Hugo-Jan Ruts 10 oktober 2026 0 reacties Print Hoe taal het flexdebat kleurt: ministerie SZW liet framing rond flexwet onderzoekenVoorstanders van de flex meer zekerheid flexwerkers leggen uit waarom de wet nodig is, critici vragen hoe die in de praktijk moet werken. Een framinganalyse in opdracht van SZW laat zien dat beide kampen vooral langs elkaar heen praten. En dat speelt niet alleen bij de flexwet, stelt Hugo-Jan Ruts Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft onderzoek laten doen welke taal en verhalen het debat over de Wet meer zekerheid flexwerkers kleuren. Onderzoeksbureau Taalstrategie vond elf frames: vier die de wet ondersteunen en zeven die hem volgens het rapport ‘ondergraven’. Opvallend is dat voor- en tegenstanders vooral langs elkaar heen praten. Bovendien bepaalt het ministerie in veel nieuwsberichten het eerste beeld dat lezers krijgen. Bewuster kiezen voor woorden Waarom laat een ministerie onderzoeken hoe er over zijn eigen wet wordt gepraat? Het rapport is daar open over. Het moet beleidsmakers en communicatiemedewerkers aanknopingspunten bieden om bewuster om te gaan met woorden, perspectieven en framing. Zo kan de eigen communicatie beter aansluiten op de belevingswereld van de ontvanger. Daarnaast wil de analyse ‘blinde vlekken’ in het publieke debat blootleggen. Welke informatie wordt niet goed opgepikt? En welke feiten bereiken de mensen die ze juist nodig hebben onvoldoende? Het uitgangspunt van onderzoeker Sarah Gagestein is dat taal nooit neutraal is. Elke keuze in de selectie van feiten, de manier waarop een verhaal wordt verteld en de gebruikte woorden heeft invloed op hoe mensen informatie interpreteren. Het doel is dan ook niet om framing te vermijden, want dat is volgens het rapport in de praktijk onmogelijk. Het doel is om er bewust mee om te gaan. Ze analyseerde daarvoor 167 items uit kranten, online nieuws, opiniestukken, sociale media en communicatie van stakeholders, zoals vakbonden, werkgeversorganisaties en brancheverenigingen. Het gaat om materiaal uit de periode van januari tot augustus 2026. Het onderzoek is kwalitatief: het brengt in kaart welke frames er zijn, niet hoe vaak ze voorkomen. Elf frames, en een frame in het onderzoek zelf De onderzoekers onderscheiden vier frames die een positieve kijk op de nieuwe wetgeving bieden. Frames is in de woorden van de onderzoeker ‘ondersteunende’ aan de wet zijn: Vast is zekerheid: door doorgeschoten flexibilisering hebben te veel mensen onvoldoende zekerheid om een toekomst op te bouwen. Vast is nodige dwang: werkgevers gaan zo ver uit de bocht dat stevige maatregelen nodig zijn. Vast is ontwikkeling: wie vast in dienst is, krijgt kansen op scholing en groei, en dat is goed voor de economie. Scherper plannen: de wet vraagt ondernemers om beter vooruit te kijken en creatief om te gaan met ziekte en pieken. Daartegenover staan zeven frames die kritisch zijn op de wet of op de manier waarop het ministerie met de arbeidsmarkt omgaat, ze worden ‘ondergravende’ frames genoemd: Dure zet: minder flex leidt tot hogere kosten, gaten in roosters en meer werkdruk, vooral in zorg en onderwijs. Vast is risico: werkgevers kozen ooit voor flex omdat vaste contracten te veel risico’s meebrengen. Betuttelbeleid: veel mensen kiezen bewust voor flex en worden nu de arbeidsmarkt uit gedwongen. Oud systeem: het vaste contract past niet meer bij de arbeidsmarkt van nu. Papieren tijger: werkgevers vinden toch wel een nieuwe achterdeur. Regeldruk: ondernemers kunnen de stapeling van regels niet meer bijbenen. Voor EU-geld: de wet ging snel door beide Kamers omdat er 600 miljoen euro uit het Europese herstelfonds aan vastzat. Dat de onderzoeker hier kritische argumenten als zorgen over roostergaten, kosten of regeldruk categoriseert als ‘ondergravend’, lijkt op zich weer wat op framing. Daarbij wordt het ook niet helemaal duidelijk of er nu apart naar nieuwsartikelen en naar opiniestukken gekeken is. Dat opiniestukken een uitgesproken mening hebben, lijkt me op zich logisch. Het waarom tegenover het hoe De belangrijkste observatie uit het rapport is dat voor- en tegenstanders over iets anders praten. Drie van de vier ondersteunende frames gaan over de vraag waarom de wet nodig is. Flexwerkers hebben te weinig financiële zekerheid, de flexibilisering is doorgeschoten en vaste krachten krijgen meer kansen om zich te ontwikkelen. De kritische frames gaan bijna allemaal over de uitwerking in de praktijk. Wat betekent het voor de roosters in een verpleeghuis? Wie vangt de pieken op als iemand ziek is? Hoe zit het met de student die juist de vrijheid van een flexcontract nodig heeft? En kan de ondernemer al die nieuwe regels nog wel uitvoeren? Alleen het frame ‘Scherper plannen’, dat vooral door HR-organisaties wordt gebruikt, gaat aan de kant van de voorstanders over de praktijk. Volgens Gagestein ontstaat zo een een duidelijk gat in het debat. Wie de wet verdedigt, legt vooral uit waarom die nodig is, maar gaat zelden in op de praktijkvragen van critici. Andersom gaan critici weinig in op het probleem dat de wet wil oplossen. Media nemen het verhaal van het ministerie over Een tweede bevinding gaat over de rol van journalisten. Volgens het rapport nemen nieuwsmedia het frame ‘Vast is zekerheid’ vaak direct over van het ministerie. Veel artikelen openen ermee om de nieuwe wet te duiden. Kritischere frames volgen pas later in de tekst, meestal via citaten van stakeholders. In artikelen met maar één frame is dat in de regel ‘Vast is zekerheid’. Dat is goed te zien aan de cijfers die steeds terugkomen. Op de website van de Rijksoverheid staat dat 3 op de 10 werknemers in Nederland een onzeker flexcontract heeft, het hoogste aandeel in Europa. Vergelijkbare formuleringen duiken op in de berichtgeving van kranten. Ook woorden als ‘doorgeschoten flexibilisering’ en een ‘uit het lood geslagen arbeidsmarkt’ vinden hun weg naar nieuwsberichten. Het gevolg is dat het eerste beeld dat lezers van de wet krijgen, vaak het beeld van de wetgever is. Voor een ministerie dat zijn verhaal wil laten landen, is dat gunstig. Voor de lezer betekent het dat de kritische invalshoek pas later in beeld komt, als de toon al is gezet. Veel kritiek, maar versnipperd Dat er zeven kritische en vier ondersteunende frames zijn, betekent volgens de onderzoeker niet dat de kritiek het debat domineert. Het zegt vooral iets over de diversiteit ervan. De kritiek komt uit veel verschillende hoeken en richt zich op verschillende partijen. ‘Dure zet’ en ‘Vast is risico’ gaan over de werkgever. ‘Betuttelbeleid’ stelt de flexwerker centraal, die zijn keuzevrijheid kwijtraakt. ‘Oud systeem’ richt zich op een overheid die vasthoudt aan een verouderd beeld van werk. En ‘Papieren tijger’ is het in principe eens met de wet, maar gelooft niet dat die zal werken. De voorstanders vertellen daarentegen in grote lijnen één verhaal over zekerheid en balans op de arbeidsmarkt. Dat maakt hun boodschap herkenbaarder, maar ook eenzijdiger. Een debat zonder gezichten Wat verder opvalt, is hoe abstract er over de wet wordt geschreven. Het gaat vooral over ‘de economie’, ‘arbeidsproductiviteit’ en ‘het verdienvermogen’. Het rapport spreekt van thematische systeemverhalen. Persoonlijke verhalen over wat de wet betekent voor een individuele werkende of werkgever zijn zeldzaam. Als ze voorkomen, dan vooral aan de kritische kant. Een voorbeeld is een verzorgende in de ouderenzorg die vertelt dat ze haar flexcontract nodig heeft omdat ze nog studeert. Volgens de onderzoeker kan dat verklaren waarom de media-aandacht voor de wet beperkt is. De vertaalslag naar ‘de man op straat’ is nog niet gemaakt, waardoor het onderwerp minder aantrekkelijk is om over te schrijven. Dat is opmerkelijk voor een wet die juist over de positie van individuele werkenden gaat. Het bandbreedtecontract komt niet over Een concreet voorbeeld van dat communicatiegat is het bandbreedtecontract, dat het oproepcontract vervangt. Binnen het frame ‘Betuttelbeleid’ lijkt dit contract niet te worden gezien als een zinnig alternatief. Critici gaan ervan uit dat ‘vast met vaste uren’ de enige overblijvende optie wordt. Soms wordt daar ook nog bij gezegd dat ‘zzp ook al niet meer mag’. Daarmee is een kernonderdeel van de wet, bedoeld om flexibiliteit en zekerheid te combineren, bij een deel van het publiek nog niet goed geland, aldus het onderzoek. Het sluit aan bij het bredere beeld uit het rapport: het ‘waarom’ van de wet is uitgelegd, het ‘hoe’ veel minder. Van waarom naar hoe Het ministerie wil met deze analyse bewuster communiceren over de flexwet. Nuttig. Het rapport laat zien waar dat nu wringt. Zolang voorstanders het ‘waarom’ blijven vertellen en critici het ‘hoe’, blijven beide kampen overtuigd van hun eigen gelijk. Dit onderzoek ging over een wet, maar is herkenbaar ook in discussies, nieuws- en beeldvorming bij andere wetten. De echte uitdaging ligt in het uitleggen concreet uitleggen wat de wetten betekent voor werkenden en werkgevers. Dat vraagt om verhalen met gezichten in plaats van systeemtaal (een conclusie die ook voor ons zelf geldt). En het vraagt erom praktijkbezwaren serieus te nemen in plaats van ze als ‘ondergravend’ weg te zetten. Want als het rapport één ding duidelijk maakt, dan is het dat de woorden die je kiest bepalen welk gesprek je voert. Print Over de auteur Over Hugo-Jan Ruts Hugo-Jan Ruts is de oprichter van ZiPconomy. Hij is de algemeen directeur/uitgever van ZiPmedia en politiek verslaggever voor ZiPconomy. Bekijk alle berichten van Hugo-Jan Ruts