Wilmar Dik 11 mei 2026 0 reacties Print Waarom het rechtsvermoeden de economische prikkel achter schijnzelfstandigheid niet wegneemtHet rechtsvermoeden probeert schijnzelfstandigheid vooral achteraf te corrigeren, betoogt Wilmar Dik. Maar de economische prikkel om arbeid goedkoop en flexibel buiten loondienst om in te kopen, blijft bestaan.Minister Aartsen wil het zzp-dossier normaliseren, zodat we het er over vier jaar niet meer over hoeven te hebben. Dat is begrijpelijk, maar het gesprek over de zzp-markt verdwijnt niet zolang de onderliggende problemen blijven bestaan. Dit dossier speelt inmiddels al ruim tien jaar. Niet door gebrek aan communicatie, maar omdat de kernvragen blijven liggen: wanneer is iemand echt zelfstandig, hoe voorkom je schijnzelfstandigheid en hoe zorg je voor bescherming en bestaanszekerheid aan de onderkant van de markt? Normaliseren lukt pas als de oorzaken worden aangepakt. Het rechtsvermoeden pakt de bron niet aan Het idee achter het rechtsvermoeden is begrijpelijk: wie onder een bepaalde tariefgrens werkt, moet makkelijker kunnen stellen dat er eigenlijk sprake is van loondienst. Voor zelfstandigen onder die grens moet de opdrachtgever dan aantonen dat er géén sprake is van werknemerschap. Maar zelfstandigen rekenen meestal niet uit zichzelf tarieven waarmee ze nauwelijks kunnen rondkomen. Wie inkomen, pensioen, verzekeringen, ziekte, vakantie, administratie, scholing, bedrijfskosten en het aantal declarabele uren meeneemt, komt niet snel uit op een tarief waarbij de kans groot is om onder het minimumloon te eindigen. Economische prikkel voor goedkope arbeid Schijnzelfstandigheid ontstaat vooral door de economische prikkel om arbeid goedkoop en flexibel buiten loondienst om in te kopen. In sommige sectoren worden tarieven niet bepaald vanuit wat duurzaam zelfstandig werken kost, maar vanuit wat opdrachtgevers willen betalen. Zij weten wat loondienst kost en hoeveel goedkoper een zzp-opdracht kan zijn. Ik zag laatst zelfs een traject waarin een arbeidsrechtadvocaat uitlegt hoe arbeid onder 30 euro per uur kan worden ingekocht. Dat kan dus, zolang je als opdrachtgever zorgt dat je zzp’ers inhuurt die aannemelijk kunnen maken dat ze echte zelfstandigen zijn. Lees ook: Niet één tarief voor alle zzp’ers, maar sectorale ondergrenzen voor echte duidelijkheid De nieuwe wetgeving dreigt daardoor vooral meer werk voor advocaten op te leveren. En meer stress en slapeloze nachten voor zzp’ers die hun gelijk via de rechter proberen te halen, met een uitkomst die ongeveer fifty-fifty is. Een werknemer in loondienst kost meer dan alleen het afgesproken salaris. Er zijn werkgeverslasten, loondoorbetaling bij ziekte, vakantiegeld, pensioen, ontslagbescherming en andere verplichtingen. Bij een zzp’er kunnen veel van die risico’s en kosten worden verschoven naar de werkende zelf. Als het tarief hoog genoeg is, hoeft dat geen probleem te zijn. Maar in lage-tariefsectoren gebeurt vaak het omgekeerde: de opdrachtgever krijgt flexibiliteit en kostenvoordeel, terwijl de zelfstandige de risico’s draagt zonder dat daar voldoende vergoeding tegenover staat. Verplichtingen afschuiven op zelfstandigen Met de wetgeving die eraan komt kunnen partijen nog steeds verplichtingen afschuiven op zelfstandigen, zolang de samenwerking juridisch aannemelijk als zelfstandige opdracht kan worden ingericht. Daarmee los je de economische prikkel niet op. Zolang zzp’ers voordeliger kunnen worden ingezet dan werknemers, faciliteer je als overheid nog steeds te lage vergoedingen in bepaalde markten. Het is dan ook niet vreemd dat partijen aan de inhuurkant positief reageren. Als werken met zzp’ers mogelijk blijft zolang je het juridisch goed organiseert, blijft het model aantrekkelijk voor opdrachtgevers en intermediairs. Maar daarmee is nog niet geregeld dat zelfstandigen aan de onderkant een tarief krijgen waarmee ze duurzaam kunnen werken. Partijen leren snel omgaan met nieuwe regels en vinden manieren om lage vergoedingen juridisch overeind te houden. In veel sectoren verdienen zelfstandigen nu al te weinig voor buffers, pensioen en straks waarschijnlijk ook een verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering. Een lekkend dak met discussie over emmertjes Een dergelijk idee en werkwijze is niet bedacht door zzp’ers of door partijen die echt willen opkomen voor zelfstandigen. Het is alsof je bij een lekkend dak naar de rechter mag gaan om van de huisbaas te eisen dat er emmers onder de lekkage worden gezet. De rechter bepaalt dan wie de emmers moet betalen. Natuurlijk is het goed dat er een emmer staat onder de lekkage. Maar als het dak lek is, moet je het dak repareren. Anders blijf je dweilen. Lees ook: ‘Meer regels voor zzp’ers, maar het echte probleem blijft liggen’ Zo onderhand is er een situatie gecreëerd die uitgaat van een kapot dak. Juristen mogen uitleggen hoe je zo goed mogelijk kan blijven dweilen. Ook begint de overheid met een uitgebreide campagne hoe je kunt dweilen. En de huisbaas blijft tevreden, want emmertjes kosten veel minder dan een dakreparatie. Bij schijnzelfstandigheid is dat lekkende dak de economische prikkel om arbeid onder de werkelijke kostprijs in te kopen. Zolang die prikkel blijft bestaan, blijven opdrachtgevers zoeken naar vormen waarin werk goedkoop, flexibel en met minder verplichtingen kan worden georganiseerd. Werken moet lonen: het SER-MLT-advies Het SER-MLT-advies uit 2021 was veel breder dan alleen het rechtsvermoeden. Het ging niet alleen over het tegengaan van schijnconstructies, maar ook over betere bescherming van zelfstandigen, eerlijke en toereikende tarieven en meer ruimte voor collectief onderhandelen. In het SER-advies staat dat zelfstandigen moeten kunnen rekenen op een eerlijk en toereikend tarief, zodat werken ook echt loont. Maar of werken loont, hangt nog steeds sterk af van de sector waarin je werkt. Ook collectief onderhandelen moest volgens het SER-advies mogelijk worden. De ACM heeft daar inmiddels meer ruimte voor gegeven, maar daarmee is het probleem niet opgelost. In markten waar vraag en aanbod uit balans zijn, werkt collectief onderhandelen beperkt. Als genoeg zelfstandigen het werk wél voor te lage tarieven doen, zet een opdrachtgever de groep die betere afspraken wil simpelweg opzij. Commissie-Borstlap: bescherming via een breder fundament Ook het rapport van de commissie-Borstlap was breder dan alleen het rechtsvermoeden. Borstlap wilde de verschillen tussen werknemers en zelfstandigen verkleinen, omdat die verschillen de economische prikkel vergroten. Kwetsbare werkenden moesten eerder onder arbeidsrecht, minimumloon en werknemersbescherming vallen. Zelfstandigen die daarna overblijven, werden meer gezien als ondernemers die zich staande moeten kunnen houden. Maar uit rechterlijke uitspraken blijkt dat lang niet iedere zzp’er werknemer is. Als iemand juridisch zelfstandige blijft, maar economisch werkt in een sector met lage tarieven en weinig onderhandelingsmacht, is het probleem niet opgelost. Bovendien: als een zzp’er naar de rechter gaat om werknemersrechten af te dwingen, is de arbeidsrelatie met die opdrachtgever in de praktijk waarschijnlijk voorbij, wat de uitkomst ook mag zijn. Wat blijft er dan over van bescherming aan de onderkant? Zonder aanpak van de economische prikkel verandert er weinig De huidige aanpak geeft zelfstandigen vooral een route achteraf: dit had misschien loondienst moeten zijn. Maar er komt geen bescherming vooraf tegen tarieven waarbij echte zelfstandigheid financieel niet haalbaar is. Als schijnzelfstandigheid ontstaat doordat opdrachtgevers arbeid goedkoop willen inkopen, moet je juist die prikkel weghalen. Bijvoorbeeld met sectorale ondergrenzen en een realistische berekening van wat zelfstandig werken echt kost. Een echte zelfstandige bepaalt zijn eigen tarief. Maar in markten waar opdrachtgevers de voorwaarden dicteren, is die vrijheid schijn. Zolang die economische prikkel blijft bestaan, bestrijden we vooral gevolgen in plaats van oorzaken. Er is altijd hoop Het kan best dat de huidige ideeën nog ergens stranden. Er zijn genoeg mensen die zien dat deze aanpak niet ideaal is. Maar dat een slecht idee strandt, betekent nog niet dat er daarna wél politieke wil is om goede wetgeving te maken. Als die wil ontbreekt, kun je rapporten blijven schrijven tot je een ons weegt. Dan wordt er gewoon weer een nieuwe weg ingeslagen die vroeg of laat opnieuw vastloopt. De politiek zigzagt hier namelijk al jaren omheen. Lees ook: ‘Sectorale minimumtarieven voor zzp’ers kunnen schijnzelfstandigheid oplossen’ rechtsvermoeden, schijnzelfstandigheid Print Over de auteur Over Wilmar Dik Wilmar Dik is fotograaf, cameraman en actief pleitbezorger voor de positie van zelfstandigen in Nederland. Sinds 2008 werkt hij als zelfstandig professional en combineert hij zijn praktijkervaring met publicaties over ondernemerschap, marktwerking, tariefvorming, fotografie, marketing en duurzame verdienmodellen voor zzp’ers. Hij schrijft regelmatig over werken als zelfstandige en over de economische realiteit achter het ondernemerschap. Vanuit die betrokkenheid zet hij zich actief in voor realistische en uitvoerbare oplossingen die bijdragen aan een economisch houdbare positie van zelfstandigen. Bij de NVJ is hij vertegenwoordiger in het beleidsteam Werkvoorwaarden namens de ledengroep NVF/Beeldmakers. Daarnaast is hij als zelfstandig specialist betrokken bij de Ketentafel Fotografie (fairPACCT). Bekijk alle berichten van Wilmar Dik
column - Waarom het rechtsvermoeden de economische prikkel achter schijnzelfstandigheid niet wegneemt