SLUIT MENU

Minister Aartsen (Werk & Participatie) maakt tempo met nieuwe zzp-wet: rechtsvermoeden werknemerschap bij tarief onder de 38 euro

De nieuwe minister van Werk en Participatie zet vaart achter de invoering van het rechtsvermoeden van werknemerschap voor schijnzelfstandigen met lage tarieven. Het voorstel is vrijdag aangenomen in de ministerraad en moet wat betreft minister Thierry Aartsen vanaf 2027 gelden.

Zelfstandigen met een uurtarief van minder dan 38 à 39 euro kunnen straks eenvoudig bij de rechter claimen dat zij werknemer zijn. Zij hebben dan dezelfde rechten als werknemers in loondienst. Is de opdrachtgever het er niet mee eens? Dan moet hij bewijzen dat het toch gaat om zelfstandig ondernemerschap.

De ministerraad ging vrijdag akkoord met dit voorstel van Thierry Aartsen, de nieuwe minister van Werk en Participatie. Aartsen laat hiermee zien dat hij zijn belofte wil waarmaken: snel aan de slag met nieuwe zzp-wetgeving. “Het is een eerste stap van een nieuwe koers”, zegt Aartsen. “Het is belangrijk om zelfstandigen en opdrachtgevers duidelijkheid te geven. En daarmee te zorgen voor rust onder zzp’ers en opdrachtgevers, zodat we voorkomen dat opdrachten onnodig wegvallen.”

Losgeknipt van de wet VBAR

Het rechtsvermoeden van werknemerschap was oorspronkelijk onderdeel van de wet Verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden (VBAR). In het regeerakkoord stond al dat het kabinet niet doorgaat met de VBAR, maar wel met het rechtsvermoeden. Aartsen ‘knipt’ dit R-onderdeel los van de rest, om het snel in te voeren.

Volgende stap: uitwerken Zelfstandigenwet

Over het VBA-deel was namelijk veel discussie. Dit gedeelte moet verduidelijken wanneer een opdrachtgever een zzp’er mag inhuren. Als Tweede Kamerlid ontwikkelde Aartsen (VVD) samen met D66, CDA en SGP een alternatief voor het VBA-deel: de Zelfstandigenwet. In het coalitieakkoord staat dat hij dit verder mag uitwerken en invoeren. Dit wordt zijn volgende stap, na de invoering van het rechtsvermoeden.

“Voor een deel van het wetsvoorstel VBAR ontbrak het aan draagvlak”, zegt Aartsen. “Daarom haal ik dat deel van het wetsvoorstel van tafel. Hiermee is de weg vrij voor de Zelfstandigenwet.”

Rechtsvermoeden: hoe werkt het?

Het rechtsvermoeden van werknemerschap is bedoeld om kwetsbare werkenden te beschermen tegen schijnzelfstandigheid. Het is een ‘facultatief instrument’: dat betekent dat de werkende er gebruik van mag maken, maar het hoeft niet. Als hij tevreden is met zijn werk als zzp’er voor een lager tarief, dan hoeft hij niks te doen.

Maar als hij vindt dat hij eigenlijk recht heeft op werknemersbescherming (ontslagrecht, loondoorbetaling bij ziekte, pensioenopbouw), dan kan hij een beroep doen op het rechtsvermoeden. Als hij inderdaad een lager uurtarief krijgt dan het drempelbedrag, kan hij bij de rechter eenvoudig werknemersrechten opeisen.

Daartoe wordt het artikel 610 van Boek 7 BW aangepast (zie hier) 

Omgekeerde bewijslast

Dit is heel anders dan dat het nu werkt. Op dit moment moet een schijnzelfstandige bewijs leveren dat hij eigenlijk werknemer is. Als straks het rechtsvermoeden is ingevoerd, hoeft dat niet meer. De rechter gaat uit van werknemerschap zodra het uurtarief minder is dan het drempelbedrag. Als een opdrachtgever toch vindt dat er sprake is van zzp-schap, dan moet hij dat bewijzen.

Hoe hoog is het drempelbedrag?

De tariefgrens is afgeleid van het minimumloon en wordt 38 à 39 euro per uur. Het tarief staat niet vast: als het minimumloon stijgt, groeit het drempelbedrag automatisch mee. Het bedrag wordt altijd naar boven afgerond. In de tabel hieronder zie je hoe dat werkt. 

 

Het voorstel is al een paar jaar oud. Je ziet nu dus al hoe het meestijgt met het minimumloon: van 33 euro in 2023 naar waarschijnlijk 39 euro in 2027.

Wat is het niet?

Het rechtsvermoeden van werknemerschap is nadrukkelijk geen verbod om onder het drempeltarief te werken. Daarnaast kunnen alleen werkenden zelf of hun vertegenwoordigers er een beroep op doen. Instanties zoals de Belastingdienst of de Nederlandse Arbeidsinspectie kunnen er niets mee.

Tot slot kunnen alleen mensen die werken voor zakelijke opdrachtgevers (bedrijven of organisaties) het rechtsvermoeden inroepen. Zzp’ers die producten verkopen (de bakker, de webshophouder) of die werken voor particulieren (de thuiskapper, de bijlesleraar), kunnen er niks mee. 

Welk effect heeft dit?

Opdrachtgevers die werken met zelfstandigen tegen tarieven lager dan het grensbedrag, lopen risico. De zzp’ers kunnen later namelijk eenvoudig naar de rechter gaan en werknemersrechten opeisen. Dit kan de werkgever flink geld kosten. Als hij het er niet mee eens is, moet hij voldoende bewijs hebben dat er sprake was van zzp-schap.

Het effect van het rechtsvermoeden kan zijn dat opdrachtgevers tarieven structureel verhogen. Het is officieel geen ‘minimumtarief’, maar kan in de praktijk dus wel zo uitpakken. Verder hoopt het kabinet dat het zorgt dat werkgevers bewuster nadenken over de contractvorm. Kiezen voor zzp-inhuur alleen omdat het goedkoper is, moet afgelopen zijn.

Politieke discussie

De ministerraad is akkoord, nu de Tweede Kamer nog. Aarsten hoopt dit snel voor elkaar te krijgen, zodat het rechtsvermoeden vanaf begin 2027 kan gelden. In principe steunen veel partijen het rechtsvermoeden, maar er zijn nog wel wat discussiepunten en twijfels.

1. Geen handhaving, dus een papieren tijger?

Het rechtsvermoeden is momenteel een ‘privaatrechtelijk’ instrument. Dat betekent dat Belastingdienst en Arbeidsinspectie het niet kunnen handhaven. Kamerlid Mariëtte Patijn (GroenLinks-PvdA) noemde dit eerder een ‘gemiste kans’ en vreest dat het weinig effect zal hebben zonder publiekrechtelijke handhaving.

Dat vinden ook vakbond FNV en de BBB. “Zodra je zegt dat mensen zelf naar de rechter moeten stappen om hun recht te halen, geef je eigenlijk al aan dat de wetgeving aan de basis niet goed in elkaar zit”, zei BBB-Kamerlid Henk Vermeer.

2. Beperking van ondernemerschap?

Partijen op rechts worstelen juist met de inbreuk op de markt. Hoewel het geen minimumtarief is, kan het in de praktijk wel zo uitwerken. Uit peilingen van brancheorganisaties zoals ABU, Bovib en RIM blijkt dat er brede steun is voor de plannen, maar dat wil niet zeggen dat alle zelfstandigen voorstander zijn.

Grafieken: Zzp’ers met hoge tarieven zijn vaker voorstander van een rechtsvermoeden onder een laag uurtarief. Bron: ZZPKiest.nu

Zelfstandigen die ruim boven de grens verdienen, steunen het voorstel omdat het hen rust en duidelijkheid geeft. Maar juist de groep voor wie het rechtsvermoeden bedoeld is (de ‘laagverdienders’) zit er minder op te wachten. Uit het grootschalige ZZPKiest-onderzoek van ZiPconomy (2025) blijkt dat de steun significant afneemt, naarmate het uurtarief daalt. Zzp’ers met lage tarieven zijn bang dat ze niet meer ingehuurd worden.

Grafieken: Zzp’ers die VVD, JA21 of PVV kiezen, zijn het vaker oneens met het rechtsvermoeden. Bron: ZZPKiest.nu

 

Kortom, de doelgroep zelf vreest voor de gevolgen en in de politiek hebben links (effectiviteit zonder publieke handhaving) als rechts (beperking om eigen tarieven te bepalen) bezwaren. Aartsen heeft vaart gezet, maar is nog niet klaar. Hij moet aan de slag om de sceptische polder en Kamer te overtuigen.

 

11 reacties op dit bericht

  1. Lees ik nou goed in het tabelletje dat de straks voor zzp-ers verplichte AOV EUR 4,60 per uur gaat kosten?

    En is dat bedrag dan toch voor alle zzp-ers gelijk? Want die AOV voorziet alleen in een uitkering op minimum-niveau toch? Het is toch one-size-fits-all? Kan de redactie of de auteur dat nog bevestigen?

    Maar op minimumniveau is die AOV dus gelijk 25% opslag op het uurtarief. Dat scheelt nogal! Wordt flexibel bij dat uurtarief zo al duurder dan in vaste dienst? Met andere woorden: moet een opdrachtgever straks meer betalen voor een zzp-er dan een vergelijkbare werknemer zou kosten? Ik ben wel benieuwd of de markt de extra flexibiliteit van een zzp-er voldoende waardeert om die meerprijs te willen betalen.

    • Nee, dat is/wordt een andere discussie en heeft niet direct hier iets mee te maken. Dit is een rekentabel uit het wetsvoorstel waarbij een vergelijking wordt gemaakt met het Minimumloon en wat daar dan bij zou horen zzp-tarief (met oa kosten die een zzp in een vergelijkbare positie zou moeten maken om op zelfde manier verzekerd te zijn)

  2. Er wordt ein-de-lijk een blijk van besef gegeven dat ‘de ZZP’er’ niet bestaat en er dus ook geen eenheidsworst in regelgeving kan bestaan (“Tot slot kunnen alleen mensen die werken voor zakelijke opdrachtgevers (bedrijven of organisaties) het rechtsvermoeden inroepen. Zzp’ers die producten verkopen (de bakker, de webshophouder) of die werken voor particulieren (de thuiskapper, de bijlesleraar), kunnen er niks mee.”)

    Niet dat ik erg onder de indruk ben van het onderscheid, maar zoals altijd geldt ook hier dat alle begin moeilijk is.

    Verder denk ik dat de motivatie er eentje (!) is die bij de discussie thuishoort (“Verder hoopt het kabinet dat het zorgt dat werkgevers bewuster nadenken over de contractvorm. Kiezen voor zzp-inhuur alleen omdat het goedkoper is, moet afgelopen zijn.”. En dat de schijnzelfstandigen die zich bezorgd maken om hun huidige en toekomstige ‘opdrachten’.

    Is het misschien een keer tijd om van deze discussie af te stappen en over te gaan op eentje die wél past bij de huidige situatie?
    Voorheen (en wat mij betreft eigenlijk nog steeds) paste de ‘oude’ omschrijving van zelfstandig ondernemerschap prima. Daarin kwamen dingen voor als ‘voor eigen rekening & risico’ en de resultaatverplichting: ‘inzet met een kop en een staart’. En het ging om ondernemers, niet om bedrijfseigenaren (dus natuurlijke personen, geen rechtspersonen).

    Niet-werknemers die ingehuurd werden voor tijdelijke ondersteuning vielen onder uitzendwerk of detachering (hogere uurbedragen, specialistischer ondersteuning), maar die constructie is vakkundig om zeep geholpen.

    Mijn voorstel is daarom om een weg (terug) te vinden naar een constructie die hetzelfde mogelijk maakt. De huidige ambtenaren die het bedenken en bewindslieden die het mogen vertellen zijn toch te jong om zich de oude situatie te herinneren. Zij kunnen dan hun ego’s voeden met het idee dat ze iets nieuws en revolutionairs hebben bedant …

  3. Prima dat rechtsvermoeden hoor. Dat het vrijblijvend is en niet wordt gehandhaaft is prima. Een strohalm voor de kwetsbare. Dat andere gedeelte, wet dba waar de wet vbar een verduidelijking op was. Was nooit ingevoerd maar in de rechtspraak al wel op getoetst. Dat blijft dus zo.

    Dus feitelijk is er niets veranderd. Als de wet die het verduidelijkt van tafel gaat. Is er nog altijd de DBA wet die het categorisch complex maakt om met een ZZP-er in zee te gaan.

    De vrije manier van werken voor de ZZP-er is aan hen die daar bewust voor kiezen. Je hebt hogere productiviteit, meer risico en daaraan mag een grotere beloning aan vast hangen.

  4. We hebben met art. 7:610a BW reeds een rechtsvermoeden waarop veel zzp’ers die minder dan € 38,00 per uur ontvangen zich kunnen beroepen bij het claimen van een arbeidsovereenkomst.

    Voor zzp’ers die maar kort bij een opdrachtgever werken of weinig uren maken, kan het nieuwe rechtsvermoeden van art. 7:610aa BW wel een uitkomst bieden. Echter, gaat deze groep zzp’ers voor het enigszins beperkte financieel belang een procedure starten tegen hun opdrachtgever?

  5. Voor iemand die werkt vanuit zijn of haar eigen BV verandert er in elk geval niks. Zo’n directeur-grootaandeelhouder (DGA) die zichzelf verhuurt via zijn of haar eigen BV, blijft volgens het voorstel Zelfstandigenwet werknemer van die BV. Het wetsvoorstel kijkt namelijk naar de arbeidsrelatie tussen de werkende en de werkverstrekker, en in dit geval is de BV de formele werkverstrekker. De DGA verricht arbeid voor zijn of haar BV, ontvangt daarvoor loon, en staat civielrechtelijk in een gezagsrelatie tot zijn of haar eigen vennootschap, omdat de BV als rechtspersoon zelfstandig werkgever is.

    Daarnaast verandert dit wetsvoorstel niets aan de bestaande fiscale en arbeidsrechtelijke positie van DGA’s: de beoordeling richt zich op de verhouding tussen de BV en de opdrachtgever, maar niet op de interne verhouding tussen de BV en haar DGA, die op grond van bestaande wetgeving in beginsel een dienstbetrekking is. Ook de zelfstandigentoets uit artikel 2 is niet van toepassing op de relatie tussen een DGA en zijn of haar eigen BV, omdat die toets bedoeld is voor situaties waarin wordt beoordeeld of iemand ten opzichte van een opdrachtgever als zelfstandige werkt.

    Daarom blijft een DGA, ook wanneer die zichzelf via zijn of haar BV verhuurt, in het voorstel zelfstandigenwet werknemer van zijn of haar BV.

    • Mogelijk wel goed om hier even bij op te merken dat er nog geen wetsvoorstel voor de Zelfstandigenwet is en we dus ook nog niet weten hoe er uit gaat zien. Want – anders dan de VBAR – de Zelfstandigenwet kijkt breder dan sec de arbeidsrelatie. Er ligt wel een initiatief vanuit de Tweede Kamer, maar die is verre van ‘af’ en bijvoorbeeld ook nog niet naar de Raad van State gestuurd. Het wordt op zich nog interessant om te zien hoe in de definitieve wetgeving omgegaan wordt met BV’s. Met name dan voor de zelfstandigentoets in de wet: die toets gaat immers niet expliciet niet over de arbeidsrelatie tussen de werkgevende en de werkende. In de Memorie van Toelichting wordt het onderscheid BV of IB ondernemer in ieder geval niet gemaakt. Tijdens de internetconsultaties is door aantal partij gevraagd om bijv expliciet te maken dat deze (of andere wetgeving) niet voor zelfstandigen met een BV geldt, maar onbekend is of de iniatiefnemers van de wet (twee daarvan zijn nu minister…) daar iets mee zouden willen doen.

      • Beste Hugo-Jan, met wat je schrijft zit je volgens mij toch op het verkeerde spoor. Even terug naar de basis: schijnzelfstandigheid betekent dat iemand zich verhuurt als zelfstandig ondernemer, terwijl die persoon volgens het arbeidsrecht werknemer is.

        Voor een DGA geldt echter een bijzondere positie: een DGA die zich verhuurt via zijn of haar eigen BV is volgens het arbeidsrecht werknemer van die BV. Het is bovendien de BV die als opdrachtnemer optreedt, niet de DGA als natuurlijk persoon. Er bestaat dus géén overeenkomst tussen de DGA en de opdrachtgever van de BV.

        De concept-zelfstandigenwet draait om het vaststellen wie daadwerkelijk zelfstandig ondernemer is. Maar zoals hierboven uiteengezet, is een DGA geen zelfstandig ondernemer, maar werknemer van zijn of haar eigen BV. Net als het bestaande artikel 7:610 BW richt ook de concept-zelfstandigenwet zich op het kunnen herkwalificeren van de overeenkomst tussen de werkende en de werkverschaffer. Voor een DGA verandert daarmee niets: de werkende is de DGA, en de werkverschaffer is de BV. Tussen de opdrachtgever van de BV en de DGA bestaat ook na invoering van deze concept-zelfstandigenwet nog steeds géén overeenkomst, dus valt er ook binnen de concept-zelfstandigenwet niets te herkwalificeren.

        In dat licht is je stelling dat de concept-zelfstandigenwet breder zou kijken dan enkel de arbeidsrelatie onjuist. Zolang het uitgangspunt blijft dat schijnzelfstandigheid uitsluitend wordt gecorrigeerd door herkwalificatie van een bestaande contractuele relatie tot arbeidsovereenkomst, blijft de DGA die zich verhuurt via zijn of haar BV volledig buiten het bereik van deze systematiek.

        • We zullen zien. De Memorie van Toelichting is op zijn minst ambivalent op het terrein of de zelfstandigentoets (met bijvoorbeeld de verplichting voor pensioen en arbeidsongeschiktheidsverzekering) alleen van toepassing is als een vraag/twijfel is omtrent de kwalificatie arbeidsrelatie. Ik heb met verschillende van de oorspronkelijke opstellers daar over gesproken, en op dat terrein zaten ze zeker niet op een lijn.

  6. Ik kan me zomaar situaties voorstellen waarbij dat wel degelijk gebeurt.
    Bijvoorbeeld door iemand die in loondienst niet wordt aangenomen, een klus aanpakt als ‘ZZP’er’, vanuit die positie een procedure start en zo alsnog in loondienst komt.

    Dit verzin ik niet zomaar, maar is gebaseerd hoe dat (ooit, toen ik ook nog in dat marktsegment rondkeek) gebeurde bij de huur van woningen. Een beetje een brak onderkomen huren en dan de Huurcommissie inschakelen.

    Er zullen meer bedrijven zijn die het risico op ‘ongewenst’ personeel niet willen lopen en om die reden geen laag geprijsde opdrachten meer zullen aanbieden …

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *



×