ZiPredactie 18 augustus 2026 0 reacties Print Hof bevestigt: ook na vijftien jaar wordt een zzp’er niet alsnog werknemerEen webontwikkelaar werkte bijna vijftien jaar via zijn eigen bedrijf voor de Unie van Waterschappen en eiste bij het einde van zijn opdracht alsnog een arbeidsovereenkomst, met een billijke vergoeding van €180.000 als inzet. Het gerechtshof Den Haag houdt in hoger beroep vast aan het oordeel van de kantonrechter: er was geen arbeidsovereenkomst. Wel moet opdrachtgever De Unie €33.072 betalen omdat zij de opzegtermijn niet netjes hanteerde.Een webontwikkelaar werkte bijna vijftien jaar via zijn eigen bedrijf voor de Unie van Waterschappen en eiste bij het einde van zijn opdracht alsnog een arbeidsovereenkomst, met een billijke vergoeding van €180.000 als inzet. Het gerechtshof Den Haag houdt in hoger beroep vast aan het oordeel van de kantonrechter van een jaar geleden, waarover ZiPconomy al eerder schreef: er was geen arbeidsovereenkomst. Wel moet opdrachtgever De Unie €33.072 betalen omdat zij de opzegtermijn niet netjes hanteerde. De kern van de zaak De verzoeker trad in 2002 in dienst bij de Unie van Waterschappen, de koepelorganisatie van de 21 Nederlandse waterschappen, als systeembeheerder voor 30 uur per week. Daarnaast startte hij in 2004 een eenmanszaak die websites bouwt en beheert voor derden. In 2010 eindigde zijn arbeidsovereenkomst en ging hij via zijn eigen bedrijf verder als opdrachtnemer. Die opdracht liep, met steeds vernieuwde afspraken, tot 1 februari 2025 door. Vanaf 2024 verliep de samenwerking via Haert, een broker die voor de Unie de administratieve en financiële afhandeling van externe inhuur verzorgt. Toen de opdracht per 1 februari 2025 niet werd verlengd, stapte de man naar de rechter. Hij vond dat er – met terugwerkende kracht – van 1 juni 2010 tot 1 februari 2025 een arbeidsovereenkomst met De Unie heeft bestaan. Of eventueel met de broker, vanuit de gedachte dat beide partijen elkaars rechtsopvolger zijn. Op basis daarvan eiste hij onder meer de wettelijke transitievergoeding, een gefixeerde schadevergoeding wegens een onjuiste opzegtermijn, achterstallig vakantiegeld en individueel keuzebudget, en een billijke vergoeding van €180.000 bruto. Aanleiding De feitelijke aanloop naar de zaak begon al in 2008. De Unie liet toen weten niet langer met de man door te willen, mede vanwege zijn functioneren en een voorgenomen reorganisatie van het systeembeheer. Als alternatief voor gedwongen ontslag bood De Unie aan om, bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst, een opdracht te geven aan zijn eenmanszaak. Na onderhandelingen werd dat per 1 juni 2010 werkelijkheid: de arbeidsovereenkomst eindigde en de man ging voor gemiddeld 16 uur per week websites onderhouden en optimaliseren, tegen een uurtarief van €60 exclusief btw. Die opdracht werd vervolgens in 2012, 2014, 2016 en 2018 telkens verlengd, met een oplopend tarief tot €62,50. In 2020 schreef De Unie een aanbesteding uit voor applicatiebeheer, die de man won; dat contract liep tot 31 januari 2024. Omdat De Unie inmiddels ook een Europese aanbesteding voor de inhuur van extern personeel via een broker had gegund aan Haert, ging de samenwerking vanaf 1 februari 2024 via dat bedrijf lopen. Haert voerde, conform ook het Bovib-keurmerk, een ondernemerscheck uit, waarbij de man zelf verklaarde gemiddeld 32 tot 50 uur per week als zelfstandige te werken, een bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering te hebben en in de voorgaande 24 maanden drie of meer opdrachtgevers te hebben gehad. Er volgde een nieuwe overeenkomst van opdracht, tegen €79 per uur. Begin december 2024 liet De Unie weten dat de opdracht per 1 februari 2025 niet zou worden verlengd; Haert bevestigde dit begin januari 2025 aan de man. Het verweer De Unie en Haert brachten apart hun punten in bij het hof en wezen alle vorderingen af. Hun kernargument: getoetst aan de gezichtspunten uit het Deliveroo-arrest was steeds sprake geweest van een overeenkomst van opdracht, niet van een arbeidsovereenkomst. Haert voegde daar een aanvullend argument aan toe voor het geval het hof toch tot een arbeidsovereenkomst zou concluderen: zij fungeerde naar eigen zeggen enkel als contractuele en administratieve tussenpersoon en kon dan ook niet als werkgever worden aangemerkt. De afweging van de rechter Het hof volgt dezelfde route als de kantonrechter eerder deed: eerst vaststellen welke rechten en verplichtingen partijen feitelijk zijn overeengekomen, en pas daarna beoordelen of die afspraken voldoen aan de wettelijke omschrijving van de arbeidsovereenkomst uit artikel 7:610 BW. Bij die tweede stap wegen alle omstandigheden uit het Deliveroo-arrest mee, in onderlinge samenhang. Een aantal factoren wijst volgens het hof wel degelijk in de richting van een arbeidsovereenkomst: de man was oorspronkelijk in dienst, de samenwerking duurde uiteindelijk vijftien jaar en hij heeft het werk altijd persoonlijk uitgevoerd, zonder zich ooit te laten vervangen. Toch wegen de overige omstandigheden zwaarder, oordeelt het hof. De man onderhandelde telkens over tarief en voorwaarden en deed daarbij ook tegenvoorstellen; de opeenvolgende contracten van 2014, 2016 en 2018 stelde hij zelf op. Hij was vrij om zijn uren naar eigen inzicht in te delen en declareerde aantoonbaar wisselende bedragen per maand, in plaats van een vast salaris. Er vonden nooit functioneringsgesprekken of evaluaties plaats, hij bracht btw in rekening, droeg zelf het risico voor zijn bedrijfsmiddelen en sloot op verzoek van De Unie een beroepsaansprakelijkheidsverzekering af. Zijn eigen verklaring aan Haert dat hij 32 tot 50 uur per week als zelfstandige werkte met meerdere opdrachtgevers, heeft hij niet weten te ontkrachten. Ten slotte stelt het hof vast dat websitebeheer geen kerntaak van De Unie is en dat de man niet deelnam aan het tweewekelijkse personeelsoverleg. Onjuiste opzegging, geen rol broker Waar de hofuitspraak zich onderscheidt van de eerdere beschikking van de kantonrechter, is in het scherpere onderscheid tussen de rol van De Unie als opdrachtgever en die van Haert als broker. Omdat de opdrachtrelatie via De Unie op dat moment al ruim tien jaar liep, mocht de man erop rekenen dat een eventuele stopzetting tijdig zou worden aangekondigd en dat dat de verantwoordelijkheid was van De Unie, ook vanwege eerdere mondelinge afspraken. Het hof vindt een aankondigingstermijn van minstens zes maanden op zijn plaats; De Unie liet pas in december 2024, twee maanden voor het einde, weten niet te verlengen. Het hof vindt dat alleen De Unie tekort is geschoten, niet de broker. De uitspraak Het hof komt grotendeels tot hetzelfde oordeel als de kantonrechter: er heeft nooit een arbeidsovereenkomst bestaan, niet met De Unie en niet met de broker. De financiële claim van de man voor onder meer een transitievergoeding, de billijke vergoeding van €180.000 en het achterstallige vakantiegeld en keuzebudget, is dan ook opnieuw afgewezen. Op één specifiek punt krijgt de man alsnog gelijk. Omdat De Unie de opdracht te laat, en niet binnen een redelijke termijn van zes maanden, heeft opgezegd, is zij daarmee tekortgeschoten in haar verplichtingen uit de duurovereenkomst. Het hof begroot de daardoor geleden schade op €33.072, gelijk aan zes maanden van de vergoeding die de man volgens zijn eigen berekening had kunnen factureren, en veroordeelt De Unie tot betaling van dat bedrag. Deze vergoeding vloeit dus niet voort uit het arbeidsrecht, maar uit de redelijkheid en billijkheid die gelden bij het beëindigen van een langlopende opdrachtrelatie. Bron: uitspraak hof Rechtzaak Print Over de auteur Over ZiPredactie De ZiPredactie plaatst hier interviews en eigen artikelen. Daarnaast persberichten, aankondigingen of (met toestemming) overgenomen artikelen. (contact: info[AT]zipconomy.nl) Bekijk alle berichten van ZiPredactie
opinie - Hoe FNV/CNV actie tegen Temper laat zien dat de hervorming van de arbeidsmarkt nog ver weg is.