"Exploring the future of work & the freelance economy"
SLUIT MENU

Hoe bouw je een veilige, digitale bedrijfskantine voor platformwerkers? De impact, dilemma’s en voordelen van de Wet Platformwer

De invoering van Artikel 20 van de Europese Platformrichtlijn verplicht een flink aantal Nederlandse bedrijven een digitaal communicatiekanaal in te richten waar werkenden elkaar en hun vertegenwoordigers kunnen vinden. Tijdens een werkconferentie bespraken experts de implicaties en de operationele, juridische en technische struikelblokken. ‘Simpelweg een WhatsApp-groep opzetten, dat mag niet.’

Veel meer Nederlandse bedrijven dan gedacht zijn straks onder Artikel 20 verplicht om een beveiligd, digitaal communicatiekanaal voor hun platformwerkers in te richten. Dat is makkelijker gezegd dan gedaan. De nationale invoering van Artikel 20 van de Europese Platformrichtlijn heeft flinke implicaties voor alle stakeholders en de invoering wordt nog lastig.

Dit blijkt uit de eerste resultaten van een sociaal wetenschappelijk en juridisch onderzoek van AIAS-HSI, een instituut voor multidisciplinaire wetenschap aan de Universiteit van Amsterdam (UvA), als onderdeel van onderzoeksproject PlatWork-R. Tijdens een werkconferentie op 19 juni bij advocatenkantoor Stibbe te Amsterdam presenteerden de onderzoekers hun eerste resultaten aan beleidsmakers, vakbonden en praktijkexperts uit de platformeconomie. Zij gingen met deze diverse groep belanghebbenden in gesprek om praktische knelpunten te bespreken en input te verzamelen om te reageren op het lopende Nederlandse wetgevingstraject.


Wie zijn de onderzoekers?

  • Jaap van Slooten – Dagvoorzitter, hoogleraar aan de UvA en advocaat bij Stibbe. Van Slooten is al jarenlang betrokken bij juridische debatten rondom de platformeconomie.
  • Simon Kuijpers – Onderzoeker aan de UvA met een achtergrond in de antropologie en politicologie. Binnen PlatWork-R voert hij het sociaalwetenschappelijk onderzoek uit. Hij presenteert de eerste onderzoeksresultaten.
  • Niels Jansen – Universitair docent aan de UvA en jurist. Hij doet juridisch onderzoek naar Artikel 20. Hij is expert op het gebied van het cao-recht, vakbonden en collectief overleg.
  • Agnes Akkerman – Hoogleraar Regulering van Arbeid aan de UvA.
  • Giedo Jansen – Hoofddocent Regulering van Arbeid en onderzoeker aan de UvA.

Internationaal advocatenkantoor Stibbe treedt op als sponsor. PlatWork-R wordt gesubsidieerd door de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO).

Wie zijn de sprekers?

  • Hubert Koetsveld – Senior beleidsmedewerker bij de Directie Arbeidsverhoudingen van het ministerie van SZW. Hij is sinds 2023 medeverantwoordelijk voor het nationale wetgevingstraject rondom de platformrichtlijn.
  • Klara Boonstra – Hoogleraar aan de Vrije Universiteit (VU) en jurist bij de FNV. Zij weet alles van strategisch procederen, cao-recht en internationale arbeidsstandaarden.
  • Maarten Zoomers – Voormalig CEO van platform Temper.
  • Martijn Arets – Platformexpert en deeltijdonderzoeker aan de Hogeschool van Amsterdam (HvA). Hij schreef een paper over een mogelijke oplossing voor de dilemma’s rondom de implementatie van Artikel 20 in Nederland.

Jaap van Slooten

‘Veel te ruime definitie’

Er spelen vele vragen, belangen en dilemma’s. Dat begint bij de reikwijdte en definitie, vertelt dagvoorzitter en onderzoeker Jaap van Slooten. Hij is hoogleraar aan de UvA en advocaat bij Stibbe. “De definitie van een digitaal arbeidsplatform is heel breed”, vertelt hij. Een digitaal arbeidsplatform (DLP) is volgens de Europese richtlijn elke organisatie waar de dienst via een app of website op verzoek van de afnemer verloopt, er sprake is van automatische monitoring of besluitvorming en waarbij de organisatie van het werk een essentieel onderdeel vormt. “Behalve bedrijven als Uber kunnen ook reguliere uitzendbureaus en bedrijven zoals Picnic hieronder vallen.”

“Dit is een erg ruime bepaling”, vindt Hubert Koetsveld, beleidsmedewerker bij de Directie Arbeidsverhoudingen van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW). Hij is verantwoordelijk voor de omzetting van de richtlijn naar nationale wetgeving. “Nu kan zelfs een specifiek bedrijfsonderdeel onder de richtlijn vallen. Denk aan de bezorgafdeling van een supermarkt.”

Toch zal de definitie ruim blijven, zegt hij. Volgens Koetsveld geeft Brussel lidstaten namelijk weinig ruimte voor een eigen afbakening. Dat ziet hij als een van de grootste struikelblokken bij de invoering. “Sommige bedrijven zullen zich niet realiseren dat ze onder deze wet vallen.”


Wat betekent artikel 20 (in Nederland: artikel 10)?

Artikel 20 is de Europese bepaling die platformondernemers verplicht een digitaal communicatiekanaal in te richten voor veilig contact tussen werkenden en vakbonden. In het Nederlandse wetsvoorstel vind je deze regel terug als Artikel 10. Een Europese richtlijn bepaalt namelijk de doelen, maar Nederland kiest zelf de indeling en nummering van de eigen wet. Dit is de concept-wettekst uit het Nederlandse Wetsvoorstel platformwerk:

“Het digitaal arbeidsplatform biedt personen die platformwerk verrichten de mogelijkheid om privé en veilig met elkaar in contact te treden en te communiceren, en biedt eveneens de mogelijkheid om via de digitale infrastructuur van het digitaal arbeidsplatform of even doeltreffende middelen vertegenwoordigers van personen die platformwerk verrichten te contacteren of door hen te worden gecontacteerd. Het digitaal arbeidsplatform onthoudt zich van toegang tot of monitoring van de contacten en communicatie, bedoeld in het eerste lid.”


Hubert Koetsveld

Ministerie wil snelle invoering

Het ministerie van SZW wil Artikel 20 snel omzetten in nationale wetgeving om Brusselse boetes te voorkomen. “De Europese deadline is december 2026, maar ik kan vast verklappen: dat gaan we niet halen”, zegt Koetsveld van SZW. “De internetconsultatie is pas net begonnen en daarna moeten de Eerste en Tweede Kamer nog instemmen. Daarom houden we de implementatie zo eenvoudig mogelijk.”

Hij vertelt dat SZW inzet op ‘zuivere implementatie’. Dat betekent: geen extra nationale regels en geen uitzonderingen. Ieder bedrijf dat onder de richtlijn valt moet een digitaal communicatiekanaal inrichten voor alle platformwerkers: werknemers en zelfstandigen. Daarop moeten zij privé en veilig onderling kunnen communiceren. Ook moeten ze via het communicatiekanaal contact op kunnen nemen met vertegenwoordigers, zoals vakbonden.

Al met al is Artikel 20 een goed initiatief, vindt Koetsveld. “Zo’n communicatiekanaal helpt de risico’s met betrekking tot gezond en veilig werken te beperken”, zegt hij. “Het helpt platformwerkers zich te verenigen en op te komen tegen machtige werkgevers. Daarnaast kunnen ze elkaar steunen tijdens het werk. Denk aan maaltijdbezorgers die elkaar waarschuwen voor onveilige buurten.”

Gesprek met de vakbond op de virtuele werkplek

Klara Boonstra

Ook vakbond FNV is enthousiast over de nieuwe wet, vertelt Klara Boonstra. Zij is hoogleraar aan de Vrije Universiteit (VU), jurist bij de FNV en expert op het gebied van platformen. Ze benadrukt dat FNV niet alleen opkomt voor de belangen van werknemers, maar “van alle werkenden”, dus ook zelfstandig platformwerkers.

“Voor de FNV is het organiseren van platformwerkers vakbondswerk”, vertelt ze. “Maar ik geef toe, het is lastiger om platformwerkers te bereiken dan werknemers. Zij komen tenslotte niet samen op de werkvloer.”

Artikel 20 is dus heel waardevol voor de vakbonden om grip te krijgen op deze groep. “Via zo’n kanaal kunnen we platformwerkers echt ondersteunen”, legt ze uit. “Wij beginnen tegenwoordig nooit meer als vakbond met ‘wij hebben jullie dit te bieden’, maar ‘wat hebben jullie nodig?’ Op de virtuele werkplek (red. het verplichte communicatiekanaal) kunnen we dat gesprek makkelijker voeren. Ook kunnen we bestaande initiatieven van platformwerkers eenvoudiger ondersteunen met onze kennis, kunde en netwerk in Den Haag.”

Ruimte voor creatieve oplossingen

Maarten Zoomers

Ook veel Nederlandse platformen zien de voordelen van het opzetten van zo’n communicatiekanaal. “Onderling contact en sociale binding kunnen we alleen maar toejuichen”, zegt Maarten Zoomers, voormalig CEO van platform Temper. “Platformwerkers communiceren nu ook al onderling. Ze weten elkaar over het algemeen goed te vinden, bijvoorbeeld via WhatsApp, Telegram of Discord. Het idee van één digitale ‘bedrijfskantine’ is goed. Maar de operationalisering en uitvoering van zo’n platform zijn lastig.”

Er komt nogal wat kijken bij het opzetten van zo’n communicatiekanaal. Zo is het platform weliswaar verantwoordelijk voor de bouw en de veiligheid van het medium, maar het mag zelf geen toegang hebben tot de communicatie. “Het ligt voor de hand om het beheer bij een onafhankelijke derde partij te leggen”, zegt Koetsveld. “Toch nemen we dat niet als verplichting op in de wet, want we willen ruimte laten voor slimme, creatieve en eenvoudigere oplossingen.”

Die zijn hard nodig, want het is ‘financieel en operationeel loodzwaar’ voor een startende coöperatie of een klein mkb-platform om zo’n extern beheerd en gemodereerd communicatiekanaal op te zetten. Koetsveld: “Het ministerie wil hen wel tegemoet komen, maar de Europese richtlijn staat simpelweg geen uitzonderingen of drempels toe voor kleine bedrijven. Ieder platform dat aan de definitie voldoet, moet aan de slag.”

Simon Kuijpers

Eerste onderzoeksresultaten

De ervaringen van het ministerie van SZW sluiten goed aan bij de eerste onderzoeksresultaten van PlatWork-R. Onderzoeker Simon Kuijpers geeft een eerste indruk van die inzichten. “We hebben pas 13 mensen gesproken, een mix van platformen, vertegenwoordigende partijen en platformwerkers”, zegt hij. “Het zijn echt heel voorzichtige resultaten. Maar we zien nu al dat de meningen over de implementatie van zo’n ‘digitale kantine’ sterk verdeeld zijn.”

Toegang, privacy en veiligheid

De eerste discussie gaat over de toegang tot het communicatiekanaal. Over één ding is iedereen het eens: alleen actieve gebruikers horen op het kanaal, dus geen slapende profielen van jaren geleden. “Daarbij blijft de grote vraag hoe je ‘actief’ definieert”, zegt Kuijpers. “Is dat een minimaal aantal gewerkte uren per week? Dat moeten we nog uitzoeken.”

Verder vinden sommigen dat het kanaal opgesplitst moet zijn per doelgroep. Zzp-bonden willen bijvoorbeeld een apart kanaal, omdat zelfstandigen andere belangen hebben dan werknemers. Partijen verschillen verder van mening over de vraag of er één landelijk kanaal moet komen, of opsplitsingen per functie, regio, provincie of land. “Er zijn ook mensen die zeggen: is het niet beter om de kanalen niet per platform, maar per sector te organiseren?”

Geen WhatsApp-groep. ‘Niet veilig genoeg’

SZW-medewerker Koetsveld vult aan dat deelname aan het nieuwe communicatiekanaal voor platformwerkers nooit verplicht is. “Het platform maakt de toegang laagdrempelig, maar werkers kiezen helemaal zelf of zij meedoen”, zegt hij. “Wij bepalen als ministerie niet hoe het communicatiekanaal er exact uitziet, zolang het maar toegankelijk en veilig is.”

Simpelweg een WhatsApp-groep opzetten voor je platformwerkers mag niet. “Zij moeten dan namelijk verplicht akkoord gaan met de gebruiksvoorwaarden van WhatsApp en die voldoen niet aan de Europese standaarden voor een veilige en besloten omgeving. Dat geldt ook voor veel andere vergelijkbare apps.”

Inhoud en anonimiteit

Hoewel platformwerkers graag incognito blijven, blijkt uit het onderzoek van de UvA dat platformen en vakbonden anonimiteit onwenselijk vinden. “Platformen willen tenslotte controleren dat deelnemers ook echt voor het platform werken en dat vertegenwoordigers ook echt vertegenwoordigers zijn”, zegt Kuijpers. “Ondernemers vrezen dat anonieme accounts de deur openzetten voor trolls of journalisten die de boel verstoren.”

Dat beaamt Zoomers. “Hoe voorkom ik illegale praktijken zoals phishing of privacyschending als ik zelf als ondernemer geen toegang heb tot het platform?” vraagt hij zich af. “En hoe voldoe ik aan mijn verantwoordelijkheden vanuit de Digital Services Act (DSA)? Als je een communicatiekanaal opzet, ben je wettelijk verantwoordelijk voor wat zich op dat kanaal afspeelt. Daarnaast heb je als opdrachtgever of werkgever de verplichting een veilige werkvloer te creëren, ook digitaal. Gezien de beperkingen vanuit de wetgevig, ligt het in dit geval voor de hand dit uit te besteden aan een derde partij. Toch blijft het lastig voor ondernemers dat zij altijd eindverantwoordelijk blijven voor de veiligheid, zonder dat ze dit zelf kunnen controleren.”

‘AVG-fuik’ en de telecom-oplossing

Ondernemers moeten zich namelijk ook altijd houden aan de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG), de Europese wet die persoonsgegevens beschermt. Cybersecurity- en privacyexpert Simon Hania was aanwezig in de zaal. Hij is voormalig

functionaris gegevensbescherming bij Uber. Hania waarschuwt voor een ‘AVG-fuik’. “Omdat digitaal contact met een vakbond metadata genereert, verwerkt een platform technisch gezien ‘vakbondsgerelateerde informatie'”, legt Hania uit. “Dat is volgens de AVG strikt verboden.”

Hij legt uit dat de wetgever binnen de Europese privacywet mogelijkheden heeft om uitzonderingen te maken onder voorwaarden. “Maar die mogelijkheid lijkt SZW niet te benutten. Jammer, want er is reden toe. Die data is namelijk essentieel voor cyberveiligheid. Je moet tenslotte kunnen ingrijpen bij phishing, identiteitsfraude of erger.”

Hoe los je dat op? “Houd het simpel”, adviseert Hania. “Lever als platform alleen een ‘digitaal telefoonboek’ met actieve gebruikers aan bij de derde partij die het platform bouwt en beheert. De feitelijke chatomgeving besteed je uit aan een extern bedrijf onder de Telecommunicatiewet. In de telecomwereld is namelijk al twintig jaar geleden bedacht hoe je dit soort communicatiediensten veilig en besloten inricht.”

‘In de bedrijfskantine ga je toch ook niet op tafel staan?’

Vertegenwoordigers zijn enthousiast. Zij willen een openbare pagina met hun logo en contactgegevens, gecombineerd met opties voor een-op-een-chats om vragen te beantwoorden of klachten op te halen. Kuijpers vertelt dat lang niet alle stakeholders het hiermee eens zijn. Hij deelt een analogie uit zijn gesprekken: “In de bedrijfskantine wordt tenslotte ook in kleine kring gesproken. Daar ga je als werkgever of vakbond ook niet op de tafel staan.”

Verder zijn ook vakbonden tegen anonieme profielen, want die maken het lastig om echtheid te verifiëren. Boonstra (FNV) veegt privacybezwaren van platformgebruikers van tafel: “Wij zijn als vakbond gewend om te werken binnen de strenge regimes van privacywetgeving en de Autoriteit Persoonsgegevens.”

Zij benadrukt dat werkenden zich vrij moeten kunnen uitspreken, maar dat dit nu lastig is. “Bij kritiek worden ze van de app verbannen en zijn ze hun werk kwijt”, vertelt ze. “Dat maakt het voor ons extreem lastig om mensen te vinden die met ons een rechtszaak durven te voeren. Er moeten dus regels komen om dit soort klokkenluiders te beschermen.”

Maarten Zoomers onderbreekt haar hier en verklaart ‘met zijn hand op zijn hart’ dat dit bij Temper absoluut nooit is gebeurd, ook niet bij de mensen die procedures tegen hen voerden.

Wie is vertegenwoordiger?

Een ander dilemma draait om het begrip ‘vertegenwoordiger’. De definitie is erg breed: het kan gaan om een vakbond, een ondernemingsraad of een ander soort collectief. “De regel is dat een organisatie een rechtspersoon moet zijn met een duidelijke statutaire doelstelling om werknemers of zelfstandigen te vertegenwoordigen”, legt Koetsveld uit. “Maar stel je voor dat er maar één persoon lid is van een vakbond en er werken honderdduizend mensen via een platform. Kun je dan echt spreken van een vertegenwoordiger van platformwerkers?”

Aanwezigen in de zaal haken hier direct op in. Zij waarschuwen dat traditionele vakbonden zoals de FNV zich in de praktijk te exclusief uitspreken voor een kleine groep. Zoomers (ex-Temper) verwijst naar de rechtszaken die de FNV voerde: “Het ging maar om een handjevol platformwerkers dat een arbeidsovereenkomst wilde. De overgrote meerderheid heeft daar helemaal geen interesse in, werkt graag als zelfstandige en voelt zich nu niet vertegenwoordigd.” Tegelijkertijd realiseert Zoomers zich dat dit een kip-of-eiprobleem is: “Het is nu tenslotte ook heel lastig voor vakbonden om platformwerkers te bereiken.”

Klara Boonstra benadrukt dat FNV altijd de achterban raadpleegt voor grote besluiten. Tegelijkertijd geeft ze toe dat platformwerkers momenteel nog een marginale groep vormen binnen de vakbond. “Het is niet ons doel om platformwerkers een arbeidsovereenkomst op te dringen”, zegt ze. “Waar we wel voor waken, is een race-to-the-bottom op tarieven en arbeidsvoorwaarden. We willen voorkomen dat de hele arbeidsmarkt op de lange termijn ‘geplatformiseerd’ raakt en werkenden machteloos staan tegenover grote platformbedrijven.”

Ook uit de eerste gesprekken van PlatWork-R blijkt dat alle partijen vinden dat er controle moet komen op vertegenwoordiging. Kuijpers: “Mensen moeten zich wel vertegenwoordigd en verbonden voelen door zo’n partij. Daar moet een bepaalde check op komen. Maar er is nog geen consensus over de eisen aan vertegenwoordiging en wie toegang verleent.”

Misbruik voorkomen

Koetsveld (SZW) merkt verder dat platformondernemers vrezen dat vertrouwelijke bedrijfsgegevens lekken via de chat. Ook zijn ze bang dat concurrenten het kanaal misbruiken om platformwerkers naar hun eigen platform te lokken. Zoomers: “Hoe voorkom je dat een concurrent zich voordoet als vertegenwoordiger om werkenden te kapen?” 

Ondernemers mogen ‘redelijke beperkingen’ opleggen om misbruik te voorkomen, vertelt Koetsveld. “Bijvoorbeeld een verbod op discriminerende uitingen of het werven voor concurrerende platformen. Toch zal het in de praktijk heel lastig zijn om te controleren of personen in het chatkanaal daadwerkelijk actieve werkers of legitieme vertegenwoordigers zijn, zeker omdat het platform als werkgever zelf geen toegang heeft.”

Bovendien is er geen publieke handhaving voor dit soort kwesties. Een platform zal naar de civiele rechter moeten stappen als hij vindt dat een partij zich ten onrechte voordoet als vertegenwoordiger van platformwerkers.

Via een wet of CAO?

Niels Jansen

Tijdens de bijeenkomst besprak universitair docent en jurist Niels Jansen (UvA) de juridische kant van de implementatie van de wet. Binnen PlatWork-R onderzocht hij de vraag: “Moeten we dit via de wet regelen of via het cao-recht?”

Dat de overheid de richtlijn nu bewust invoert via een harde wet in plaats van het over te laten aan de markt via cao’s, vindt hij logisch. “Uit cijfers blijkt namelijk dat slechts 20% van de werknemers onder een cao valt met goede vakbondsfaciliteiten rondom werkvloertoegang”, legt hij uit. “Dat is ontzettend mager. Zelfregulering via een cao heeft weliswaar voordelen zoals extra flexibiliteit en draagvlak, maar juist in deze sector is nauwelijks sprake van collectief overleg.”

Wetgever, pak het breder aan!

Momenteel hebben vakbonden in Nederland geen algemeen wettelijk recht op toegang tot de werkvloer. De nieuwe Europese richtlijn verplicht de overheid om zo’n toegangskanaal wettelijk te regelen voor een specifieke groep bedrijven. “Mijn advies aan de overheid: pak het groter aan”, zegt Jansen. “De hele arbeidsmarkt is tenslotte aan het veranderen: ook reguliere werknemers en bijvoorbeeld uitzendkrachten en thuiswerkers die niet via een app werken, komen elkaar steeds minder vaak fysiek tegen bij het koffiezetapparaat. Voor vakbonden zijn zij net zo moeilijk te bereiken.”

Hij pleit voor een brede, marktbrede wet die het recht op werkvloertoegang (fysiek en digitaal) voor iedereen in Nederland in één keer goed regelt. Koetsveld vindt dit ‘geen slecht idee’, maar denkt dat het voorlopig niet gaat gebeuren. “Het is kabinetsbeleid om nationale wetgeving niet strenger te maken dan Europa eist. Bovendien gaat de invoering van zo’n marktbrede wet simpelweg te lang duren.”

Mogelijke oplossing: centrale, digitale toegangspoort 

Martijn Arets

Ondertussen zoeken experts alternatieve oplossingen om zo’n veilige, digitale bedrijfskantine te bouwen. Een van hen is Martijn Arets, platformexpert en deeltijdonderzoeker aan de Hogeschool van Amsterdam (HvA). Aan het eind van de bijeenkomst deelt hij zijn idee. Arets denkt dat veel partijen de impact van de wet op de markt onderschatten. “Volgens cijfers van het CBS zijn er in Nederland ruim vijfhonderd klusplatformen actief, maar als ook de brede uitzendsector onder de wet gaat vallen, praten we over meer dan 15.000 bedrijven”, zegt hij. “Dat is niet alleen lastig voor die ondernemers, maar ook voor vertegenwoordigers. FNV kan tenslotte niet op honderden verschillende communicatiekanalen tegelijk actief zijn.”

In zijn paper pleit hij voor één overkoepelend open-source platform dat met publieke middelen is gefinancierd. Bedrijven kunnen via wettelijk verplichte API-koppelingen data delen met deze centrale toegangspoort. Oftewel: de overheid faciliteert de centrale digitale infrastructuur, platformen hoeven slechts de technische toegangskoppeling te regelen. Via de verplichte API worden platformwerkers vanuit hun eigen profiel automatisch doorgeleid naar een veilige, externe omgeving.

Volgens Arets levert zo’n centrale aanpak enorme schaal- en privacyvoordelen op. “Je voorkomt dat elk platform zelf het wiel uit moet vinden”, zegt hij. “Het verkleint ook de nalevingskosten. Dat is vooral voor kleinere platformbedrijven en coöperaties een groot voordeel.”

Tot slot is er meer ruimte voor doorontwikkeling met zo’n centrale oplossing. Arets presenteerde een aantal voorbeelden van toepassingen. “De infrastructuur kan op termijn uitgroeien tot een universeel ‘werkpaspoort'”, zegt Arets. “Hierin kunnen werkenden, naast hun chatrooms, ook hun geverifieerde werkervaring, vaardigheden en diploma’s veilig digitaal opslaan en gebruiken op de bredere arbeidsmarkt. Er bestaan wereldwijd al vele mooie casussen waar we op kunnen voortbouwen. Zo verandert een verplichte Europese wetgevingspuzzel in een strategisch instrument dat de mobiliteit van werkenden vergroot.”

Oproep: denk mee!

De perfecte blauwdruk voor een digitaal communicatiekanaal is er nog niet, maar tijdens deze werkconferentie bleek vooral veel welwillendheid van alle belanghebbenden. Hoewel de belangen tussen vakbonden, ministeries en platformen soms flink verschillen, is iedereen het erover eens dat platformwerkers recht hebben op een veilige digitale kantine. De grote uitdaging is de regels simpel en betaalbaar te houden voor de praktijk.

Het onderzoek van PlatWork-R loopt ondertussen door. De onderzoekers roepen alle belanghebbenden en experts op hun kennis te delen. Verder is de internetconsultatie voor de Wet platformwerk geopend. Tot en met 24 augustus mag heel Nederland digitaal meedenken over de conceptwet. Koetsveld (SZW): “Ik nodig iedereen uit: reageer alsjeblieft op het wetsvoorstel.”

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *



×