Gastblogger 4 juni 2026 2 reacties Print Inhuur of loonlijst? Stop met de verkeerde vraag stellen.De afdelingen Inkoop en HR zijn bij het inhuren van zelfstandigen gebonden aan een onnodig gejuridiseerd inhuurbeleid, merkt expert Paul Oldenburg. Theoretische risico’s leiden tot veel te rigide regels. Hij komt in zijn opinieartikel met drie checks voor veilig inhuren interimmers die evident ondernemer zijn. Sinds 1999 heb ik een management-BV. In die ruim 25 jaar wisselde ik periodes van opdrachten uitvoeren af met periodes van feitelijk ondernemen — een thuiszorgbedrijf, een uitzendbureau — en een tijdelijke loondienstperiode bij HeadFirst. Ik schreef er twee boeken over: Professioneel Inhuren van Flexibele Arbeid (2013, herziene editie 2014) en Professioneel Inhuren van Externe Arbeid (2021). Ik ken het werkveld vanuit elke hoek: als opdrachtnemer, als opdrachtgever, als werkgever, als werknemer. Wat ik nu zie gebeuren in de Wet DBA-discussie maakt me ongerust. Inkoopmanagers, HR-professionals en compliance-specialisten krijgen juridische adviezen waarin elk theoretisch risico wordt benoemd alsof het een vaststaand probleem is. De logische conclusie volgt: bij elke opdracht die ook maar een beetje naar inbedding neigt, kiezen we voortaan voor loondienst of detachering. Veiligheid voor alles. Het gevolg is een stille catastrofe voor ondernemend Nederland. Ervaren zelfstandigen verliezen opdrachten. Niet omdat ze schijnzelfstandig zijn. Maar omdat een jurist ooit “theoretisch risico” heeft genoteerd in een memo. Ze worden gedwongen in tijdelijke loondienst, in detachering, of in ingewikkelde tussenkomstconstructies die het probleem niet oplossen maar commercieel afromen. Ondernemerschap doet ertoe De vraag die in elke inkoopvergadering en compliance-meeting voorbijkomt bij het aantrekken van een externe expert – inhuren of op de loonlijst? – wordt steeds vaker beantwoord met loonlijst. Niet omdat de inhuur juridisch niet zou kunnen. Maar omdat niemand zich nog comfortabel voelt bij “ja, inhuren is hier prima.” Dat comfort kan terugkomen. Maar dan moet de vraag anders. De eerste juiste vraag is: is deze kandidaat een ondernemer en daarom geen mogelijke werknemer? Immers, de Hoge Raad benadrukte bij haar beantwoording van prejudiciële vragen naar aanleiding van de Uber-rechtszaak nog eens het belang van het ondernemerschap van de werkende in kwestie: “hetzelfde werk voor dezelfde opdrachtgever kan voor een werkende met ‘ondernemerschap’ geen arbeidsovereenkomst betekenen en voor een werkende zonder ‘ondernemerschap’ wel.” Daarom ook deze oproep van Minister Aartsen (Werk en Participatie) in een ZiPconomy podcast “Begin nou eens met de vraag: vertel mij nou eens hoe dat externe ondernemerschap bij jou eruitziet. Heb je nog meer klussen? Hoe actief ben je met je acquisitie? Doe je nog andere dingen ernaast? Hebben we bij de klus die we doen een kop en een staart afgesproken?” En, zo zei hij in diezelfde podcast “zij aan zij werken, dat kan wél” waarbij hij naar die Uber zaak verwees. Het toetsingskader van de Belastingdienst is daar ook recentelijk op aangepast. Drie checks waarmee inkoop en compliance vooruit kunnen Goed nieuws! Een toetsingskader over ondernemerschap is veel bruikbaarder dan een rechtsvorm-check of een inbeddingscheck. De vraag wordt namelijk operationeel toetsbaar, met drie verifieerbare criteria die elke inkoper of compliance-medewerker kan toepassen. Eén: heeft deze persoon meerdere opdrachtgevers in de afgelopen 24 maanden? Wie altijd één klant tegelijk heeft en die elke twee jaar wisselt, is geen ondernemer in materiële zin. Twee: is er aantoonbare ondernemerssubstance? Eigen administratie, eigen kantooradres of werkruimte, accountant, AOV op naam van de onderneming, btw-aangiften, marktactiviteit, eigen opleiding, eigen aansprakelijkheidsverzekering, en bij voorkeur een ondernemersrisico dat hij feitelijk loopt. Een ondernemer investeert in zijn eigen bedrijf en heeft daardoor iets te verliezen. Drie: is er een meerjarig patroon van opdrachtenspreiding? Een interim-opdracht van 18 maanden waarin de ondernemer voor honderd procent van zijn inkomen afhankelijk is van één klant, is geen probleem — mits er voor en na die opdracht aantoonbaar andere opdrachten en andere klanten zijn. De toets ligt niet op de momentopname van één opdracht, maar op het patroon over drie tot vijf jaar. Wie elke twee jaar bij een nieuwe klant zit, is ondernemer. Wie al zes jaar bij dezelfde klant zit en zijn contract elke keer verlengt, is materieel werknemer. Daarbij hoort een zakelijke contractvorm: resultaatverplichting in plaats van “ter beschikking stellen”, een marktconform tarief dat ruimte biedt voor eigen sociale lasten, voorzieningen en ondernemersrisico, en geen werknemerselementen zoals vakantiegeld, ziektedoorbetaling of een dertiende maand. Bij drie keer ja: dan kan je mijns inziens deze persoon feitelijk veilig inhuren, ongeacht of hij of zij IB-ondernemer of DGA is. De persoon is zo evident ondernemer, dat hij of zij niet als werknemer gezien kan worden. Bij twijfel op een of meer punten: kijk dan naar de andere criteria uit het Deliveroo arrest – die bijvoorbeeld gaan over inbedding of gezag – en stel dan pas de vraag of loondienst of een echte detacheringsconstructie niet passender is. Voorbeelden uit de praktijk Kunnen we een ondernemer veilig inzetten op werk dat per definitie ingebed is? Een interim-bestuurder die negen maanden de afgetreden divisiedirecteur vervangt, deelneemt aan het MT, beoordelingsgesprekken voert en rapporteert aan de RvB. Een interim-CIO die twaalf maanden de IT-strategie trekt en gezagsmatig in de organisatie functioneert. Een ervaren consultant die twee jaar lang een transformatieprogramma leidt. Een IC verpleegkundige die kennis en ervaring wil delen met meerdere ziekenhuizen en investeert in eigen opleiding en certificeringen. Volgens de losse Deliveroo-criteria op die specifieke opdracht zou je tot een arbeidsrelatie kunnen concluderen. Persoonlijke arbeid, loon, gezag, inbedding — allemaal aanwezig. En toch is bij een ervaren ondernemer met substance herkwalificatie hier niet de uitkomst die rechters geven. Niet omdat de toets wordt overgeslagen, maar omdat de toets holistisch is. Het ondernemerschap weegt zwaar genoeg om de inbeddingsmarkers te overstemmen — zeker als de opdracht naar zijn aard tijdelijk en contextueel is. Dit is de boodschap die inkoop en compliance nodig hebben. Niet “vermijd alle inbedding”, maar: “als we werken met een aantoonbaar ervaren ondernemer, kunnen we deze ook tijdelijk ingebed werk laten doen.” Het criterium is niet de aard van de opdracht; het criterium is de aard van de uitvoerder. Empirisch ondersteunt de jurisprudentie deze lijn. In tien jaar tijd is er geen gepubliceerde zaak te vinden waarin een echte ondernemer met substance – IB of BV – tegen zijn zin een arbeidsovereenkomst kreeg opgelegd bij een ongelieerde opdrachtgever. De zaken waarin herkwalificatie wel slaagde, betreffen vrijwel zonder uitzondering personen zonder ondernemerssubstance: één opdrachtgever, geen marktactiviteit, geen administratie, geen ondernemersrisico. Het patroon is consistent. Wat dit betekent voor het inhuurbeleid Hier ligt de praktische opdracht voor inhurende organisaties. Het huidige inhuurbeleid van veel organisaties is impliciet rechtsvorm-gericht of inbedding-gericht: “alleen via een BV inhuren”, “geen freelancers meer”, “langer dan zes maanden alleen via detachering”. Dit beleid lost het probleem niet op en sluit ondernemers buiten die de organisatie juist welkom zou heten. Professionele inhuurders: loop vooruit op de nieuwe wet: Een ondernemerschap-gericht inhuurbeleid kent twee fases. In de eerste fase toets je ondernemerschap aan de drie criteria hierboven. Dit kun je intern doen, of laten ondersteunen door een gespecialiseerde tussenpersoon die op compliance is ingericht. Het levert een dossier op dat je in handen hebt als de Belastingdienst ooit langskomt. In de tweede fase contracteer je zakelijk en laat je de uitvoering ook zakelijk verlopen: geen integratie in HR-systemen, geen prestatiebeoordelingen, geen statutaire bestuurdersbenoeming van de ingehuurde persoon, geen toegang tot interne talentontwikkelingsprogramma’s. De ondernemer is een leverancier, geen werknemer. Met deze twee fases samen heb je een inhuurpraktijk die juridisch verdedigbaar is, operationeel werkbaar, en die ondernemers toelaat in plaats van uitsluit. Het is geen vrijbrief voor alles; het is een professioneel kader voor inhuur dat inkoop, HR en compliance kunnen dragen tegenover hun directies en hun externe accountant. De echte kosten van overvoorzichtigheid Als de huidige reflex in inhurende organisaties doorzet, verliezen we drie dingen tegelijk. Ondernemers verliezen toegang tot organisaties die hun expertise hard nodig hebben. Organisaties verliezen toegang tot ervaring die ze intern niet kunnen opbouwen. En de Nederlandse arbeidsmarkt verliest de flexibiliteit die ze juist in volatiele tijden nodig heeft. Het verschil tussen reële en theoretische risico’s maakt het verschil tussen een organisatie die wendbaar blijft en een organisatie die zichzelf opsluit in loondienst. De keuze ligt bij de mensen die de inhuur dagelijks doen. Mijn oproep naar met name publieke opdrachtgevers (zij hebben een voorbeeldfunctie): zorg dat je inhuurbeleid in lijn is met de meest actuele uitspraken van de Hoge Raad én de koerswijziging ingezet door Minister Aartsen. Over de auteur Paul Oldenburg heeft sinds 1999 een management-BV en wisselde periodes van opdrachten uitvoeren af met ondernemen (thuiszorg, uitzendbureau) en tijdelijke loondienst (HeadFirst). Hij is auteur van Professioneel Inhuren van Flexibele Arbeid (2013, herziene editie 2014) en Professioneel Inhuren van Externe Arbeid (2021). Hij is beschikbaar om inhurende organisaties te adviseren over hun inhuurbeleid en -strategie. Contact via LinkedIn. BV, ondernemerschap Print Over de auteur Over Gastblogger ZiPconomy geeft ruimte aan auteurs die eenmalig een artikel willen plaatsen op ZiPconomy. Naam en functie van deze gastbloggers worden onder het artikel vermeld. Bekijk alle berichten van Gastblogger
Check#1 geeft aan dat iemand die 2 jaar bij 1 opdrachtgever zit geen ondernemer is terwijl check#3 aangeeft dat deze in dezelfde situatie dat wel is ? Kan dit mij worden verduidelijkt door de auteur ? Verder gaat check#1 niet op in de ICT branche. In mijn geval word ik meestal fulltime ingehuurd om een specialisme dat de organisatie vaak niet in house heeft, voor een project (dus duidelijke kop en staart) maar waarbij deze projecten nagenoeg altijd vertraging oplopen en vaak langer dan een jaar, soms wel 2 jaar duren. Een aantal andere actuele juridische checks om de arbeidsrelatie te duiden raken helemaal kant nog wal waar het ICT aangaat. ‘Vrije vervangbaarheid’ is er zo een. Voorafgaand aan de inzet vindt er een intake plaats waarbij naast geschiktheid ook beoordeeld wordt of er een klik is met het projectteam en er vaak een screening of VOG vereist is. Het allerlaatste wat ik dan ben is vrij vervangbaar. Zou wat zijn als ik in de morgen bel en vertel dat ik vandaag niet kan en mijn buurman stuur. ‘Gebruik eigen middelen’ is er nog zo een. Ik werk meestal voor organisaties met een hoog security profile zoals bijvoorbeeld banken en ben daarbij gebonden aan een laptop uitgegeven door het bedrijf. Ze zien me al aankomen met mijn eigen laptop om die vervolgens in te prikken op hun domein: security breach van het hoogste niveau. Om het nog maar niet te hebben over de gezagsverhouding. Ik word geacht te sturen op het projectresultaat ipv iets anders te gaan doen. Uiteraard geef ik daarbinnen wel mijn eigen richting hieraan, maar het blijft een grijs gebied. Al met al dus 4 kaders waarbij ik volgens de fiscus geen ondernemer ben, maar dit wel al 18 jaar doe met veel plezier en alle aspecten die daarbij komen kijken, zoals alles voor eigen rekening en risico en bijvoorbeeld een AOV en een pensioenvoorziening. Ik begrijp dat de wetgeving is gericht op bescherming van degenen aan de onderkant van de arbeidsmarkt maar levert met name in de ICT branche (met meestal uurtarieven die aan de bovenkant in de markt liggen) een hele hoop ellende op doordat opdrachtgevers huiverig zijn/worden om zzp-ers in te huren. Beantwoorden
Beste Paul, goed stuk, voor waar het de kosten van overvoorzichtigheid aanstipt, maar met je drie criteria zit je volgens mij niet op het goede spoor. Ten eerste vormen deze drie criteria een subset van de Deliveroo-criteria, en doen als zodanig geen recht aan de holistische benadering die de Hoge raad voorschrijft. Ten tweede scheer je ondernemers die werken vanuit een eenmanszaak en ondernemers die werken vanuit hun eigen BV over één kam. Dat is juridisch gezien niet correct. Het grote verschil tussen de twee is dat een BV rechtspersoonlijk heeft, en een eenmanszaak niet. Bij toetsen aan art 7:610 BW van een overeenkomst tussen een BV en de opdrachtgever van die BV, schrijft de Hoge Raad een tweefasenmodel voor. Eerst moet in de uitlegfase de vraag worden beantwoord wie de contractspartijen zijn (hier geldt Haviltex), en wat ze zijn overeengekomen. De in de uitlegfase vastgestelde rechten en plichten worden in de kwalificatiefase dwingendrechtelijk getoetst aan de wettelijke eisen die gelden voor een arbeidsovereenkomst (hier spelen partijbedoelingen geen rol). Als de uitkomst in de uitlegfase is:”contract tussen twee BVs”, dan is er geen natuurlijk persoon aanwezig als partij bij de overeenkomst. Omdat een arbeidsovereenkomst per definitie een natuurlijk persoon als een van de contractpartijen moet hebben (de werknemer), kan zo’n B2B contract niet gekwalificeerd worden als arbeidsovereenkomst. Je komt dan aan de kwalificatiefase niet toe. Er is uitgebreide jurisprudentie van de Hoge Raad die deze benadering ondersteunt, al wordt die momenteel door lagere rechters vaak genegeerd. Dit pleit voor een aanpak door opdrachtgevers die een verschil maakt tussen ondernemers met een eenmanszaak en ondernemers met een BV. Beantwoorden