Maandelijkse archieven: juni 2026

Een zzp-tarief vergelijken met een cao: waar het mis kan gaan

Een tariefondergrens voor zzp’ers is op zichzelf een goed idee. Ik pleit zelf ook voor minimumtarieven per sector. Maar dan wel op basis van een goede rekensom en niet op basis van onderhandelingen. Een cao kan een nuttig vertrekpunt zijn om een zzp-tarief te berekenen. Maar zo’n vergelijking is alleen eerlijk als de freelance praktijk goed wordt meegenomen.

De Fair Pay-richtlijn voor zzp-starttarieven in de film- en AV-sector is bedoeld als ondergrens voor onderhandeling en contractvorming. Dat is positief. Ik was zelf niet betrokken bij de AV/Film-Ketentafel. Wel ben ik vanaf het begin betrokken bij de nog lopende Ketentafel Fotografie.

De AV/Film-sector heeft ook met de Belastingdienst afspraken gemaakt over verantwoorde zzp-inhuur. Dat geeft misschien fiscale houvast, maar fiscale duidelijkheid is nog geen economisch gezonde zelfstandigheid. Voor 2026 beginnen de zzp-starttarieven bij €29,16 per uur en zit de helft van alle niveaus onder de €37 per uur. De Fair Pay zzp-starttarieven film en AV vind je op de website van fairPACCT

Bij zulke lage starttarieven draait alles om de rekensom eronder. Kun je een tarief nog Fair Pay noemen als die rekensom vooral gunstig uitpakt voor de betaalbaarheid van de sector? Zeker als een aantal aannames op zijn minst twijfelachtig is.

Een zzp’er bepaalt zelf zijn tarief. Toch?

In theorie bepaalt een (zelfstandig) ondernemer zelf het tarief van een dienst of product. Dat begint bij een eigen ondergrens: wat is nodig op basis van kosten, risico, declarabele uren, continuïteit, marge en de realiteit van de markt? Pas als die tariefgrens duidelijk is, kun je onderhandelen. Onder de kostprijs werken is voor een bedrijf of zzp’er nooit een gezonde optie. 

Zodra tarieven worden besproken met opdrachtgevers, producenten en belangenorganisaties, verandert de dynamiek. Dan gaat het niet alleen over wat een zzp’er nodig heeft, maar ook over wat partijen willen betalen. Ga er maar vanuit dat iedereen alles goedkoper wil. Juist daarom is het riskant als er een cao wordt omgerekend naar een zzp-tarief. Zeker in sectoren waar zelfstandigen voor opdrachtgevers soms al goedkoper zijn dan mensen in loondienst. Zo kan een cao-vergelijking al snel een laag tarief legitimeren.

De aanname over declarabele uren bepaalt het tarief

De AV/Film-sector staat onder druk om met zo weinig mogelijk budget zo veel mogelijk te produceren. Daardoor is de wens om tot lage tarieven te komen groot.

De jaarlijkse omzet van een zzp’er moet worden verdiend in de uren die gefactureerd kunnen worden. Kun je per jaar minder uren declareren, dan moet het uurtarief hoger zijn om op hetzelfde jaarinkomen uit te komen. Voor de rekensom maakt het dus enorm uit met hoeveel declarabele uren per jaar wordt gerekend. Hoe meer uren op papier declarabel zijn, hoe lager het uurtarief wordt.

De AV/Film-rekentool gaat uit van 25% opslag voor niet-declarabele tijd. Dat klinkt ruim, maar betekent rekenkundig dat 20% van de totale werktijd niet-declarabel is en 80% dus wel declarabel. Bij het rechtsvermoedenbedrag van €38 wordt gewerkt met een opslag van 50% bovenop het minimumuurloon. Reken je die opslag terug naar declarabele tijd, dan kom je uit op ongeveer 66,7% declarabel. De AV/Film-rekentool gaat met 80% declarabel dus uit van een veel hogere inzetbaarheid.

Maar zowel 66,7% als 80% zegt niets over de specifieke markt waarin een AV/Film-zzp’er werkt. Bij projectwerk, gaten tussen producties en annuleringen is 80% declarabel een bijzonder ruim genomen aanname. 

Voor zover ik kan zien is er geen sectorspecifiek onderzoek gedaan naar het werkelijke aantal declarabele uren per beroep binnen de AV/Film-sector. Dus niet: hoeveel betaalde uren maken cameramensen, editors, geluidsmensen of andere functies gemiddeld per jaar echt?

Schattingen zijn geen marktonderzoek

Berenschot, het bureau achter de omrekening van cao-loon naar zzp-starttarief, verwijst voor de 20% niet-declarabele tijd naar algemene bronnen voor zelfstandigen, waaronder Knab en ZZP Nederland.  ZZP Servicedesk schrijft: “Er wordt geschat dat 20 tot 30 procent van je totale aantal uren niet-declarabele uren zijn.”

Maar schattingen zijn nog geen marktonderzoek naar de praktijk van AV/Film-zzp’ers. Toch kiest Berenschot de onderkant van deze algemene bandbreedte: 20% niet-declarabele tijd. Die keuze op basis van algemene en deels oudere bronnen stuurt direct naar een lager tarief.

Knab laat overigens zien dat declarabele uren per beroep sterk kunnen verschillen. Een videomaker komt in het Knab Uurtarievenboekje 2026 bijvoorbeeld uit op gemiddeld 24 declarabele uren per week, ongeveer 66,7% declarabel.

Bovendien is sinds 2023 de markt voor zzp’ers niet gunstiger geworden. Volgens Zipconomy krimpt de zzp-markt al vele kwartalen en lopen ook de gewerkte uren door zelfstandigen terug.

De tarieven worden jaarlijks geïndexeerd, maar naar de onderliggende aannames over declarabele uren wordt niet opnieuw gekeken. Cao’s worden regelmatig geactualiseerd op basis van de realiteit. Bij koffie, benzine of andere producten en diensten betalen we ook niet de prijs van jaren geleden plus inflatie. We kijken naar de actuele markt en de werkelijke kosten. Waarom zou dat bij zzp-tarieven dan anders zijn?

Bij één klus past één cao

De opdracht vanuit het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) was om te kijken naar een referentiemarkt. De cao voor het Omroeppersoneel ligt dan voor de hand. Maar ook de cao Toneel & Dans is meegenomen. Is dat logisch voor een AV/Film-sector die films en series produceert?

Natuurlijk, er wordt soms op toneel gespeeld of gedanst in films en series. Maar dat maakt de cao Toneel & Dans nog niet automatisch representatief voor de AV/Film-sector. Voor mensen in loondienst binnen AV/Film is die cao toch ook niet de logische basis? Zij vallen ook niet de ene week onder een 36-urige cao en de week daarop onder een 40-urige cao. 

Bij één klus past één cao, niet twee of een gemiddelde van twee. Toch worden zzp’ers in deze berekening voor de helft afgerekend op die minder relevante cao. Door die minder relevante cao mee te nemen, valt het tarief ook weer lager uit. In het Berenschot-rapport wordt voor Toneel & Dans gerekend met 1.736 netto inzetbare uren per jaar, terwijl de cao Toneel & Dans zelf uitgaat van 1.720 beschikbare uren. Bij Omroeppersoneel rekent Berenschot met 1.636 uur.

Door beide cao’s te middelen, komt men uit op 1.686 inzetbare uren per jaar. Als alleen naar de meest logische cao voor het Omroeppersoneel was gekeken, was dat 1.636 uur geweest. Dat scheelt 50 uur per jaar. Bij 80% declarabiliteit zijn dat 40 extra declarabele uren. Daardoor lijkt de zzp’er op papier meer te kunnen factureren, maar feitelijk zorgt het voor een lager tarief.

Een rekensom op basis van de AV/Film declarabiliteit

Stel dat de aanname in de AV/Film-rekentool klopt en dus 80% declarabel is, dan ziet de rekensom bij een starttarief van €29,16 per uur er zo uit. Voor de eenvoud reken ik daarna met 35% voor alle kosten, belastingen, pensioenopbouw en AOV. De bruto omzet van €39.331 gebruik ik verderop als vergelijkingsbedrag.

  • 1.686 werkuren per jaar x 80% declarabel = 1.348,8 declarabele uren per jaar
  • 1.348,8 x €29,16 = €39.331 bruto omzet per jaar
  • €39.331 x 65% = €25.565 per jaar / 12 = ongeveer €2.130 per maand

Ter vergelijking: bij het minimumuurloon van €14,99 kom je bij een fulltime werkweek van 36 uur, zoals in de cao Omroeppersoneel, uit op ongeveer €2.338 bruto per maand. Die bedragen zijn niet één-op-één vergelijkbaar, maar ze laten wel zien hoe krap de uitkomst is.

Zelfs met de optimistische aanname van 80% declarabel kom je uit op een maandbedrag dat nauwelijks ruimte laat voor het extra risico dat een zelfstandige draagt.

Geen correctie voor ziekte: het risico blijft bij de zzp’er

In de berekening zit geen aparte correctie voor ziektedagen als verlies aan inzetbare uren. Er is wel een opslag voor AOV, maar dat is een verzekeringspremie, geen correctie op het aantal uren dat een zzp’er daadwerkelijk kan werken en factureren.

Toch is elke Nederlander gemiddeld 11 tot 13 dagen per jaar ziek. Voor werknemers is ziekte in principe doorbetaalde tijd. Voor zzp’ers betekent ziekte minder omzet. Zelfs als je voor zzp’ers voorzichtig rekent met 10 ziektedagen, heeft dat direct invloed op het aantal declarabele uren. 10 dagen ziek per jaar is ongeveer €1.750 minder omzet per jaar.

Onderzoek naar flexibiliteit en inkomenszekerheid

Over de balans tussen flexibiliteit en inkomenszekerheid is onderzoek gedaan door  SEO Economisch Onderzoek. Daar was ik zelf bij betrokken, samen met onder meer de voorzitter uit de AV/Film-sector. Zie: Op zoek naar balans tussen flexibiliteit en inkomenszekerheid.

Berenschot adviseerde zelf ook aanvullend onderzoek naar flexicurity specifiek voor de film- en AV-sector. Alleen zie ik de uitkomsten over flexicurity en realistische declarabele uren niet terug in de uiteindelijke starttarieven.

Het onderzoek laat zien dat flexibiliteit in de culturele en creatieve sector niet gratis is. Korte of minder intensieve opdrachten zorgen voor extra niet-declarabele tijd. Als die kosten niet in het tarief zitten, levert de zzp’er de flexibiliteit en betaalt ook zelf de rekening. Het rapport adviseert daarom een flexicurity-opslag van 5% tot 25%.

Het SEO-onderzoek laat ook zien dat de aanname van 80% declarabel mogelijk veel te optimistisch is. In de enquête komt de culturele en creatieve sector uit op ongeveer 62% declarabele tijd. Als je uitgaat van de cao voor het Omroeppersoneel, 1.636 inzetbare uren per jaar, kom je uit op 1.014 declarabele uren. Dat is een stuk lager dan de ongeveer 1.349 declarabele uren waar de AV/Film-berekening nu van uitgaat.

Het SEO-onderzoek is wel gebruikt voor de post niet-declarabele kosten, maar de uitkomsten over flexicurity en realistische declarabele uren zie ik niet terug in de starttarieven. 

Mijn punt is niet dat de AV/Film-sector per se met 1.014 of 1.349 uur moet rekenen. Mijn punt is dat je bij een cao-zzp-tariefvergelijking moet onderzoeken hoeveel declarabele uren per beroep realistisch zijn. Dát is de werkelijkheid waarop een zzp’er zijn tarief moet baseren. Een ondernemer die rekent met een papieren werkelijkheid houdt het in sommige sectoren niet lang vol.

Een andere rekensom: €29,16 of €42,62 per uur?

Als je alleen uitgaat van de cao voor het Omroeppersoneel, kom je uit op 1.636 inzetbare uren per jaar. Vervolgens kun je niet zomaar aannemen dat 80% van die tijd declarabel is. Het SEO-onderzoek binnen de creatieve sector komt uit op 62% declarabele tijd. Reken je daarmee dan blijven er van 1.636 inzetbare uren ongeveer 1.014 declarabele uren per jaar over. Als je daarna voorzichtig rekent met 10 ziektedagen per jaar, daalt het aantal declarabele uren verder naar ongeveer 969 uur per jaar.

Om met die 969 declarabele uren dezelfde bruto jaaromzet van €39.331 te halen, is een uurtarief nodig van ongeveer €40,59. Tel je daar een minimale flexicurity-opslag van 5% bij op, zoals het SEO-onderzoek adviseert, dan kom je uit op ongeveer €42,62 per uur. Dat is een heel andere uitkomst dan het AV/Film-starttarief van €29,16 én ligt boven het rechtsvermoedenbedrag van €38.

Als het aantal declarabele uren anders blijkt te liggen, kan dat ook gevolgen hebben voor andere opslagpercentages. Die percentages werken niet los van de uren waarmee wordt gerekend. Dit laat zien hoe sterk een tarief kan worden gestuurd door aannames. Ik denk dat een tarief pas eerlijk is als de realiteit van zzp’ers is onderzocht en die resultaten ook echt worden meegenomen in de berekeningen.

Met één cao, 10 ziektedagen, echt onderzoek naar declarabele uren in de betreffende sector en correctie voor flexibiliteit was het starttarief boven €38 uitgekomen. Dan had het overleg met de Belastingdienst over zzp-inhuur bij tarieven ver onder het rechtsvermoeden er waarschijnlijk heel anders uitgezien.

Het risico van een verkeerde vergelijking

Verschillen tussen loondienst en zelfstandigheid moet je serieus nemen. Een cao-vergelijking kan alleen eerlijk zijn als het beroep nog regelmatig in loondienst wordt uitgevoerd  en de cao goed aansluit bij de praktijk van de zzp’er. Want die zzp’er wordt uiteindelijk met die cao vergeleken.

Bestaat het beroep nauwelijks nog in loondienst omdat zzp-inhuur voordeliger is? Dan moet je voorzichtig zijn met zo’n vergelijking, of die niet maken. Wil je toch vergelijken, begin dan niet met onderhandelen zolang de ondergrens voor zzp’ers niet duidelijk is.

Ga uit van gemiddelde realistische declarabele uren, doe goed marktonderzoek en neem risico, kosten, AOV, pensioen, ziekte, niet-betaalde tijd en continuïteit mee. Zo bepaal je eerst een eerlijke ondergrens. Pas daarna kun je eventueel onderhandelen met andere belanghebbenden.

Sla je die stap over, dan kunnen partijen denken dat zij Fair Pay betalen, terwijl zelfstandigen mogelijk onvoldoende overhouden om duurzaam te werken. Dan legitimeert een cao-vergelijking vooral een lage prijs, in plaats van dat die een gezonde ondergrens bepaalt.

Geplaatst in ZP en Ondernemen | Tags , , | 4s Reacties

ZiPexplainer: Basisverzekering Arbeidsongeschiktheid voor Zelfstandigen

De Basisverzekering Arbeidsongeschiktheid Zelfstandigen (BAZ) moet zelfstandigen een financieel vangnet bieden als zij langdurig arbeidsongeschikt raken. Het wetsvoorstel ligt momenteel bij de Tweede Kamer. De publieke verzekering moet worden uitgevoerd door het UWV, kent een wachttijd van twee jaar en biedt een uitkering van ongeveer 70 procent van het inkomen, tot maximaal het minimumloon.

Zelfstandigen kunnen ook kiezen voor een private verzekering via een opt-out regeling, mits die minimaal voldoet aan dezelfde voorwaarden als de BAZ. Wie op de peildatum al verzekerd is, valt onder de overgangsregeling en hoeft niet mee te doen met de BAZ. Het is nog niet bekend wat de peildatum wordt. 

In deze ZiPexplainer leggen we je uit wat de regeling inhoudt en waarom het verstandig is op tijd maatregelen te treffen.

Geplaatst in ZP en Ondernemen | Tags , | Laat een reactie achter

Bergler ICT kiest voor OLLiworks voor IT-inhuur van vast en flex

Edwin Welner is mede-oprichter van OLLiworks, het bedrijf achter OLLi, een platform dat ATS, VMS en FMS (freelance management) combineert in één omgeving. Hiermee wil het Nederlandse bedrijf Total Talent Management (TTM) in de praktijk brengen. Welner over het succes van OLLi, dat een jaar geleden in de markt werd gezet. “We zijn het in sneltreinvaart aan het uitrollen onder intermediairs en eindklanten. De farmaceut Aspen in Oss is een van de nieuwste klanten en er zullen snel meer volgen. En Bergler ICT is een van de eerste intermediaire dienstverleners die het echt inzet als TTM-tool.”

Getrainde AI-agent werkt als Belastingconsulent

Wat OLLi onderscheidt, is dat het brokerdienstverlening ondersteunt (voor intermediairs), net als de directe inhuur van flexkrachten door organisaties (eindklanten) én de werving en selectie van vast personeel. 

Welner is trots op het eigen product, dat continu in ontwikkeling is. Neem de inhuur van zzp’ers, iets wat gezien de onrust in de markt rondom schijnzelfstandigheid een heikel punt is geworden voor veel (overheids)organisaties. “In OLLi zit een getrainde AI-agent die werkt als een Belastingconsulent. Op basis van de uitgangspunten van het Deliveroo- en Uber-arrest worden vragen gesteld en een zo goed mogelijke opdrachtomschrijving gemaakt en advies gegeven over de compliancy. Niet voor niets is OLLi ook populair onder accountantskantoren die exact willen weten of iemand wel of niet als zzp’er ingezet kan worden.”

Systeem voor brokerdienstverlening én vast personeel 

Erik Wiechers

Dat OLLi in te zetten is voor de inhuur van externen én als volwaardige Applicant Tracking System (ATS) voor de werving en selectie van vast personeel is ook de reden dat Bergler ICT hiervoor heeft gekozen, vertelt Erik Wiechers, algemeen directeur van Bergler ICT.

De directe aanleiding voor het zoeken naar een nieuw systeem voor brokerdienstverlening is volgens hem de trend dat steeds meer grote opdrachtgevers afstappen van het Dynamisch Aankoopsysteem (DAS) bij aanbestedingen en kiezen voor brokeroplossingen. “Je ziet die verschuiving in de markt en we merken dat een aantal grote klanten behoefte heeft aan een brokerplatform. Die willen meer regie over de ICT-inhuur, zowel over de instroom, het borgen van vervanging en de exit (het managen van de uitstroom.) Het gaat niet meer alleen om kosten en volumes (het aantal cv’s), maar meer om kwaliteit in de selectie en compliant werken.”

Een systeem dat voorziet in schaalgrootte

Tegelijkertijd is door prijs- en compliancy-druk in de brokerdienstverlening een systeem vereist dat kan voorzien in de nodige schaalgrootte. Ook dat biedt OLLiworks met haar platform OLLi.  

Daarnaast had Bergler behoefte aan een systeem om de werving en selectie van eigen personeel te stroomlijnen. Wiechers: “Onze customer intimacy is volgens klanten echt sterk, maar onze operational excellence willen we van ‘goed’ naar ‘beste in de markt’. We zijn in korte tijd qua omzet verdubbeld en onze systemen, inclusief het bestaande ATS, konden het niet goed meer aan.” 

Dat OLLi beide biedt, een systeem voor brokerdienstverlening én ATS, is voor Wiechers doorslaggevend geweest. “Wij willen one way of working, één standaard, anders wordt het voor onze sales en backoffice te verwarrend.” Bovendien past dit in de total talent-benadering. “Het op dezelfde manier aantrekken, binden en boeien van zowel vast personeel als zzp’ers is de uitdaging. We hebben nu één platform en eenzelfde benadering (push en pull) van talent, zowel intern als extern.”

Eén tool, altijd maatwerk

Wiechers benadrukt dat het wel of niet succesvol zijn niet (alleen) afhangt van het systeem, maar van de mensen die ermee werken. “Het is en blijft gewoon tooling. We kiezen een standaardpropositie, één systeem, maar altijd met een maatwerkbenadering. Dat is het spanningsveld. Wij willen klanten en kandidaten in de ogen kunnen zien. De menselijke maat staat voorop in ons familiebedrijf.”

Dat is overigens volgens hem een bijkomstige reden voor Bergler ICT om te kiezen voor samenwerking met OLLiworks. “Natuurlijk hadden we ook kunnen kiezen voor een van de systemen van de grote Amerikaanse of Franse aanbieders, maar voor hen tel je niet echt mee. Ik zit liever aan de keukentafel met Helga (Van der Steen) en Edwin (Welner, de oprichters van OLLiworks). Dat is ook een familiebedrijf”, zegt Wiechers.

Uiteindelijk moet je met de softwareleverancier op één lijn zitten. “De softe kant, de organisatieverandering die de implementatie zich meebrengt is bepalend. Als het fout gaat, komt dat niet door een API die niet werkt, maar doordat het voor de mensen op de werkvloer niet duidelijk is. Vandaar dat ik blij ben met de goede samenwerking tussen onze mensen en de mensen van OLLiworks.”

 

Geplaatst in Professioneel inhuren | Tags , , , | 2s Reacties

De politiek worstelt met arbeidsmigratie, de kiezer kijkt een stuk pragmatischer.

Het was de rode draad door het commissiedebat Arbeidsmigratie van afgelopen week: vrijwel de hele Kamer, van SP tot VVD, wil dat het aantal arbeidsmigranten — naar schatting circa 1,7 miljoen — naar beneden gaat. Maar zodra het over de route gaat, valt de eensgezindheid uiteen. SP en JA21 willen tewerkstellingsvergunningen voor EU-werknemers; GroenLinks-PvdA wil de uitzendketens inkorten en misstanden aanpakken; de PVV wil eerst het binnenlandse arbeidspotentieel benutten; en partijen als CDA, D66, VVD en ChristenUnie willen vooral toe naar een “hoogwaardiger economie” die minder leunt op laagbetaalde arbeid.

Minister Hans Vijlbrief (SZW) sloot aan bij dat laatste standpunt — “verstandig beleid” noemt hij dat: draaien aan de knoppen van de vraagkant, waarmee het aantal arbeidsmigranten vanzelf zou dalen.

Makkelijker gezegd dan gedaan overigens: het vereist stevige sturing vanuit de overheid, iets wat Vijlbrief zelf “bijna vloeken in de kerk voor een liberale econoom” noemde. Pijnlijke keuzes ook. Uit recent onderzoek naar het anti-migratiebeleid van Trump blijkt bijvoorbeeld dat voor elke zes arbeidsmigranten die verdwijnen uit laag betaalde sectoren er ook een baan voor een Amerikaan verdwijnt. 

Ondertussen zegt nog steeds twee derde van de bedrijven in Nederland last te hebben van personeelstekorten, zo blijkt uit nieuwe CBS-cijfers. Alleen het grootbedrijf denkt dat (mede) te kunnen oplossen door robotisering en de inzet van AI. Krapte blijft een dominant thema, en de vraag naar arbeidsmigratie lijkt daarmee niet af te nemen.

De arbeidskrachten zijn er al, binnen de EU

Dat onderschrijft het UWV ook. Nederland heeft op dit moment de krapste arbeidsmarkt van Europa, maar voor 95 procent van de Nederlandse tekortberoepen is in ten minste één ander EU-land een overschot binnen hetzelfde beroepsveld gemeld, zo laat het UWV zien in een onderzoek. Lassers in Finland, elektriciens in Finland en Griekenland, systeembeheerders in Tsjechië en Letland: het arbeidsaanbod ís er, binnen de Unie.

UWV plaatst er meteen kanttekeningen bij: internationale werving via het Europese netwerk EURES wordt nog nauwelijks benut, en taal, diploma-erkenning, huisvesting en arbeidsvoorwaarden vormen flinke drempels. Bovendien is er één grote uitzondering: voor negen tekortberoepen, vooral in de zorg, zoals artsen, verpleegkundigen en laboranten, is nergens in de EU een overschot, omdat heel Europa met dezelfde tekorten kampt.

Het kabinet kijkt naar een onbenutte groep dichtbij huis

Een andere invalshoek zijn de statushouders. Formeel zijn dat geen arbeidsmigranten; ze zijn er immers al. Daardoor vallen ze ook onder een andere minister, namelijk Thierry Aartsen van Werk en Participatie.

Hij kondigde twee dagen na het debat aan de komende vier jaar 75.000 nieuwkomers extra aan het werk te helpen: statushouders en kansrijke asielzoekers die hier mogen blijven. Benut dus het potentieel dat al binnen de Nederlandse grenzen woont.

De cijfers verklaren de urgentie. Van de statushouders die in 2021 een verblijfsvergunning kregen, had na twee jaar slechts 21 procent een baan; pas na meerdere jaren loopt dat op tot 57 procent — nog altijd ver onder het Nederlandse gemiddelde van 81 procent. “Betaald werk moet de standaard worden”, aldus Aartsen, die werk centraal wil stellen in de inburgering: ruimte om naast de lessen vier dagen per week te werken, werken al tijdens de asielfase, snellere erkenning van buitenlandse diploma’s en werkervaring, leerbanen, en voor jongeren tot 27 jaar eventueel een opleiding. Na de zomer volgt een uitwerking van het plan “Werk en meedoen voor nieuwkomers”.

Ook hier schuilt de worsteling in de uitvoering. De belemmeringen die Aartsen wil wegnemen — taal, netwerk, diploma’s, lange wachttijden, veelvuldig verhuizen — zijn precies de redenen waarom deze groep al jaren achterblijft, en werkgevers zijn vaak terughoudend. Het is geen knop om even aan te draaien, maar een meerjarig traject.

De kiezer kijkt anders: pragmatisch, maar met voorwaarden

Dan wat de gemiddelde Nederlander ervan vindt. Niet onbelangrijk. Een paar dagen na het debat (slecht getimed…) komt het CBS vandaag met nieuwe cijfers. Daaruit blijkt dat Nederlanders best genuanceerd over arbeidsmigratie denken — genuanceerder in ieder geval dan de politieke toon doet vermoeden.

Een meerderheid van 68 procent vindt dat Nederland arbeidsmigranten moet toelaten, maar met een maximum aantal. Slechts 12 procent wil er zo weinig mogelijk en 3 procent helemaal geen; 17 procent zou er zelfs onbeperkt toelaten. Optellen levert een opvallend beeld op: ruim acht op de tien accepteren arbeidsmigratie in een of andere vorm. Ruim de helft (56 procent) vindt de komst van arbeidsmigranten zelfs een (heel) goed idee, en driekwart denkt dat arbeidsmigratie personeelstekorten in bepaalde sectoren kan oplossen.

63 procent van de voorstanders vindt dat arbeidsmigranten zowel uit de EU als van daarbuiten mogen komen, en zeven tot acht op de tien zien gediplomeerde arbeidsmigranten als goede oplossing voor de tekorten in de zorg. Sterker nog: zou een ziekenhuis door personeelsgebrek minder patiënten kunnen opnemen, dan kiest 69 procent liever voor een arbeidsmigrant dan voor een zorgrobot (12 procent).

De kiezer wil dus geen gesloten grens, maar grip: een plafond en heldere voorwaarden. En precies die voorwaarden zijn politiek het meest veelzeggend, omdat ze naadloos aansluiten op de dossiers die nu op tafel liggen:

  • Gelijke behandeling. Een grote meerderheid vindt dat arbeidsmigranten bij gelijk werk hetzelfde moeten verdienen (84 procent) en dezelfde arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden moeten hebben (ruim 85 procent). Dat is exact de inzet van de aanpak van misstanden: het toelatingsstelsel voor uitleners (vanaf 2027), de nieuwe toezichthouder en het door Vijlbrief gedreigde uitzendverbod in de vleessector.
  • Geen fiscale voorkeursbehandeling. Een meerderheid (58 procent) vindt dat arbeidsmigranten geen recht zouden moeten hebben op een belastingvoordeel zoals de expatregeling. Dat raakt direct het interruptiedebat tussen ChristenUnie en VVD over de expatregeling en de woningmarkt — en de bredere vraag of Nederland kennismigranten fiscaal moet blijven verleiden.
  • Taal en inburgering. Ruim 90 procent vindt dat arbeidsmigranten Nederlands moeten leren (twee derde het liefst zo snel mogelijk) en 85 procent dat ze zich moeten aanpassen aan de Nederlandse cultuur.
  • Gerichte toelating. Bijna de helft van de voorstanders vindt dat arbeidsmigranten alleen in bepaalde sectoren — met bijvoorbeeld een tekort — zouden mogen werken.

Tegelijk zijn er zorgen die de politiek niet kan negeren: 62 procent denkt dat er door arbeidsmigratie minder woningen beschikbaar zijn voor Nederlanders, en ongeveer een kwart vreest meer overlast en criminaliteit of minder banen. De boodschap van de kiezer is dus niet “houd ze buiten”, maar “laat ze toe, behandel ze fatsoenlijk, en regel de gevolgen”.

De spagaat en de opdracht

De gemiddelde Nederlander zit dus tamelijk pragmatisch in deze discussie. De gestelde vragen, en antwoorden, zijn soms ook een beetje makkelijk. Niemand is voor misstanden, iedereen is voor meer gelijkheid. Behalve dan als je daar iets voor moet inleveren. Zo mag die gemiddelde Nederlander dan schande spreken van de misstanden in de vleessector, de kiloknallers laat hij er niet voor liggen. Noch bestelt hij minder pakketjes. Het is een beetje zoals het BBB-standpunt: fel tegen migratie, ook geen fan van arbeidsmigratie, dus de partij vraagt om maatregelen — zolang de eigen sector er maar geen last van heeft.

Het kabinet begint aan de andere kant: werken aan een andere economische structuur. Maar erg concreet wordt dat nog niet. Al was het maar omdat dat ook pijnlijke keuzes vraagt. Wat te doen met die sectoren die draaien op laagbetaalde arbeid waar geen Nederlander voor te vinden is?

Tekenend is dat op de agenda van het Kamerdebat een stapel rapporten over arbeidsmigratie stond (bijvoorbeeld van de Adviesraad Migratie en het CPB), maar dat een belangrijk deel van het debat ging over misstanden met arbeidsmigranten in de vleessector en de rol van uitzenders daarbij. Het feit dat het kabinet dreigt met een mogelijk sectoraal uitzendverbod was in ieder geval wat de landelijke media oppikten van het debat. Het is brandjesblussen.

Ook andere voornemens van Vijlbrief blijven nog wat versnipperd; het zijn vooral al eerder aangekondigde voornemens en wetten, zoals de kennismigrantenregeling (wil het kabinet behouden, uitwerking na de zomer), de pilot voor internationale vakkrachten (voorstel na de zomer), de start van de Wtta en de komst van toezichthouder NAU (operationeel in 2028), een uitbreiding van de Arbeidsinspectie met 135 fte voor het nieuwe toezicht, en de problematiek van derdelanders.

Voor een meer samenhangend beleid verwijst Vijlbrief naar de uitkomsten van een kabinetsbrede taskforce Toekomst van Welvaart met een talentstrategie. De vraag is wel hoe daarin die langetermijnvisie op een hoogwaardige economie — met lastige keuzes — en de pragmatische houding van de gemiddelde Nederlander bij elkaar te brengen zijn.

Geplaatst in Toekomst van Werk | Tags , | Laat een reactie achter

Waarom geld lenen als je eerst je facturatieproces kunt aanpakken

De misvatting rondom financieren

Bij financieren denkt men vaak alleen aan geld lenen van een bank of andere financiële instelling. Maar financieren is niets anders dan het beschikbaar krijgen van geld om uitgaven te dekken. Dit komt in vele vormen en maten, en is vaak al in een organisatie aanwezig zonder dat ondernemers het door hebben. 

Denk bijvoorbeeld aan een betalingstermijn voor leveranciers, eigen vermogen aanhouden, het leasen van vervoer of machines, rood staan bij de bank, een zakelijke lening, een rekening-courant krediet, een zakelijke hypotheek, factoring, crowdfunding, en zelfs subsidies. 

Vaak wordt bij extra cashbehoefte dus gelijk gekeken naar extern geld, terwijl er in een organisatie vaak nog grote optimalisatieslagen te halen zijn. Er vanuit gaande dat een onderneming op lange termijn winstgevend is en aan haar betalingsverplichtingen kan voldoen (solvabiliteit), kijken we dus naar manieren om op korte termijn genoeg geld in kas te hebben (liquiditeit). 

Facturatie optimaliseren dan pas financieren

Een van de simpelste methoden is facturatieoptimalisatie. Ook al is er een prima betalingstermijn afgesproken met een afnemer, men ziet vaak een gat tussen levering en daadwerkelijke betaling. En dat kan stiekem veel geld schelen. 

Stel, een ondernemer levert van maandag t/m vrijdag uitzendkrachten. Op maandag stuurt zij de urenstaten ter controle naar de opdrachtgever. Woensdag controleert de opdrachtgever de urenstaat en er dienen een aantal correcties uitgevoerd te worden. Donderdag komt de definitieve goedkeuring. De uren moeten nu gefactureerd worden. Die vrijdag gaat de facturatie batch de deur uit, waarna de opdrachtgever de factuur de volgende maandag boekt op 30 dagen. Na 30 dagen is de factuur nog niet betaald, er blijkt iemand met vakantie. Dan, na 7 dagen, gaat de ondernemer toch maar bellen (ze hebben wel meer dingen te doen). De opdrachtgever biedt hun excuses aan en betaalt de factuur op dag 38.

Laten we nu de optelsom maken op de optimale (afgesproken) termijn van 30 dagen:

  • Urenstaat op maandag verstuurd: + 3 dagen
  • Goedkeuring uren: + 3 dagen
  • Facturatie: + 1 dag
  • Inboeken factuur: + 3 dagen
  • Betalingstermijn: + 30 dagen
  • Te late betaling: +8 dagen

Van afronding van werkzaamheden tot geld op de rekening heeft het dus 48 dagen geduurd. Een overschrijding van 60% (18/30*100). Maar we kunnen dit ook uitdrukken in geld. Op een omzet van € 1.000.000, geeft een termijn van 30 dagen een negatieve kasstand van € 1.000.000 / (365/30) = € 82.191. Op een termijn van 48 dagen is dit € 1.000.000 / (365/48) = € 131.579.

Dat is een verschil van € 49.388, ofwel 60%. Met de juiste partners en strakke procedures is financiering soms niet eens nodig. En als deze alsnog nodig is, dan is deze door strakke debiteuren portfolio en lager te financieren bedrag een stuk goedkoper!

Geplaatst in ZP en Ondernemen | Tags | Laat een reactie achter