Maandelijkse archieven: juli 2026

7 tips voor het in de markt zetten van een inhuuraanbeste­ding

Voor de meeste overheids- en onderwijsorganisaties (en soms ook organisaties in zorg & welzijn) geldt een aanbestedingsplicht bij de inkoop van externe inhuuroplossingen. Ga jij binnenkort aan de slag met het opstellen van een bestek voor een inhuurleverancier? Dan is een goede voorbereiding essentieel. In dit artikel delen we zeven concrete tips om alles uit jouw inhuuraanbesteding te halen.

1. Formuleer de behoefte voordat je eisen opstelt

Een sterke aanbesteding begint niet bij het bestek, maar bij de vraag achter de vraag. Wat moet externe inhuur bijdragen aan de organisatiedoelen? Welke knelpunten moeten worden opgelost? En welke ambities spelen op de achtergrond mee?

Om deze behoefte scherp te krijgen, is het belangrijk om verschillende perspectieven op externe inhuur op te halen. Betrek daarom HR, inkoop, finance, juridische zaken en inhurende managers. Hun inzichten helpen om de huidige situatie, knelpunten en ambities in kaart te brengen.

Organiseer daarom een sessie met alle relevante stakeholders en beantwoord gezamenlijk enkele fundamentele vragen:

  • Welke rol speelt externe inhuur in ons strategisch HR-beleid?
  • Hoe volwassen is ons huidige inhuurbeleid?
  • Waar ligt de regie: centraal of decentraal, bij HR of inkoop? En waar willen we dat deze ligt?
  • Welke vormen van flexibiliteit worden nu benut en welke (bijvoorbeeld interne flex) blijven onderbelicht?

Door deze vragen te beantwoorden ontstaat inzicht in de werkelijke behoefte, de gewenste regierol en het type inhuurmodel dat bij jouw organisatie past. Organisaties die deze stap zorgvuldig doorlopen, merken dat de uitvraag inhoudelijk sterker wordt en beter aansluit op de praktijk. De aanbesteding wordt daarmee geen kopie van een eerder document, maar een strategisch middel om de juiste partner aan te trekken.

2. Raadpleeg dienstver­le­ners voor advies

Je kunt enorm veel leren van aanbieders van inhuuroplossingen in de markt. Organiseer een marktconsultatie of informele gesprekken met potentiële aanbieders. Hierdoor krijg je niet alleen scherp welke inhuuroplossingen er beschikbaar zijn, welke prijsmodellen je kunt toepassen en hoe je met gunningscriteria kan omgaan, ook ontdek je hoe jouw behoeften zich verhouden tot marktontwikkelingen. Dit helpt om je uitvraag concreet, realistisch én aantrekkelijk te maken en voorkomt onaangename verrassingen in het aanbestedingsproces die vaak veel tijd kosten.

3. Bepaal wie intern verantwoor­de­lijk is

Een aanbesteding raakt meerdere disciplines, maar zonder duidelijke regie ontstaat vertraging en onduidelijkheid. Leg daarom vooraf vast wie verantwoordelijk is voor besluitvorming, wie inhoudelijk eigenaar is van externe inhuur en hoe escalaties worden afgehandeld. Benoem daarnaast een kernteam dat het proces aanstuurt.

De samenwerking tussen HR en inkoop is hierbij cruciaal. HR weet wat er nodig is op het gebied van menskracht en expertise, inkoop weet hoe je rechtmatig en doelmatig inkoopt. Door ook finance & control aan te laten haken, voorkom je dat de financiële impact van keuzes over het hoofd wordt gezien.

4. Check op intern draagvlak

Misschien wel het allerbelangrijkste punt om als organisatie mee te nemen bij het in de markt zetten van een inhuuraanbesteding, is de check op intern draagvlak. Een goede aanbesteding is pas succesvol als de gekozen oplossing ook daadwerkelijk wordt omarmd binnen de organisatie. Betrek daarom vroegtijdig de belangrijkste gebruikers, zoals inhurende managers, bij het proces. Toets of zij de noodzaak van veranderingen herkennen, deel inzichten uit de voorbereiding en bespreek wat de nieuwe werkwijze van hen vraagt. 

Ook bestuurders spelen hierin een belangrijke rol. Hun steun is nodig om richting te geven aan de aanbesteding en gemaakte afspraken te borgen. Zeker wanneer meerdere organisaties gezamenlijk optrekken, is het belangrijk om verwachtingen en belangen tijdig op één lijn te brengen. Zonder voldoende draagvlak bestaat het risico dat een zorgvuldig ingerichte oplossing in de praktijk onvoldoende wordt benut.

5.  Laat je uitvraag aansluiten bij de volwassen­heids­fase van inhuur in je organisatie

Een veelgemaakte fout is het kiezen van een te complex inhuurmodel, terwijl de organisatie daar nog niet aan toe is. Sluit je uitvraag daarom aan bij de huidige inhuurvolwassenheidsfase van je organisatie. Is er nog weinig coördinatie of een laag inhuurvolume? Dan is het waarschijnlijk nog te vroeg voor een uitgebreid MSP-model. Een broker-oplossing kan dan uitkomst bieden. Kijk daarnaast niet alleen naar wat nu nodig is, maar ook wat er straks speelt.  

6. Zorg voor balans tussen prijs en kwaliteit

Een veelvoorkomende valkuil in aanbestedingen is het stapelen van eisen zonder dat daar een passend budget tegenover staat. Denk aan uitgebreide MSP-dienstverlening, inclusief kwaliteit, aanwezigheid op locatie, systeemintegraties en strategisch advies, voor een tarief dat nauwelijks kostendekkend kan zijn. Wanneer verwachtingen hoog liggen, hoort daar ook een reële prijs bij.

Externe professionals zijn bovendien van cruciaal belang voor het succes van je organisatie. Laat de prijs daarom niet de enige dominante factor zijn in je gunningscriteria. Leg juist het accent op kwaliteit, expertise en leveringszekerheid, en geef de dienstverlener voldoende ruimte (lees: marge) om ook in een krappe arbeidsmarkt het verschil te maken. Overweeg daarnaast om kwaliteit niet alleen schriftelijk te beoordelen, maar om ook een mondeling onderdeel toe te voegen, zoals een interview of casus. Dit biedt de mogelijkheid om de daadwerkelijke werkwijze van de dienstverlener te toetsen, de samenwerking te ervaren en beter te beoordelen of er een goede match is met de organisatie.

In de praktijk blijkt goedkoop vaak duurkoop. Een iets hogere investering per plaatsing leidt doorgaans tot betere matches, minder verloop en meer grip op het proces. Dat betaalt zich op de lange termijn ruimschoots terug en zorgt voor een gezonde prijs-kwaliteitverhouding.

Ook voor thema’s als inclusie en diversiteit geldt dat kwaliteit vraagt om investering. Professionals die extra begeleiding nodig hebben of samenwerking met gespecialiseerde leveranciers, brengen aanvullende kosten met zich mee. Door hier vooraf ruimte voor te maken, ontstaat een uitvraag die niet alleen realistisch is, maar ook maatschappelijk impactvol.

7. Denk in partnerschap

Een aanbesteding gaat niet alleen over prijzen en KPI’s. Succesvolle inhuur is mensenwerk en vraagt dus om samenwerking. Zorg in je uitvraag dat leveranciers zich kunnen onderscheiden op meer dan alleen uitvoering: meedenken, verbeteren, adviseren en flexibel meebewegen. Een goede MSP- of broker-dienstverlener stopt niet bij de implementatie, maar bouwt met jou aan een duurzame inhuurstrategie. Zorg in je uitvraag dus voor ruimte voor dialoog en optimalisatie.

Een goede voorberei­ding is het halve werk

Een succesvolle inhuuraanbesteding vraagt om scherpe keuzes, heldere doelen en samenwerking tussen afdelingen. Door deze zeven tips toe te passen, leg je een stevig fundament voor grip op externe inhuur. Nu én in de toekomst. 

Wil jij ook meer grip op externe inhuur en ontdekken hoe je van ad-hoc inhuur naar een strategische aanpak gaat? Vraag De Inhuurgids aan, een gratis handzaam boekje dat een praktisch en verdiepend kompas biedt om bewust op externe inhuur te sturen. Speciaal voor overheidsorganisaties, onderwijsinstellingen en uitvoeringsorganisaties.

 

Geplaatst in Professioneel inhuren | Tags , , | Laat een reactie achter

Zelfstandige Richard Zwiers: ‘Zzp’ers, kom alsjeblieft op voor je eigen rechten’

Richard Zwiers, zelfstandig adviseur duurzaamheid, ziet twee mooie opdrachten voorbij komen die perfect bij zijn expertise passen: een voor een adviseur Energietransitie bij de gemeente Pijnacker-Nootdorp en kort daarna een als Deelprojectleider Netcongestie bij de Provincie Gelderland. “Ik had die opdrachten graag gekregen”, zegt Zwiers. 

Hij was echter al bij voorbaat kansloos. Beide organisaties geven namelijk vooraf al aan dat de opdracht ‘niet voor zzp’ers’ is. “Ik ben inmiddels heel vaak tegengekomen dat zzp’ers als groep worden uitgesloten bij aanbestedingen.” Zwiers vindt dit principieel onjuist en laat het er niet bij zitten. “Het gaat om iets wezenlijks, het recht om als zzp’er te participeren op de arbeidsmarkt. Als dat recht wordt afgepakt, moet je opkomen voor je eigen belangen. Als jij het niet doet….”

Klachten gegrond

Zelfstandige Richard Zwiers: “Zzp’ers, kom alsjeblieft op voor je eigen rechten”

En zo heel ingewikkeld is dat volgens Zwiers niet. “Het kost een paar uurtjes werk. Ik heb gespard met een jurist van FNV Zelfstandigen, maar het meeste zelf gedaan.” Als in de nota van inlichtingen staat dat de opdracht onder leiding en toezicht van de inlener dient te worden uitgevoerd – en daarom niet geschikt is voor een zzp’er – dan ga je daar vragen over stellen, legt hij uit. Vaak krijg je in eerste instantie nul op rekest. De eerste stap is dan een klacht indienen, bijvoorbeeld door aan te geven dat het bij voorbaat uitsluiten van zzp’ers in strijd is met de Aanbestedingswet, het proportionaliteitsbeginsel.

En Zwiers heeft in beide gevallen succes. De gemeente Pijnacker-Nootdorp heeft de opdracht direct aangepast na advies van het Klachtenmeldpunt Aanbesteden. Bij de Provincie Gelderland duurde het iets langer; de interne commissie die de klacht behandelt, geeft de provincie gelijk. Zwiers neemt de tweede stap: een klacht indienen bij de Commissie van Aanbestedingsexperts (CvAE). De CvAE heeft de klacht gegrond verklaard; de provincie mag een hele beroepsgroep (zzp’ers) niet op voorhand uitsluiten.

Geen Don Quichot 

Zwiers krijgt in beide zaken zijn zin, zonder dat het hem zelf direct iets oplevert. “Ik ben er uiteindelijk maanden mee bezig geweest en heb de opdrachten niet gekregen.” Maar daar was het hem ook niet alleen om te doen. “Als dit ertoe leidt dat opdrachtgevers hun inhuurbeleid gaan aanpassen, dan heeft iedere zzp’er hier baat bij.” 

In je eentje vechten tegen de onrechtvaardigheid van de aanbestedingswereld: sommigen zien het als een queeste van Don Quichot, maar Zwiers werpt dat beeld verre van zich. “Die vergelijking is zorgelijk, want dan zeg je eigenlijk dat je geen vertrouwen hebt in het rechtssysteem. Maar je kunt in dit land wel degelijk je recht halen.”

Ook onder de vele positieve reacties blijft hij nuchter. “Ik ben geen held, geen superman, ik heb gewoon gedaan wat ik moest doen.” Op de vraag of hij niet vreest als ‘lastig’ te worden bestempeld door inhurende organisaties, zegt Zwiers: “Ik word liever als lastig gezien dan helemaal niet in overweging genomen.”

Zwiers hoopt dat zijn eenmansactie navolging vindt. Zijn oproep aan alle zzp’ers die opdrachten zien waarbij zij categorisch worden uitgesloten: “Kom alsjeblieft op voor je belangen. Dien een klacht in. We moeten dit met z’n allen doorbreken. “

Detacheren zzp’ers is ‘immoreel’

Om het risico op schijnzelfstandigheid uit de weg te gaan zijn er zzp’ers die zich laten detacheren. Voor Zwiers is dat geen optie en hij ergert zich eraan als dit als alternatief wordt voorgelegd. “Wat is dan de toegevoegde waarde van zo’n derde partij? Die wordt fors betaald voor een heel kleine handeling. De zzp’er moet daarvoor een deel van zijn inkomen weggeven. En het is ook een verkeerde manier van het besteden van publiek geld. Detacheren met als enige argument het afkopen van de risico’s voor de opdrachtgever vind ik immoreel.”

Intermediairs kunnen en moeten volgens Zwiers wel degelijk een rol spelen bij het tegengaan van het vooraf categorisch uitsluiten van zzp’ers voor opdrachten. “Het is hun taak dat dit zorgvuldig gebeurt en dat ook zzp’ers een eerlijke behandeling krijgen.” Of dat ook gebeurt? Niet altijd, volgens hem. “Uiteindelijk is het toch vaak wie betaalt, bepaalt.”

Flextender, de intermediair die de opdracht bij de gemeente Pijnacker-Nootdorp had uitgezet, neemt de toegekende klacht ter harte. Commercieel directeur Jaap Jan Westland zei eerder hierover: “De les die wij uit deze casus trekken is dat we onze opdrachtgevers moeten helpen om beter te motiveren waarom een bepaalde opdracht wel of niet geschikt is voor een zzp’er. Ons uitgangspunt is dat zzp’ers zoveel mogelijk eerlijke kansen krijgen.”

Aanbestedende diensten hebben liever een ontevreden zzp’er dan een boze Belastingdienst

‘Belastingdienst stuurt uitsluiten zzp’ers’

Dat inhurende organisaties opdrachten massaal bestempelen als ‘niet voor zzp’ers’ is vooral de schuld van de Belastingdienst, meent Zwiers. “Sinds het opheffen van het moratorium en de Belastingdienst is gaan handhaven, dreigen zij met forse boetes. De Belastingdienst dwingt weliswaar niemand om zzp’ers uit te sluiten, maar door de handhaving en het naheffingsrisico stuurt de fiscus wel in die richting, zonder de andere kant van het verhaal te vertellen. Aanbestedende diensten hebben liever een ontevreden zzp’er dan een boze Belastingdienst.” 

Volgens Zwiers moet de fiscus zich afvragen of de manier waarop ze dat nu doen wel zo goed is. “Achterliggende motivatie is natuurlijk dat de belastingopbrengsten omhoog moeten. De aanname lijkt dat een zzp’er de schatkist geld kost. Bij overheidstarieven klopt dat niet. Reken het maar na: een zelfstandige die een ambtenaar vervangt, betaalt al gauw méér inkomstenbelasting dan die ambtenaar, simpelweg omdat het inkomen hoger ligt. Dat zzp minder oplevert geldt vooral onderaan de markt, precies waar de echte schijnzelfstandigheid zit.”

Dat je daar schijnzelfstandigheid moet bestrijden is helder, vindt hij. Maar daarbij moet je wel onderscheid maken. “Uitbuiting van kwetsbare zelfstandigen en schijnzelfstandigheid komen voor aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Daarvoor zou het invoeren van een minimumtarief helpen. Maar uitbuiting van een hoogopgeleide zelfstandige die een halfjaar een opdracht bij de overheid uitvoert tegen een vergoeding van € 50.000 of meer: dat is flauwekul.”


Uitspraak CvAE

Of een opdracht wel of niet buiten dienstbetrekking kan worden uitgevoerd (door een zzp’er) kan een opdrachtgever beoordelen aan de hand van de negen criteria uit het Deliveroo-arrest, die holistisch (in samenhang) moeten worden bekeken. Die beoordeling is uiteindelijk aan de Belastingdienst.
Om hiervan een inschatting te maken heeft Zwiers de webmodule Beoordeling Arbeidsrelatie van het ministerie van SZW zelf ingevuld vanuit het perspectief van de provincie Gelderland. De uitkomst: de klus kan buiten dienstbetrekking worden uitgevoerd. De provincie stelt echter dat de opdracht al op voorhand niet voldeed aan minstens drie van de negen Deliveroo-criteria. En stelt dat daar in de praktijk vrijwel altijd een vierde of vijfde criterium bij komt. Ook zou de provincie hierover overleg hebben gehad met de Belastingdienst.
Toch is dit niet de juiste handelswijze. De provincie had volgens de CvAE alleen naar haar eigen omstandigheden gekeken en zzp’ers nooit de kans gegeven om zelf tegenbewijs te leveren tegen het vermoeden van schijnzelfstandigheid. Bovendien had de provincie wel uitgelegd waarom ze de aangedragen alternatieven niet gebruikte, maar niet waarom precies deze verstrekkende maatregel de enige overgebleven optie was.
De uitspraak van de CvAE is dus geen oordeel over de vraag of de opdracht wel of niet buiten dienstbetrekking kan worden uitgevoerd, maar over de manier en het moment waarop een aanbestedende dienst besluit dat hiervoor geen zzp’ers in aanmerking komen.
Zwiers legt de uitspraak die in zijn voordeel is gevallen als volgt uit: “De provincie was niet geïnteresseerd in de positie van zzp’ers. De afweging om zzp’ers uit te sluiten is alleen maar geweest om risico’s te vermijden.”


Druk op de ketel houden

Inmiddels werkt Zwiers aan een fijne opdracht voor de gemeente Ermelo. “Momenteel ben ik daardoor even minder scherp als het gaat om reageren op opdrachten waarbij zzp’ers worden uitgesloten.” Maar de strijd is nog lang niet gestreden. Wel ziet Zwiers ook positieve ontwikkelingen, zoals de komst van de Zelfstandigenwet van Thierry Aartsen (minister Werk & Participatie), die ook wil voorkomen dat zzp’ers worden uitgesloten en met de campagne ‘Zo kan zzp wél’ duidelijk wil maken dat inhuren van zzp’ers voor opdrachten best mogelijk is. “De Zelfstandigenwet gaat helpen, maar ondertussen gaat de handhaving door de Belastingdienst ook gewoon door. Het gevaar zit in de volgorde. Vanaf 2027 kan de Belastingdienst regulier naheffen en beboeten, met terugwerkende kracht tot 2025, maar de zekerheid van de Zelfstandigenwet komt pas in 2028. In die tussenperiode is uitsluiten van zzp’ers de veiligste keuze, waarmee je dus ook echte zelfstandigen die je wilt behouden uit de markt duwt. Zolang de Belastingdienst zo streng blijft, zullen inlenende organisaties zzp’ers blijven uitsluiten.”

Zwiers blijft strijdlustig: ‘Het is verre van een gelopen race. Er moet nog heel veel gebeuren. We moeten als zzp’ers samen de druk op de ketel houden.”

Geplaatst in ZP en Ondernemen | Tags , , | 3s Reacties

Het probleem bij schijnzelfstandigheid zit niet in het arbeidsrecht

Het debat over schijnzelfstandigheid zegt inmiddels meer over de wijze waarop politiek en samenleving met onzekerheid omgaan dan over het arbeidsrecht zelf. De juridische toetsingskaders zijn immers niet nieuw. Zij functioneren al decennialang en worden door de rechtspraak consequent toegepast. Toch worden zij tegenwoordig voorgesteld als fundamenteel problematisch.

De oorzaak ligt niet in het recht, maar in de verwachtingen ervan. Het politieke debat wordt steeds sterker gedomineerd door abstracte beleidsdoelen als gelijkheid en zekerheid. Dat zijn legitieme ambities, maar zij kunnen niet los worden gezien van de werkelijkheid van een pluriforme samenleving en een heterogene arbeidsmarkt. Wanneer beleid zich te veel laat leiden door wensdenken, ontstaat het risico dat de praktijk zich niet langer aan het beleid aanpast, maar het beleid juist steeds verder van de praktijk af komt te staan. Het dossier schijnzelfstandigheid vormt daarvan een treffend voorbeeld.

Politieke perceptie en de illusie van volledige zekerheid

Een eerste gevolg is dat politieke percepties de plaats innemen van juridische realiteit. Verschillende arbeidsrelaties worden vanuit een gelijkheidsideaal steeds vaker behandeld alsof zij in essentie gelijk zijn, terwijl zij dat niet zijn. Daardoor vervagen de verschillen tussen werknemer en ondernemer, tussen incidentele uitzonderingen en structurele patronen, en tussen hoofd- en bijzaken. Tegelijk neemt de waardering voor bestaande rechtsbronnen, juridische expertise en institutionele rollen af. Sociale media en AI versnellen deze ontwikkeling doordat informatie zich sneller verspreidt dan kennis zich verdiept.

Een tweede gevolg is de zoektocht naar een mate van zekerheid die eenvoudigweg niet bestaat. In het politieke debat lijkt steeds vaker de onrealistische verwachting te bestaan dat vooraf volledig kan worden vastgesteld of een arbeidsrelatie alle toekomstige juridische toetsing zal doorstaan. Geen enkel rechtsgebied kent een dergelijke absolute voorspelbaarheid. Toch wordt juist deze schijnzekerheid voortdurend verlangd, terwijl bijvoorbeeld minimaal procedures tegen de Belastingdienst worden geïnitieerd, welke het verkeerd zou doen.

Onzekerheid wordt door de markt zelf versterkt

Dat heeft merkbare gevolgen voor de markt. Opdrachtgevers worden terughoudender, terwijl veel zzp’ers en intermediairs zelf blijven benadrukken dat het juridische kader onduidelijk zou zijn. Daarmee versterken zij precies de onzekerheid die zij zeggen te willen bestrijden. Wie voortdurend verkondigt dat niemand weet waar de grenzen liggen, vergroot de bereidheid van opdrachtgevers om risico’s geheel te vermijden.

Intussen is rondom het dossier een omvangrijke adviesindustrie ontstaan. Tal van schijnspecialisten grossieren in communicaties in grove onjuistheden over het arbeidsrecht. Het gevolg is dat bedrijven uit angst onnodig afscheid nemen van echte ondernemers, of dure schijnoplossingen kopen die hen geen stap verder helpen. Hierdoor verschraalt de kwaliteit van het publieke debat en ontstaat een situatie waarin risico’s structureel verkeerd worden ingeschat: soms worden zij onderschat, maar minstens zo vaak worden zij juist overdreven.

Waarom de holistische toets juist werkt

Juist daarom verdient de zogenoemde holistische toets een herwaardering. Deze wordt vaak afgeschilderd als bron van onzekerheid, terwijl zij in werkelijkheid de noodzakelijke menselijke maat biedt. De holistische toets erkent dat economische en maatschappelijke verhoudingen zich niet volledig laten standaardiseren via een checklist. Dat verklaart waarom deze wijze van beoordelen niet alleen diep is verankerd in het Nederlandse arbeidsrecht, maar ook aansluit bij de Europese rechtsontwikkeling en in tal van andere rechtsgebieden wordt toegepast.

Minder nieuwe regels, meer vertrouwen in de rechtspraak

De oplossing ligt daarom niet in steeds nieuwe regels of politieke beloften. Zij ligt in het accepteren van de grenzen van maakbaarheid. Van de politiek mag worden verwacht dat zij de rust bewaart, zich baseert op harde feiten en zich niet laat leiden door incidenten of sentiment. Dat betekent concreet: stoppen met het hanteren van nieuwe wetgeving als multidoekje en vertrouwen op vaste jurisprudentie. Van marktpartijen mag worden verwacht dat zij geldende toetsingskaders serieus nemen en zich daarin verdiepen. Elk systeem vergt zorgvuldige handhaving en toezicht.

Zolang politiek en markt blijven doen alsof het arbeidsrecht fundamenteel tekortschiet, zal de onzekerheid zichzelf blijven voeden, terwijl bij dit kwalitatieve niveau geen enkel toetsingskader volstaat. Niet het arbeidsrecht vraagt om hervorming, maar de manier waarop ermee wordt omgegaan door alle actoren. Daarin ligt de werkelijke culturele en institutionele opgave van het dossier schijnzelfstandigheid.

Geplaatst in Professioneel inhuren | Tags | 8s Reacties

ZZP’ers de dupe van platformen ProLinker en Hoofdkraan: onterechte incasso’s, nepvacatures en dreigementen

Incasso’s zonder machtiging, vruchteloze pogingen om abonnementen op te zeggen, ongevraagde mails, dreigementen en een onbereikbare helpdesk. Wie op websites als Trustpilot, Reddit of Kiyoh kijkt vindt tientallen klachten over de freelanceplatformen ProLinker en Hoofdkraan. Beide platformen zijn eigendom van hetzelfde bedrijf: Informa bv. 

Uit gezamenlijk onderzoek van het Algemeen Dagblad en ZiPconomy blijkt dat deze klachten slechts een tipje van de sluier zijn. Bij meer dan duizend freelancers werd in het eerste kwartaal van 2025 ongemerkt geld van hun rekening afgeschreven door een incasso van freelanceplatform ProLinker. Naar schatting gaat het om een totaalbedrag van 50.000 tot 150.000 euro.

Daarnaast blijkt dat het platform nepvacatures plaatste en klagende gedupeerden onder druk zette om kritische recensies te verwijderen.

Plotseling geld afgeschreven

ProLinker, onderdeel van moederbedrijf Informa, probeerde in de periode van januari 2025 tot maart 2025 oude SEPA-machtigingen te activeren. In een document dat in handen is van ZiPconomy en het AD staan 1.415 personen waarbij gepoogd is geld af te schrijven, 379 hiervan storneerden de incasso voortijdig. Maar liefst 1.036 freelancers merkten de incasso niet op. Hun machtiging betreft bedragen van €35, €42,50 en €50. Alles bij elkaar opgeteld komt het geïncasseerde bedrag uit op €50.150. 

Enkele gedupeerden die voor dit onderzoek zijn benaderd gaven aan dat eerst een van de bovenstaande bedragen werd afgeschreven en daarna nog een keer het dubbele hiervan. Op basis van die informatie wordt het totale geïncasseerde bedrag geschat tussen de €50.000 en €150.000. 

Sommingen zochten contact met het bedrijf. De mensen die erin slaagden contact te krijgen, kregen hun geld terug. Het is niet duidelijk hoeveel gedupeerden dit hebben gedaan en hoeveel van hen ook werkelijk hun geld hebben teruggekregen.

Het merendeel van de gesproken gedupeerden hebben zelf de betaling gestorneerd via hun bank. Een ander deel van de gedupeerden heeft het niet opgemerkt en ontdekte te laat dat er geld was afgeschreven om nog te kunnen storneren.  

Kritische Trustpilot recensies

Onder kritische recensies op Trustpilot rondom deze afschrijvingen schreef het bedrijf dat het om een technische storing gaat. Uit documenten, ingezien door het Algemeen Dagblad en ZiPconomy, blijkt dat dit niet klopt. De onrechtmatige heractiveringen zijn ingevoerd als ‘call center sales’, verspreid over meerdere maanden. Hierbij zou een medewerker de voormalige klanten een aanbod hebben gedaan, bijvoorbeeld per telefoon of mail.

Het AD en ZiPconomy spraken met tientallen gedupeerden en geen van hen geeft aan benaderd te zijn geweest door het bedrijf. 

De oplettende freelancers die zagen dat de incasso gepland stond, storneerden de transactie. Zij kregen een automatische mail waarin werd verzocht om de betaling binnen zeven dagen te voldoen, anders zou er een incassobureau ingeschakeld worden. 

“Dit brengt hoge extra kosten met zich mee die voor jouw rekening zullen komen,” stond er in de mail. Ook nadat het incassobureau in kwestie het klantenaccount voor ProLinker sloot, bleef het bedrijf dreigen dat dit specifieke incassobureau de kosten op de gebruiker zou verhalen. 

Aangepaste mailadressen

Uit een ander document dat werd ingezien door het Algemeen Dagblad en ZiPconomy blijkt dat het merendeel van de e-mailadressen van gedupeerden zijn aangepast. Hierdoor kregen de gedupeerden geen automatische bevestigingsmail dat hun abonnement werd geheractiveerd. Een anonieme bron stelt dat de mailadressen handmatig zijn aangepast.  

Hoe kon dit geld afgeschreven worden?

ProLinker is een nieuwe handelsnaam, die is ontstaan vanuit een ander bemiddelingsplatform voor freelancers. ProLinker had de beschikking over de klantgegevens van dit voormalige platform, waaronder oude SEPA-machtigingen. Zo kon het bedrijf deze SEPA-machtigingen eenzijdig heractiveren.

Nep opdrachten

Daarnaast staan er op het platform ProLinker nepopdrachten. Een oud-medewerker vertelt dat medewerkers de opdracht kregen andere opdrachten te vinden en deze te herschrijven met behulp van ChatGPT. Uit een bestand dat het AD en ZiPconomy in handen hebben, blijkt dat van alle opdrachten die in een bepaalde week in het najaar van 2025 geplaatst zijn, 71 procent van de vacatures nep is. Of dit percentage op andere momenten hetzelfde is, konden wij niet verifiëren.

Zo werd een opdracht voor een electrical engineer in Houston, Texas voor 20 uur per week herschreven in een Nederlandse variant

Met het plaatsen van deze opdrachten gaf het platform in die periode de indruk dat er veel activiteit was, terwijl dit in werkelijkheid meeviel. Veel gebruikers klaagden hier online over, waarop het bedrijf eronder reageerde dat zij mogelijk hun profiel niet goed en uitgebreid genoeg hadden ingevuld.

Niet-uitbetaalde freelancers

Naast ProLinker valt ook freelancersplatform Hoofdkraan onder moederbedrijf Informa. Ook over dit platform zeggen freelancers dat zij hun rekeningen niet betaald kregen en klagen over onjuiste afschrijvingen of het niet kunnen stopzetten van abonnementen. 

Zo ook Dionne (echte naam bij de redactie bekend). Zij vertelt aan ZiPconomy dat zij via Hoofdkraan aan een opdracht werkte. De €200 die zij zou verdienen, kreeg ze niet uitbetaald. Als beginnende freelancer liet deze ervaring bij haar direct een bittere smaak achter.

Ze probeerde contact te krijgen met Hoofdkraan, maar zonder succes. Dionne: “Het is niet het grootste bedrag, maar als beginnende freelancer wordt je vertrouwen wel meteen beschadigd.” 

Ze plaatste een negatieve recensie op Trustpilot dat ze niet uitbetaald was en kreeg daardoor contact met het bedrijf. Pas nadat ze haar recensie verwijderde kreeg ze uitbetaald.

 

Verwarrende bedrijfsstructuur

ProLinker is een handelsnaam die onder Informa BV valt. Ook Hoofdkraan valt onder deze BV. Op afschriften staat vaak niet vermeld dat het om deze platformen gaat, blijkt uit rondvraag van ZiPconomy. Daarnaast was er tot november 2025 ook een BV met de naam ProLinker. Zowel Informa BV als ProLinker BV vallen onder bestuur van ProLinker LLC, een firma gevestigd in de Amerikaanse staat Delaware. 

De Amerikaanse staat Delaware staat erom bekend dat zij uitgebreide privacy bieden aan eigenaren van bedrijven. Waar je in de Nederlandse KvK kan opzoeken wie de UBO (Ultimate Beneficial Owner) is van een bedrijf, kan dit niet in de staat Delaware. Alleen officiële staatsinstanties, zoals het Openbaar Ministerie, kunnen dergelijke gegevens opvragen.

Negatieve recensies

Wie een negatieve recensie op Trustpilot achterlaat kan rekenen op een stevige reactie van het bedrijf. In een persoonlijke mail krijgt men te horen dat de reviews als laster gezien worden. “Als de review niet verwijderd wordt, zullen we hier consequenties aan moeten verbinden”, zo dreigt ProLinker. 

Per mail schrijft de eigenaar van het bedrijf aan één van de kritische gebruikers: “Je denkt toch niet dat [naam] en jij dit soort teksten de wereld in kunnen slingeren en dat ik het er dan bij laat? Dit is pas het begin.” Hij dreigt met rechtszaken voor smaad en laster en stelt dat op ‘afpersing’ vijftien jaar gevangenisstraf staat. De schadevergoeding zal vele miljoenen bedragen, verzekert hij.

Verwarrende bedrijfsnamen

“Hoofdkraan, Prolinker, Informa BV? Met welk bedrijf heb ik van doen?” schrijft een freelancer in een recente review op Trustpilot. Daarin klaagt de gebruiker over het niet ontvangen van geld voor opdrachten via Hoofdkraan, mails daarover die beantwoord worden door ProLinker en onterechte incasso’s uitgevoerd door Informa.

De bedrijfsstructuur is ook verwarrend. De Nederlandse BV ProLinker werd in november 2025 failliet verklaard. De curator is nog bezig met een rechtmatigheidsonderzoek. De handelsnaam ProLinker valt inmiddels onder Informa BV. Ook Hoofdkraan valt onder deze BV. Op afschriften staat vaak niet vermeld dat het om deze platformen gaat, blijkt uit rondvraag van ZiPconomy. 

Zowel Informa BV als ProLinker BV vallen onder bestuur van ProLinker LLC, een firma gevestigd in de Amerikaanse staat Delaware, een staat die erom bekend staat dat zij uitgebreide privacy bieden aan eigenaren van bedrijven. Alleen officiële staatsinstanties, zoals het Openbaar Ministerie, kunnen dergelijke gegevens opvragen.

De incasso advocaat van een gedupeerde vertelde aan ZiPconomy dat hij bij het zien van Delaware in de bedrijfsstructuren, zijn cliënten afraadt om te procederen. De kosten zouden niet opwegen tegen de baten.

Telefonisch bevestigt de ondernemer achter Hoofdkraan en ProLinker eigenaar te zijn van het Amerikaanse ProLinker LLC. 

Poging tot verkoop

Begin februari 2026 wordt het Nederlandse moederbedrijf Informa te koop aangeboden op een online platform waar bedrijven te koop worden aangeboden. De advertentie belooft riante cijfers. Omzet per jaar: 210.000 euro, waarvan 90 procent winst. Na waarschuwingen op dit verkoopplatform wordt de verkoopadvertentie van Informa offline gehaald. 

Ondanks de vele klachten van gedupeerde freelancers blijft Informa actief en zijn de platformen nog altijd bereikbaar voor nieuwe gebruikers. Ondertussen blijven er op Trustpilot nieuwe kritische recensies verschijnen over zowel ProLinker als Hoofdkraan, variërend van spam tot onterechte afschrijvingen

Gebruikers klagen dat het moeilijk is om contact te krijgen met het bedrijf. Omdat er geen contactgegevens te vinden zijn van Informa, stuitten boze freelancers op een ander bedrijf met dezelfde naam. Deze Informa Nederland B.V., een IT-bedrijf uit Oud Gastel, wordt al meer dan een jaar lang boos opgebeld. 

Voor veel freelancers is daarmee de vraag niet alleen hoe dit heeft kunnen gebeuren, maar ook waarom het zo lang kan doorgaan. 

 

Wederhoor 

ZiPconomy heeft bovenstaand verhaal enkele dagen voor publicatie voorgelegd aan de ondernemer achter ProLinker en Hoofdkraan en hem om wederhoor gevraagd. Hij heeft per e-mail gereageerd.

Volgens de ondernemer gaat het om ‘een groot misverstand’. “In 2025 zijn er foutieve afschrijvingen geweest en incasso’s van oude, openstaande facturen. We hebben geld teruggestort bij foutieve afschrijvingen.” 

Van de 15 gedupeerden die gesproken zijn voor dit onderzoek, heeft 1 persoon geld teruggestort gekregen vanuit ProLinker, de rest storneerde het geld zelf bij de bank. Drie personen ontdekten de afschrijving te laat. Het bedrijf leverde geen bewijs voor de claim dat zij zelf gedupeerden hebben terugbetaald. 

Ook stelt het bedrijf dat door ‘technische uitdagingen de facturatie niet altijd goed is gegaan’. “Wij hebben nooit met opzet geprobeerd frauduleus geld te incasseren.” De schade die is aangericht aan het bedrijf is volgens hem veroorzaakt door zijn voormalige zakenpartner.

Er worden volgens het bedrijf geen nepopdrachten op het platform geplaatst. Wel worden ‘opdrachten automatisch vertaald naar meerdere talen’. 

Betreffende de samenwerkingen die hij is aangegaan met freelancers, houdt de ondernemer zich het recht voor een factuur niet te hoeven betalen ‘als er niet geleverd wordt’: “Dan moet je maar vragen om een vooruitbetaling. Freelancers brengen vaak onterecht hoge kosten in rekening (zonder contract), misschien uit geldnood.”

Opmerkingen van klanten en medewerkers over zijn manier van zakendoen bestempelt de ondernemer achter de platforms als ‘een beetje zielig’. Hij wil er verder niet op ingaan, zo schrijft hij.

Geplaatst in ZP en Ondernemen | 3s Reacties

Overheidscampagne inhuur zzp start met muizenstapjes

Zzp’ers zijn ondernemers! En ja, die kan je inhuren. Met een ‘zo kan zzp wel’-campagne wil minister Thierry Aartsen de ontstane terughoudendheid rond het inhuren van zzp’ers een draai geven.

Die campagne moet nog op stoom komen, maar de afgelopen weken zijn daarin wel de eerste stapjes gezet. Via ingekochte artikelen bij NU.nl en De Ondernemer. En via een actief minister zelf op LinkedIn.

Het NU.nl artikel is gericht op de zzp’er zelf (Werken als zzp’er: zo laat je zien dat je zelfstandig werkt). Het artikel op De Ondernemer (Een zzp’er inhuren volgens de regels: zo pak je het aan) is wel op de opdrachtgever gericht. Beide gaan over resultaatgericht werken, vrijheid voor de zzp’er om zelf te bepalen hoe het werk uit te voeren en ondernemerschap.

De minister zet ze kracht bij met enthousiaste posts en filmpjes, deels vanuit zijn privé LinkedIn-account.

Daar is allemaal niet mis mee. Op de inhoud valt ook weinig af te dingen. Die klopt, maar is natuurlijk ook wel erg algemeen.

Het zal de afzender(s) ook wel duidelijk zijn dat je een tamelijk hardnekkige terughoudendheid in de markt rond het inhuren van zzp’ers niet met twee advertorials en een paar LinkedIn-posts zult veranderen. Zeker ook niet omdat die terughoudendheid zich toch voor een flink deel in de publieke sector afspeelt, zo is de indruk.

Wat dat betreft was het wellicht beter geweest de artikelen te publiceren op Binnenlands Bestuur, het vakblad voor de overheid, of Zorgvisie.

Toetsingskader: niet nieuws en weinig richtinggevend nieuw

In de slipstream van de berichten van de minister zette hij afgelopen week ook het Toetsingskader Beoordeling Arbeidsrelaties via Linkedin online. Dat leek wellicht iets nieuws, maar dat is het helemaal niet. Het is niet meer dan een samenvatting van het in april gepubliceerde toetsingskader dat de Belastingdienst hanteert. Wat toen licht is bijgewerkt.

Wie kritisch is op hoe de Belastingdienst jurisprudentie omzet in het handhavingsbeleid wordt – logischerwijs – ook niet erg enthousiast van de samenvatting van het ministerie van SZW. “O no…!! Hoe kan dit nu?” schreef advocaat Joost van Ladesteijn dan ook op LinkedIn. Met een opsomming van punten die naar zijn mening niet juist vertaald zijn en/of nog steeds achterlopen op actuele rechtspraak. Daarmee bereikt deze publicatie wat Van Ladesteijn betreft het tegenovergestelde van het beoogde doel van het geven van meer duidelijkheid.

Boris Emmerig wijst erop dat in het toetsingskader staat dat een inspanningsverplichting wijst op een arbeidsovereenkomst en een resultaatverplichting juist niet. “Dit onderscheid is in de praktijk moeilijk te maken”, zegt Emmerig. “Vele opdrachten brengen een inspanningsverplichting met zich mee. Denk hierbij aan het werk van een ervaren jurist (zoals ook genoemd in het Toetsingskader). Van een jurist mag verwacht worden dat hij/zij een deskundig advies geeft dat voldoet aan de geldende professionele standaard. Maar hoe is dit te zien als een resultaatverplichting? Of is dit juist al de bedoelde resultaatverplichting, zeker als er een termijn is afgesproken waarbinnen het advies gereed dient te zijn?” Extra toelichting – en daarmee verduidelijking – is voor Emmerig zeer welkom.

Een relevant punt. Immers, dit punt speelt voor een flink deel van de zelfstandige professionals die ingehuurd worden.

Tot slot wijst Emmerig erop dat onduidelijk blijft welke vragen een opdrachtgever nu moet stellen om het ‘externe ondernemerschap’ van de zzp’er te kunnen beoordelen en hoe hij de gegeven antwoorden moet wegen. “Het Toetsingskader beperkt zich tot het geven van voorbeelden. Hierbij speelt ook dat een opdrachtgever niet de juistheid van alle gegeven antwoorden kan verifiëren.”

Ook een relevant punt, immers Aartsen heeft eerder juist aangegeven dat opdrachtgevers zouden moeten beginnen met naar dat ondernemerschap te vragen. Hoe dat te doen, hoe dat vast te leggen en welke waarde aan te hechten – zeg maar: de ‘zelfstandigentoets’ – is nog verre van duidelijk.

In tijden vol verwachting naar juist wat deze minsister gaat doen, kan je je afvragen wat de meerwaarde van dit document is. Te simplistisch volgens de juristen (‘ongenuanceerde weergave van de juridische werkelijkheid’ zegt bijvoorbeeld Niels van der Neut op De Ondernemer), te abstract voor mensen in de praktijk.

Geeft de Leidraad wel richting?

Wat zich hier ook wreekt in deze losse publicaties en het uitbrengen van dat toetsingskader, is dat alle onderliggende informatie (nog?) niet is aangepast. Zo is er op website www.hetjuistecontract.nl – het centrale punt voor informatie voor opdrachtgevers – niets te vinden over ‘Zo kan zzp wel’, noch straalt die website nu iets anders uit dan toen de website een kleine twee jaar geleden werd gelanceerd. Een tijdperk waar minister Aartsen juist afstand van wil nemen.

Ook wil hij nadrukkelijk dat de overheid het voorbeeld gaat geven over hoe je juist wel zzp’ers kan inhuren. Een overheid die op dit moment, zo blijkt uit meerdere casussen  (ADR, Gemeente Pijnacker, Provincie Gelderland) regelmatig zzp’ers juist categorisch uitsluit.

Dat moet anders, wat Aartsen betreft. Dus – beloofde hij de Kamer – wordt de leidraad inhuur externen van de Rijksoverheid op korte termijn aangepast. Een leidraad waar – zo laat bijvoorbeeld de VNG weten – ook lagere overheden gebruik van zullen maken.

De markt wacht met spanning af hoe in die leidraad die wens en visie van de nieuwe minister meer praktisch, en daarmee ook richtinggevend, vorm en inhoud krijgt. Geen algemeenheden in korte lijstjes, geen abstracte toetsingskaders maar concreet beleid.

Zelfstandigenwet

Na de zomer gaan we ‘echt’ van start met de publiekscampagne“, schrijft Aartsen op LinkedIn, zich ongetwijfeld realiserend dat wat er tot nu toe is gedaan slechts goed bedoelde druppels is op een gloeiende plaat.

Maar dan zal hij aanlopen op een meer fundamenteel probleem. Wat hij wil uitdragen schuurt ook met de huidige jurisprudentie. Precies waarom hij met een nieuwe wet wil komen, met een zelfstandigentoets. Die is er nog niet. We weten wel de richting, maar nog niet de invulling. En daarbij wordt het nog een forse uitdaging om er zowel in de polder als in de politiek genoeg draagvlak voor te vinden.

Wie verwacht dat via die publiekscampagne na de zomer ineens het ‘inhuur sentiment’ flink gaat draaien, kan wel eens van een koude kermis thuis komen.

Geplaatst in ZP en Politiek | Tags , | 1 Reactie

Hoe bouw je een veilige, digitale bedrijfskantine voor platformwerkers? De impact, dilemma’s en voordelen van de Wet Platformwerk

Veel meer Nederlandse bedrijven dan gedacht zijn straks onder Artikel 20 verplicht om een beveiligd, digitaal communicatiekanaal voor hun platformwerkers in te richten. Dat is makkelijker gezegd dan gedaan. De nationale invoering van Artikel 20 van de Europese Platformrichtlijn heeft flinke implicaties voor alle stakeholders en de invoering wordt nog lastig.

Dit blijkt uit de eerste resultaten van een sociaal wetenschappelijk en juridisch onderzoek van AIAS-HSI, een instituut voor multidisciplinaire wetenschap aan de Universiteit van Amsterdam (UvA), als onderdeel van onderzoeksproject PlatWork-R. Tijdens een werkconferentie op 19 juni bij advocatenkantoor Stibbe te Amsterdam presenteerden de onderzoekers hun eerste resultaten aan beleidsmakers, vakbonden en praktijkexperts uit de platformeconomie. Zij gingen met deze diverse groep belanghebbenden in gesprek om praktische knelpunten te bespreken en input te verzamelen om te reageren op het lopende Nederlandse wetgevingstraject.


Wie zijn de onderzoekers?

  • Jaap van Slooten – Dagvoorzitter, hoogleraar aan de UvA en advocaat bij Stibbe. Van Slooten is al jarenlang betrokken bij juridische debatten rondom de platformeconomie.
  • Simon Kuijpers – Onderzoeker aan de UvA met een achtergrond in de antropologie en politicologie. Binnen PlatWork-R voert hij het sociaalwetenschappelijk onderzoek uit. Hij presenteert de eerste onderzoeksresultaten.
  • Niels Jansen – Universitair docent aan de UvA en jurist. Hij doet juridisch onderzoek naar Artikel 20. Hij is expert op het gebied van het cao-recht, vakbonden en collectief overleg.
  • Agnes Akkerman – Hoogleraar Regulering van Arbeid aan de UvA.
  • Giedo Jansen – Hoofddocent Regulering van Arbeid en onderzoeker aan de UvA.

Internationaal advocatenkantoor Stibbe treedt op als sponsor. PlatWork-R wordt gesubsidieerd door de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO).

Wie zijn de sprekers?

  • Hubert Koetsveld – Senior beleidsmedewerker bij de Directie Arbeidsverhoudingen van het ministerie van SZW. Hij is sinds 2023 medeverantwoordelijk voor het nationale wetgevingstraject rondom de platformrichtlijn.
  • Klara Boonstra – Hoogleraar aan de Vrije Universiteit (VU) en jurist bij de FNV. Zij weet alles van strategisch procederen, cao-recht en internationale arbeidsstandaarden.
  • Maarten Zoomers – Voormalig CEO van platform Temper.
  • Martijn Arets – Platformexpert en deeltijdonderzoeker aan de Hogeschool van Amsterdam (HvA). Hij schreef een paper over een mogelijke oplossing voor de dilemma’s rondom de implementatie van Artikel 20 in Nederland.

Jaap van Slooten

‘Veel te ruime definitie’

Er spelen vele vragen, belangen en dilemma’s. Dat begint bij de reikwijdte en definitie, vertelt dagvoorzitter en onderzoeker Jaap van Slooten. Hij is hoogleraar aan de UvA en advocaat bij Stibbe. “De definitie van een digitaal arbeidsplatform is heel breed”, vertelt hij. Een digitaal arbeidsplatform (DLP) is volgens de Europese richtlijn elke organisatie waar de dienst via een app of website op verzoek van de afnemer verloopt, er sprake is van automatische monitoring of besluitvorming en waarbij de organisatie van het werk een essentieel onderdeel vormt. “Behalve bedrijven als Uber kunnen ook reguliere uitzendbureaus en bedrijven zoals Picnic hieronder vallen.”

“Dit is een erg ruime bepaling”, vindt Hubert Koetsveld, beleidsmedewerker bij de Directie Arbeidsverhoudingen van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW). Hij is verantwoordelijk voor de omzetting van de richtlijn naar nationale wetgeving. “Nu kan zelfs een specifiek bedrijfsonderdeel onder de richtlijn vallen. Denk aan de bezorgafdeling van een supermarkt.”

Toch zal de definitie ruim blijven, zegt hij. Volgens Koetsveld geeft Brussel lidstaten namelijk weinig ruimte voor een eigen afbakening. Dat ziet hij als een van de grootste struikelblokken bij de invoering. “Sommige bedrijven zullen zich niet realiseren dat ze onder deze wet vallen.”


Wat betekent artikel 20 (in Nederland: artikel 10)?

Artikel 20 is de Europese bepaling die platformondernemers verplicht een digitaal communicatiekanaal in te richten voor veilig contact tussen werkenden en vakbonden. In het Nederlandse wetsvoorstel vind je deze regel terug als Artikel 10. Een Europese richtlijn bepaalt namelijk de doelen, maar Nederland kiest zelf de indeling en nummering van de eigen wet. Dit is de concept-wettekst uit het Nederlandse Wetsvoorstel platformwerk:

“Het digitaal arbeidsplatform biedt personen die platformwerk verrichten de mogelijkheid om privé en veilig met elkaar in contact te treden en te communiceren, en biedt eveneens de mogelijkheid om via de digitale infrastructuur van het digitaal arbeidsplatform of even doeltreffende middelen vertegenwoordigers van personen die platformwerk verrichten te contacteren of door hen te worden gecontacteerd. Het digitaal arbeidsplatform onthoudt zich van toegang tot of monitoring van de contacten en communicatie, bedoeld in het eerste lid.”


Hubert Koetsveld

Ministerie wil snelle invoering

Het ministerie van SZW wil Artikel 20 snel omzetten in nationale wetgeving om Brusselse boetes te voorkomen. “De Europese deadline is december 2026, maar ik kan vast verklappen: dat gaan we niet halen”, zegt Koetsveld van SZW. “De internetconsultatie is pas net begonnen en daarna moeten de Eerste en Tweede Kamer nog instemmen. Daarom houden we de implementatie zo eenvoudig mogelijk.”

Hij vertelt dat SZW inzet op ‘zuivere implementatie’. Dat betekent: geen extra nationale regels en geen uitzonderingen. Ieder bedrijf dat onder de richtlijn valt moet een digitaal communicatiekanaal inrichten voor alle platformwerkers: werknemers en zelfstandigen. Daarop moeten zij privé en veilig onderling kunnen communiceren. Ook moeten ze via het communicatiekanaal contact op kunnen nemen met vertegenwoordigers, zoals vakbonden.

Al met al is Artikel 20 een goed initiatief, vindt Koetsveld. “Zo’n communicatiekanaal helpt de risico’s met betrekking tot gezond en veilig werken te beperken”, zegt hij. “Het helpt platformwerkers zich te verenigen en op te komen tegen machtige werkgevers. Daarnaast kunnen ze elkaar steunen tijdens het werk. Denk aan maaltijdbezorgers die elkaar waarschuwen voor onveilige buurten.”

Gesprek met de vakbond op de virtuele werkplek

Klara Boonstra

Ook vakbond FNV is enthousiast over de nieuwe wet, vertelt Klara Boonstra. Zij is hoogleraar aan de Vrije Universiteit (VU), jurist bij de FNV en expert op het gebied van platformen. Ze benadrukt dat FNV niet alleen opkomt voor de belangen van werknemers, maar “van alle werkenden”, dus ook zelfstandig platformwerkers.

“Voor de FNV is het organiseren van platformwerkers vakbondswerk”, vertelt ze. “Maar ik geef toe, het is lastiger om platformwerkers te bereiken dan werknemers. Zij komen tenslotte niet samen op de werkvloer.”

Artikel 20 is dus heel waardevol voor de vakbonden om grip te krijgen op deze groep. “Via zo’n kanaal kunnen we platformwerkers echt ondersteunen”, legt ze uit. “Wij beginnen tegenwoordig nooit meer als vakbond met ‘wij hebben jullie dit te bieden’, maar ‘wat hebben jullie nodig?’ Op de virtuele werkplek (red. het verplichte communicatiekanaal) kunnen we dat gesprek makkelijker voeren. Ook kunnen we bestaande initiatieven van platformwerkers eenvoudiger ondersteunen met onze kennis, kunde en netwerk in Den Haag.”

Ruimte voor creatieve oplossingen

Maarten Zoomers

Ook veel Nederlandse platformen zien de voordelen van het opzetten van zo’n communicatiekanaal. “Onderling contact en sociale binding kunnen we alleen maar toejuichen”, zegt Maarten Zoomers, voormalig CEO van platform Temper. “Platformwerkers communiceren nu ook al onderling. Ze weten elkaar over het algemeen goed te vinden, bijvoorbeeld via WhatsApp, Telegram of Discord. Het idee van één digitale ‘bedrijfskantine’ is goed. Maar de operationalisering en uitvoering van zo’n platform zijn lastig.”

Er komt nogal wat kijken bij het opzetten van zo’n communicatiekanaal. Zo is het platform weliswaar verantwoordelijk voor de bouw en de veiligheid van het medium, maar het mag zelf geen toegang hebben tot de communicatie. “Het ligt voor de hand om het beheer bij een onafhankelijke derde partij te leggen”, zegt Koetsveld. “Toch nemen we dat niet als verplichting op in de wet, want we willen ruimte laten voor slimme, creatieve en eenvoudigere oplossingen.”

Die zijn hard nodig, want het is ‘financieel en operationeel loodzwaar’ voor een startende coöperatie of een klein mkb-platform om zo’n extern beheerd en gemodereerd communicatiekanaal op te zetten. Koetsveld: “Het ministerie wil hen wel tegemoet komen, maar de Europese richtlijn staat simpelweg geen uitzonderingen of drempels toe voor kleine bedrijven. Ieder platform dat aan de definitie voldoet, moet aan de slag.”

Simon Kuijpers

Eerste onderzoeksresultaten

De ervaringen van het ministerie van SZW sluiten goed aan bij de eerste onderzoeksresultaten van PlatWork-R. Onderzoeker Simon Kuijpers geeft een eerste indruk van die inzichten. “We hebben pas 13 mensen gesproken, een mix van platformen, vertegenwoordigende partijen en platformwerkers”, zegt hij. “Het zijn echt heel voorzichtige resultaten. Maar we zien nu al dat de meningen over de implementatie van zo’n ‘digitale kantine’ sterk verdeeld zijn.”

Toegang, privacy en veiligheid

De eerste discussie gaat over de toegang tot het communicatiekanaal. Over één ding is iedereen het eens: alleen actieve gebruikers horen op het kanaal, dus geen slapende profielen van jaren geleden. “Daarbij blijft de grote vraag hoe je ‘actief’ definieert”, zegt Kuijpers. “Is dat een minimaal aantal gewerkte uren per week? Dat moeten we nog uitzoeken.”

Verder vinden sommigen dat het kanaal opgesplitst moet zijn per doelgroep. Zzp-bonden willen bijvoorbeeld een apart kanaal, omdat zelfstandigen andere belangen hebben dan werknemers. Partijen verschillen verder van mening over de vraag of er één landelijk kanaal moet komen, of opsplitsingen per functie, regio, provincie of land. “Er zijn ook mensen die zeggen: is het niet beter om de kanalen niet per platform, maar per sector te organiseren?”

Geen WhatsApp-groep. ‘Niet veilig genoeg’

SZW-medewerker Koetsveld vult aan dat deelname aan het nieuwe communicatiekanaal voor platformwerkers nooit verplicht is. “Het platform maakt de toegang laagdrempelig, maar werkers kiezen helemaal zelf of zij meedoen”, zegt hij. “Wij bepalen als ministerie niet hoe het communicatiekanaal er exact uitziet, zolang het maar toegankelijk en veilig is.”

Simpelweg een WhatsApp-groep opzetten voor je platformwerkers mag niet. “Zij moeten dan namelijk verplicht akkoord gaan met de gebruiksvoorwaarden van WhatsApp en die voldoen niet aan de Europese standaarden voor een veilige en besloten omgeving. Dat geldt ook voor veel andere vergelijkbare apps.”

Inhoud en anonimiteit

Hoewel platformwerkers graag incognito blijven, blijkt uit het onderzoek van de UvA dat platformen en vakbonden anonimiteit onwenselijk vinden. “Platformen willen tenslotte controleren dat deelnemers ook echt voor het platform werken en dat vertegenwoordigers ook echt vertegenwoordigers zijn”, zegt Kuijpers. “Ondernemers vrezen dat anonieme accounts de deur openzetten voor trolls of journalisten die de boel verstoren.”

Dat beaamt Zoomers. “Hoe voorkom ik illegale praktijken zoals phishing of privacyschending als ik zelf als ondernemer geen toegang heb tot het platform?” vraagt hij zich af. “En hoe voldoe ik aan mijn verantwoordelijkheden vanuit de Digital Services Act (DSA)? Als je een communicatiekanaal opzet, ben je wettelijk verantwoordelijk voor wat zich op dat kanaal afspeelt. Daarnaast heb je als opdrachtgever of werkgever de verplichting een veilige werkvloer te creëren, ook digitaal. Gezien de beperkingen vanuit de wetgevig, ligt het in dit geval voor de hand dit uit te besteden aan een derde partij. Toch blijft het lastig voor ondernemers dat zij altijd eindverantwoordelijk blijven voor de veiligheid, zonder dat ze dit zelf kunnen controleren.”

‘AVG-fuik’ en de telecom-oplossing

Ondernemers moeten zich namelijk ook altijd houden aan de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG), de Europese wet die persoonsgegevens beschermt. Cybersecurity- en privacyexpert Simon Hania was aanwezig in de zaal. Hij is voormalig

functionaris gegevensbescherming bij Uber. Hania waarschuwt voor een ‘AVG-fuik’. “Omdat digitaal contact met een vakbond metadata genereert, verwerkt een platform technisch gezien ‘vakbondsgerelateerde informatie'”, legt Hania uit. “Dat is volgens de AVG strikt verboden.”

Hij legt uit dat de wetgever binnen de Europese privacywet mogelijkheden heeft om uitzonderingen te maken onder voorwaarden. “Maar die mogelijkheid lijkt SZW niet te benutten. Jammer, want er is reden toe. Die data is namelijk essentieel voor cyberveiligheid. Je moet tenslotte kunnen ingrijpen bij phishing, identiteitsfraude of erger.”

Hoe los je dat op? “Houd het simpel”, adviseert Hania. “Lever als platform alleen een ‘digitaal telefoonboek’ met actieve gebruikers aan bij de derde partij die het platform bouwt en beheert. De feitelijke chatomgeving besteed je uit aan een extern bedrijf onder de Telecommunicatiewet. In de telecomwereld is namelijk al twintig jaar geleden bedacht hoe je dit soort communicatiediensten veilig en besloten inricht.”

‘In de bedrijfskantine ga je toch ook niet op tafel staan?’

Vertegenwoordigers zijn enthousiast. Zij willen een openbare pagina met hun logo en contactgegevens, gecombineerd met opties voor een-op-een-chats om vragen te beantwoorden of klachten op te halen. Kuijpers vertelt dat lang niet alle stakeholders het hiermee eens zijn. Hij deelt een analogie uit zijn gesprekken: “In de bedrijfskantine wordt tenslotte ook in kleine kring gesproken. Daar ga je als werkgever of vakbond ook niet op de tafel staan.”

Verder zijn ook vakbonden tegen anonieme profielen, want die maken het lastig om echtheid te verifiëren. Boonstra (FNV) veegt privacybezwaren van platformgebruikers van tafel: “Wij zijn als vakbond gewend om te werken binnen de strenge regimes van privacywetgeving en de Autoriteit Persoonsgegevens.”

Zij benadrukt dat werkenden zich vrij moeten kunnen uitspreken, maar dat dit nu lastig is. “Bij kritiek worden ze van de app verbannen en zijn ze hun werk kwijt”, vertelt ze. “Dat maakt het voor ons extreem lastig om mensen te vinden die met ons een rechtszaak durven te voeren. Er moeten dus regels komen om dit soort klokkenluiders te beschermen.”

Maarten Zoomers onderbreekt haar hier en verklaart ‘met zijn hand op zijn hart’ dat dit bij Temper absoluut nooit is gebeurd, ook niet bij de mensen die procedures tegen hen voerden.

Wie is vertegenwoordiger?

Een ander dilemma draait om het begrip ‘vertegenwoordiger’. De definitie is erg breed: het kan gaan om een vakbond, een ondernemingsraad of een ander soort collectief. “De regel is dat een organisatie een rechtspersoon moet zijn met een duidelijke statutaire doelstelling om werknemers of zelfstandigen te vertegenwoordigen”, legt Koetsveld uit. “Maar stel je voor dat er maar één persoon lid is van een vakbond en er werken honderdduizend mensen via een platform. Kun je dan echt spreken van een vertegenwoordiger van platformwerkers?”

Aanwezigen in de zaal haken hier direct op in. Zij waarschuwen dat traditionele vakbonden zoals de FNV zich in de praktijk te exclusief uitspreken voor een kleine groep. Zoomers (ex-Temper) verwijst naar de rechtszaken die de FNV voerde: “Het ging maar om een handjevol platformwerkers dat een arbeidsovereenkomst wilde. De overgrote meerderheid heeft daar helemaal geen interesse in, werkt graag als zelfstandige en voelt zich nu niet vertegenwoordigd.” Tegelijkertijd realiseert Zoomers zich dat dit een kip-of-eiprobleem is: “Het is nu tenslotte ook heel lastig voor vakbonden om platformwerkers te bereiken.”

Klara Boonstra benadrukt dat FNV altijd de achterban raadpleegt voor grote besluiten. Tegelijkertijd geeft ze toe dat platformwerkers momenteel nog een marginale groep vormen binnen de vakbond. “Het is niet ons doel om platformwerkers een arbeidsovereenkomst op te dringen”, zegt ze. “Waar we wel voor waken, is een race-to-the-bottom op tarieven en arbeidsvoorwaarden. We willen voorkomen dat de hele arbeidsmarkt op de lange termijn ‘geplatformiseerd’ raakt en werkenden machteloos staan tegenover grote platformbedrijven.”

Ook uit de eerste gesprekken van PlatWork-R blijkt dat alle partijen vinden dat er controle moet komen op vertegenwoordiging. Kuijpers: “Mensen moeten zich wel vertegenwoordigd en verbonden voelen door zo’n partij. Daar moet een bepaalde check op komen. Maar er is nog geen consensus over de eisen aan vertegenwoordiging en wie toegang verleent.”

Misbruik voorkomen

Koetsveld (SZW) merkt verder dat platformondernemers vrezen dat vertrouwelijke bedrijfsgegevens lekken via de chat. Ook zijn ze bang dat concurrenten het kanaal misbruiken om platformwerkers naar hun eigen platform te lokken. Zoomers: “Hoe voorkom je dat een concurrent zich voordoet als vertegenwoordiger om werkenden te kapen?” 

Ondernemers mogen ‘redelijke beperkingen’ opleggen om misbruik te voorkomen, vertelt Koetsveld. “Bijvoorbeeld een verbod op discriminerende uitingen of het werven voor concurrerende platformen. Toch zal het in de praktijk heel lastig zijn om te controleren of personen in het chatkanaal daadwerkelijk actieve werkers of legitieme vertegenwoordigers zijn, zeker omdat het platform als werkgever zelf geen toegang heeft.”

Bovendien is er geen publieke handhaving voor dit soort kwesties. Een platform zal naar de civiele rechter moeten stappen als hij vindt dat een partij zich ten onrechte voordoet als vertegenwoordiger van platformwerkers.

Via een wet of CAO?

Niels Jansen

Tijdens de bijeenkomst besprak universitair docent en jurist Niels Jansen (UvA) de juridische kant van de implementatie van de wet. Binnen PlatWork-R onderzocht hij de vraag: “Moeten we dit via de wet regelen of via het cao-recht?”

Dat de overheid de richtlijn nu bewust invoert via een harde wet in plaats van het over te laten aan de markt via cao’s, vindt hij logisch. “Uit cijfers blijkt namelijk dat slechts 20% van de werknemers onder een cao valt met goede vakbondsfaciliteiten rondom werkvloertoegang”, legt hij uit. “Dat is ontzettend mager. Zelfregulering via een cao heeft weliswaar voordelen zoals extra flexibiliteit en draagvlak, maar juist in deze sector is nauwelijks sprake van collectief overleg.”

Wetgever, pak het breder aan!

Momenteel hebben vakbonden in Nederland geen algemeen wettelijk recht op toegang tot de werkvloer. De nieuwe Europese richtlijn verplicht de overheid om zo’n toegangskanaal wettelijk te regelen voor een specifieke groep bedrijven. “Mijn advies aan de overheid: pak het groter aan”, zegt Jansen. “De hele arbeidsmarkt is tenslotte aan het veranderen: ook reguliere werknemers en bijvoorbeeld uitzendkrachten en thuiswerkers die niet via een app werken, komen elkaar steeds minder vaak fysiek tegen bij het koffiezetapparaat. Voor vakbonden zijn zij net zo moeilijk te bereiken.”

Hij pleit voor een brede, marktbrede wet die het recht op werkvloertoegang (fysiek en digitaal) voor iedereen in Nederland in één keer goed regelt. Koetsveld vindt dit ‘geen slecht idee’, maar denkt dat het voorlopig niet gaat gebeuren. “Het is kabinetsbeleid om nationale wetgeving niet strenger te maken dan Europa eist. Bovendien gaat de invoering van zo’n marktbrede wet simpelweg te lang duren.”

Mogelijke oplossing: centrale, digitale toegangspoort 

Martijn Arets

Ondertussen zoeken experts alternatieve oplossingen om zo’n veilige, digitale bedrijfskantine te bouwen. Een van hen is Martijn Arets, platformexpert en deeltijdonderzoeker aan de Hogeschool van Amsterdam (HvA). Aan het eind van de bijeenkomst deelt hij zijn idee. Arets denkt dat veel partijen de impact van de wet op de markt onderschatten. “Volgens cijfers van het CBS zijn er in Nederland ruim vijfhonderd klusplatformen actief, maar als ook de brede uitzendsector onder de wet gaat vallen, praten we over meer dan 15.000 bedrijven”, zegt hij. “Dat is niet alleen lastig voor die ondernemers, maar ook voor vertegenwoordigers. FNV kan tenslotte niet op honderden verschillende communicatiekanalen tegelijk actief zijn.”

In zijn paper pleit hij voor één overkoepelend open-source platform dat met publieke middelen is gefinancierd. Bedrijven kunnen via wettelijk verplichte API-koppelingen data delen met deze centrale toegangspoort. Oftewel: de overheid faciliteert de centrale digitale infrastructuur, platformen hoeven slechts de technische toegangskoppeling te regelen. Via de verplichte API worden platformwerkers vanuit hun eigen profiel automatisch doorgeleid naar een veilige, externe omgeving.

Volgens Arets levert zo’n centrale aanpak enorme schaal- en privacyvoordelen op. “Je voorkomt dat elk platform zelf het wiel uit moet vinden”, zegt hij. “Het verkleint ook de nalevingskosten. Dat is vooral voor kleinere platformbedrijven en coöperaties een groot voordeel.”

Tot slot is er meer ruimte voor doorontwikkeling met zo’n centrale oplossing. Arets presenteerde een aantal voorbeelden van toepassingen. “De infrastructuur kan op termijn uitgroeien tot een universeel ‘werkpaspoort'”, zegt Arets. “Hierin kunnen werkenden, naast hun chatrooms, ook hun geverifieerde werkervaring, vaardigheden en diploma’s veilig digitaal opslaan en gebruiken op de bredere arbeidsmarkt. Er bestaan wereldwijd al vele mooie casussen waar we op kunnen voortbouwen. Zo verandert een verplichte Europese wetgevingspuzzel in een strategisch instrument dat de mobiliteit van werkenden vergroot.”

Oproep: denk mee!

De perfecte blauwdruk voor een digitaal communicatiekanaal is er nog niet, maar tijdens deze werkconferentie bleek vooral veel welwillendheid van alle belanghebbenden. Hoewel de belangen tussen vakbonden, ministeries en platformen soms flink verschillen, is iedereen het erover eens dat platformwerkers recht hebben op een veilige digitale kantine. De grote uitdaging is de regels simpel en betaalbaar te houden voor de praktijk.

Het onderzoek van PlatWork-R loopt ondertussen door. De onderzoekers roepen alle belanghebbenden en experts op hun kennis te delen. Verder is de internetconsultatie voor de Wet platformwerk geopend. Tot en met 24 augustus mag heel Nederland digitaal meedenken over de conceptwet. Koetsveld (SZW): “Ik nodig iedereen uit: reageer alsjeblieft op het wetsvoorstel.”

Geplaatst in Professioneel inhuren | Tags , , | Laat een reactie achter