SLUIT MENU

Twaalf dingen die je als zzp’er – en opdrachtgever – moeten weten over de nieuwe Zelfstandigenwet

Nieuwe concept Zelfstandigenwet uitgelegd: dit zijn de spelregels voor zzp’ers en opdrachtgevers. Wanneer geldt de ‘veilige haven’ en waar moet je aan voldoen?

Vandaag is de voorlopige tekst van de Zelfstandigenwet gepubliceerd. Een nieuwe wet met duidelijke spelregels vooraf, waar zzp’er en opdrachtgever zich aan moeten houden om met elkaar te kunnen werken.

Met deze wet – die op zijn vroegst ingaat op 1 januari 2028 – moet een einde komen aan jaren van politieke discussie en onduidelijkheid over wanneer een zzp’er nu wel of niet door een opdrachtgever ingehuurd mag worden, zonder het risico op boetes achteraf

De tekst die nu bekend is gemaakt, is nog niet de definitieve wet. Zo moet de wet nog behandeld worden door de Tweede en Eerste Kamer. Toch is het interessant en belangrijk om te kijken hoe het voorstel er nu uitziet. Want gaat dit nu die duidelijkheid geven? En hoe ingewikkeld is het om als zzp’er aan de gestelde criteria te voldoen?

Daarom deze 12 vragen en antwoorden over de Zelfstandigenwet.

  1. Waarom vindt het kabinet dat er een nieuwe wet moet komen?

Het nieuwe wetsvoorstel moet zorgen voor een doorbraak in de discussie over het werken met zelfstandigen, die al ruim twintig jaar speelt, zo schrijft het kabinet.

De Zelfstandigenwet moet onnodige terughoudendheid bij opdrachtgevers bij het inhuren van zzp’ers tegengaan én zorgen dat zelfstandigen de verantwoordelijkheid nemen om risico’s af te dekken.

Minister Thierry Aartsen (Werk en Participatie): “Na jaren van onduidelijkheid en onnodige terughoudendheid bij opdrachtgevers moet de nieuwe Zelfstandigenwet zorgen voor meer rust en vooral duidelijkheid onder zelfstandigen en opdrachtgevers.”

  1. Wat is de kern van de wet

In het wetsvoorstel bestaat uit twee toetsen:

  • De zelfstandigentoets en
  • De werkrelatietoets.

De zelfstandigentoets kijkt vooral of iemand ondernemer is, met daarbij ook een aantal verplichtingen die wat het kabinet betreft bij ondernemerschap horen (hierover later meer).

De werkrelatietoets toetst of een zzp’er een opdracht in voldoende zelfstandigheid kan en mag doen (ook hierover later meer).

Als aan alle criteria van deze twee toetsen voldaan wordt, én er in de praktijk ook zo gewerkt wordt, ontstaat er een zogenoemde ‘veilige haven’. Vooraf is dan duidelijk dat er gewerkt kan worden met en als zelfstandige, zonder risico op naheffingen of boetes vanwege schijnzelfstandigheid.

  1. Voor wie is de wet bedoeld?

De wet moet duidelijkheid geven voor alle situaties waarin nu onduidelijkheid of onzekerheid kan bestaan over de vraag of er wel of niet sprake is van een werknemersrelatie. Voor hen wordt via de nieuwe wet een ‘veilige haven’ gecreëerd.

Daarmee is de wet niet direct van toepassing op zelfstandigen voor wie zo’n veilige haven niet nodig is. Denk aan:

  • zzp’ers die door particulieren worden ingehuurd (denk aan de huisschilder, dan is er immers zelden sprake van een arbeidsrelatie);
  • zzp’ers die producten verkopen (ook geen discussie over een arbeidsrelatie);
  • zelfstandigen die eenmalige – vaak korte – diensten leveren aan bedrijven (denk aan advieswerk, het geven van een lezing, kortere opdrachten van specialisten, zoals het maken van een ontwerp of een logo, of eenmalig financieel advies) of echt uitbesteed werk (waarbij de uitvoerende ook zelden op locatie werkt). Hier is al helemaal geen vraag of er wel of niet sprake is van een arbeidsovereenkomst. Dus is een veilige haven (en deze wet) ook niet nodig.
  1. Welke criteria staat er in de Zelfstandigentoets?

De zelfstandigentoets bestaat uit drie criteria die samen bepalen of iemand zich ‘in het economisch verkeer’ als zelfstandige gedraagt. Het zijn criteria die los staan van een specifieke opdracht of relatie met een opdrachtgever.

1.⁠ ⁠       De zelfstandige beschikt over de basisvoorwaarden om in het economisch verkeer als zelfstandige te kunnen werken.

Daarmee worden de volgende zaken bedoeld:

  • KvK-inschrijving
  • Het hebben van een btw-nummer
  • Het hebben van een aparte bankrekening voor zakelijke transacties
  • De zelfstandige is zelf verantwoordelijk voor de facturatie (mag door een ander worden uitgevoerd)
  • De zelfstandige hanteert een betalingstermijn voor klanten en opdrachtgevers
  • De zelfstandige verricht zelf betalingen aan derden en kan aangesproken worden op te late betaling
  1. De zelfstandige heeft in een periode van 2 jaar (lopende kalenderjaar en voorgaande kalenderjaar) ten minste 3 klanten gehad.

Daarmee kan/moet iemand aantonen dat hij of zij voldoende onafhankelijk ondernemer is (en dus niet afhankelijk van één opdrachtgever). Het kabinet wil zo ook stimuleren dat een zelfstandige actief aan acquisitie doet.

Een paar detailpunten zijn hierbij van groot belang:

  • Een zzp’er hoeft niet na 2 jaar drie nieuwe klanten te hebben. Je kunt dus prima jarenlang voor 1 klant werken, mits je daarnaast ook nog andere klanten hebt.
  • Die tweede en derde klant moeten qua omzet wel ‘enige substantie’ hebben. Deze regel moet, in de woorden van de minister, geen ‘wassen neus’ worden.
  • Een intermediair geldt als 1 opdrachtgever. Als je via hetzelfde bureau bij drie verschillende organisaties een opdracht doet, geldt dat toch als 1 klant. (De brancheorganisaties van intermediairs gaan vast en zeker nog proberen dit punt uit de wet te krijgen.)
  1. De zelfstandige heeft voorzieningen getroffen tegen risico’s die horen bij werken als zelfstandige.

De zelfstandige moet jaarlijks verplicht een bepaald bedrag besteden aan voorzieningen tegen risico’s die horen bij het werken als zelfstandig ondernemer. De hoogte van dit bedrag is nog niet vastgesteld. Het kabinet denkt wel aan een vast bedrag, dus onafhankelijk van de omzet of het tarief.

Dat geld moet besteed worden aan zaken als:

  • ⁠Een verzekering voor (langdurige) arbeidsongeschiktheid (dat kan bijvoorbeeld de BAZ zijn, die verplichte Basisverzekering Arbeidsongeschiktheid Zelfstandigen, die aangekondigd is)
  • ⁠Voorziening voor (kortdurende) ziekte (schenkkring of crowdsurance)
  • ⁠Een pensioenvoorziening of pensioensparen in tweede of derde pijler
  • ⁠Bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering
  • ⁠Bedrijfsschadeverzekering
  • ⁠Beroepsaansprakelijkheidsverzekering
  • ⁠Rechtsbijstandverzekering voor bedrijven

De zzp’er mag zelf bepalen hoe hij of zij het geld verdeelt over dit soort posten. Het opbouwen van eigen vermogen in bijvoorbeeld box 3 valt vooralsnog niet onder deze voorziening (iets waar bijvoorbeeld zzp-organisatie VZN wel voor pleit).

  1. Wie gaat de zelfstandigentoets uitvoeren?

Een potentiële opdrachtgever kan bij een zzp’er navraag doen of deze aan bovenstaande criteria voldoet. Die zzp’er kan ook proactief zelf een verklaring met bewijs opstellen. Er komt ook de mogelijkheid voor een ‘derdenverklaring’, waarbij bijvoorbeeld een accountant of boekhouder zo’n verklaring afgeeft.

Anders dan bij de VAR gaat de overheid niet zelf dit soort verklaring afgeven.

  1. Welke criteria staat er in de Werkrelatietoets? 

De werkrelatietoets bestaat uit vier criteria die te maken hebben met de omstandigheden binnen een concrete opdracht. Ze zien er vooral op toe dat iemand voldoende ruimte heeft om – als zelfstandig ondernemer – in onafhankelijkheid en dus buiten gezag te werken.

  1. Beide partijen hebben de wil om te werken buiten een arbeidsovereenkomst
  2. De zelfstandige is vrij om te bepalen hóé de werkzaamheden worden uitgevoerd.
  3. De zelfstandige is vrij om te bepalen op welke tijden en op welke locatie de werkzaamheden worden uitgevoerd.
  4. De zelfstandige werkt voor eigen rekening en risico

Deze vier punten – nu wordt het concreet – zijn als volgt uitgewerkt:

Ad 1.    Wil der partijen

De twee partijen – zelfstandige en opdrachtgever – spreken vooraf expliciet af dat ze geen werkgever-werknemerrelatie hebben en willen. De praktijk blijft echter altijd doorslaggevend. Het is niet voldoende om alleen op papier vast te leggen dat sprake is van zelfstandig ondernemerschap.

Een principieel criterium, dat in de praktijk natuurlijk ook weer niet heel veel voorstelt.

Ad 2     Vrijheid om te bepalen hóé de werkzaamheden worden uitgevoerd.

Dit criterium betekent dat de opdrachtgever geen aanwijzingen geeft over hoe de werkzaamheden worden verricht. De opdrachtgever mag wel instructies geven over het wat (op te leveren resultaat, verwachtingen). Dit moet vooraf worden afgesproken. En in de praktijk moet de opdrachtgever ook daadwerkelijk geen aanwijzingen over het ‘hoe’ geven.

Soms moeten ook zelfstandigen zich houden aan protocollen, bedrijfsregels, interne afspraken enzovoort. Dat mag, mits deze afspraken ook gelden voor derden (denk aan veiligheidsvoorschriften) en niet alleen gelden voor werkenden binnen de organisatie van de opdrachtgever, maar bijvoorbeeld voor een gehele sector of beroepsgroep. Tot slot moeten zelfstandigen in dit geval ook meer vrijheid hebben dan vergelijkbare werknemers in de organisatie (als die er zijn) bij de organisatie van het werk.

Dit is niet het meest concrete criterium van de wet. Het verschil tussen een aanwijzing en een instructie, het verschil tussen hoe en wat, blijft in de praktijk vaak lastig vast te leggen en uit te voeren.

Ad 3:    Vrijheid om te bepalen wanneer (welke tijden) wen waar (locatie) de werkzaamheden worden uitgevoerd.

De zelfstandige moet in beginsel vrij zijn om te bepalen op welke tijden en op welke locatie de werkzaamheden worden uitgevoerd. Maar – zo staat verder uitgelegd – hierover mogen wel afspraken gemaakt worden.

Dit punt is relevanter dan het wellicht lijkt.

Er worden hier namelijk expliciete uitzonderingen gemaakt voor locatiegebonden werk (werk dat fysiek nergens anders kan) en tijdsgebonden werk (werk dat alleen op bepaalde momenten mogelijk is). Met name als het afgesproken resultaat niet bereikt kan worden buiten een bepaalde locatie of buiten bepaalde tijden, kunnen er prima afspraken gemaakt worden over het werken op locatie of binnen bepaalde tijden (dan moet de zelfstandige wel meer vrijheid hebben om zijn tijd in te delen dan andere werknemers van de opdrachtgever).

Op dit punt wijkt de Zelfstandigenwet expliciet af van eerdere voorstellen, zoals de VBAR, waarin het leek alsof locatiegebonden werk (of ingebed werk) niet meer mogelijk was. Dat kan binnen de Zelfstandigenwet dus wel (mits dit nodig is voor het resultaat).

Ad 4     De zelfstandige werkt voor eigen rekening en risico

Zelfstandigen dragen de lusten en lasten van het ondernemerschap. Dat is wat een werknemer onderscheidt van een zelfstandige, zo legt het ministerie het criterium uit.

Hoe ziet dat er concreet uit?

  • Vooraf moet een bepaald te behalen resultaat worden afgesproken.
  • Er is de mogelijkheid om een opdracht sneller, efficiënter of juist trager uit te voeren, waarbij de positieve (meer opbrengsten) of negatieve (meer tijd/kosten) financiële effecten bij de zelfstandige liggen.
  • Daarbij draagt de zelfstandige – anders dan een werknemer – het aansprakelijkheidsrisico bij het veroorzaken van schade, het risico dat meer werkzaamheden moeten worden verricht of meer kosten moeten worden gemaakt om het resultaat te bereiken, en/of de aansprakelijkheid wegens niet-nakoming of ondeugdelijke nakoming van de overeenkomst.

In de huidige praktijk van het inhuren van zelfstandigen wordt nog beperkt gewerkt met een op te leveren ‘resultaat’, terwijl dat ook onder de huidige regels wel verstandig is. Zeker bij interimprofessionals die bijvoorbeeld ook onderdeel uitmaken van een team, is dat nog niet zo eenvoudig. Maar als dit onderdeel van de wet blijft zoals het nu is, zal de praktijk hier echt mee aan de slag moeten.

Dit criterium zet in ieder geval de deur dicht voor pure tijdelijke vervangingsopdrachten, waarbij het werkpakket gelijk is aan dat van een werknemer die (tijdelijk) vervangen moet worden. In dat soort situaties moet voor de in te huren zelfstandige een concrete, resultaatgerichte opdracht geformuleerd worden.

  1. Wie gaat de werkrelatietoets uitvoeren?

Dat is – anders dan bij de zelfstandigentoets – iets wat opdrachtgever en opdrachtnemer per opdracht gezamenlijk moeten afspreken en vastleggen, en in de praktijk ook zo moeten uitvoeren.

Controlerende instanties, zoals de Belastingdienst of de Arbeidsinspectie, hebben en houden hun taak om te controleren of er in de praktijk ook gewerkt wordt conform wat is afgesproken.

  1. Wat als ik niet aan (alle) deze criteria voldoe, kan ik dan niet (meer) als zzp’er werken (of zo’n zzp’er niet meer inhuren?

Uit onderzoek van het ministerie blijkt dat tweederde tot driekwart van alle zzp’ers nu aan deze criteria voldoet of met kleine aanpassingen kan voldoen. Voor hen en hun opdrachtgevers is er dan zekerheid vooraf (de ‘veilige haven’).

Ook voor wie niet aan al deze criteria voldoet, blijft de mogelijkheid bestaan om als zzp’er te werken. Maar dan val je onder de huidige regels en jurisprudentie (rechterlijke uitspraken) en is er geen zekerheid vooraf (de veilige haven).

  1. Ik heb een BV, geldt dit dan ook voor mij?

Ja, de wetgever maakt hier expliciet geen onderscheid tussen IB-ondernemers (bijvoorbeeld eenmanszaak) of zelfstandigen die vanuit een BV werken.

  1. Verandert dit de bescherming (via arbeidsrecht) van werkenden?

Nee, zo heeft Minister Aartsen nadrukkelijk duidelijk gemaakt. Het arbeidsrecht, waarmee werkenden bijvoorbeeld een beroep kunnen doen op vakantiedagen, het minimumloon en andere rechten van werknemers, blijft onverminderd van kracht.

  1. Wanneer gaan de wet in?

Op zijn vroegst op 1 januari 2028. De concept wet gaat nu in internetconsultatie. Dat wil zeggen dat iedereen commentaar en advies kan geven om de wet beter te maken. Ook moet de wet nog beoordeeld worden door de Raad van State en worden er uitvoering toetsten gedaan, voor beoordeling of de wet uitvoerbaar is door bijvoorbeeld de Belastingdienst en Arbeidsinspectie.

Daarna volgt de behandeling in de Tweede en daarna Eerste Kamer.

  1. Wat kan of moet ik – als zzp’er, als opdrachtgever en/of als bureau – nu al doen?

Niets moet, want het duurt nog even voordat deze wet ingaat. Maar let wel: er wordt nu gewoon gehandhaafd op basis van de bestaande regels. Die wijken niet heel erg af van hetgeen hierboven staat; ze zijn eerder strenger. Dus het advies: houd de ontwikkelingen rond de Zelfstandigenwet in de gaten en verwerk elementen van deze wet – bijvoorbeeld het werken met resultaatgerichte opdrachten – nu al in onderlinge afspraken.


Meer weten : schrijf je dan in voor het ZiPconomy webinar Alles over de Zelfstandigenwet . Maandag a.s. om 14:45 uur. ZiPconomy hoofdredacteur Jan-Willem Weijers bespreekt het wetsvoorstel met experts Boris Emmerig en Alexander Kist. Ze gaan in op vragen van deelnemers aan het webinar. Inschrijven (gratis) kan via deze link.

Hugo-Jan Ruts is de oprichter van ZiPconomy. Hij is de algemeen directeur/uitgever van ZiPmedia en politiek verslaggever voor ZiPconomy. Bekijk alle berichten van Hugo-Jan Ruts

2 reacties op dit bericht

  1. Het artikel stelt (bij vraag 9) dat de zelfstandigenwet ook zou gelden voor ondernemers die werken vanuit een BV.

    Dit antwoord behoeft een fundamentele juridische correctie, want de wetgever laat de bestaande criteria van de arbeidsovereenkomst in artikel 7:610 lid 1 BW (arbeid, loon, gezag) juist volledig ongewijzigd.

    Wat de nieuwe Zelfstandigenwet in werkelijkheid doet, is het toevoegen van een nieuw lid 2. Dit lid bevat specifieke voorwaarden waaronder een ondernemer sowieso geen werknemer van de opdrachtgever wordt — de zogeheten ‘veilige haven’. Pas als men níét aan die voorwaarden voldoet, valt men terug op het oude lid 2 (straks lid 3), wat inhoudt dat de relatie alsnog langs de reguliere criteria van lid 1 moet worden gelegd.

    En precies daar wringt de schoen voor de DGA. Om uberhaupt aan lid 1 te kunnen toetsen, moet er een contractuele relatie zijn tussen een natuurlijk persoon en een opdrachtgever. Een overeenkomst tussen een opdrachtgever en een BV is echter een contract tussen twee rechtspersonen. De DGA is als natuurlijk persoon contractueel geen partij. Een overeenkomst tussen een BV en een opdrachtgever wordt dus nooit een arbeidsovereenkomst. Dat allerlei lagere rechters onterecht jurisprudentie van de Hoge Raad negeren doet daar niets aan af.

    Het gezag over de DGA ligt conform vaste jurisprudentie al intern verankerd tussen de DGA en zijn eigen BV (ECLI:NL:HR:2013:BY9295, rov 3.3.3). Sinds de Hoge Raad in het Management-arrest (ECLI:NL:HR:2022:282) bovendien zeer strenge motiveringseisen stelde aan het passeren van zo’n structuur, waagt de fiscus zich er in de praktijk niet eens meer aan om door een BV heen te kijken. De Zelfstandigenwet brengt geen instrumentarium mee om aan deze vennootschappelijke rechtspersoonlijkheid (Boek 2 BW) voorbij te gaan. De bewering dat deze wet ‘ook voor de BV geldt’, gaat dan ook volledig voorbij aan de wettelijke en rechtsprekende systematiek.

  2. Zelfstandigenwet: duidelijkheid in 2028, maar wat doen we tot die tijd?

    De nieuwe Zelfstandigenwet moet rust en duidelijkheid brengen voor zelfstandigen én opdrachtgevers. Dat is hard nodig. Sinds 1 januari 2025 wordt weer volledig gehandhaafd op schijnzelfstandigheid en juist de onzekerheid over de kwalificatie van arbeidsrelaties zorgt ervoor dat opdrachtgevers terughoudend zijn geworden met de inzet van zzp’ers.

    De gedachte achter de Zelfstandigenwet is daarom begrijpelijk. Met onder andere een zelfstandigentoets en een werkrelatietoets moet duidelijker worden wanneer iemand daadwerkelijk als zelfstandige kan werken.

    Maar dan de timing.

    De planning ziet er op hoofdlijnen als volgt uit:
    eind september 2026: wetsvoorstel voor uitvoeringstoetsen;
    eind september 2026: tweede internetconsultatie;
    daarna zo snel mogelijk naar de Raad van State;
    2027: parlementaire behandeling in Tweede en Eerste Kamer;
    beoogde inwerkingtreding: 1 januari 2028.

    En daar wringt wat mij betreft de schoen.

    De overheid constateert zelf dat er op dit moment onvoldoende duidelijkheid bestaat. Het kabinet gaf eerder dit jaar bovendien expliciet aan meer rust en duidelijkheid te willen creëren, zodat wordt voorkomen dat opdrachten voor zelfstandigen onnodig wegvallen.

    Dat allemaal om dingen te verduidelijken en de vrees bij opdrachtgevers weg te nemen. Maar kunnen die opdrachtgevers dan wachten tot 1 januari 2028?

    We zitten inmiddels in oktober 2026. Dat betekent dat opdrachtgevers, zelfstandigen en intermediairs nog ruim een jaar moeten werken binnen een stelsel waarvan de overheid zelf constateert dat meer duidelijkheid nodig is.

    Ondertussen gaat de handhaving gewoon door.

    Dat is een lastige combinatie. Want een opdrachtgever die vandaag moet beslissen of een opdracht door een zelfstandige kan worden uitgevoerd, heeft weinig aan duidelijkheid die vanaf 2028 beschikbaar komt. Die beslissing moet nu worden genomen.

    Misschien moeten we daarom niet alleen kijken naar een nieuw wettelijk stelsel voor 2028, maar ook naar de periode die daaraan voorafgaat.

    Waarom zou de huidige Wet DBA niet op korte termijn zodanig kunnen worden vereenvoudigd en verduidelijkt dat opdrachtgevers en zelfstandigen nú beter weten waar ze aan toe zijn?

    Niet door opnieuw een uitgebreid nieuw toetsingskader naast de bestaande praktijk te zetten, maar door de belangrijkste criteria voor zelfstandig werken zo concreet, praktisch en toepasbaar mogelijk te maken.

    Daarmee hoeft de ontwikkeling van de Zelfstandigenwet niet te stoppen. Integendeel. Een zorgvuldig ontworpen wettelijk kader voor de langere termijn kan waardevol zijn.

    Maar de arbeidsmarkt heeft ook vandaag duidelijkheid nodig.

    Want als het doel werkelijk is om onnodige terughoudendheid bij opdrachtgevers weg te nemen en bonafide zelfstandigen ruimte te geven om te ondernemen, is 1 januari 2028 nog behoorlijk ver weg.

    Vereenvoudig daarom waar mogelijk het huidige kader. Maak duidelijk wat vandaag wél kan. En doe dat niet pas in 2028, maar zo snel mogelijk.

    Bron: Kamerbrief Vervolgstappen uitwerking Zelfstandigenwet, 10 september 2026.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *



×