SLUIT MENU

De Zelfstandigenwet, een veilige haven voor zzp’ers?

Minister Aartsen heeft de Tweede Kamer geïnformeerd over de verdere uitwerking van de Zelfstandigenwet. Boris Emmerig bespreekt de aangekondigde ‘veilige haven’ en vraagt zich af hoeveel zekerheid de wet zzp’ers daadwerkelijk gaat bieden.

Op 10 september 2026 heeft Thierry Aartsen, de Minister van Werk en Participatie een brief naar de Tweede Kamer gestuurd over de vervolgstappen bij de uitwerking van de Zelfstandigenwet. Met deze brief geeft Aartsen gevolg aan de motie van Dogukan Ergin (Denk) en Simon Ceulemans (JA21) waarin de regering wordt verzocht om voor het zomerreces meer richting te geven aan de vervolgstappen en de verdere uitwerking van de aangekondigde Zelfstandigenwet.

Duidelijke spelregels

Aartsen merkt in de brief het volgende op: “Daarom werkt het kabinet met de Zelfstandigenwet aan een toekomstbestendig antwoord op de fundamentele vraag: wanneer kan ik in ieder geval met en als zelfstandige(n) werken, en is er dus geen sprake van een arbeidsovereenkomst? Met duidelijke spelregels vooraf, zodat er een veilige haven ontstaat voor hen die daaraan voldoen. Wie conform die spelregels werkt, weet zeker dat er als zelfstandige kan worden gewerkt.”. Daartoe bevat het nog in te dienen wetsvoorstel twee toetsen, (1) de zelfstandigentoets die ziet op de persoon van de zelfstandige en (2) de werkrelatietoets die ziet op de vrijheid van een zzp’er, diens onafhankelijkheid en dus het ontbreken van “gezag” binnen een opdracht.

De indruk zou kunnen ontstaan dat wanneer bij aanvang van een arbeidsrelatie voldaan wordt aan beide toetsen, de “veilige haven” bereikt is. Dat zou echter een onjuiste voorstelling van zaken zijn. Ook tijdens de looptijd van de arbeidsrelatie moet bij voortduring aan beide toetsen voldaan blijven worden. Monitoring daarvan van opdrachtgeverszijde is en blijft daarom cruciaal. En dan nog heeft de Belastingdienst bij een controle op schijnzelfstandigheid de mogelijkheid om te stellen dat niet is voldaan aan de zelfstandigentoets en/of de werkrelatietoets. Van een “veilige haven” is dan geen sprake meer.

Veilige haven

Feitelijk is er geen verschil met de huidige situatie. De Hoge Raad heeft in een aantal arresten de criteria voor schijnzelfstandigheid uiteen gezet, bijvoorbeeld in het participatieplaats-arrest van 6 november 2020, het Deliveroo-arrest van 24 maart 2023 en het Uber-arrest van 21 februari 2025. In lagere rechtspraak zijn vele uitspraken te vinden waarin het kader van de Hoge Raad voor concrete situaties verder wordt uitgewerkt. Voor degenen die binnen deze kaders blijven, is er nu evenzeer een veilige haven. Ook na invoering van de Zelfstandigenwet blijft deze jurisprudentie van belang.

Aartsen stelt dat er nu nog “te veel onduidelijkheid” en “veel discussie en onzekerheid” is. Dat is betrekkelijk; ook in de huidige praktijk is de aard van een arbeidsrelatie vaak wel duidelijk. Natuurlijk blijft er een grijs gebied, maar er zijn nu ook al meerdere (wettelijke) routes om dat gebied in te kleuren en dat grijze gebied zal ook onder de Zelfstandigenwet blijven bestaan.

Boris Emmerig werkt sinds 1990 als belastingadviseur en sinds 1996 als advocaat. Hij heeft ruim dertien jaar ervaring als raadsheer-plaatsvervanger bij de Belastingkamer van het Gerechtshof te Amsterdam. Hij is als docent verbonden aan de Specialisatieopleiding Arbeidsrecht van het Leids Juridisch PAO, de beroepsopleiding van de Nederlandse Orde van Advocaten en LexLumen. Regelmatig verschijnen publicaties van zijn hand in de fiscale en juridische vakpers. Emmerig is een fiscalist pur sang. Zijn specialismen liggen op het terrein van de loonbelasting, vennootschapsbelasting en fiscale procedures. Hij is verbonden aan het kantoor Holla Advocaten. Bekijk alle berichten van Boris Emmerig

Eén reactie op dit bericht

  1. Je zou zeggen dat voor DGAs die zichzelf verhuren vanuit hun eigen BV de jurisprudentie van de Hoge Raad duidelijk is. Maar hieronder zal ik uitleggen waar het probleem zit.

    ECLI:NL:HR:2013:BY9295 rov 3.3.3 bepaalt dat, bij toetsing van de arbeidsovereenkomst tussen zo’n DGA en zijn of haar eigen BV aan art. 7:610 BW, het formele gezag over die DGA van de algemene vergadering van aandeelhouders van zo’n eigen BV bepalend is, waarbij het niet relevant is of die DGA zelf alle aandelen heeft, en dus materieel zijn of haar eigen ontslag kan tegenhouden. Aangezien zo’n DGA zich persoonlijk verbindt arbeid te richten voor die BV, en er sprake zal zijn van loon, is het resultaat van die toetsing duidelijk: dit is een echte arbeidsovereenkomst volgens art. 7:610 BW.

    Laten we nu een overeenkomst van opdracht (art. 7:400 BW) tussen de BV (van deze DGA) en ‘klant BV’ toetsen aan art. 7:610 BW. Laten we zeggen dat overeengekomen is: een adviesklus, uurtje-factuurtje, voor 40 uur per week voor een jaar. De uitlegfase geeft als resultaat: overeenkomst tussen twee BVs, de BV factureert (met BTW) aan ‘klant BV’, ‘klant BV’ heeft geen werkgeversgezag over de BV (van die DGA), want werkgeversgezag over rechtspersonen bestaat niet. In de kwalificatiefase moet dan worden vastgesteld: er ontbreekt een natuurlijk persoon als partij bij het contract, die zou kunnen worden gekwalificeerd als werknemer. Daar stopt het, deze overeenkomst kan art. 7:610 BW niet kwalificeren als arbeidsovereenkomst.

    Let op: deze kwalificatie ‘geen arbeidsovereenkomst’ is gebaseerd op de uitkomst van de uitlegfase. Zaken als ‘feitelijke uitvoering’ of Deliveroo-criteria beïnvloeden alléén de kwalificatiefase, maar veranderen niets aan de uitkomst van de uitlegfase! Het grote verwijt vanuit de markt dat je nooit weet waar je aan toe bent, is hier dus niet van toepassing!

    Verdere jurisprudentie van de Hoge Raad ondersteunt deze conclusie.

    Allereerst leert ECLI:NL:HR:2022:282 dat in de kwalificatiefase getoetst moet worden binnen de grenzen van wat is vastgesteld in de uitlegfase. Er mag dus niet in de kwalificatiefase een andere contractpartij worden aangenomen dan is vastgesteld in de uitlegfase. Concreet: in de kwalificatiefase mag niet de ‘overeenkomst’ tussen de DGA als natuurlijk persoon en ‘klant BV’ getoetst worden als die overeenkomst gesloten is tussen de BV (van die DGA) en ‘klant BV’. De relatie tussen de DGA en ‘klant BV’ een ‘feitelijke relatie’ noemen verandert daar niets aan. Ook leert ECLI:NL:HR:2022:282 ons dat het niet van belang is als uit de overeenkomst zou blijken dat aannemelijk is dat het toch wel de bedoeling is dat die DGA zelf het werk komt doen.

    In ABNAMRO/Malhi (ECLI:NL:HR:2002:AD8186 rov 3.4) bevestigt de Hoge Raad: rechtszekerheid verzet zich tegen stilzwijgend ontstaan van een arbeidsovereenkomst.

    Tot slot het Rainbowarrest (ECLI:NL:HR:2000:AA7480 rov 3.5), dat leert dat ‘voorbijgaan aan de rechtspersoonlijkheid van de BV’ (vereenzelviging) alleen is toegestaan als eerst cumulatief zijn vastgesteld: onrechtmatigheid, misbruik van rechtspersoonlijkheid en schade. Dit is nog een reden waarom in de kwalificatiefase niet mag worden afgeweken van de contractspartijen zoals vastgesteld in de uitlegfase. En er is natuurlijk niets onrechtmatigs aan een bonafide overeenkomst van opdracht tussen de BV (van die DGA) en ‘klant BV’!

    Nu het probleem: lagere rechters passen het bovenstaande niet altijd toe! Dus in allerlei uitspraken is te zien dat toegestaan wordt dat Deliveroo-criteria wel degelijk de uitkomst van de uitlegfase beïnvloeden. Of van de partijvraag, uitlegfase en kwalificatiefase wordt één groot mengsel gemaakt. Omdat dan opeens zowel de klant èn de DGA in persoon gezien worden als voorkomend in dat mengsel, gaat de rechter dan zo’n mengsel doodleuk toetsen aan de Deliveroo-criteria, waarna je maar weer moet afwachten wat eruit komt.

    Het bontst maakt het Hof het in ECLI:NL:GHARL:2026:3053 (rov 3.18):”Het feit dat partijen (doelbewust) een constructie hebben opgezet waarbij niet [werker] maar zijn B.V. als contractspartij is aangeduid en zij ook op die wijze de facturering hebben laten verlopen, staat hier niet in de weg om de overeenkomst te kwalificeren als arbeidsovereenkomst.”

    Het Hof negeert hier een juridisch correct opgestelde, wettige overeenkomst en negeert bovendien alle bovengenoemde jurisprudentie van de Hoge Raad! Alsof een fiscaal correct opgezette en uitgevoerde overeenkomst van opdracht zelfs maar reden zou kúnnen zijn om die overeenkomst te negeren. Verdere uitleg waarom dit zou mogen ontbreekt.

    Zolang zulke zaken de Hoge Raad niet bereikt hebben zal de onduidelijkheid hier wel voortduren.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *



×