappear. Similarly, workers do not know how their performance is assessed, what metrics are used, or how those assessments affect future work opportunities. Such decisions are made with little clarity on how automated processes and human oversight interact. Compounding these opacities, workers have no right to access the data generated through their labor, nor any ability to control how that data is used.” Toegang tot data Gebrek aan toegang tot data draagt bij aan deze intransparantie en asymmetrie in macht tussen werkende en platformbedrijf. In het stuk ‘Kennis is macht, ook in de platformeconomie’ dat ik eerder schreef beschrijft voormalig Uber-chauffeur James Farrar hoe hij hier hinder van ondervond in een rechtszaak tegen het platform. Vervolgens bedacht hij een slimme manier om, als moderne vakbond, toch data te krijgen ter ondersteuning van zijn zaak. Mijn eigen project KlusCV laat zien dat het helemaal niet zo ingewikkeld is om data op verzoek van de werkende te delen, waarbij meer dan 100.000 platformwerkers toegang hebben gekregen tot hun ervaringsdata en ruim 32.000 keer data is opgevraagd door werkenden. Mijn les daaruit is: als je iets wél wilt maak je het eenvoudig, als je iets niet wilt, maak je het complex. Daarom pleit ik er ook voor om kritischer te zijn waarom systemen en processen complex worden gemaakt. Wie profiteert hiervan? Is dit om de dienst te verbeteren, of om de macht- en informatiepositie te veranderen. In het geval van het steeds complexer worden van manieren om prijzen voor arbeid te berekenen bij on-demand werkplatformen denk ik dat hier echt het laatste het geval is. Dwingen tot vereenvoudigen is hierbij ook een oplossing. Schijnzelfstandigheid Vergoeding en classificatie van de werkende zijn veelvoorkomende onderwerpen in discussies. Omdat platformwerkers door de meeste platformbedrijven als zelfstandig ondernemer worden geclassificeerd, liggen de kosten en risico’s die normaal bij een werkgever liggen nu bij de individuele werkende. Het is in platformsectoren als bezorging en datawerk algemeen bekend dat werkenden vaak (ver) onder het minimumloon verdienen. Een oplossing hiervoor, en ook voor andere punten, is het in dienst nemen van de werkende. En hoewel dit ook de nodige impact heeft op een markt, is het onderwerp schijnzelfstandigheid een belangrijk onderwerp op de agenda in Genève. Waarbij ik het belangrijk vind te vermelden dat dit in veel landen in de wereld niet altijd bijdraagt aan een betere positie van de werkende en dat in enkele zaken waar het platform de verschuiving van freelance naar werknemer maakte dit vaak werd georganiseerd via subcontractors die ook een stuk van de taart willen hebben. Los van de contractvorm is het belangrijk dat de werkende fatsoenlijk wordt betaald en onbetaalde arbeid zoveel als mogelijk wordt voorkomen. Dit is dan ook de gedachte van het Leefbaar Tarief waar ik vanuit de WageIndicator Foundation aan werk, waarbij de kosten en risico’s die op de schouders van de individuele werkende worden geschoven worden meegenomen in het tarief. Representatie Tot slot: representatie. Als er iets is dat de ILC in Genève laat zien is dat organisaties die werkenden vertegenwoordigen elkaar steeds beter weten te vinden. Op individueel niveau worden successen geboekt, zoals het afsluiten van cao’s met platformbedrijven en het neerzetten van een afdwingbaar minimum tarief of minimale standaarden. Nu is het tijd om ook collectief successen te boeken. Hierbij valt het mij op dat er ontzettend veel informatie-asymmetrie is in het landschap van vertegenwoordiging van werkenden. Niet alleen is het niet altijd duidelijk wie welke werkenden vertegenwoordigen, maar ook afspraken die worden gemaakt zijn niet of slecht vindbaar. Zo zijn cao’s in de meeste landen in de wereld niet openbaar. En hoewel achterliggende motivaties prima te begrijpen zijn, is dit echt een gemiste kans. Platformbedrijven profiteren ook van deze informatie-asymmetrie die op deze manier wordt gecreëerd. Daarom is het voor organisaties die werkenden vertegenwoordigen essentieel om het grotere plaatje te zien en ook in te zetten op schaalvoordelen en in standaard alles zo veel als mogelijk openbaar te maken. WageIndicator heeft vele honderden cao’s wereldwijd geanalyseerd in een database, maar eigenlijk is dat van de zotte. Standaardisatie en transparantie aan de kant van vertegenwoordigers is naar mijn mening een zwaar onderbelicht onderwerp in deze discussie. Lees ook: Bescherming of ontregeling van de markt? De impact van een minimumtarief in de platformeconomie Tot slot De discussie in Genève gaat niet over ‘alleen’ de platformeconomie, maar over de spelregels rondom de impact van technologie op arbeid. Dan kun je zeggen: ‘daar maak ik mij niet zo’n zorgen over’, maar weet dat, zeker met de opkomst van AI, technologie (en dan vooral de keuzes die we hieromheen maken) een groeiende invloed heeft op de positie en voorwaarden van alle werkenden. Ook voor jou. En dit zomaar kan betekenen dat jouw baan en positie opeens wel precair worden. Een extra motivatie om dit debat over de keuzes die we moeten maken rondom de toenemende rol van technologie op de wereldwijde arbeidsmarkt serieus te nemen. Wat kunnen we verwachten in en na de ILC? Ten eerste: het is een overwinning voor iedereen dat dit onderwerp op de agenda staat. Het is belangrijk om te beseffen dat deze bijeenkomst geen eindpunt is, maar een geweldige kans voor het zetten van een agenda en het starten van (hernieuwde) samenwerkingen. Het verbeteren van voorwaarden voor werkenden is een continu en gradueel proces. En wat er uitkomt? De uitkomst van de onderhandeling moet door zowel vertegenwoordigers van werkenden, werkgevers en overheden worden gedragen. Dat zijn veel tegenstrijdige belangen die elkaar moeten ontmoeten. Dat kan ervoor zorgen dat er een heel zwakke conventie op tafel komt. Of helemaal géén conventie. De tijd zal het ons leren. Geplaatst in Toekomst van Werk | Tags platformwerk | Laat een reactie achter
Inhuur of loonlijst? Stop met de verkeerde vraag stellen. Geplaatst 4 juni 2026 door Paul Oldenburg Sinds 1999 heb ik een management-BV. In die ruim 25 jaar wisselde ik periodes van opdrachten uitvoeren af met periodes van feitelijk ondernemen — een thuiszorgbedrijf, een uitzendbureau — en een tijdelijke loondienstperiode bij HeadFirst. Ik schreef er twee boeken over: Professioneel Inhuren van Flexibele Arbeid (2013, herziene editie 2014) en Professioneel Inhuren van Externe Arbeid (2021). Ik ken het werkveld vanuit elke hoek: als opdrachtnemer, als opdrachtgever, als werkgever, als werknemer. Wat ik nu zie gebeuren in de Wet DBA-discussie maakt me ongerust. Inkoopmanagers, HR-professionals en compliance-specialisten krijgen juridische adviezen waarin elk theoretisch risico wordt benoemd alsof het een vaststaand probleem is. De logische conclusie volgt: bij elke opdracht die ook maar een beetje naar inbedding neigt, kiezen we voortaan voor loondienst of detachering. Veiligheid voor alles. Het gevolg is een stille catastrofe voor ondernemend Nederland. Ervaren zelfstandigen verliezen opdrachten. Niet omdat ze schijnzelfstandig zijn. Maar omdat een jurist ooit “theoretisch risico” heeft genoteerd in een memo. Ze worden gedwongen in tijdelijke loondienst, in detachering, of in ingewikkelde tussenkomstconstructies die het probleem niet oplossen maar commercieel afromen. Ondernemerschap doet ertoe De vraag die in elke inkoopvergadering en compliance-meeting voorbijkomt bij het aantrekken van een externe expert – inhuren of op de loonlijst? – wordt steeds vaker beantwoord met loonlijst. Niet omdat de inhuur juridisch niet zou kunnen. Maar omdat niemand zich nog comfortabel voelt bij “ja, inhuren is hier prima.” Dat comfort kan terugkomen. Maar dan moet de vraag anders. De eerste juiste vraag is: is deze kandidaat een ondernemer en daarom geen mogelijke werknemer? Immers, de Hoge Raad benadrukte bij haar beantwoording van prejudiciële vragen naar aanleiding van de Uber-rechtszaak nog eens het belang van het ondernemerschap van de werkende in kwestie: “hetzelfde werk voor dezelfde opdrachtgever kan voor een werkende met ‘ondernemerschap’ geen arbeidsovereenkomst betekenen en voor een werkende zonder ‘ondernemerschap’ wel.” Daarom ook deze oproep van Minister Aartsen (Werk en Participatie) in een ZiPconomy podcast “Begin nou eens met de vraag: vertel mij nou eens hoe dat externe ondernemerschap bij jou eruitziet. Heb je nog meer klussen? Hoe actief ben je met je acquisitie? Doe je nog andere dingen ernaast? Hebben we bij de klus die we doen een kop en een staart afgesproken?” En, zo zei hij in diezelfde podcast “zij aan zij werken, dat kan wél” waarbij hij naar die Uber zaak verwees. Het toetsingskader van de Belastingdienst is daar ook recentelijk op aangepast. Drie checks waarmee inkoop en compliance vooruit kunnen Goed nieuws! Een toetsingskader over ondernemerschap is veel bruikbaarder dan een rechtsvorm-check of een inbeddingscheck. De vraag wordt namelijk operationeel toetsbaar, met drie verifieerbare criteria die elke inkoper of compliance-medewerker kan toepassen. Eén: heeft deze persoon meerdere opdrachtgevers in de afgelopen 24 maanden? Wie altijd één klant tegelijk heeft en die elke twee jaar wisselt, is geen ondernemer in materiële zin. Twee: is er aantoonbare ondernemerssubstance? Eigen administratie, eigen kantooradres of werkruimte, accountant, AOV op naam van de onderneming, btw-aangiften, marktactiviteit, eigen opleiding, eigen aansprakelijkheidsverzekering, en bij voorkeur een ondernemersrisico dat hij feitelijk loopt. Een ondernemer investeert in zijn eigen bedrijf en heeft daardoor iets te verliezen. Drie: is er een meerjarig patroon van opdrachtenspreiding? Een interim-opdracht van 18 maanden waarin de ondernemer voor honderd procent van zijn inkomen afhankelijk is van één klant, is geen probleem — mits er voor en na die opdracht aantoonbaar andere opdrachten en andere klanten zijn. De toets ligt niet op de momentopname van één opdracht, maar op het patroon over drie tot vijf jaar. Wie elke twee jaar bij een nieuwe klant zit, is ondernemer. Wie al zes jaar bij dezelfde klant zit en zijn contract elke keer verlengt, is materieel werknemer. Daarbij hoort een zakelijke contractvorm: resultaatverplichting in plaats van “ter beschikking stellen”, een marktconform tarief dat ruimte biedt voor eigen sociale lasten, voorzieningen en ondernemersrisico, en geen werknemerselementen zoals vakantiegeld, ziektedoorbetaling of een dertiende maand. Bij drie keer ja: dan kan je mijns inziens deze persoon feitelijk veilig inhuren, ongeacht of hij of zij IB-ondernemer of DGA is. De persoon is zo evident ondernemer, dat hij of zij niet als werknemer gezien kan worden. Bij twijfel op een of meer punten: kijk dan naar de andere criteria uit het Deliveroo arrest – die bijvoorbeeld gaan over inbedding of gezag – en stel dan pas de vraag of loondienst of een echte detacheringsconstructie niet passender is. Voorbeelden uit de praktijk Kunnen we een ondernemer veilig inzetten op werk dat per definitie ingebed is? Een interim-bestuurder die negen maanden de afgetreden divisiedirecteur vervangt, deelneemt aan het MT, beoordelingsgesprekken voert en rapporteert aan de RvB. Een interim-CIO die twaalf maanden de IT-strategie trekt en gezagsmatig in de organisatie functioneert. Een ervaren consultant die twee jaar lang een transformatieprogramma leidt. Een IC verpleegkundige die kennis en ervaring wil delen met meerdere ziekenhuizen en investeert in eigen opleiding en certificeringen. Volgens de losse Deliveroo-criteria op die specifieke opdracht zou je tot een arbeidsrelatie kunnen concluderen. Persoonlijke arbeid, loon, gezag, inbedding — allemaal aanwezig. En toch is bij een ervaren ondernemer met substance herkwalificatie hier niet de uitkomst die rechters geven. Niet omdat de toets wordt overgeslagen, maar omdat de toets holistisch is. Het ondernemerschap weegt zwaar genoeg om de inbeddingsmarkers te overstemmen — zeker als de opdracht naar zijn aard tijdelijk en contextueel is. Dit is de boodschap die inkoop en compliance nodig hebben. Niet “vermijd alle inbedding”, maar: “als we werken met een aantoonbaar ervaren ondernemer, kunnen we deze ook tijdelijk ingebed werk laten doen.” Het criterium is niet de aard van de opdracht; het criterium is de aard van de uitvoerder. Empirisch ondersteunt de jurisprudentie deze lijn. In tien jaar tijd is er geen gepubliceerde zaak te vinden waarin een echte ondernemer met substance – IB of BV – tegen zijn zin een arbeidsovereenkomst kreeg opgelegd bij een ongelieerde opdrachtgever. De zaken waarin herkwalificatie wel slaagde, betreffen vrijwel zonder uitzondering personen zonder ondernemerssubstance: één opdrachtgever, geen marktactiviteit, geen administratie, geen ondernemersrisico. Het patroon is consistent. Wat dit betekent voor het inhuurbeleid Hier ligt de praktische opdracht voor inhurende organisaties. Het huidige inhuurbeleid van veel organisaties is impliciet rechtsvorm-gericht of inbedding-gericht: “alleen via een BV inhuren”, “geen freelancers meer”, “langer dan zes maanden alleen via detachering”. Dit beleid lost het probleem niet op en sluit ondernemers buiten die de organisatie juist welkom zou heten. Professionele inhuurders: loop vooruit op de nieuwe wet: Een ondernemerschap-gericht inhuurbeleid kent twee fases. In de eerste fase toets je ondernemerschap aan de drie criteria hierboven. Dit kun je intern doen, of laten ondersteunen door een gespecialiseerde tussenpersoon die op compliance is ingericht. Het levert een dossier op dat je in handen hebt als de Belastingdienst ooit langskomt. In de tweede fase contracteer je zakelijk en laat je de uitvoering ook zakelijk verlopen: geen integratie in HR-systemen, geen prestatiebeoordelingen, geen statutaire bestuurdersbenoeming van de ingehuurde persoon, geen toegang tot interne talentontwikkelingsprogramma’s. De ondernemer is een leverancier, geen werknemer. Met deze twee fases samen heb je een inhuurpraktijk die juridisch verdedigbaar is, operationeel werkbaar, en die ondernemers toelaat in plaats van uitsluit. Het is geen vrijbrief voor alles; het is een professioneel kader voor inhuur dat inkoop, HR en compliance kunnen dragen tegenover hun directies en hun externe accountant. De echte kosten van overvoorzichtigheid Als de huidige reflex in inhurende organisaties doorzet, verliezen we drie dingen tegelijk. Ondernemers verliezen toegang tot organisaties die hun expertise hard nodig hebben. Organisaties verliezen toegang tot ervaring die ze intern niet kunnen opbouwen. En de Nederlandse arbeidsmarkt verliest de flexibiliteit die ze juist in volatiele tijden nodig heeft. Geplaatst in ZP en Ondernemen | Tags BV, ondernemerschap | 2s Reacties
Hoe een zzp-uurtarief laat zien of een markt gezond is Geplaatst 4 juni 2026 door Wilmar Dik Het huidige overheidsbeleid erkent dat lage uurtarieven iets zeggen over de aanwezigheid van verkapte dienstverbanden. Volgend jaar kan een zzp’er met een laag tarief makkelijker een beroep doen op een arbeidsovereenkomst. Een tarief onder de grens van het rechtsvermoeden is daarmee niet alleen een juridisch signaal van mogelijke schijnzelfstandigheid. Het kan ook laten zien dat er economisch iets niet goed gaat in een markt. Dat er in de discussie over de Zelfstandigenwet ook sectoraal naar ondergrenzen wordt gekeken, is goed. Maar een rechtsvermoeden is geen harde ondergrens en werkt pas als de zelfstandige het conflict aangaat. Een relatie tussen opdrachtgever en zzp’er begint met vertrouwen. Wie via de rechter moet claimen dat hij eigenlijk werknemer is, is de werkrelatie in de praktijk meestal kwijt. Daarom is een goed tarief vooraf zo belangrijk. Een gezond tarief voorkomt dat bescherming pas ontstaat bij een conflict achteraf. En juist tarieven laten zien hoe een markt is ingericht: wie de prijs bepaalt, wie de risico’s draagt en hoeveel ruimte er is voor echte zelfstandigheid. Lees ook: Waarom het rechtsvermoeden de economische prikkel achter schijnzelfstandigheid niet wegneemt De markt reageert op maatschappelijke keuzes Fiscaal jurist Jasper Commandeur herkent dat het risico op schijnzelfstandigheid bij werkenden met een laag tarief relatief groot is. “Er zijn groepen die weinig onderhandelingsmacht hebben en de markt reageert daarop. Dit is een sociale dynamiek, waarbij grote afhankelijkheid van een beperkt aantal opdrachtgevers ertoe leidt dat zelfstandigen hun eigen marktgedrag maar beperkt zelf kunnen bepalen en de kans op ondergeschiktheid in een arbeidsrelatie toeneemt. We doen vaak alsof marktwerking een soort natuurlijke ordening is, maar dat is niet zo. De marktwerking zoals wij die kennen, is mede het resultaat van politieke keuzes, (gedrags-)regels en instituties.” Als die inrichting ervoor zorgt dat zelfstandigen met weinig onderhandelingsmacht vooral op arbeidskosten concurreren, heeft dat gevolgen. Opdrachtgevers betalen dan te weinig voor flexibiliteit en expertise, terwijl zelfstandigen te veel risico’s dragen voor te weinig inkomen. Juist daarom zijn collectieve prijsafspraken voor zelfstandigen Europeesrechtelijk onder voorwaarden toegestaan wanneer zij een zwakkere onderhandelingspositie hebben tegenover economisch sterkere opdrachtgevers. In zo’n situatie heeft de sterkere partij de concurrentie in feite al beperkt. Maar dat er collectieve prijsafspraken gemaakt mogen worden, wil nog niet zeggen dat die er ook komen. Want je lost marktmacht zelf niet op. Lees ook: Marktwerking: waarom het in sommige sectoren hapert voor zzp’ers Fair pay in de film en audiovisuele sector als spiegel Een voorbeeld is de Fair Pay-richtlijn voor zzp-starttarieven in de film- en AV-sector. Die richtlijn is bedoeld als ondergrens voor onderhandeling en contractvorming. Dat is positief, maar de uitkomst laat ook iets anders zien. Bij de Ketentafel Film/AV beginnen de zzp-starttarieven voor 2026 bij €29,16 per uur. De helft van alle niveaus zit onder de €37 per uur. Hoe kan een tarief dat behoorlijk onder de grens van het rechtsvermoeden ligt, tegelijk als ‘Fair Pay’ voor zelfstandigen gelden? Deze sector bereikte overeenstemming met de Belastingdienst over zzp-inhuur. Daarmee wordt vooral de juridische en fiscale kant van zelfstandigheid ingekaderd. Lees ook: Audiovisuele sector bereikt overeenstemming met fiscus over zzp-inhuur Maar fiscale duidelijkheid is nog geen economische ondergrens. Ook binnen zo’n kader kunnen zelfstandigen nog steeds worden ingehuurd voor tarieven ruim onder de €38. Dan blijft de vraag liggen of je op jaarbasis echt duurzaam kunt rondkomen van bijvoorbeeld €30 per uur. Een gezonde ondernemer rekent vanuit kosten, risico, declarabele uren, leegloop, continuïteit en marge. Daarover ging ook het onderzoek van SEO waarbij ik zelf betrokken was, samen met onder meer vertegenwoordigers uit de AV/Film-sector. Voor zover ik kan zien, heeft dat onderzoek in de AV/Film-sector niet geleid tot tariefaanpassingen. De zelfstandige draagt dus wel het ondernemersrisico, maar heeft nog steeds te weinig invloed op de prijs die nodig is om dat risico te dragen. Bij tarieven van €29 tot €35 per uur wordt de vraag hoe duurzaam die zelfstandigheid werkelijk is behoorlijk ongemakkelijk. Juist in sectoren waar werk leuk, zichtbaar of betekenisvol is, werkt bevlogenheid economisch vaak tegen je. Zolang je echt zzp’er bent, kun je blijven werken voor tarieven die eigenlijk te laag zijn. De keerzijde van leuk werk Werken in een sector die regelmatig niet zorgt voor een leefbaar inkomen heeft een keerzijde. Daar weet Mark Deuze, hoogleraar Mediastudies aan de Universiteit van Amsterdam, ook alles van. In zijn boek en onderzoek ‘Well-Being and Creative Careers: What Makes You Happy Can Also Make You Sick’ stelt Deuze dat professionals in de creatieve sector gevangen kunnen raken in een ‘passieval’. Aan de ene kant identificeren kunstenaars, muzikanten en mediamakers zich met hun werk vanuit passie voor het ambacht en het vak. Aan de andere kant vormt juist die passie een belangrijke motor van de creatieve sector: motivatie, talent, smaak, persoonlijkheid en emoties zijn cruciaal voor succes of falen. Het is prachtig, en ook een privilege, om van je passie je professie te kunnen maken. Maar daarmee lopen twee werelden door elkaar: de wereld van werk, met vakkennis, rechten, plichten en zakelijke afspraken, en de wereld van liefde en passie, waarin persoonlijke betrokkenheid en romantiek een grote rol spelen. Juist daardoor wordt de keerzijde van leuk werk zichtbaar: omdat het werk zo leuk en betekenisvol is, wordt het moeilijker om grenzen te stellen en een zakelijk tarief te vragen. Opleidingen op alle niveaus spinnen garen bij de vele studenten die in de rij staan voor diploma’s als mediaredactiemedewerker, muzikant, kunstenaar, journalist of leider in de culturele sector. Hoe kritisch en goedbedoeld al deze opleidingen ook zijn, ze leiden veel jonge mensen op met het idee dat van hun creativiteit prima een loopbaan te maken valt. Dat is lang niet altijd vanzelfsprekend en draagt eraan bij dat mensen afhaken, ziek uitvallen of uiteindelijk buiten hun vakgebied verdergaan. Bovendien kan een groot aanbod van gemotiveerde starters bijdragen aan lage tarieven. Sectorale minimumtarieven geven vooraf duidelijkheid Als tarieven structureel laag zijn, wordt dat vaak uitgelegd als een probleem van de individuele zelfstandige. Die zou beter moeten onderhandelen of zakelijker moeten worden. Het kan echter ook een symptoom zijn van een markt waarin alle zelfstandigen weinig onderhandelingsruimte hebben. Beleidsmakers moeten daarom serieuzer kijken naar sectorale minimumtarieven. Niet één bedrag voor alle zzp’ers, maar verplichte ondergrenzen die rekening houden met de werkelijkheid per sector. Een goed minimumtarief kijkt naar de markt waarin dat uur wordt verkocht. Hoeveel declarabele uren zijn realistisch? Welke kosten horen bij het beroep? Welke risico’s draagt de zelfstandige zelf? En welk tarief is nodig om van rond te kunnen komen? Sectoraal rechtsvermoeden? Zowel in het coalitieakkoord als in de consultatieversie van de nog te verschijnen Zelfstandigenwet staat het voornemen tot sectorale rechtsvermoedens. Prima als de overheid ook een berekening per sector gaat maken. Maar laat die dan wel goed aansluiten bij de realiteit van markten. Eigenlijk is het berekenen van een sectoraal rechtsvermoeden niet veel anders dan het berekenen van een minimum ondergrens per sector. Ik ben van mening dat een (zelfstandig) ondernemer in eerste instantie zelf een gezonde berekening moet maken van zijn dienst of product. Een ondernemer zal realistische kosten en gemiddelde declarabele uren van een sector goed meenemen. Als er eenmaal sectorale rechtsvermoedens zijn, ben ik voorstander om die ondergrenzen hard te maken. Mits ze eerlijk voor zzp’ers tot stand zijn gekomen. Dan kun je partijen verplichten ook echt die ondergrens te respecteren. Want de huidige aanpak via een rechtsvermoeden pakt de bron niet aan. Met genoeg marktmacht en juridische inbedding blijven tarieven ver onder de €38 gewoon mogelijk. Een uurtarief als diagnose Gemiddelde uurtarieven laten zien of een markt gezond is. Is er ruimte voor professioneel werk, risico, flexibiliteit en kwaliteit? Of leveren zelfstandigen vooral goedkope en flexibele arbeid, terwijl de risico’s bij hen liggen en het voordeel bij opdrachtgevers? Sectorale minimumtarieven maken vooraf duidelijk wat duurzaam zelfstandig werken minimaal kost. Geef kwetsbare sectoren een harde ondergrens en verplicht opdrachtgevers die minimumtarieven te respecteren. Dan kun je ook gezonde markten met rust laten en stoppen met handhaving. Uiteindelijk laat het gemiddelde uurtarief per markt zien waar de macht ligt, waar de risico’s terechtkomen en of zelfstandig werken in een sector loont. Lees ook: Eerlijke minimumtarieven voor zelfstandigen met schijven per beroep Geplaatst in ZP en Ondernemen | Tags minimumtarief zzp, rechtsvermoeden, schijnzelfstandigheid | Laat een reactie achter
Thierry Aartsen (Minister Werk en Participatie): “We moeten af van ouderwetse kijk op de arbeidsmarkt en zzp’ers snel een eigen plek in de wet geven” Geplaatst 3 juni 2026 door Arthur Lubbers Opnieuw een volle zaal tijdens deze 6e editie van ArbeidsmarktPoort op 1 juni jl. in het Haagse Nieuwspoort. En dat had zeker ook te maken met de komst van de hoofdgast: Thierry Aartsen, Minister van Werk en Participatie. Dagvoorzitter Hans Biesheuvel vroeg hem naar zijn plannen voor de arbeidsmarkt – en met name natuurlijk naar zijn ‘eigen’ Zelfstandigenwet. Erik Ziengs (ONL), Saskia Kapper (Bovib) en Edwin van den Elst (VvDN) spraken hun vertrouwen uit in de minister, maar stelden hem wel enkele kritische vragen. Aartsen wil een veel positievere zzp-koers varen. “We moeten snel uitleggen hoe je wél met zzp’ers kan werken.” De minister zet daarom vaart achter het de invoering van het rechtsvermoeden en wil het wetsvoorstel Zelfstandigenwet nog dit najaar naar de Raad van State sturen. Naast tempo is zorgvuldigheid vereist, zo legt hij uit. “Ik heb het voorstel voor de Zelfstandigenwet geschreven vanuit mijn visie, mijn ideologie. Het is belangrijk dat ook experts, sociale partners, handhaving en zzp-organisaties hun oordeel hierover geven. Daarvoor houden we verdiepende sessies. Zo moeten we een juiste balans vinden.” Politieke discussie begraven Aartsen weet dat het een hele opgave wordt om politiek draagvlak te vinden voor nieuwe zzp-wetgeving. “De discussie zit muurvast. Aan de ene kant (rechts) pleit men voor vrijheid en autonomie voor zelfstandigen, maar daar hoort ook verantwoordelijkheid bij. Aan de andere kant (links) vindt men het heel spannend om iets aan het arbeidsrecht te doen.” Toch is hij optimistisch. “Ik hoop echt dat we uiteindelijk de politieke discussie kunnen begraven. Ik ben ervan overtuigd dat we een goede discussie hierover kunnen voeren. Niemand is gebaat bij de huidige onrust. We willen de echte zzp’er ruimte bieden om te ondernemen en hard optreden bij misstanden (schijnconstructies, red.) met bijvoorbeeld arbeidsmigranten. En een vangnet creëren (verplichte AOV, BAZ, red.) om te voorkomen dat mensen in de goot belanden.” Lees ook: Minister Aartsen wil het zzp-dossier ‘normaliseren’ en ‘pacifiëren’ zodat we het ”over vier jaar niet meer over zzp’ers hoeven te hebben.” ‘Wanneer ben je zelfstandige?’ Dat de Zelfstandigenwet er moet komen staat volgens Aartsen buiten kijf. “Nergens in de Nederlandse wet staat wanneer iemand zelfstandig is. Dit wetsvoorstel regelt dat wel.” De minister benadrukt dat uiteraard het dwingende karakter van Artikel 610 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (BW) overeind blijft, waarin de termen ‘loon’, ‘arbeid’ en ‘gezag’ samen de wettelijke definitie van de arbeidsovereenkomst vormen. Daarnaast moet een wettelijk kader komen waarin staat wanneer iemand niet een werknemer is, maar een zelfstandige. Dat ontbreekt, aangezien de Wet DBA alleen stelt dat de VAR is afgeschaft, meer niet. Geen zzp’ers categorisch uitsluiten? Deze zomer start de overheid de campagne ‘Zo kan zzp wél’. En dat is hard nodig, stelt Aartsen. “Opdrachtgevers vinden het zo lastig om de criteria uit het Deliveroo-arrest te beoordelen dat ze maar helemaal geen zzp’ers meer inhuren.” En dat is natuurlijk niet de bedoeling. De minister vindt dat juist de overheid het goede voorbeeld moet geven en laten zien hoe en wanneer je wel zzp’ers kunt inhuren. Bovib-voorzitter Saskia Kapper is blij met deze positieve boodschap, maar ziet vooralsnog niet dat de overheid zelf het goede voorbeeld geeft. “De praktijk wijst anders uit. Overheden sluiten nog altijd categorisch groepen zzp’ers uit aan de voorkant.” De vraag is wanneer er beleidswijzigingen komen die een eind maken aan de huidige onduidelijkheid. Aartsen: We moeten dit stapje voor stapje bijsturen. We kunnen overheden niet dwingen zzp’ers in te huren. Dat moeten ze zelf beslissen, maar dat moet wel een juiste afweging zijn op basis van het Deliveroo- en Uber-arrest.” VvDN-voorzitter Edwin van den Elst complimenteert minister Aartsen met de gedifferentieerde kijk op het zzp-vraagstuk. “Het is goed dat er gekeken wordt hoe je de onderkant van de arbeidsmarkt kunt aanpakken én het mogelijk maakt voor de rest, de zzp’ers die dat zelf willen, om goed te kunnen functioneren. Uiteindelijk gaat het erom zoveel mogelijk kansen te bieden om alle talenten in te zetten.” Lees ook: Handhaving Belastingdienst bemoeilijkt door Uber-jurisprudentie Noodzaak modernisering arbeidsmarkt Als het aan de minister ligt komt er een grondige arbeidsmarkthervorming. “We moeten op een andere manier kijken naar de arbeidsmarkt. Er is krapte in vrijwel alle sectoren en tegelijkertijd staat er een grote groep mensen langs de kant.” Aartsen hekelt de huidige ouderwetse benadering. “In plaats van een springplank is de uitkeringssituatie vaak een spinnenweb waarin het bijna onmogelijk is om eruit te komen. Want als iemand dan een baan accepteert, krijgt hij misschien een onzeker (tijdelijk) contract en raakt hij zijn WW-rechten kwijt. Bovendien gaat alles gaat uit van het moment dat iemand zijn baan kwijt is en een WW-uitkering krijgt, dan pas begint het zoeken naar een nieuwe baan. Zijn ideaal? “Een ontslagvrije samenleving. Ik zou liever zien dat al veel eerder wordt geïnvesteerd in opleiding en ontwikkeling van medewerkers. Het zou veel normaler moeten zijn dat mensen eerder van werk naar werk worden begeleid. Nu krijgt iemand een transitievergoeding na ontslag en moet hij zelf kiezen of hij daarvoor een opleiding gaat volgen of een nieuwe camper gaat kopen.” De minister ziet die noodzakelijke modernisering van de arbeidsmarkt als een gezamenlijke verantwoordelijkheid van werkgever, werknemers en politiek. “De polder vormt de basis. Het is goed dat werkgevers en werknemer met elkaar hierover spreken. Natuurlijk vinden wij als politiek er vervolgens ook wat van. Wij zijn er om de lijnen steviger uit te zetten.” Aartsen stelt dat zelfstandigen hierbij ook een goede plek aan tafel verdienen en is blij dat dit geborgd is met een plek in de SER. Connie Maathuis, voorzitter van de Vereniging Zelfstandigen Nederland (VZN) en raadslid SER, merkt vanuit de zaal echter op dat zelfstandigen helaas nog niet zijn vertegenwoordigd in de Stichting van de Arbeid. “En daar vinden de echte gesprekken plaats.” Ook dagvoorzitter Biesheuvel is kritisch. “Waarom zou die arbeidsmarkthervorming nu wel lukken?” Aartsen: “Er is politieke lef voor nodig, maar ik denk dat we met alle partijen samen daar uit kunnen komen, ook al hebben we een minderheidskabinet. Ik mik op een breed sociaal akkoord.” Saskia Kapper is positief, maar tegelijkertijd sceptisch: “Het streven naar meer begeleiding van werk naar werk is mooi, maar meer wetgeving staat dit juist in de weg.” Aartsen werpt tegen dat wetgeving nu eenmaal nodig is. Als voorbeeld noemt hij het toelatingsstelsel (Wtta). “Dat gaat een hoop gedoe opleveren en zorgt voor meer bureaucratie, maar het is nodig om misstanden rondom arbeidsmigranten tegen te gaan. Uiteindelijk zorgt het voor een gezondere arbeidsmarkt.” Edwin van den Elst onderstreept nog maar eens de belangrijke rol van detachering bij de gewenste continue investering in mensen. “Wij zijn de grootste opleider van Nederland. Als je opleiding en ontwikkeling meer wilt faciliteren moet je juist bij detacheerders zijn.” De VvDN-voorzitter neemt de uitgestoken hand van de minister dan ook graag aan. “We moeten alle mooie kleuren van flex meenemen bij de modernisering van de arbeidsmarkt.” Lees ook: Minister Aartsen: Kabinet kiest voor een nieuwe zzp-koers maar geen aanpassing handhaving. Dat zou leiden tot een ongewenste ‘zigzagkoers’ Eindelijk een visie Erik Ziengs, voorman van ONL, ziet eveneens de noodzaak van beter arbeidsmarktbeleid. “Het chagrijn bij ondernemers is groot. Vooral de loondoorbetaling bij ziekte steekt werkgevers. Menig ondernemer overweegt te stoppen en/of de zaak te verkopen.” Ziengs heeft echter vertrouwen in deze minister. “We gaan nu de goede kant op.” Dat vertrouwen is er ook bij Bovib-voorzitter Kapper. “We blijven ons zorgen maken over de regeldruk, die alleen maar toeneemt. Maar er is veel meer licht aan het eind van de tunnel. Er is een visie en dat ontbeerden we voorheen.” Edwin van den Elst is uitgesproken positief. “Ik heb veel vertrouwen in dit liberale kabinet en de plannen om tot een goed werkende arbeidsmarkt, waarin het juiste talent op de juiste plek terecht komt.” En dat is een heel ander geluid dan tijdens de vorige editie van de ArbeidsmarktPoort, waarin toenmalig minister Eddy van Hijum (SZW) er vooral alles aan leek te willen doen om werken als zelfstandige lastiger te maken. Niet verwonderlijk dus dat de brancheorganisaties nu enthousiast zijn en dat de hoop op arbeidsmarkthervorming en goede zzp-wetgeving weer leeft. Het vertrouwen van de brancheorganisaties moet een steun in de rug zijn voor de minister. Aartsen weet dat hem een zware klus te wachten staat, maar is strijdbaar en optimistisch: “We gaan moedig voorwaarts!” Geplaatst in ZP en Politiek | Tags ArbeidsmarktPoort, Thierry Aartsen, zelfstandigenwet | 8s Reacties