Paul Oldenburg 1 september 2026 0 reacties Print Substantietoets voor zzp-inhuur: eerst de onderneming, dan de arbeidsrelatieIn het derde deel van zijn reeks over de beoordeling van zzp-inhuur stelt Paul Oldenburg een andere vraag voorop: met wie contracteert de opdrachtgever eigenlijk? Zijn antwoord is een bedrijfskundige toets op de substantie van de onderneming, als aanvulling op de juridische kwalificatievraag. Deel 1 van deze reeks stelde dat het zzp-debat de verkeerde vraag stelt. Deel 2 pleitte voor een werkbaar beoordelingskader. In dit derde deel schets ik dit kader: vijf dimensies, dossieropbouw op drie niveaus en de vraag waarmee het begint. Met wie contracteert u eigenlijk? Lees ook: Inhuur of loonlijst? Stop met de verkeerde vraag stellen. Waarom een nieuwe toets nodig is Sinds minister Aartsen op 6 maart 2026 het verduidelijkingsdeel van de Vbar schrapte, geldt onverkort de holistische toets van de Hoge Raad: per opdracht, achteraf, moeilijk voorspelbaar. Van de Vbar bleef het rechtsvermoeden bij lage tarieven over, waarmee de Eerste Kamer op 16 juni 2026 instemde. Minister Aartsen stelde in juni vast dat nergens in de Nederlandse wet staat wanneer iemand zelfstandig is. De Zelfstandigenwet die dat gat moet vullen is nog in ontwerp. Het initiatiefvoorstel waarop zij rust, kijkt vooralsnog alleen naar de persoon van de werkende en niet naar de onderneming die wordt gecontracteerd. Ondertussen handhaaft de Belastingdienst sinds 1 januari 2025 zonder moratorium. Tot en met oktober 2025 rapporteerde het kabinet 842 bedrijfsbezoeken en 237 boekenonderzoeken. Sinds 1 januari 2026 kunnen bij opzet of grove schuld weer vergrijpboetes volgen; verzuimboetes blijven dit jaar achterwege. Bij schijnzelfstandigheid draagt de inlener het grootste risico: indicatief meer dan 30 procent van het betaalde bedrag. In het rekenvoorbeeld dat de Belastingdienst op het Bovib-congres van juni presenteerde, gaat het om circa € 10.223 naheffing op een opdrachtsom van € 24.000. Rationeel gedrag van een opdrachtgever is dan risicomijding, met de inhuur ondergebracht bij een handvol brokers of MSP’s. Zo ontstaat de indirecte uitsluiting die FNV Zelfstandigen en anderen terecht signaleren: de echte zelfstandige is formeel welkom, maar verliest zijn directe toegang. De markt heeft nú iets nodig dat werkt. De kern: de partijvraag als voorvraag De denkfout in het huidige debat is dat alles op de kwalificatievraag wordt gelegd: is déze arbeidsrelatie een dienstbetrekking? Die vraag wordt holistisch en per opdracht beoordeeld, en is daarmee inherent onzeker. Er gaat een andere vraag aan vooraf: de partijvraag. Met wie contracteert u, en heeft u te maken met een reële onderneming? Voor de juridisch onderlegden: die partijvraag kent een eigen, stabieler toetsingskader (Volvo/Braam, ABN AMRO/Malhi), niet dat van Groen/Schoevers. Wat er voor een opdrachtgever toe doet, is of zijn partijkeuze standhoudt. Een rechter of een inspecteur mag door een constructie heen kijken als de onderneming geen eigen betekenis heeft. Heeft de contractpartij aantoonbare substantie, met een toetsbare scheiding tussen de onderneming en de persoon die het werk uitvoert, dan is het restrisico bedrijfskundig aanvaardbaar en kan vooraf en gedocumenteerd worden gecontracteerd. In gewone taal komt het hierop neer. Inhuur is een spel met twee spelers, en allebei moeten zij vóóraf weten wat zij willen zijn. Wil je ondernemer zijn, met eigen spelregels en eigen opdrachtgevers? Of wil je een professional zijn die goed werk levert en zekerheid zoekt? Allebei prima, maar het moet kloppen met wat de opdrachtgever zoekt: een persoon die hij aanstuurt, of een onderneming die verantwoordelijkheid neemt voor het resultaat. Het grijze gebied ontstaat namelijk niet omdat de verkeerde vorm gekozen wordt, maar omdat twee partijen iets anders willen en geen van beiden dat hardop zegt, laat staan netjes vastlegt. Een bedrijfskundige toets, geen juridisch oordeel Dit stuk is geschreven vanuit de bedrijfskunde en niet vanuit het recht, en dat is een keuze. De kwalificatievraag is een juridische vraag met een juridisch antwoord; die laat ik aan juristen. Of een onderneming substantie draagt, is ook een bedrijfskundige vaststelling: draagt deze partij eigen risico, heeft zij een markt, een organisatie, continuïteit? U beoordeelt het met dossiers en cijfers. Substantieel ondernemerschap is hier een bedrijfskundig begrip en verschilt van het gezichtspunt extern ondernemerschap uit de rechtspraak, hoezeer de kenmerken ook op elkaar lijken. Het verschil zit in het object. Extern ondernemerschap neemt de werkende als uitgangspunt. De substantietoets neemt de onderneming als uitgangspunt; de persoon komt alleen in beeld voor zover hij iets zegt over de onderneming, niet andersom. De zekerheid is navenant: bedrijfskundig aanvaardbare zekerheid vooraf. Geen juridische garantie, wel een risiconiveau waarop een bestuurder, een CFO of een inkoper kan handelen. Zoals dat ook geldt voor een kredietbeoordeling, een leveranciersaudit of een verzekeringsdekking: niemand vraagt daar om een juridische garantie, en toch handelt iedereen erop. Lees ook: Op zoek naar een werkbaar beoordelingskader voor substantieel ondernemerschap Hoe de toets werkt De toets beoordeelt substantieel ondernemerschap op objectieve, verifieerbare kenmerken die aansluiten bij de gezichtspunten die ook in de rechtspraak een rol spelen: eigen rekening en risico, debiteurenrisico, meerdere opdrachtgevers, eigen verzekeringen en bedrijfsmiddelen, een actieve marktpositie, en contractering van entiteit tot entiteit met een toetsbare scheiding tussen de onderneming en de persoon die het werk uitvoert. De uitkomst is geen momentopname, maar een niveau met bijbehorende, controleerbare dossieropbouw. Onderstaand schema geeft de vijf dimensies en de drie niveaus. De kernvraag daarbij is niet of deze opdracht goed is ingericht, maar of de onderneming bestaat en blijft bestaan als deze opdracht wegvalt. De opdracht telt dus wel degelijk mee, maar als feit óver de onderneming. Een voltijdse opdracht van jaren kan een onderneming uithollen tot een doorgeefluik, en juist dat wil de toets vooraf zichtbaar maken. De toets is bewust selectief. Niet elke zelfstandige zal echte substantie kunnen aantonen, en juist daar zit de toegevoegde waarde: voor de ondernemer die het wél aantoont, is de zekerheid iets waarop vertrouwd kan worden. Wie de toets niet haalt, wordt niet afgewezen; die opdracht gaat gewoon door naar de kwalificatievraag. Niemand valt af; de route loopt alleen anders. Op niveau C is het ijs altijd glad en is juridisch advies bij het intakegesprek verstandig. Twee zaken, twee uitkomsten Twee uitspraken laten zien waar de grens ligt. In de zaak van een intensivist (ECLI:NL:RBZWB:2024:4597) bestond het ondernemerschap uit een inschrijving bij de Kamer van Koophandel, een LinkedIn-profiel en eigen werkkleding. De herkwalificatie slaagde. Geen enkele dimensie van de toets zou hier zijn afgedekt, en de uitkomst bevestigt het kader van de andere kant: herkwalificatie slaagt waar de substantie dun is. De zaak Humby (ECLI:NL:RBLIM:2025:11921) wijst de andere kant op. Daar werkte een bv voor in feite één opdrachtgever, en toch werd geen arbeidsovereenkomst aangenomen. Spreiding is dus geen drempeleis, maar een indicator binnen de toets. Dunne spreiding leidt tot méér onderzoek, niet tot afwijzing. Beide zaken komen uit een set die ik in zijn geheel heb doorgenomen en gecodeerd op de vijf dimensies. De verantwoording daarvan en de volledige dataset publiceer ik apart. De bedrijfskundige safe harbour Hier zit de waarde van de toets. Een organisatie die door de Belastingdienst wordt gecontroleerd, legt voor haar zzp-inhuur de substantietoets plus het onderliggende dossier over. Daarmee is vooraf en gedocumenteerd onderbouwd waarom met deze onderneming is gecontracteerd, en hoeft niemand achteraf een voorschot te nemen op een ondoorzichtige afweging per opdracht. Het is de bedrijfskundige, schaalbare pendant van de bestaande routes voor zekerheid vooraf (de beschikking geen verzekeringsplicht, het vooroverleg met de Belastingdienst), maar dan herbruikbaar en direct toepasbaar. Een open standaard De toets is geen keurmerk en geen product. Ik zet hem als open standaard in de markt: de criteria, de weging en straks de onderliggende dataset zijn openbaar, en iedereen mag hem gebruiken, bekritiseren en verbeteren. Een instrument dat vooraf zekerheid moet bieden, kan niet in bezit zijn van één partij. Gesprekken met belangenbehartigers, de Belastingdienst en het ministerie zijn welkom en nuttig, en uiteindelijk is het aan de wetgever om structureel duidelijk te maken wat wel en niet kan. De toets wacht daar niet op. Het werk zit in de inbedding Een schema op papier verandert nog niets. Vier dingen moeten in de organisatie landen voordat de toets iets waard is. De toets hoort in het inkoopbeleid, zodat de partijvraag vóór de aanvraag wordt gesteld en niet erna. Hij hoort in het intakeproces, met iemand die het gesprek op niveau C kan voeren. Hij hoort in de afspraken met brokers en de MSP, want als die de contractpartij selecteren zonder dat de toets daar geldt, blijft het dossier van de opdrachtgever leeg. En er hoort een hertoets bij, bij verlenging en bij signaalwijziging, want substantie is geen momentopname. Bij opdrachtstart is de toets het startdossier. Tijdens de opdracht blijft de dagelijkse verantwoording langs de Deliveroo-lijn gewoon staan. Begin vanavond Een suggestie om mee te beginnen, en hij kost u een uur. Neem uw vijf grootste zzp-relaties. Loop per relatie het schema langs en tel hoeveel er op niveau A blijven staan, met bewijsstuk erbij en niet op gevoel. Bij de meeste organisaties valt die uitkomst tegen. Dan weet u wat er te doen staat, en of u het gesprek met uw inhurende managers wilt voeren voordat de inspecteur of uw accountant het met u voert. Verantwoording De substantietoets bouwt voort op een inzicht dat Joost van Ladesteijn (Vertex Legal) in dit debat heeft verwoord: dat de partijvraag voorafgaat aan de kwalificatievraag. Ik vertaal dat inzicht naar een werkbaar en toetsbaar instrument met vijf dimensies en dossieropbouw. Voor de empirische onderbouwing is de set uitspraken uit het onderzoek van Van der Neut en Zevenbergen gecodeerd op die vijf dimensies, met per dimensie de rechtsoverweging waarop de score rust. Methodeverantwoording en dataset volgen in een aparte publicatie, zodat iedereen kan inzien wat er is gedaan. Het criterium waarop dit kader sneuvelt, ligt vooraf vast: een uitspraak waarin de contractpartij op ten minste vier van de vijf dimensies aantoonbaar scoorde en waarin tóch een arbeidsovereenkomst werd aangenomen. Kent u zo’n zaak, dan houd ik me aanbevolen via paul@pauloldenburg.nl. Elke zaak die aan dat criterium voldoet, gaat met bronvermelding de openbare dataset in. ondernemerschap, schijnzelfstandigheid, zelfstandigenwet Print Over de auteur Over Paul Oldenburg Paul Oldenburg heeft sinds 1999 een management-BV en wisselde periodes van opdrachten uitvoeren af met ondernemen (thuiszorg, uitzendbureau) en tijdelijke loondienst (HeadFirst). Hij is co-auteur van Professioneel Inhuren van Flexibele Arbeid (2013, herziene editie 2014, geschreven met Max Boodie en Rob de Laat) en Professioneel Inhuren van Externe Arbeid (2021, geschreven met Max Boodie, Rob de Laat en Peter Donker van Heel). Hij is beschikbaar om inhurende organisaties te adviseren over hun inhuurbeleid en -strategie. Contact via LinkedIn. Bekijk alle berichten van Paul Oldenburg
nieuws - Brancheorganisaties: ‘Zelfstandigen die via intermediair werken zijn net zo goed ondernemers’