"Exploring the future of work & the freelance economy"
SLUIT MENU

Een sectorspecifieke tariefondergrens voor zzp’ers in de praktijk

Hoe bepaal je in de praktijk een sectorspecifieke tariefondergrens voor zzp’ers? Wilmar Dik laat zien welke rol inkomen, kosten en vooral het aantal declarabele uren spelen, en waarom actuele cijfers en realistische aannames nodig zijn om tot een bruikbare ondergrens te komen.

Wie werkt, moet daarmee voldoende kunnen verdienen om van te leven. De Grondwet maakt bestaanszekerheid expliciet tot een zorg van de overheid. Die verantwoordelijkheid geldt voor alle burgers. Werknemers hebben wettelijke inkomensbescherming, zoals het minimumloon en loondoorbetaling bij ziekte. Voor zelfstandigen ontbreekt zo’n economische bodem. Het rechtsvermoeden helpt vooral laagbetaalde zzp’ers die mogelijk feitelijk werknemer zijn; het bijbehorende uurtarief is geen verplichte minimumvergoeding.

Daarom pleit ik voor sectorspecifieke tariefondergrenzen: bedragen waaronder een gemiddelde zelfstandige zijn beroep niet duurzaam kan uitoefenen. In sectoren met veel declarabele uren en lage kosten kan die bodem onder €38 liggen, in andere sectoren juist erboven. Het gaat niet om een marktconform of aanbevolen tarief, maar om een wettelijke ondergrens voor professioneel ingekochte arbeid, vergelijkbaar met het minimumloon voor werknemers.

Begin bij hetzelfde minimale inkomen

De berekening moet uitgaan van wat iemand minimaal aan werken moet overhouden. Een logisch uitgangspunt is het netto-inkomen van iemand die fulltime voor het minimumloon werkt. Een zelfstandige moet na alle belastingen, premies en noodzakelijke bedrijfskosten minimaal een vergelijkbaar netto-inkomen kunnen overhouden. In het benodigde tarief moet daarnaast ruimte zitten voor pensioen, arbeidsongeschiktheid, vakantie, ziekte en niet-declarabele werkzaamheden. De benodigde jaaromzet wordt vervolgens gedeeld door het aantal uren dat binnen het beroep gemiddeld werkelijk declarabel is. Een te hoge inschatting van die uren levert automatisch een te laag tarief op.

Declarabele uren bepalen een groot deel van de ondergrens

Het aantal declarabele uren verschilt sterk per beroep. Wie veel uren kan factureren, kan met een lager tarief voldoende verdienen. Bij minder betaalde uren is een hoger tarief nodig. Ook vraag en aanbod spelen mee: als veel zelfstandigen om weinig opdrachten concurreren, worden de beschikbare uren over meer mensen verdeeld. Een tariefondergrens lost overaanbod niet op, maar voorkomt dat tarieven steeds verder zakken. Flexibiliteit kost geld en die kosten liggen in sommige sectoren vooral bij zzp’ers.

Binnen de berekening van het rechtsvermoeden gaat men ervan uit dat een zzp’er gemiddeld twee derde van de werktijd kan declareren en een derde niet. Maar dat verschilt sterk per beroep en sector. Mede daarom werkt één landelijk bedrag, zoals de €38 van het rechtsvermoeden, niet voor iedere sector.

Gebruik schijven in plaats van honderden tarieven

Het is niet nodig om voor ieder beroep een apart minimumtarief vast te stellen. Beroepen met een vergelijkbaar aantal declarabele uren en vergelijkbare bedrijfskosten kunnen in dezelfde schijf vallen. Ik pleitte eerder voor bijvoorbeeld zes schijven, van beroepen met maximaal achttien declarabele uren per week tot beroepen waarin gemiddeld 31 uur of meer kan worden gefactureerd. Per schijf kan een basistarief worden vastgesteld, met waar nodig een correctie voor hogere bedrijfskosten. Zo blijft het systeem overzichtelijk en sluit het aan bij de economische werkelijkheid van verschillende beroepsgroepen.

Mijn eerdere voorstel voor zo’n schijvenmodel is hier te lezen: Eerlijke minimumtarieven voor zelfstandigen met schijven per beroep

Laat een onafhankelijke instantie rekenen

Beroepsorganisaties, vakbonden, opdrachtgevers en onderzoekers kunnen gegevens aanleveren, maar zouden niet zelf de wettelijke ondergrens moeten bepalen. Een onafhankelijke rekencommissie of onderzoeksinstantie kan beoordelen of de gegevens recent en representatief zijn, hoeveel uren gemiddeld worden gedeclareerd, welke bedrijfskosten normaal zijn en hoeveel ruimte nodig is voor pensioen, arbeidsongeschiktheid, ziekte, vakantie en flexibiliteit.

De gegevens, aannames en berekeningen moeten openbaar zijn, zodat controleerbaar is waarom een beroep in een bepaalde schijf valt en hoe het ondergrenstarief tot stand komt.

Oude cijfers kunnen geen nieuwe ondergrens dragen

De arbeidsmarkt verandert snel. Vraag en aanbod verschuiven, beroepen veranderen en AI beïnvloedt steeds meer werk.

Ook het rechtsvermoeden (zie de onderbouwing van het rechtsvermoeden op pagina 98 van de pdf) laat zien waarom actuele cijfers nodig zijn. Daar wordt aangenomen dat een zzp’er gemiddeld twee derde van zijn werktijd kan declareren. Die aanname komt uit Panteia-cijfers uit 2012. Het kabinet erkent dat die cijfers oud zijn, maar onderbouwt niet met recent onderzoek waarom ze nog representatief zouden zijn.

De realiteit is dat er sectoren zijn waar de werkelijke declarabiliteit duidelijk lager of hoger is. Wie blijft rekenen met één landelijke aanname uit 2012, kan daardoor op een te lage óf onnodig hoge economische bodem uitkomen.

Alleen tarieven indexeren is daarom niet genoeg. Ook declarabele uren, kosten en andere arbeidsmarktgegevens moeten regelmatig opnieuw worden onderzocht. Waarom zouden we zzp’ers bescherming aan de onderkant geven op basis van een aanname uit 2012, als we die bescherming ook op actuele marktgegevens kunnen baseren?

Tariefcalculators laten zien hoe belangrijk aannames zijn

De tariefchecker van de Kunstenbond rekent standaard met 167 declarabele werkdagen, oftewel 1.336 uur per jaar. Bij €60 per uur is dat €80.160 omzet; bij €38 nog €50.768. Herkenbaar voor creatieve zzp’ers? Ik denk het niet. De gebruiker kan het aantal dagen aanpassen, maar zo’n voorinstelling suggereert wel wat normaal of haalbaar is.

Onderzoek van SEO Economisch Onderzoek naar de culturele en creatieve sector laat zien dat gemiddeld 62 procent van de gewerkte uren declarabel is. Bij 38 uur per week komt dat neer op ongeveer 24 declarabele uren per week.

Wie te veel declarabele uren veronderstelt, verdeelt hetzelfde benodigde inkomen over meer betaalde uren en komt automatisch op een lager tarief. Dat houdt een sector betaalbaar, maar kan ook structurele onderbetaling in stand houden. Ook bij de Ketentafel AV/Film zie je dat effect. Daar leidt een hoge inschatting van declarabele uren tot erg lage tarieven: het starttarief voor 2026 is €29,16 per uur en de helft van de niveaus zit onder €37, dus zelfs onder de €38 van het rechtsvermoeden. 

Een andere zzp-calculator laat zien dat het ook anders kan. Daar kunnen inkomen, kosten en declarabele uren worden aangepast en wordt onderscheid gemaakt tussen een kaal minimum, een gezond tarief en een groeitarief. Met ongeveer 24 declarabele uren per week, zoals uit het SEO-onderzoek binnen de creatieve sector naar voren komt, zie je een heel ander minimumtarief. Zelfs als je uitgaat van een laag gewenst inkomen van €2.300 netto en 30 procent belasting en premies, is het onverstandig om voor minder dan €45 per uur te werken.

Bij veel declarabele uren en beperkte kosten kan de ondergrens ook onder de €38 van het rechtsvermoeden liggen. Sectorspecifiek rekenen betekent dus vooral rekenen met wat binnen een markt werkelijk haalbaar is.

Bereken per sector waar de economische bodem ligt, op basis van actuele marktgegevens en realistische aannames. Een minimumtarief bereken je, daar onderhandel je niet over.

Ook een projectprijs heeft een effectief uurtarief

Een wettelijke ondergrens werkt niet wanneer die eenvoudig kan worden omzeild met een vaste projectprijs. Deel daarom de totale vergoeding door het aantal uren dat redelijkerwijs nodig is voor de opdracht. Daarbij horen ook noodzakelijke voorbereiding, inhoudelijk onderzoek, overleg, planning en reistijd wanneer de freelancer vanuit huis werkt.

In de offerte of opdrachtovereenkomst kan vooraf een realistische ureninschatting worden opgenomen. Wordt de opdracht uitgebreid, dan moeten de uren en de vergoeding worden aangepast. De opdrachtgever en zzp’er hoeven niet bij iedere factuur een uitgebreide urenadministratie mee te sturen, maar moeten de berekening bij controle wel kunnen onderbouwen.

Indexeer en actualiseer de bedragen

De sectorspecifieke ondergrenzen kunnen tegelijk met het minimumloon worden geïndexeerd. Daarnaast moet periodiek worden onderzocht of de indeling van beroepen en het aantal declarabele uren nog aansluiten bij de werkelijkheid.

Dat wordt steeds belangrijker door AI. Werkzaamheden verdwijnen, veranderen en ontstaan. Omscholen of ander werk zoeken kan, maar kost tijd. Een individuele zelfstandige heeft zelf weinig invloed op zulke marktontwikkelingen, maar ondervindt wel de gevolgen ervan.

Alleen tarieven indexeren is daarom niet genoeg. Ook de uitgangspunten achter de berekening moeten actueel blijven. Een economische ondergrens voorkomt niet dat opdrachten verdwijnen, maar wel dat het werk dat overblijft structureel te laag wordt vergoed.

Controleer de minimumvergoeding en laat de rest van de zzp-markt vrij

Het risico bestaat dat de ondergrens in sommige sectoren het standaardtarief wordt. Maar juist daar liggen de tarieven nu vaak nog lager. Dat sommige werknemers precies het minimumloon verdienen, is geen argument tegen een wettelijke bodem, maar juist een reden waarom die bestaat.

Een ondergrenstarief is geen eerlijk, gezond of marktconform tarief, maar het absolute minimum waaronder een gemiddelde zelfstandige niet duurzaam kan werken. Daarboven bepalen ervaring, kwaliteit, reputatie, schaarste en onderhandelingsmacht de prijs.

Ook het ondernemersrisico blijft gewoon bestaan. Een zelfstandige kan nog steeds te weinig opdrachten hebben, verkeerd investeren of hoge kosten maken. Ondernemerschap betekent alleen niet dat opdrachtgevers professionele arbeid structureel onder een economisch houdbare prijs moeten kunnen inkopen.

Het rechtsvermoeden verhindert dat helaas niet. Zelfstandigen houden lage tarieven soms vol door minder te reserveren voor pensioen, arbeidsongeschiktheid en periodes zonder opdrachten. Daardoor lijken zij goedkoper dan werknemers, terwijl de werkelijke kosten bij de zzp’er blijven liggen.

Een tariefondergrens kan betekenen dat opdrachtgevers die nu professionele arbeid onder een economisch houdbare prijs inkopen, meer moeten betalen. Dat is geen onbedoeld neveneffect. De vraag is wie de kosten en risico’s van flexibel werk draagt. Nu liggen die in sommige markten grotendeels bij de zelfstandige. Een ondergrens brengt daar meer evenwicht in.

Vrijwilligerswerk moet mogelijk blijven

Vrijwillige inzet voor een vereniging, goed doel, buurtinitiatief of organisatie zonder winstoogmerk moet mogelijk blijven. Dat is iets anders dan een commerciële opdrachtgever die gratis professioneel werk vraagt.

Een uitzondering kan gelden wanneer de zelfstandige aantoonbaar vrijwillig kiest, geen betaalde opdracht wordt vervangen en de afspraak vooraf schriftelijk wordt vastgelegd. Een commerciële partij die een professioneel product of een professionele dienst nodig heeft, moet daarvoor ten minste een economisch houdbare vergoeding betalen.

En een basisinkomen?

Een basisinkomen is een andere manier om bestaanszekerheid te organiseren. Iedere burger ontvangt dan een laag vast bedrag van de overheid, zonder werkverplichting en onafhankelijk van inkomen of vermogen. Een prachtig idee, als je het mij vraagt. Een basisinkomen voorkomt alleen niet dat commerciële partijen te weinig betalen voor werk. Als je een basisinkomen voor iedereen wilt, lijkt het mij logisch om er ook voor te zorgen dat commerciële partijen in iedere sector een duurzame vergoeding voor werk betalen.

Beide ideeën lossen een ander probleem op: een basisinkomen biedt inkomenszekerheid, een tariefondergrens voorkomt inkoop onder een economisch houdbare bodem.

Begin waar de nood het hoogst is

Een sectorspecifieke ondergrens hoeft niet direct voor ieder beroep te worden ingevoerd. Begin in sectoren waar relatief veel zelfstandigen werken en/of tarieven structureel laag zijn. Een opvallend hoog aandeel zzp’ers kan daarbij een signaal zijn dat nader onderzoek nodig is.

Over de financiële prikkel om zelfstandigen goedkoper in te huren schreef ik eerder: Waarom het rechtsvermoeden de economische prikkel achter schijnzelfstandigheid niet wegneemt

Ook sectoren waarin algemene aannames over declarabele uren slecht aansluiten op de praktijk verdienen prioriteit. Zo begin je waar de kans op een te lage economische bodem het grootst is.

Economische schijnzelfstandigheid?

Een goed berekende tariefondergrens maakt het minder aantrekkelijk om zelfstandigen vooral in te huren omdat ze goedkoper zijn dan werknemers. Zzp’ers dragen immers zelf kosten en risico’s die in hun tarief moeten terugkomen. Als een zzp’er juridisch wél zelfstandig is, maar structureel werkt tegen een tarief dat op de lange termijn niet is vol te houden, zou je dat dan economische schijnzelfstandigheid kunnen noemen?

Een tariefondergrens neemt een belangrijke financiële prikkel voor schijnzelfstandigheid weg. De Arbeidsinspectie bewaakt de economische bodem; de Belastingdienst en de rechter beoordelen de arbeidsrelatie. Zelfstandigen kunnen dan nog steeds worden ingehuurd vanwege hun kennis, flexibiliteit of tijdelijke inzet.

Bestaanszekerheid begint met goed rekenen

Het uitgangspunt is eenvoudig: wie fulltime werkt, moet daarmee minimaal voldoende kunnen verdienen om van te leven. Voor zelfstandigen betekent fulltime werken alleen niet dat alle gewerkte uren ook betaald kunnen worden. Hoe groot dat declarabele deel is, verschilt sterk per markt en verandert bovendien voortdurend.

De ene zzp’er zal boven het gemiddelde uitkomen, de andere eronder. Daarom pleit ik ervoor uit te gaan van het gemiddelde aantal declarabele uren binnen een markt. Een individuele zzp’er heeft weinig invloed op dat marktgemiddelde, maar krijgt er wel mee te maken.

Voor werknemers biedt het minimumloon een wettelijke bodem; voor echte zelfstandigen ontbreekt die. Maar ook voor hen hoort bestaanszekerheid niet afhankelijk te zijn van de toevallige markt waarin zij hun arbeid verkopen. Bij veel declarabele uren kan de ondergrens relatief laag zijn, bij weinig betaalde uren of hoge kosten juist hoger.

Een ondergrens bepaalt niet wat goed werk waard is, maar alleen wat te weinig is. Daarboven blijft ruimte voor onderhandeling. Daaronder niet.

 

Wilmar Dik is fotograaf, cameraman en actief pleitbezorger voor de positie van zelfstandigen in Nederland. Sinds 2008 werkt hij als zelfstandig professional en combineert hij zijn praktijkervaring met publicaties over ondernemerschap, marktwerking, tariefvorming, fotografie, marketing en duurzame verdienmodellen voor zzp’ers. Hij schrijft regelmatig over werken als zelfstandige en over de economische realiteit achter het ondernemerschap. Vanuit die betrokkenheid zet hij zich actief in voor realistische en uitvoerbare oplossingen die bijdragen aan een economisch houdbare positie van zelfstandigen. Bij de NVJ is hij vertegenwoordiger in het beleidsteam Werkvoorwaarden namens de ledengroep NVF/Beeldmakers. Daarnaast is hij als zelfstandig specialist betrokken bij de Ketentafel Fotografie (fairPACCT). Bekijk alle berichten van Wilmar Dik

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *



×