Waar blijft de bescherming van echte zelfstandigen in de Wet Platformwerk? Geplaatst 14 september 2026 door Wilmar Dik De Wet Platformwerk moet de positie van mensen die via digitale platforms werken verbeteren. Het wetsvoorstel introduceert onder meer een rechtsvermoeden van werknemerschap en regels rond algoritmisch management. De Europese richtlijn daarachter heeft een duidelijk doel: betere arbeidsvoorwaarden en meer bescherming voor platformwerkers. Op de internetconsultatie reageerden zowel Vereniging Zelfstandigen Nederland (VZN) als VNO-NCW, MKB-Nederland en AWVN. VZN zegt de belangen van zelfstandig ondernemers te vertegenwoordigen; VNO-NCW, MKB-Nederland en AWVN komen op voor werkgevers en ondernemingen. De reacties liggen op belangrijke punten opvallend dicht bij elkaar. Beide willen voorkomen dat normale zzp-bemiddeling te snel onder het rechtsvermoeden valt en benadrukken dat tariefinvloed, matching en kwaliteitsregels ook bij echte zelfstandigen voorkomen. VZN richt zich vooral op bescherming van de zelfstandigenstatus: voorkomen dat echte zzp’ers ten onrechte als werknemer worden gezien. Veel minder aandacht gaat uit naar hun economische positie. Dat is opvallend, omdat VZN zelf erkent dat grote opdrachtgevers door marktmacht maximumtarieven kunnen dicteren. Wie beschermt de zelfstandige als hij juridisch ondernemer is, maar economisch nauwelijks onderhandelingsmacht heeft? Voorkomen dat het rechtsvermoeden zzp-bemiddeling raakt Bij het platformrechtsvermoeden wordt gekeken naar vijf omstandigheden: het platform bepaalt of beïnvloedt de hoogte van de vergoeding; het platform bepaalt of verdeelt opdrachten; er is toezicht op de uitvoering; de vrijheid om opdrachten te weigeren wordt beperkt, bijvoorbeeld met sancties; de werkende moet bindende regels volgen over uiterlijk, gedrag of uitvoering. Als aan twee van deze vijf criteria is voldaan, kan het rechtsvermoeden worden geactiveerd. Dat betekent niet automatisch dat iemand werknemer is. Bij een geschil moet het platform aantonen dat er in deze arbeidsrelatie géén sprake is van een arbeidsovereenkomst. VZN vindt die opzet te breed. Maximumtarieven, matching, kwaliteitsbewaking, ratings en gedragsregels komen volgens de vereniging ook voor bij reguliere bemiddeling van echte zelfstandigen. Daarom wil VZN scherpere criteria. De werkgeversorganisaties redeneren vrijwel hetzelfde. Ook zij willen scherpere criteria. Het rechtsvermoeden voor platformwerkers, iets anders dan het algemene rechtsvermoeden voor zelfstandigen, moet volgens hen een bewijsinstrument blijven en geen zelfstandige kwalificatietoets worden. Maar wat blijft er over van de bescherming? Als je de omstandigheden die het rechtsvermoeden activeren verder beperkt, wordt die bescherming nog kleiner. Dat is begrijpelijk vanuit werkgeversperspectief. Maar van een organisatie die zelfstandigen vertegenwoordigt, mag je juist voorstellen verwachten die zelfstandigen daadwerkelijk beter beschermen. Daar komt bij dat een rechtsvermoeden de economische oorzaak van schijnzelfstandigheid niet wegneemt. Zolang het financieel aantrekkelijk blijft om werk via goedkope zzp-constructies te organiseren, bestrijd je vooral de gevolgen en niet de bron. Dat beschreef ik eerder in Waarom het rechtsvermoeden de economische prikkel achter schijnzelfstandigheid niet wegneemt. Het platformrechtsvermoeden biedt bovendien geen automatische bescherming. De platformwerker moet er zelf een beroep op doen en bij een geschil kan alsnog een gang naar de rechter nodig zijn. De winst zit vooral in de bewijspositie: bij twee van de vijf criteria moet het platform aantonen dat géén arbeidsovereenkomst bestaat. VZN wil juist de voorwaarden aanscherpen waaronder een platformwerker een beroep op dat rechtsvermoeden kan doen. Daardoor wordt het voor minder platformwerkers mogelijk om van die sterkere bewijspositie gebruik te maken, terwijl daar geen economische bodem tegenover staat. Waar ligt de ondergrens voor tarieven? VZN en de werkgeversorganisaties willen voorkomen dat invloed op tarieven of maximumtarieven te snel wordt gezien als aanwijzing voor een arbeidsovereenkomst. Zulke afspraken komen volgens hen ook voor in gewone commerciële relaties met echte zelfstandigen. Tegelijk schrijft VZN zelf dat grote opdrachtgevers door hun marktmacht regelmatig maximumtarieven kunnen dicteren, bijvoorbeeld bij aanbestedingen. Daarmee erkent VZN dat opdrachtgever en zelfstandige lang niet altijd gelijkwaardig onderhandelen. Opvallend is wat daarna gebeurt. VZN gebruikt die marktmacht vooral als argument om het rechtsvermoeden te beperken, niet om zelfstandigen tegen de gevolgen ervan te beschermen. Voor werkgeversorganisaties is dat vanuit hun positie begrijpelijker: zij vertegenwoordigen ondernemingen die arbeid en diensten inkopen. Als opdrachtgevers door marktmacht maximumtarieven kunnen opleggen, is vrijheid maar betrekkelijk. VZN benoemt die marktmacht, maar stelt daar geen concrete economische bescherming tegenover. Een echte zelfstandige kan ook te weinig verdienen VZN begint haar reactie met een interessante constatering. Volgens de vereniging biedt het wetsvoorstel vooral extra bescherming aan schijnzelfstandigen en nauwelijks verbetering voor echte zelfstandigen. Daar ben ik het mee eens. Maar zou het kunnen dat er heel veel schijnzelfstandigen binnen de platformeconomie werken? En is VZN er niet om juist echte verbeteringen voor zelfstandigen aan te dragen? Juist daarom valt op dat in de zeventien aanbevelingen van VZN nauwelijks economische bescherming voor die echte zelfstandige terugkomt. Iemand kan zelfstandig ondernemer zijn en tóch structureel te weinig betaald krijgen. Dat probleem verdwijnt niet wanneer we met meer juridische zekerheid vaststellen dat iemand ‘echt zzp’er’ is. Bij werknemers vinden we een economische ondergrens vanzelfsprekend. Voor zelfstandigen ontbreekt zo’n algemene bodem. Maar hoe groot is dat probleem eigenlijk? Lees ook: Wet Platformwerk biedt bescherming kwetsbare zzp’ers. Maar impact is veel breder dan dat 55 procent verdient minder dan het minimumuurloon Juist bij platformwerk is een lage vergoeding erg relevant. Volgens cijfers die de Raad van de EU gebruikt, verdient ongeveer 55 procent van de platformwerkers minder dan het netto minimumuurloon in hun land. Bovendien is 41 procent van de tijd die zij aan platformwerk besteden onbetaald, bijvoorbeeld door wachttijd. Juist in een markt waarin lage beloning en veel onbetaalde tijd voorkomen, is het opmerkelijk om vooral te pleiten voor minder toegang tot het beschermende rechtsvermoeden. Het voorstel beschermt vooral de status Dat komt ook terug wanneer VZN de verhouding met de toekomstige Zelfstandigenwet bespreekt. Wie op grond van een zelfstandigentoets een ‘volwaardige, bewuste ondernemer’ is, moet volgens VZN op die status kunnen vertrouwen, ongeacht het kanaal waarlangs de opdracht binnenkomt. Die zekerheid is nuttig. Maar een zelfstandigenstatus biedt geen economische bescherming. Je kunt honderd procent zekerheid hebben dat je ondernemer bent en vervolgens 22 euro per uur krijgen, terwijl je door bedrijfskosten, pensioen, arbeidsongeschiktheid, ziekte en niet-declarabele tijd veel meer nodig hebt om duurzaam zelfstandig te werken. Dan hebben we geregeld dát je zzp’er mag zijn, maar nog niets geregeld over bescherming aan de onderkant. Dat doet denken aan mijn eerdere vergelijking met een lekkend dak. We blijven praten over de opvang onder het lek, terwijl het dak zelf niet wordt gerepareerd. Alleen tarieven monitoren is geen bescherming VZN vraagt wel aandacht voor tarieven. Een aanbeveling is om na invoering te monitoren wat de wet doet met het opdrachtvolume en de tarieven van zelfstandigen. Ik denk dat extra kijken naar opdrachten en tarieven niets zal brengen voor zelfstandigen. Data over opdrachtvolumes en tarieven bestaan ook allang, maar daar gaat het toch uiteindelijk niet om? Twee jaar langer kijken naar data is geen bescherming. Als na twee jaar blijkt dat zelfstandigen nog steeds structureel voor economisch onhoudbare tarieven werken, hebben zij daar in de tussentijd weinig aan. Bovendien is Europees al aangetoond dat platformwerkers weinig betaald krijgen. Bescherming gaat ook over inkomen Volgens Europese cijfers verdient ongeveer 55 procent van de platformwerkers minder dan het netto minimumuurloon in hun land. Dat is een sterk signaal dat er economisch iets misgaat. Die lage beloning zorgt bovendien voor oneerlijke concurrentie met werknemers, voor wie wél een wettelijke loonbodem geldt. Platformwerkers kun je op meerdere manieren beschermen. Stel een minimumtarief vast dat naast een uurloon ook de extra kosten en risico’s van zelfstandig werken dekt. Beperk daarnaast onbetaalde wachttijd en/of vergoed die tijd. Een wettelijke inkomensbodem voor platformwerk Het huidige wetsvoorstel voor de Wet Platformwerk kent geen absolute inkomensgrens. Zelfs als iemand inclusief noodzakelijke wachttijd structureel minder verdient dan het minimumloon, maakt dat hem niet automatisch werknemer. Het wetsvoorstel biedt alleen een weerlegbaar rechtsvermoeden op basis van vormen van sturing door het platform. Wat mij betreft is dat aan de uiterste onderkant te weinig bescherming. Als iemand met platformwerk, gerekend over alle noodzakelijke werk- en wachttijd, structureel minder verdient dan het wettelijk minimumuurloon, zou die arbeidsrelatie wat mij betreft wettelijk als schijnzelfstandigheid moeten worden aangemerkt en zouden werknemersrechten moeten gelden. Niet pas na een procedure bij de rechter, maar omdat het verdienmodel zelf onder de wettelijke loonbodem voor arbeid uitkomt. Als een zelfstandige inclusief noodzakelijke wachttijd gemiddeld per uur minder verdient dan het minimumloon, wordt zelfstandigheid gebruikt om arbeid onder de wettelijke loonbodem te laten verrichten. Dat zou wat mij betreft niet mogelijk moeten zijn. De opvallende overeenkomst Leg je de reacties van VZN en VNO-NCW, MKB-Nederland en AWVN naast elkaar, dan valt vooral op wat zij willen behouden: zoveel mogelijk ruimte om via platforms met zelfstandigen te blijven werken. Ze willen het platformrechtsvermoeden beperken en voorkomen dat invloed op tarieven of maximumtarieven snel gevolgen heeft voor de kwalificatie van de arbeidsrelatie. Zo blijft er veel ruimte voor zzp-inhuur, ook als een opdrachtgever of platform invloed heeft op het tarief. De uitkomst ligt daarmee dicht bij elkaar: houd zzp-inhuur mogelijk, beperk het rechtsvermoeden en laat commerciële tariefafspraken grotendeels vrij. VZN wil daarbij vooral zekerheid dat iemand als zzp’er kan blijven werken. Omzet is niet hetzelfde als rendabele omzet VZN presenteert minder zzp-opdrachten en omzetverlies vooral als nadeel. Maar minder zzp-inhuur betekent niet automatisch dat het werk verdwijnt. Maaltijden moeten nog steeds worden bezorgd. Als de vraag naar dat werk blijft bestaan, kan het ook in loondienst worden uitgevoerd. Dan krijgt de werkende wél bescherming via het minimumloon, loondoorbetaling bij ziekte en andere werknemersrechten. En voor een zelfstandige is omzet geen doel op zichzelf. Een slecht betaalde opdracht levert wel omzet op, maar kan economisch ongunstig zijn. Voor een zelfstandige kan het verdwijnen van de slechtst betaalde klussen juist tijd vrijmaken voor beter betaald werk. Uiteindelijk gaat het er niet om hoeveel opdrachten iemand krijgt, maar of het werk voldoende oplevert om van te leven en de kosten en risico’s van zelfstandig ondernemen te dragen. Bescherm de zelfstandige Zekerheid over de zelfstandigenstatus is een ding, maar de discussie daarover kan ook afleiden van een veel concreter probleem. In veel gevallen kan iemand al gewoon als zelfstandige werken. Van een belangenorganisatie voor zelfstandigen mag je daarom verwachten dat zij aandacht heeft voor de economische positie van zzp’ers, zeker aan de onderkant. Als VZN zelf constateert dat opdrachtgevers door marktmacht tarieven kunnen dicteren, hoort daar ook een antwoord bij op de gevolgen daarvan. Die marktmacht ontstaat bijvoorbeeld wanneer veel zelfstandigen afhankelijk zijn van relatief weinig opdrachtgevers. Een individuele zzp’er kan dan formeel vrij onderhandelen, maar heeft in werkelijkheid weinig invloed op het tarief. Een marktprijs is daardoor niet automatisch een economisch gezonde prijs. Daar schreef ik eerder over in Marktwerking: waarom het in sommige sectoren hapert voor zzp’ers. Door vooral zoveel mogelijk ruimte te houden voor zzp-inhuur ontstaat juist minder bescherming tegen die marktmacht. Als zelfstandigen vervolgens structureel kans maken om te weinig te verdienen, bescherm je vooral de mogelijkheid om hen tegen lage tarieven te blijven inhuren. Via zzp-constructies kan arbeid immers nog steeds goedkoper worden ingekocht dan via loondienst, waar wél een wettelijke loonbodem geldt. Een echte zelfstandige heeft niet alleen behoefte aan zekerheid dat hij zelfstandig mág werken. Belangrijker is dat een normale beroepspraktijk voldoende kan opleveren om van te leven en de kosten en risico’s van zelfstandig werken te dragen. Lees ook: De Wet Platformwerk raakt niet alleen platformbedrijven Geplaatst in ZP en Politiek | Tags platformwerk | 3s Reacties
Internetconsultatie Wet Platformwerk afgerond: brede steun voor doel, kritiek op uitvoering Geplaatst 14 september 2026 door ZiPredactie De internetconsultatie over de Wet Platformwerk liep van 29 juni tot en met 24 augustus. Er kwamen 86 reacties binnen. Een flink deel daarvan komt van individuele taxichauffeurs, met een boodschap die vooral op één bedrijf gericht is: Uber. Maar ook tientallen organisaties reageerden: van vakbond en coalitie van platformbedrijven tot brancheorganisatie en zelfstandigenorganisatie. De Wet Platformwerk is de Nederlandse vertaling van de Europese Platformwerk-richtlijn (2024/2831), die platformwerkers beter moet beschermen en meer transparantie moet brengen in algoritmisch management. Zoals we eerder uitlegden op ZiPconomy, kent de wet drie doelen: het makkelijker maken om de juiste arbeidsrelatie van platformwerkers vast te stellen (via een rechtsvermoeden van werknemerschap), meer transparantie en menselijk toezicht bij algoritmisch beheer, betere informatievoorziening over platformwerk, ook grensoverschrijdend. Een bedrijf valt onder de wet zodra het aan vier voorwaarden voldoet: de dienst wordt (deels) digitaal verleend, op verzoek van een afnemer, met de organisatie van werk als noodzakelijk en essentieel onderdeel én met gebruik van geautomatiseerde monitoring of besluitvorming. Nederland haalt de Europese implementatiedeadline van 2 december 2026 sowieso niet; het kabinet mikt op invoering zo snel mogelijk daarna. Wet Platformwerk raakt mogelijk veel meer bedrijven Wie denkt dat dit alleen Uber, Deliveroo en Temper raakt, heeft het mis. Platformexpert Martijn Arets en ZiPconomy-oprichter Hugo-Jan Ruts legden eerder in een ZipTalk-aflevering uit dat ook uitzendbureaus, HR-techbedrijven en gewone werkgevers met de wet te maken kunnen krijgen zodra ze algoritmes inzetten voor matching, planning of beoordeling. Ruts schat dat de wet, in de meest ruime uitleg, al snel duizenden (misschien wel twintigduizend) bedrijven raakt. Eén concrete verplichting die daaruit voortvloeit, het verplichte digitale communicatiekanaal voor platformwerkers, bespraken we al eerder in een verdiepend artikel over de dilemma’s rond die ‘digitale bedrijfskantine’. Bijna negentig reacties, met een luide taxi-stem Wie de volledige lijst met reacties doorbladert, ziet dat een opvallend groot deel afkomstig is van individuele taxichauffeurs. Hun toon verschilt sterk van die van de brancheorganisaties: waar organisaties het hebben over rechtsvermoedens en AMvB’s, gaat het bij chauffeurs vooral over tarieven, deactivatie van accounts en het gevoel overgeleverd te zijn aan het algoritme van Uber. Dat verdient een eigen verhaal; dit artikel richt zich op de reacties van organisaties. Iedereen voor het doel, bijna niemand blij met de uitvoering Vrijwel alle (branche)organisaties onderschrijven het doel van de richtlijn. VNO-NCW, MKB-Nederland, AWVN, de NBBU, ABU, TLN, HR-platform Maqqie, HeadFirst Group en de gezamenlijke platformcoalitie van Bolt, Roamler, Temper, Thuisbezorgd.nl, Uber en YoungOnes zeggen allemaal: bescherming van kwetsbare platformwerkers en transparantie over algoritmes zijn goede uitgangspunten. Waar ze wél moeite mee hebben, is de uitvoering. De grootste gemene deler is de vrees dat de definitie van een ‘geautomatiseerd systeem dat monitort of besluit’ zo ruim is geformuleerd dat gewone software voor planning, urenregistratie of matching er ook onder kan vallen. Daardoor zou de wet volgens onder meer de NBBU en HeadFirst Group ook intermediairs raken die zich helemaal geen platform voelen. Bijna alle partijen vragen bovendien om de kerncriteria van het rechtsvermoeden in de wet zelf vast te leggen in plaats van in een AMvB (Algemene Maatregel van Bestuur), die, zo signaleert HeadFirst Group, bij deze consultatie ontbrak. Twee rechtsvermoedens, dubbele hoofdpijn Een terugkerend punt van zorg: Nederland krijgt straks niet één, maar twee rechtsvermoedens van werknemerschap naast elkaar. Naast het rechtsvermoeden uit de Wet Platformwerk (bij twee van vijf criteria) geldt vanaf 1 januari 2027 ook een rechtsvermoeden gekoppeld aan een laag uurtarief. BOVIB, VZN, de NBBU, ABU, Maqqie en HeadFirst Group vragen allemaal om duidelijkheid over hoe die twee zich tot elkaar verhouden. Zelfstandigenorganisaties: pas op voor de échte zzp’er Zelfstandigenkoepel VZN en brancheorganisatie BOVIB trekken een vergelijkbare kaart, maar dan vanuit het perspectief van de zelfstandige zelf. Zij vrezen dat de drempel van ‘twee van de vijf criteria’ zo laag ligt dat ook doodgewone bemiddeling van bewuste zzp’ers eronder kan vallen. Het risico: platforms en opdrachtgevers die uit voorzorg stoppen met het contracteren van zelfstandigen. Beide wijzen bovendien op de aankomende Zelfstandigenwet, die met een heel andere systematiek werkt en tot tegenstrijdige uitkomsten kan leiden voor dezelfde persoon. De digitale bedrijfskantine: schrappen, uitbesteden of centraliseren? Het verplichte communicatiekanaal uit artikel 10 is ook in deze consultatieronde een terugkerend thema. VNO-NCW en de zes platforms willen de moderatieplicht uit de toelichting laten schrappen, omdat die volgens hen botst met de Digital Services Act. Andere partijen zoeken de oplossing juist in centralisatie: onafhankelijk onderzoeker Martijn Arets pleit al langer voor één publiek, via API’s gekoppeld communicatieplatform in plaats van dat ieder bedrijf zelf het wiel uitvindt. HeadFirst Group noemt dat voorstel in zijn reactie expliciet als werkbaar alternatief en compliance-platform Vocazzp/ZWiZ presenteert met het ‘Dutch Compliance Platform Model’ een vergelijkbare, gedeelde aanpak. FNV: het moet juist verder, niet minder Tegenover al die oproepen tot verduidelijking en beperking staat één duidelijk ander geluid: vakbond FNV. Die wil het rechtsvermoeden juist steviger maken: de bewijslast moet meteen bij het platform beginnen in plaats van bij de werkende, het vermoeden moet ook gelden voor UWV en Belastingdienst en het hoort thuis in het Burgerlijk Wetboek in plaats van in een aparte wet. FNV wil bovendien dat ook opdrachtovereenkomsten niet zomaar meer opgezegd kunnen worden en pleit voor evaluatie van de wet na drie in plaats van vijf jaar. Twijfels over de rekensom Ten slotte zetten Maqqie en de NBBU vraagtekens bij de regeldrukberekening van het ministerie, dat uitgaat van circa 17.000 euro aan structurele kosten per platform per jaar. Maqqie’s eigen, gedetailleerde raming komt uit op een bedrag dat tot negen keer hoger kan liggen. Vooral omdat elke volgende digitaliseringsstap van een platform zelf weer nieuwe toetsingsverplichtingen kan triggeren. Wat nu? Het kabinet gaat na een beoordeling van de reacties een definitief wetsvoorstel opstellen, waarna de Raad van State advies uitbrengt. Vervolgens is de Tweede Kamer, en daarna de Eerste Kamer, aan zet. Bovengenoemde punten van kritiek zullen dan ongetwijfeld onderdeel worden van de politieke discussie. De exacte ingangsdatum van de nieuwe wet hangt onder andere af van de snelheid van behandeling in het parlement. De Europese deadline van 2 december 2026 wordt sowieso niet gehaald. Geplaatst in Toekomst van Werk | Tags Wet Platformwerk | Laat een reactie achter
De gevaarlijkste verzekering is die waarvan je dénkt dat je goed verzekerd bent Geplaatst 11 september 2026 door easeley Een zzp’er staat zelden stil. Je begint misschien als organisatieadviseur en doet een paar jaar later ook interim-management. Je start als IT-specialist en ontwikkelt vervolgens software, AI-toepassingen of complete oplossingen voor klanten. Of je begint als marketeer, maar wordt uiteindelijk verantwoordelijk voor het resultaat van een campagne. Dat is ondernemerschap. Je ontwikkelt je, speelt in op nieuwe kansen en past je dienstverlening aan de markt aan. Maar er is één ding dat veel zelfstandigen daarbij vergeten: als je werk verandert, kan ook je risico veranderen. Je onderneming van toen is niet altijd de onderneming van nu Veel zelfstandigen sluiten bij de start van hun bedrijf een aansprakelijkheidsverzekering af. Vervolgens verdwijnt die polis in de digitale la. Begrijpelijk. De aandacht gaat naar klanten, opdrachten, omzet en groei. “Wij zien regelmatig ondernemers die inmiddels heel andere werkzaamheden uitvoeren dan toen zij hun verzekering afsloten”, zegt Michel Verheij, oprichter van easeley. “Voor de ondernemer voelt dat vaak als een logische ontwikkeling. Maar vanuit verzekeringsperspectief kan het een wezenlijke verandering zijn.” Een beroepsaansprakelijkheidsverzekering is geen algemene garantie tegen alles wat er tijdens het ondernemen mis kan gaan. De vraag welke werkzaamheden je uitvoert en welk risico daarmee samenhangt, is relevant voor de beoordeling van de dekking. De belangrijkste vraag is daarom niet: heb ik een verzekering? De betere vraag is: past mijn verzekering nog bij de onderneming die ik vandaag heb? Je website als reality check Volgens Verheij hoeft een eerste controle helemaal niet ingewikkeld te zijn. “Pak je website, LinkedIn-profiel en een paar recente offertes erbij. Wat beloof je klanten tegenwoordig? Welke diensten bied je aan? En is dat nog hetzelfde als toen je je verzekering afsloot?” Dat kan verrassende verschillen opleveren. Een consultant geeft niet alleen meer advies, maar neemt tijdelijk een managementrol over. Een financieel specialist gaat naast analyseren ook adviseren. Een marketeer voert zelf campagnes uit. Een IT-professional ontwikkelt AI-oplossingen. Een zzp’er die jarenlang alleen werkte, zet inmiddels andere zelfstandigen in. Ook werkzaamheden voor buitenlandse opdrachtgevers kunnen een rol spelen. Dat betekent overigens niet dat iedere nieuwe activiteit direct een probleem is of dat er automatisch geen dekking bestaat. “Zo simpel is het niet”, benadrukt Verheij. “Maar als je dienstverlening structureel verandert, is het verstandig om opnieuw te kijken of de verzekering daar nog bij aansluit.” Een hoog verzekerd bedrag zegt niet alles Een andere misvatting is dat je automatisch goed verzekerd bent als het verzekerde bedrag maar hoog genoeg is. Opdrachtgevers vragen bijvoorbeeld steeds vaker om een beroepsaansprakelijkheidsverzekering van één miljoen euro of meer. Zo’n eis kan begrijpelijk zijn, maar volgens Verheij zegt het bedrag op zichzelf weinig. “Een polis van één miljoen euro klinkt indrukwekkend. Maar als je werkzaamheden niet goed aansluiten bij de verzekering heb je aan een hoog verzekerd bedrag weinig. Eerst moet je weten wat je risico is. Daarna kijk je welk bedrag daarbij past.” Dat is volgens hem precies waar het vaak misgaat. Ondernemers vergelijken premies en verzekerde bedragen, terwijl de belangrijkste vraag eigenlijk aan het begin zou moeten staan: wat doe ik precies en waarvoor ben ik verantwoordelijk? Goed verzekerd zijn betekent dus niet automatisch: maximaal verzekerd zijn. AI verandert niet alleen je werk, maar ook je verantwoordelijkheid Die vraag wordt steeds relevanter door de opkomst van AI. Een zelfstandige die een paar jaar geleden uitsluitend strategisch advies gaf, implementeert nu misschien AI-systemen, koppelt databronnen of werkt met AI-agents. De technologie verandert, maar daarmee verandert ook de dienstverlening. “AI verandert de manier waarop professionals werken enorm”, zegt Verheij. “Maar de verantwoordelijkheid voor het resultaat verdwijnt niet omdat je AI gebruikt. Juist als je dienstverlening verandert, moet je jezelf afvragen welke nieuwe verantwoordelijkheden je op je neemt.” Daarmee gaat het uiteindelijk niet alleen over technologie. De fundamentele vraag blijft: wat lever ik mijn opdrachtgever, en waarvoor kan ik verantwoordelijk worden gehouden? Een verzekering is geen vinkje Verheij vindt dat ondernemers verzekeringen te vaak zien als een eenmalige administratieve handeling. “Verzekering geregeld, vinkje erachter en door. Maar ondernemen werkt niet zo. Je klanten veranderen, je werkzaamheden veranderen en soms verandert je hele verdienmodel. Dan is het logisch om af en toe ook naar je risico’s te kijken.” Dat hoeft geen jaarlijks verzekeringscircus te zijn. Volgens hem zijn drie vragen vaak voldoende: Wat doe ik daadwerkelijk? Voer je nog dezelfde werkzaamheden uit als bij het afsluiten van je verzekering? Welke verantwoordelijkheid heb ik gekregen? Adviseer je alleen of neem je beslissingen, lever je systemen op, stuur je processen aan of zet je anderen in? Waar en voor wie werk ik? Werk je inmiddels internationaal of onder andere voorwaarden voor grotere opdrachtgevers? Wanneer de antwoorden wezenlijk zijn veranderd, is dat een goed moment om je verzekering opnieuw te bekijken. Verzeker wat je zelf niet kunt dragen Verheij pleit daarbij nadrukkelijk niet voor zoveel mogelijk verzekeringen. “Het doel moet niet zijn om ieder denkbaar risico af te dekken. Ondernemen is nu eenmaal risico nemen. De relevante vraag is: welk financieel risico kan ik zelf dragen en welk risico kan de continuïteit van mijn onderneming bedreigen?” Dat is volgens hem een veel betere manier om naar verzekeren te kijken dan simpelweg vragen welke polissen een zzp’er moet hebben. Eerst breng je je risico’s in kaart. Vervolgens bepaal je welke risico’s je zelf kunt dragen. En pas daarna kijk je welke risico’s je wilt verzekeren. De polis moet bij je onderneming passen De moderne zzp’er is geen statische ondernemer. Je ontwikkelt nieuwe diensten, werkt voor andere klanten en gebruikt technologie die een paar jaar geleden soms nog niet eens bestond. Daarom moet een verzekering niet alleen passen bij het bedrijf dat je ooit startte, maar vooral bij het bedrijf dat je vandaag runt. “Een goede verzekering moet met je onderneming kunnen meegroeien”, zegt Verheij. “Niet omdat je ieder jaar meer nodig hebt, maar omdat je wilt weten dat wat je hebt verzekerd nog steeds aansluit op wat je daadwerkelijk doet.” Want het grootste risico zit uiteindelijk niet alleen in onverzekerd zijn. Het kan ook zitten in een veel geruststellender gedachte: dat je dénkt dat je goed verzekerd bent. En precies daarom is verzekeren geen vinkje. Het is onderdeel van goed ondernemerschap. Lees ook: Aansprakelijk gesteld als zzp’er: wat nu? Geplaatst in ZP en Ondernemen | Tags easeley, verzekeringen | 1 Reactie
Minister Aartsen: “Zelfstandigenwet moet veilige haven bieden aan zzp’ers”. Wet moet in 2028 ingaan. Geplaatst 10 september 2026 door Hugo-Jan Ruts Het kabinet maakt concrete stappen om te komen tot een nieuwe Zelfstandigenwet. Een conceptversie van het wetsvoorstel zal eind van de maand bekend worden. Na nieuwe uitvoeringstoetsen, een internetconsultatie en advies van de Raad van State moet de wet in 2027 in de Kamer behandeld kunnen worden. De geplande ingangsdatum is dan 1 januari 2028. Dat heeft minister Thierry Aartsen (Werk & Participatie) vandaag via een brief aan de Tweede Kamer laten weten. De Zelfstandigenwet moet een “toekomstbestendig antwoord” geven op de fundamentele vraag: wanneer kan ik in ieder geval met en als zelfstandige(n) werken, en is er dus geen sprake van een arbeidsovereenkomst?, zo schrijft Aartsen in zijn brief. Daarmee wil het kabinet zorgen voor meer rust en duidelijkheid onder zelfstandigen en opdrachtgevers. Volgens de minister is er op dit moment nog te veel onduidelijkheid over de vraag wanneer je als zelfstandige kunt werken. Dat leidt onder meer tot “risicomijdend gedrag onder opdrachtgevers en het onnodig uitsluiten van zelfstandigen.” Uit cijfers van het CBS blijkt dat er momenteel zo’n 140.000 minder zzp’ers een zelfstandige opdracht uitvoeren dan anderhalf jaar geleden, het moment waarop het handhavingsmoratorium verviel. Zelfstandigenwet als veilige haven “Het doel van het wetsvoorstel is om meer duidelijkheid te creëren voor zelfstandigen en opdrachtgevers, schijnzelfstandigheid tegen te gaan en zelfstandigen de erkenning te geven die zij verdienen.” zo maakt Aartsen duidelijk. “Wie conform die spelregels werkt, weet zeker dat er als zelfstandige kan worden gewerkt.” Op die manier ontstaat er een ‘veilige haven’ voor hen die aan de wet voldoet. De wet is bedoeld voor alle zelfstandigen – los van de rechtsvorm waarin ze werken – in gevallen waarin een discussie kan ontstaan of er sprake is van een arbeidsrelatie, zo zegt minister Aartsen in een toelichting op de Kamerbrief. Indien er voldaan wordt aan bepaalde criteria hebben zowel opdrachtgever als opdrachtnemer – vooraf – zekerheid dat een werkrelatie niet als arbeidsovereenkomst gekwalificeerd kan worden. Minister Aartsen benadrukt in zijn brief dat de nieuwe wet niets verandert aan de bescherming van werknemers. “Het kabinet beoogt niets te wijzigen aan de huidige kwalificatie van het zijn van werknemer en bijbehorende bescherming. De aard van de eisen die het wetsvoorstel stelt, voorkomt dat werkenden onbedoeld of onbeschermd aan de slag gaan als zelfstandige.” Duidelijke, objectiveerbare criteria Het politieke en maatschappelijke draagvlak, maar met name ook de uitvoerbaarheid en toepasbaarheid van de wet zullen vooral bepaald worden door welke criteria in de wet komen. Met name daarover is de afgelopen tijd veel overleg gevoerd, zo vertelt de minister in een toelichting op de Kamerbrief. “Uit gesprekken die we hebben gevoerd met juridische experts en verschillende belangenbehartigers kwamen we tot de kern van het werken als zelfstandige: heb je de vrijheid om je werk zelf te organiseren, ben je onafhankelijk van anderen en werk je voor eigen rekening en risico. Dat zijn voor mij de toetsstenen om te kunnen beoordelen of iemand zelfstandige is”, aldus de minister in gesprek met ZiPconomy. Daarvoor komen – zoals al eerder duidelijk werd – in de wet twee toetsen, elk met een beperkt aantal concrete criteria: de zelfstandigentoets (ziet op de persoon van de zelfstandige) en de werkrelatietoets (ziet op vrijheid van een zelfstandige, diens onafhankelijkheid en dus ontbreken van ‘gezag’, binnen een concrete opdracht). Wat de criteria precies worden, is in de brief nog niet verder uitgewerkt. Ze moeten wat de minister betreft in ieder geval zo concreet mogelijk zijn. “Voor een politicus is het fijn om te werken met vage of heel open normen. Dan hoef je namelijk zelf geen lastige keuze te maken. Daar wil ik echt vanaf. Door te komen met heldere, objectiveerbare criteria.” Aartsen verwacht dat een flink deel van de zelfstandigen op dit moment al aan die criteria voldoet. Hij realiseert zich ook dat dat niet voor iedereen geldt. Die groep moet – met duidelijke criteria – voldoende “handelingsperspectief” krijgen, aldus de minister. Ze moeten dus weten hoe ze hun opdracht en ondernemerschap zo kunnen aanpassen dat ze wél binnen de kaders van de wet vallen. Vervolg Eind september komt een conceptwetsvoorstel naar buiten. Dan wordt meer duidelijk over de details en hoe scherp – of ruim – de criteria zijn. Aartsen laat doorschemeren dat die criteria een grote mate van vrijheid geven over hoe zelfstandigen ze kunnen invullen en uitgaan van ‘vertrouwen’. Via een internetconsultatie kunnen experts en belangenbehartigers nog een keer hun mening over met name de uitvoerbaarheid van de wet kenbaar maken. Ook worden dan nog de nodige uitvoeringstoetsen uitgevoerd. Snel daarna wordt een eventueel nog aangepast wetsvoorstel voor advies ingediend bij de Raad van State. De minister mikt vervolgens op behandeling in Tweede en Eerste Kamer in 2027, zodat het wetsvoorstel op 1 januari 2028 in werking kan treden. Aartsen is optimistisch dat hij, als minister van een minderheidskabinet, op voldoende steun kan rekenen om de wet door de Tweede en Eerste Kamer te krijgen. “Er is in de politiek breed behoefte om deze discussie af te ronden. Ik zie in ieder geval steun voor deze wet bij de ondernemersgezinde partijen in de oppositie. Maar ik ga voor honderd-plus zetels in de Kamer.” Meer weten? De Zelfstandigenwet en andere actuele zaken rond wetgeving, arbeidsmarkt en zzp aanbod in verschillende sessie in de WebinarWeek. Bekijk het programma en schrijf je (gratis) in via deze pagina Geplaatst in ZP en Politiek | Tags zelfstandigenwet | Laat een reactie achter
Bijna helft zzp’ers weet niet hoeveel omzet ze over drie maanden gaan maken – maar wel dat er veel vraag is naar hun expertise Geplaatst 10 september 2026 door ZiPredactie 42% van de zzp’ers heeft geen zicht op of, en hoeveel, omzet ze over drie maanden gaan maken. Dat blijkt uit een nieuwe analyse van het Knab Uurtarievenonderzoek 2026 onder bijna 17 duizend zzp’ers. Die onzekerheid over toekomstige omzet is echter zelden een teken van te weinig werk: van deze groep zegt 77% dat er doorgaans veel vraag is naar wat ze doen. Een korte werkvoorraad is dus iets anders dan geen klanten hebben. Starters kijken minder ver vooruit Onder zzp’ers die korter dan een jaar ondernemen, heeft 55% minder dan drie maanden zicht op werk of omzet. Bij ondernemers die langer dan tien jaar actief zijn, is dat 37%. Toch verschilt de ervaren vraag nauwelijks: 82% van de starters meldt veel vraag, tegenover 82 tot 83% van de zzp’ers met meer dan tien jaar ervaring. Hoe ver iemand vooruit kan kijken, zegt dus weinig over hoe gewild diegene is. De meeste zzp’ers werken voor meerdere opdrachtgevers Andersom: een lange werkvoorraad kan komen doordat iemand maar één grote opdracht – en dus één opdrachtgever – heeft. Reden voor Casper Zwart, onderzoeker bij Knab, om voor dit uitgebreidere overzicht met zzp-data ook de ZEA-cijfers van CBS en TNO erbij te pakken. Die geven meer inzicht in het aantal opdrachtgevers dat zzp’ers hebben. Uit die tweejaarlijkse enquête blijkt dat van de zzp’ers die vooral hun eigen arbeid (diensten) aanbieden, 73% in 2024 minimaal vier klanten had over een periode van twaalf maanden. Slechts 6% had maar één opdrachtgever; 18,8% had twee of drie opdrachtgevers in een jaar. Tegelijk haalde ongeveer een kwart van alle dienstverlenende zzp’ers minimaal 60% van de jaaromzet uit de grootste klant. Bij 10% is dat 90 tot 100%. Het feit dat de omzet van een zelfstandige vooral afkomstig is van een klant, is geen automatisch bewijs van economische of juridische afhankelijkheid, zo benadrukt Knab. Aantal opdrachtgevers politiek relevant Volgens Zwart zeggen de cijfers over een korte werkvoorraad of een beperkt aantal klanten op zichzelf niets over de kwetsbaarheid van een zzp’er, het onderscheid helpt volgens hem wel om de verschillen tussen ondernemers mee te nemen in de uitwerking van regels. Daarbij doelt Zwart onder meer op een nieuwe Zelfstandigenwet waar minister Aartsen (Werk & Participatie) momenteel aan werkt. In deze wet – die mogelijk per 1 januari 2028 zal ingaan – moeten heldere criteria komen voor wanneer iemand als ondernemer gezien kan worden. Welke criteria dat worden, is nog niet bekend. Maar het aantal opdrachtgevers zou daar wel eens onderdeel van kunnen uitmaken. Zo zei Aartsen onlangs in de podcast Maakbazen: “Je bent ondernemer als je voor meerdere partijen werkt, dat je niet afhankelijk bent van één ander. Je moet in 2 jaar tijd minstens drie opdrachtgevers hebben. Als je er niet aan kan voldoen of niet aan wil voldoen, dan moet je je afvragen of het ondernemerschap wel iets voor jou is.” Trends Voor het rapport “Een decennium zzp-dossier. Feiten, cijfers en ontwikkelingen” (2025) zette ZiPconomy dezelfde ZEA-cijfers over het aantal opdrachtgevers ook al eens op een rij, met name ook om een vergelijking te maken met eerdere jaren. Binnen de specifieke groep zzp’ers die eigen arbeid (diensten) aanbieden aan opdrachtgevers (b-to-b-zzp’ers) – ongeveer de helft van alle zzp’ers, en de groep waarop de Wet-DBA-discussie zich richt – ligt het percentage zzp’ers dat minder dan vier opdrachtgevers per jaar heeft hoger dan in de totale groep zzp’ers met eigen arbeid. In 2024 had 39% één tot drie opdrachtgevers per jaar. Dat percentage lag iets hoger dan het gemiddelde sinds 2017 (36%). Eén op de vijf zzp’ers (21,4%) valt in deze groep (eigen arbeid, b-to-b, minder dan vier opdrachtgevers per jaar), zo valt uit het ZEA-onderzoek op te maken. Denk daarbij aan IT-zzp’ers die betrokken zijn bij langlopende programma’s, projectleiders bij grote bouwprojecten of interim-managers met een complexe veranderopdracht. Het aandeel van deze groep is sinds 2017 gestegen, zo is in onderstaande grafie De groep “zzp, eigen arbeid, b-to-b” maakt momenteel 6,6% uit van de totale werkende beroepsbevolking. CBS cijfers laten zien dat dat flink minder is dan 1,5 jaar terug. Geplaatst in ZP en Politiek | Tags zelfstandigenwet, zzp data | 4s Reacties
“Meer dan helft van de bedrijven huurt minder zzp’ers in vanwege onduidelijke regels” Geplaatst 10 september 2026 door ZiPredactie 58 procent van de bedrijven zegt terughoudender te zijn met het inhuren van freelancers door onduidelijkheid rond de zzp-wetgeving. Tegelijkertijd noemt driekwart flexibele inzet essentieel voor het voortbestaan van de organisatie. Bijna 60% geeft aan aan vaker zelfstandigen in te zetten wanneer het duidelijker is wanneer dat volgens de wet is toegestaan. Dat blijkt uit Markteffect onder 960 HR-verantwoordelijken, in opdracht van freelanceplatform YoungOnes. Met de campagne ‘Zo kan zzp wél’ wil het kabinet opdrachtgevers meer duidelijkheid geven over de inzet van zelfstandigen. Uit het onderzoek blijkt dat die behoefte onverminderd groot is, zo concludeert YoungOnes. Slechts vier procent van de HR-verantwoordelijken zegt goed te begrijpen wanneer een freelancer volgens de huidige wetgeving kan worden ingehuurd. Zes op de tien noemt de wetgeving onduidelijk. Bron: Onderzoek Markteffect, in opdracht van YoungOnes Kennis van regels blijft beperkt De onzekerheid lijkt voort te komen uit de complexiteit van de regelgeving, aldus de onderzoekers. Slechts vier procent van de HR-verantwoordelijken zegt goed te begrijpen wanneer een freelancer volgens de huidige wetgeving kan worden ingezet. Voor 58 procent is dat beperkt of helemaal niet duidelijk. Lees ook: Inhuur of loonlijst? Stop met de verkeerde vraag stellen. Ook geeft slechts zeven procent aan goed bekend te zijn met de plannen rond de nieuwe zzp-wetgeving. Daarbij geeft maar 2 procent aan goed bekend te zijn met de inhoud van het Uber-arrest en kent 69 procent geen van de negen Deliveroo-criteria. “Duidelijke regels zijn pas effectief als werkgevers ook begrijpen hoe zij die in de praktijk moeten toepassen,” zegt Pim Graafmans, CEO van YoungOnes. “Als dat niet lukt, blijft onzekerheid een rol spelen bij iedere beslissing om een freelancer in te huren.” Rechtsvermoeden zorgt voor verwarring Dat veel onduidelijkheid heerst over de regels voor het inzetten van freelancers, blijkt ook uit de kennis over het voorgestelde rechtsvermoeden van 38 euro per uur. Zo denkt 18 procent van de HR-verantwoordelijken dat werken onder dit uurtarief straks niet meer is toegestaan. In werkelijkheid is dat niet het geval. Het rechtsvermoeden verschuift de bewijslast wanneer een zelfstandige minder dan 38 euro per uur verdient en stelt de zzp’er in staat een arbeidsovereenkomst te claimen, waarna de opdrachtgever moet aantonen dat er geen sprake is van loondienst. Toch noemt slechts 19 procent het verschuiven van de bewijslast en zegt 37 procent niet te weten wat het rechtsvermoeden inhoudt. Lees ook: Een sectorspecifieke tariefondergrens voor zzp’ers in de praktijk Personeelstekort vraagt om flexibiliteit Werkgevers zien flexibele inzet als een belangrijk antwoord op de krappe arbeidsmarkt. Zo zegt 81 procent dat het steeds moeilijker wordt om voldoende personeel te vinden. Zestig procent ervaart personeelstekorten binnen de organisatie. Driekwart noemt flexibele inzet zelfs noodzakelijk voor het voortbestaan van de organisatie en verwacht 73 procent zonder flexibele krachten omzet mis te lopen. Daarnaast stelt 55 procent dat de huidige ontwikkeling richting minder flexibele arbeidsrelaties de groei van de organisatie belemmert. “Veel bedrijven staan al onder druk door personeelstekorten, stijgende kosten en toenemende regeldruk,” zegt Graafmans. “Onduidelijkheid over de inzet van zelfstandigen zorgt ervoor dat de druk op medewerkers toeneemt en beperkt hun mogelijkheden om deze druk op te vangen. Dit maakt het voor veel bedrijven moeilijker om het hoofd boven water te houden.” Geplaatst in Professioneel inhuren | Tags rechtsvermoeden, Youngones, zzp-wetgeving | 1 Reactie