Hans Mensonides 15 september 2026 13 reacties Print De grijsgedraaide plaat van de schijnzelfstandigheidDe overdreven focus op schijnzelfstandigheid draagt volgens Hans Mensonides niet bij aan het scheppen van duidelijkheid voor zelfstandig ondernemers en hun opdrachtgevers. In deze column pleit hij voor een andere benadering, waarin ondernemerschap nadrukkelijker centraal staat.Schijnzelfstandigheid. Wat is dat eigenlijk? Het moet wel iets verschrikkelijks zijn, dacht ik toen ik de term voor het eerst hoorde. De maatschappij moet beschermd worden tegen schijnzelfstandigen. Dat was wat je hoorde van zogenaamde deskundigen en het stond ook in ambtelijke stukken. Iedereen leek het daarover eens en daarom vroegen steeds minder mensen zich af wat nu daadwerkelijk het probleem was. Intussen is de plaat van de schijnzelfstandigheid zo grijsgedraaid en zijn de groeven zo diep geworden, dat het bijna niemand meer lukt over het randje heen te kijken naar de echte wereld. Natuurlijk, de term heeft een enigszins negatieve connotatie. Dat komt door het voorvoegsel ‘schijn’, zoals in schijnconstructie, schijnheiligheid of de schijnzekerheid van een arbeidsovereenkomst. Een schijnbeweging in het voetbal daarentegen wordt dan weer positiever gewaardeerd, afhankelijk van wie hem maakt natuurlijk. Ondernemerschap en contractvrijheid De term schijnzelfstandigheid suggereert dat iets niet is wat het lijkt. Een ondernemer spreekt met zijn klant af dat hij tegen betaling bepaalde werkzaamheden zal verrichten. Daar is niets mis mee. Contractvrijheid zou je denken. Toch mag het volgens sommigen niet in alle gevallen, met name niet als hetgeen tussen de ondernemer en zijn klant is overeengekomen te veel op een arbeidsovereenkomst lijkt. Daarbij lijkt ook van belang te zijn of deze ondernemer personeel in dienst heeft of niet. Heeft hij personeel in dienst, dan mag het wel. Heeft hij geen personeel in dienst, dan mag het niet. Lees ook: Het probleem bij schijnzelfstandigheid zit niet in het arbeidsrecht Het dwingendrechtelijk karakter van arbeidsrecht Dit alles heeft te maken met het dwingendrechtelijk karakter van het arbeidsrecht. Het grootste deel van het arbeidsrecht is van dwingend recht, omdat de wetgever lang geleden al vond dat de sociaal zwakkere werknemer bescherming nodig had tegenover de vaak (veel) machtigere werkgever. Deze disbalans in machtsverhoudingen, waarbij het door de werkgever aan de werknemer uitgekeerde loon voor de laatste noodzakelijk was om in zijn levensonderhoud te voorzien, zou er bijvoorbeeld toe kunnen leiden dat de werknemer arbeidsvoorwaarden accepteert waarmee hij niet akkoord zou zijn gegaan wanneer hij niet in een afhankelijke positie verkeerde. Het dwingendrechtelijk karakter van het arbeidsrecht schrijft voor dat een tussen een ondernemer en zijn klant gesloten overeenkomst van opdracht eigenlijk een arbeidsovereenkomst is, wanneer wordt voldaan aan de (lang geleden) in het Burgerlijk Wetboek opgenomen definitie van een arbeidsovereenkomst (artikel 7:610 BW). Waar de wetgever mee worstelt Nu de wetgever de zelfstandig ondernemer een prominentere plaats in de wet wil geven, is het de vraag hoe dat precies moet. Met die vraag wordt nogal geworsteld en dat is onnodig. Een deel van die worsteling vloeit voort uit de gekozen methode, namelijk het (proberen te) herdefiniëren van wat precies een arbeidsovereenkomst is, dan wel (proberen te) definiëren wanneer in elk geval geen sprake is van een arbeidsovereenkomst. Dat leidt tot allemaal ingewikkelde wetteksten die de gewenste rechtszekerheid niet bevorderen. Integendeel. Het geworstel wordt nog groter wanneer de wetgever in één wet (en zelfs in één wetsartikel) min of meer tegengestelde doelen probeert te bereiken. Het verschaffen van duidelijkheid en rechtszekerheid vooraf aan zelfstandig ondernemers en hun klanten staat lijnrecht tegenover het (achteraf) willen bestrijden van schijnzelfstandigheid. Niet iedere werkende heeft bescherming nodig Het probleem daarbij is dat voortdurend wordt gesuggereerd dat het bestrijden van schijnzelfstandigheid hetzelfde is als het beschermen van de werknemer als sociaal zwakkere partij. Dat is natuurlijk onzin. Vooropgesteld kan worden dat de gemiddelde werknemer allang niet meer zo sociaal zwak is als ten tijde van de totstandkoming van de dwingendrechtelijke arbeidswetgeving. Je zou zelfs kunnen zeggen dat de opmars van het zelfstandig ondernemerschap een logische volgende stap is in de emancipatie van de werkende klasse. Dat leidt tot werkenden (zoals de taxichauffeurs in het Uber-arrest) die helemaal niet beschermd willen worden. Aan de andere kant leidt het tot hoogopgeleide en goedbetaalde professionals die in ruil voor een hogere vergoeding de bescherming van het arbeidsrecht kunnen missen als kiespijn. Die nemen welbewust het (ondernemers)risico dat de klant op een gegeven moment niet meer met hen verder wil en van de één op de andere dag (of met inachtneming van een korte termijn) de relatie verbreekt. Zij horen dan ook niet de bescherming van het arbeidsrecht te genieten. Ook het algemene overeenkomstenrecht biedt waarborgen tegen het te snel en op onredelijke wijze beëindigen van contractuele relaties. Het dwingendrechtelijk karakter van het arbeidsrecht zou dan ook slechts moeten gelden voor zover het de sociaal zwakkere partij beschermt. Is dat niet het geval, dan zou de contractvrijheid moeten prevaleren. Ondernemersrisico als uitgangspunt Hoe regel je dat dan? Daarvoor is het belangrijk te kijken naar wat ondernemerschap in de kern is. Volgens mij gaat het daarbij om het oogmerk winst te maken en de bereidheid daarvoor ondernemersrisico te lopen. Wie volgens deze benadering als ondernemer kan worden gezien, zou reeds daarom niet beschermd moeten worden door het arbeidsrecht. Met het oog op de bescherming van de sociaal zwakkere partij, zou een uitzondering kunnen worden gemaakt voor werkenden die in redelijkheid niet geacht kunnen worden vrijwillig het ondernemersrisico te hebben aanvaard. Dat is weliswaar een open norm, maar wel één waarmee prima te werken valt. Lees ook: Waarom het rechtsvermoeden de economische prikkel achter schijnzelfstandigheid niet wegneemt Weg uit het moeras van de werkrelatietoets Het voordeel van een dergelijk systeem is dat je niet meer wegzinkt in het zompige moeras van de werkrelatietoets en dus niet zo snel verstrikt zal raken in de spaghetti van de schijnzelfstandigheid. Omdat, zolang bescherming van de sociaal zwakkere partij geen rol speelt, contractvrijheid tot uitgangspunt wordt genomen, zal schijnzelfstandigheid (hoe je dat ook definieert) nauwelijks meer voorkomen. Dit sluit ook goed aan bij het bestaande wettelijk systeem, waarin naast de arbeidsovereenkomst ook de overeenkomst van opdracht uitdrukkelijk in het Burgerlijk Wetboek is geregeld als overeenkomst waarbij de opdrachtnemer tegen betaling door de opdrachtgever bepaalde werkzaamheden verricht en waarbij de opdrachtgever uitdrukkelijk instructiebevoegdheid heeft, zonder dat sprake is van een gezagsverhouding (bent u er nog?). Volgens de wetsgeschiedenis verplicht de opdrachtnemer zich, anders dan bij (de overeenkomst tot) aanneming van werk, ook niet tot het behalen van een bepaald resultaat. De overeenkomst van opdracht heeft dus een zelfstandige plaats in de wet naast de arbeidsovereenkomst en die tot aanneming van werk. Stop met de spokenjacht Waar in het huidige tijdsgewricht gestreefd wordt naar vermindering van regeldruk om de maatschappij weer draaiende te krijgen (of te houden), moeten we het elkaar niet onnodig moeilijk maken en dus ophouden met de nutteloze spokenjacht op zogenaamde schijnzelfstandigen. Hans Mensonides is advocaat te Leiden, voorzitter van het Platform Zelfstandig Ondernemers en bestuurslid van de Vereniging Zelfstandigen Nederland schijnzelfstandigheid Print Over de auteur Over Hans Mensonides Hans Mensonides heeft meer dan 25 jaar ervaring als advocaat. Daarnaast was hij bedrijfsjurist bij Rabobank en ABN AMRO. Bij laatstgenoemde bank zat hij in het MT van Group Legal. Bekijk alle berichten van Hans Mensonides
Ja, ik ben er nog. Ik ben er al van vóór de eerste versie van de VAR. Daarin was het duidelijk dat – zoals verder eigenlijk altijd – de werkelijke situatie leidend is. En bij die eerste versie lagen de gevolgen voor een ‘overtreding’ bij de opdrachtgever/werkgever: alle aan de zelfstandige (dus iemand met een EZ) uitbetaalde bedragen zouden gezien worden als netto loon en een nabetaling van alles (vooral loonheffing, natuurlijk – de Belastingdienst is altijd bang om tekort gedaan te worden) zou direct opvorderbaar zijn. Dat was in de tijd dat bijvoorbeeld thuishulpen werden ontslagen en terug mochten komen als (sterk lager betaalde) alfahulpen. Dat ‘t nodig was om daar iets aan te doen, was (mij) duidelijk. De manier waarop ook: gewoon in iedere branche waar ernstig misbruik werd gemaakt van ‘zelfstandigen’ bij het grootste bedrijf een inval doen, toetsen op simpel vast te stellen criteria (werk doen dat ook door anderen in loondienst wordt gedaan, werken met de middelen/apparatuur van de opdrachtgever/werkgever, werken op aanwijzing (dus niet op basis van instructie): gedrag vragen en vertonen dat gelijk is aan dat van werknemers), forse financiële consequenties laten volgen en de ‘schoonmaak’ zou als vanzelf én heel snel branchebreed volgen. Maar nee, bij versie 2 werd het risico verlegd naar de zelfstandige. En nu zijn we hier … En dit is niet de enige … rommel die er rond ‘het ZZP-vraagstuk’ is verzonnen. Beantwoorden
Doel van de wetgeving is toch niet alleen het beschermen van een kwetsbare groep, maar ook het afdragen van sociale premies af te dwingen voor de goedbetaalde professionals? Beantwoorden
Het afdragen van premies kan best een doel zijn van wetgeving, maar dat moet je niet willen regelen in het arbeidsrecht. Het arbeidsrecht gaat niet over het afdragen van premies. Voor zover het gaat over de premies voor WW en WIA, geldt natuurlijk dat zelfstandig ondernemers ook geen uitkering ontvangen. Dat risico dragen zij zelf. Beantwoorden
Eindelijk een verfrissend geluid in een discussie die inderdaad al veel te lang op dezelfde plaat blijft hangen. Misschien is onze omgang met zelfstandigheid wel te vergelijken met opvoeden. Een peuter bescherm je tegen keuzes waarvan hij de gevolgen nog niet kan overzien. Naarmate kinderen ouder worden, leren we ze juist keuzes te maken, risico’s af te wegen, verantwoordelijkheid te nemen en de consequenties van hun handelen te dragen. Van peuter naar kind, puber, adolescent en uiteindelijk volwassene. Vanaf dat moment vertrouwen we mensen nogal wat toe. Je mag contracten sluiten, een huis kopen, schulden aangaan, een onderneming starten en via je stem zelfs meebepalen over de toekomst van ons land. Maar zodra diezelfde volwassene bewust zegt: “ik wil zelf bepalen hoe ik mijn inkomen verdien en ik accepteer de risico’s die bij zelfstandig ondernemerschap horen”, lijkt ineens weer de gedachte te ontstaan dat hij tegen zijn eigen keuze beschermd moet worden. Daar komt nog iets bij. In het maatschappelijke en politieke debat lijkt steeds vaker het gevoel te leven dat zelfstandigheid op zichzelf een oneerlijk voordeel oplevert ten opzichte van mensen in loondienst. Alsof meer vrijheid, een ander verdienmodel of fiscale verschillen automatisch betekenen dat de zelfstandige wordt bevoordeeld. Daarbij wordt gemakkelijk vergeten dat tegenover die vrijheid ook onzekerheid, ondernemersrisico, geen loondoorbetaling bij ziekte, geen betaalde vakantie en eigen verantwoordelijkheid voor voorzieningen staan. Juist daarom vind ik de passage van Hans sterk dat de gemiddelde werknemer allang niet meer dezelfde sociaal zwakke positie heeft als in de periode waarin veel van onze dwingendrechtelijke arbeidswetgeving ontstond. Je zou de enorme groei van het zelfstandig ondernemerschap zelfs positief kunnen duiden. Misschien is het wel een resultaat van de emancipatie en ontwikkeling van de werkende klasse. Werkenden zijn mondiger geworden, beter geïnformeerd en steeds beter in staat zelf verantwoordelijkheid te nemen voor hun loopbaan, inkomen en toekomst. Dat zoveel mensen de afgelopen jaren bewust de stap naar zelfstandig ondernemerschap hebben gezet, hoeft daarom niet alleen als probleem of risico te worden gezien. We zouden er misschien juist trots op mogen zijn dat zoveel werkenden zich mondig en zelfstandig genoeg voelen om verantwoordelijkheid te nemen voor hun eigen loopbaan, inkomen en toekomst. Waar we ooit wetgeving nodig hadden om de sociaal zwakkere werknemer te beschermen tegen een machtige werkgever, zien we al langer werkenden die juist zélf de regie wil voeren. Natuurlijk zijn er mensen die bescherming nodig hebben en bestaan er situaties waarin zelfstandigheid slechts op papier wordt gecreeerd. Pak die misstanden aan. Maar behandel aantoonbare ondernemers ook als volwassenen. Wie bewust kiest voor ondernemerschap, de gevolgen kan overzien, ondernemersrisico accepteert en verantwoordelijkheid wil dragen, verdient autonome vrijheid in aannemen van opdrachten. De wereld van arbeid is veranderd. Als we iedere nieuwe arbeidsvorm blijven beoordelen vanuit de arbeidsverhoudingen van het verleden, dan beperken we ook vrijheid, ondernemerschap en verdere ontwikkeling. Volwassenheid betekent dat we mensen de vrijheid geven om eigen keuzes te maken, inclusief keuzes om arbeidsrelaties vorm te geven. Weg met de term schijnzelfstandigheid. Beantwoorden
Wat een verademing om dit stuk te lezen. De zaken worden zo helder uit elkaar gezet dat zelfs een kind het kan begrijpen. Nu de minister nog. Beantwoorden
Inderdaad en goed geschreven! men heeft het zo ingewikkeld gemaakt dat kennelijk niemand meer terug kan naar een veel eenvoudigere oplossing. Men loopt vast op het in een kader/hokje willen stoppen wie wel of niet een ondernemer is. Een ondernemer heeft een KvK, BTW nummer, is aansprakelijk voor schade en debiteuren risico, en investeert in zijn of haar bedrijf. Krijg niet doorbetaald tijdens ziekte of vakantie, geen vakantiegeld enz. Dat lijkt me toch vrij duidelijk. Mocht het gaan om de premies dan beter overgaan tot een ander sociaal stelsel waar ook ondernemers bijdragen (bv Belgie of Polen) Beantwoorden
Praten we nu over dat we te veel praten Hans? Ik kan voor een deel met je artikel meegaan. Er wordt inderdaad al heel lang gesproken over contractvormen en de vraag wanneer je wel of niet als zzp’er kunt werken. Juist door de belangenorganisaties waarin je zelf actief bent 🙂 Zorgt dit artikel er dan nu voor dat we het nu dan echt over de bescherming van zzp’ers aan de onderkant gaan hebben? Opnieuw gaat er veel aandacht naar de vraag wanneer iemand wel of geen zelfstandige is. De plaat mag dan grijsgedraaid zijn, veel schot in de bescherming van echte zelfstandigen aan de onderkant zit er nog niet in. Die bescherming komt er niet door nog eens extra over een grijsgedraaide plaat te beginnen. Wat praten we toch veel met z’n allen hè! Laten we daar eens over hebben 🙂 Gaan we de B-side nu ook grijsdraaien of gaan we echte afspraken maken die voor echte bescherming zorgen? Benieuwd waar deze passage toe leidt: “Met het oog op de bescherming van de sociaal zwakkere partij, zou een uitzondering kunnen worden gemaakt voor werkenden die in redelijkheid niet geacht kunnen worden vrijwillig het ondernemersrisico te hebben aanvaard.” Hoe bepalen we dan wie die sociaal zwakkere zelfstandige is? Als een tarief, vermenigvuldigd met het gemiddelde aantal declarabele uren in een sector, onvoldoende is voor een duurzaam inkomen, kunnen we dan vaststellen dat zo’n tarief onvoldoende ruimte biedt om het ondernemersrisico én de kosten daarvan te dragen? En hoe vrijwillig aanvaard je dat ondernemersrisico nog als je onvoldoende onderhandelingsmacht hebt om een tarief te bedingen waarmee je die risico’s daadwerkelijk kunt dragen? Het feit dat een zelfstandige een laag tarief accepteert, betekent nog niet dat dat tarief economisch duurzaam is. Je noemt zelf de hoogopgeleide en goedbetaalde professional die prima zijn eigen ondernemersrisico kan dragen. Maar aan de onderkant van sommige zzp-markten werken óók echte zelfstandigen, tegen tarieven waarvan je je kunt afvragen of zij daarmee dat ondernemersrisico überhaupt kunnen dragen. En zelfs als iemand vrijwillig voor zo’n tarief werkt: betekent vrijwillig ondernemerschap dan dat iedere vergoeding acceptabel is? Als we erkennen dat juist aan de onderkant bescherming nodig is, laten we het dan ook hebben over hoe we die bescherming concreet organiseren. Bereken per sector welk tarief een gemiddelde zelfstandige minimaal nodig heeft, waarbij vooral het gemiddelde aantal declarabele uren in die sector een belangrijke factor is. Want met die uren zou een zelfstandige zelf ook rekening houden bij het bepalen van een economisch duurzaam tarief. Alleen heeft die zelfstandige aan de onderkant van de markt lang niet altijd voldoende onderhandelingsmacht om dat tarief ook daadwerkelijk te krijgen. Als een tarief structureel onvoldoende is om de kosten en normale ondernemersrisico’s te dragen, kunnen we dan nog spreken van het vrijwillig én bewust aanvaarden van dat volledige ondernemersrisico? Of is dat juist het moment waarop de bescherming van de sociaal zwakkere partij waar je zelf over schrijft relevant wordt? Leg een eerlijke ondergrens, of de manier waarop die wordt berekend, vast in de wet. Daarmee verklein je ook de economische prikkel om zzp’ers in te zetten omdat ze goedkoper zijn dan werknemers. Zo geef je economische bescherming aan de sociaal zwakkere zelfstandige, zonder de goedbetaalde zelfstandige onnodig het arbeidsrecht in te trekken. Waarom zo’n economische bodem juist onderdeel van de Zelfstandigenwet zou moeten zijn, schreef ik hier uitgebreider: https://www.zipconomy.nl/2026/07/waarom-de-zelfstandigenwet-ook-over-zzp-tarieven-moet-gaan/ En over de bescherming die maar niet van de grond komt, schreef ik hier: https://www.zipconomy.nl/2026/09/waar-blijft-de-bescherming-van-echte-zelfstandigen-in-de-wet-platformwerk/ Beantwoorden
Hoeveel problemen zijn er daadwerkelijk onstaan door te lage tarieven aan de onderkant van de markt? naar mijn idee is dit echt een klein percentage en zeker niet de overgrote meerderheid. Maar in Nederland hebben we altijd de neiging de groep zwakkeren, die zichzelf vaak helemaal niet zo zien, te willen beschermen tegen iets waarvoor ze niet beschermd willen worden. Maar wij weten het beter en gooien daarom een spaak in de economie onder het mom van bescherming. Ik vermoed dat de werkelijke reden echt wel wat verder gaat. Bovendien is het nederige hoogmoed om groepen mensen als zwakkeren te bestempelen die zelf gewoon iets van hun toekomst willen maken. We laten er rekenmodellen op los achter ons beeldscherm hoe het zou moeten zijn wat totaal niet overeenkomst met de praktijk. We gaan ZZP tarieven spiegelen aan brutolonen. En daar zit juist de moeilijkheid. Ondernemerschap gaat veel verder dan droge rekensommen, dat is bouwen, investeren, in het begin misschien weinig verdienen om te groeien naar betere inkomsten. Op je gezicht vallen, weer opstaan, doorgaan waar een ander het zou opgeven. Die kan je niet in een kader proppen. Beantwoorden
Monique, volgens het CBS leefde in 2024 4,4% van de zzp’ers in een arm huishouden, tegenover 1,7% van de werknemers. In cultuur, recreatie en overige dienstverlening was dat zelfs 8%. Meer over armoede onder zzp’ers: https://longreads.cbs.nl/leven-in-armoede-2025/ Bij platformwerk verdient volgens de Raad van de EU ongeveer 55% minder dan het netto minimumuurloon in het betreffende land. Dat percentage betreft alle platformwerkers; 93% van de platformwerkers wordt als zelfstandige aangemerkt, al is een deel daarvan waarschijnlijk verkeerd geclassificeerd. Een ondergrens hoeft niet voor de meerderheid relevant te zijn. Dat is juist het idee van een ondergrens. Ook het minimumloon bepaalt niet het loon van de meeste werknemers. De wens om de onderkant beter te beschermen is niet nieuw. De Commissie-Borstlap constateerde al dat de arbeidsmarkt uit balans is en risico’s ongelijk verdeeld zijn. De SER adviseerde vervolgens expliciet om ook zzp beter te reguleren voor meer werk- en inkomenszekerheid en om concurrentie op arbeidsvoorwaarden te voorkomen. Waarom zou adequate bescherming sterk afhangen van de vraag of iemand werknemer of echte zelfstandige is? Ondernemerschap betekent risico nemen, investeren en soms tijdelijk weinig verdienen. Maar als tarieven in een sector structureel zo laag zijn dat een gemiddelde zelfstandige, rekening houdend met realistische declarabele uren in die sector, zijn normale kosten en ondernemersrisico’s niet kan dragen, hebben we het niet meer alleen over individueel ondernemerschap. Een sectorale tariefondergrens beperkt het ondernemerschap boven die grens niet. Die legt alleen een economische bodem waar de markt dat zelf onvoldoende doet. Zo kan werken ook voor zelfstandigen aan de onderkant lonen. Want of werken loont, hangt in Nederland nu nog wel eens af van de sector waarin je werkt. Beantwoorden
nieuws - ZZP Nederland: intermediair voorkomt schijnzelfstandigheid niet en mag geen dure verplichting worden