Wilmar Dik 20 april 2026 2 reacties Print ‘Niet één tarief voor alle zzp’ers, maar sectorale ondergrenzen voor echte duidelijkheid’Het voorstel voor een rechtsvermoeden van werknemerschap lijkt te kunnen rekenen op een Kamermeerderheid. Dat vindt fotograaf en belangenbehartiger Wilmar Dik opvallend, want de wet biedt nog steeds niet de duidelijkheid die werd beloofd. Het debat van 15 april in de Tweede Kamer (Zie Plenair verslag) liet vooral zien hoe matig één generieke grens aansluit op de praktijk van de zzp-markt. De politiek voelt aan dat meer duidelijkheid nodig is, maar kiest mogelijk voor een te grove oplossing. Een rechtsvermoeden kan een werkbaar middel zijn, maar niet met één vast bedrag voor alle verschillende zelfstandigen. Geen duidelijkheid vooraf, wel 50/50 via de rechter Het wetsvoorstel geeft geen echte duidelijkheid vooraf. Ook onder €38 kan nog steeds sprake zijn van echte zelfstandigheid. Het rechtsvermoeden is dus geen harde ondergrens, maar vooral een civielrechtelijk aanknopingspunt. De zzp’er moet nog steeds zelf in actie komen en zo nodig naar de rechter stappen. En het is ook zeker niet het geval dat dan zomaar een arbeidsovereenkomst via de rechter verkregen kan worden. Die kans is fifty-fifty, zie ook deze afbeelding (bijgehouden door Ruud Schepers, arbeidsrecht advocaat): Ergin stelde de juiste vraag Kamerlid Dogukan Ergin (DENK) legde de kern van het probleem beter bloot dan de minister: “Ik las in een aantal columns bijvoorbeeld het idee van een sectoraal minimumtarief. Zou de minister daar een keertje naar kunnen kijken? Misschien kan het interessant zijn voor de Zelfstandigenwet of juist voor de doorontwikkeling van dit wetsvoorstel. Want het stopt zeker niet bij dit wetsvoorstel, als het gaat om de uitdagingen en de wijzigingen die we in wetten moeten doorvoeren. Zou de minister kunnen kijken naar sectorale minimumtarieven? Dan bieden we vooraf duidelijkheid en kan de zelfstandige zich daarna focussen op zijn of haar werk.” Hij vroeg dus niet alleen of sectorale minimumtarieven verkend kunnen worden, maar koppelde dat ook direct aan het echte doel: vooraf duidelijkheid geven, zodat een zelfstandige zich daarna gewoon op zijn of haar werk kan richten. Precies dat ontbreekt er momenteel. Lees ook: ‘Meer regels voor zzp’ers, maar het echte probleem blijft liggen’ Minister Aartsen verwijst onterecht naar Koolmees Het antwoord van minister Aartsen op Ergin was kort en deels onjuist: “De heer Ergin vroeg mij nog of we aan de voorkant hebben gekeken of we dit tarief niet kunnen gebruiken voor wetgeving en of we niet iets met minimumtarieven of sectorale tarieven kunnen doen. Het antwoord daarop is nee. Ik zeg het nogmaals: dat is al eerder gedaan door mijn voorganger Koolmees. Het is vooral belangrijk dat we op een goede manier die kwalificatie vormgeven. Dat doen we in de Zelfstandigenwet.” Ergin vroeg de minister niet om te kijken naar ‘iets met minimumtarieven’. De vraag was heel duidelijk: “Zou de minister kunnen kijken naar sectorale minimumtarieven?” Minister Koolmees heeft nooit gewerkt aan een voorstel voor verplichte sectorale minimumtarieven. Onder Koolmees lag geen uitgewerkt stelsel van verschillende verplichte minimumtarieven per sector op tafel. Hij koos voor een generiek minimumtarief van €16 per uur. Dat tarief zou gelden voor alle zelfstandigen aan de onderkant van de markt, zonder criteria als sector, duur van de opdracht of type werk. Een generieke ondergrens van €16 was en is veel te laag, grof en hield geen rekening met marktverschillen. Dat zo’n uniforme bodem geen goede oplossing is, daar ben ik het mee eens. Maar verplichte sectorale minimumtarieven op basis van schijven is iets heel anders, en voor zover ik weet is daar nooit serieus naar gekeken. Ook de tegenwerping dat sectorale tarieven nieuwe uitvoeringsvragen oproepen, bijvoorbeeld bij wisselen van sector, vind ik een zwakke reden om er niet naar te kijken. Als de economische realiteit wezenlijk verschilt per sector, dan is het logisch dat ook de ondergrens verschilt. Dat een vergoeding verandert als iemand van werk, functie of sector wisselt, is heel normaal. Lees ook: Marktwerking: waarom het in sommige sectoren hapert voor zzp’ers De Raad van State was al kritisch De Raad van State gaf advies over de uitgebreidere versie van het wetsvoorstel: dus over de combinatie van het verduidelijken van de arbeidsrelatie en het invoeren van een rechtsvermoeden. Wie het advies leest, ziet dat ook daar weinig steun uit spreekt voor de gedachte dat dit wetsvoorstel de kern van het probleem oplost. De Afdeling advisering schrijft dat het voorstel naar verwachting slechts beperkt bijdraagt aan het oplossen van de knelpunten, onder meer omdat het vooral het bestaande recht vastlegt en de onderliggende problematiek niet wegneemt. Het debat blijft te veel hangen in de juridische vraag of iemand werknemer is, terwijl de echte problemen aan de onderkant vaak zitten in lage tarieven, zwakke onderhandelingsposities, weinig declarabele uren en markten waarin opdrachtgevers veel sterker staan dan zelfstandigen. Daarnaast zegt de Raad van State dat het wetsvoorstel de problematiek van kwetsbare werkenden in de kern niet oplost. Dat is veelzeggend, juist omdat het rechtsvermoeden wordt gepresenteerd als bescherming voor die groep. Maar de werkende moet nog steeds zelf de stap zetten en blijft afhankelijk van een rechterlijke beoordeling achteraf. De zekerheid zit hem nu vooral in het feit dat je als zzp’er naar de rechter mág stappen. Dat doe je alleen als je goed tegen stress en slapeloze nachten kunt en een redelijke financiële buffer hebt. Juist dat ontbreekt aan de onderkant van de markt nogal eens. Ceulemans zag terecht dat dit wetsvoorstel weinig oplost De bijdrage van Simon Ceulemans (JA21) maakte duidelijk dat het voorstel veel minder oplost dan wordt voorgespiegeld. Het ligt in uitgeklede vorm voor en geeft niet de voorafgaande duidelijkheid waar de markt om vraagt. Ceulemans wees er terecht op dat het instrument alleen werkt als een zzp’er zelf naar de rechter stapt, terwijl juist de groep die beschermd moet worden die stap vaak niet zal zetten. De onzekerheid verdwijnt dus niet, maar wordt verplaatst. Meer regels helpen weinig zolang de echte duidelijkheid pas achteraf ontstaat. Flach liet zien hoe kunstmatig één grens is De discussie met André Flach (SGP) over jongeren maakte een ander zwak punt zichtbaar. Zodra je één vaste grens kiest, ontstaan meteen uitzonderingsvragen. Jongeren, kleine opdrachten, kortdurende klussen en platformwerk: allemaal situaties waarin de hoofdregel begint te wringen. Flach verdedigde de ruimte voor jongeren om flexibel als zzp’er te werken, terwijl hij tegelijk erkende dat er ook constructies zijn waarbij jongeren misschien niet echt zzp’er zijn. De vraag moet dan niet zijn of jongeren nog kleine opdrachten als zzp’er kunnen doen, maar of er feitelijk sprake is van echte zelfstandigheid of van werk dat gewoon in loondienst thuishoort. Uitzonderingen maken het makkelijker om regulier werk toch als zzp-opdracht weg te zetten. Daarmee vergroot je juist de ruimte voor schijnzelfstandigheid. Als iemand op jonge leeftijd echt als zelfstandige ondernemer werkt, kan dat nog steeds. Maar leeftijd op zichzelf is geen reden om een achterdeur open te zetten voor constructies die voor opdrachtgevers vooral makkelijker, handiger of goedkoper zijn. Naar mijn idee is dus niet een extra uitzondering de beste oplossing, maar een systeem dat beter aansluit op de werkelijkheid van verschillende soorten werk en verschillende markten. Haast is geen vervanging voor goede wetgeving Opvallend was de nadruk van de minister op snelheid. Dit wetsvoorstel moet voor 31 augustus 2026 in het Staatsblad staan. Is snelheid belangrijker dan kwaliteit? Een rechtsvermoeden dat geen duidelijke ondergrens geeft, niet publiekrechtelijk handhaafbaar is en in de praktijk afhankelijk blijft van een civiele procedure, biedt weinig rust op de arbeidsmarkt en weinig bescherming aan zzp’ers aan de onderkant. Lees ook: ‘Sectorale minimumtarieven voor zzp’ers kunnen schijnzelfstandigheid oplossen’ Europese tegoeden Tijdens corona werden zzp’ers via de Tozo aangevuld tot het sociaal minimum, terwijl werknemers via de NOW vaak het grootste deel van hun loon behielden. Veel zzp’ers waren daar niet blij mee. Tegen die achtergrond voelt het niet goed dat er nu ook druk op dit dossier lijkt te zitten door de Europese tegoeden uit de Herstel- en Veerkrachtfaciliteit. Nederland kan nog €2,9 miljard krijgen, maar daarvoor moeten de afgesproken hervormingen vóór augustus 2026 zijn gehaald. Dat geld gaat vooral naar klimaat, digitalisering en publieke investeringen. Prima, maar dan is het wel zuur dat zzp’ers opnieuw te maken krijgen met haastige en matige wetgeving, terwijl zij eerder al relatief weinig steun kregen in vergelijking met bedrijven en mensen in loondienst. Wat beter werkt Sectorale minimumtarieven sluiten veel beter aan op de realiteit van de zzp-markt. Zeker als je die verplicht maakt op een manier die vergelijkbaar is met loondienst. Ze erkennen dat beroepen en sectoren verschillen in declarabele uren, kostenstructuur en onderhandelingspositie. Daarmee zijn ze veel geschikter om daar waar marktwerking structureel tekort schiet duidelijke ondergrenzen te bieden. Bovendien hoef je niet in alle markten te beginnen met het bepalen van eerlijke minimumtarieven. Freelance advocaten of IT-professionals weten hun tarieven meestal prima te bepalen. Verschuif wetgeving daarom van een rechtsvermoeden achteraf naar een concreter kader vooraf. Dat maakt handhaving logischer en eenvoudiger. En het voorkomt dat een zelfstandige aan de onderkant van de markt eerst zelf naar de rechter moet stappen om überhaupt kans te maken op bescherming. Wie echt rust en duidelijkheid wil voor zelfstandigen en opdrachtgevers, moet stoppen met denken in één bedrag voor iedereen. De zzp-markt is daarvoor te divers. Verplichte sectorale minimumtarieven sluiten veel beter aan op de praktijk en bieden meer kans op iets waar nu juist nog steeds een tekort aan is: duidelijke spelregels vooraf. Lees ook: Eerlijke minimumtarieven voor zelfstandigen met schijven per beroep minimumtarief zzp, schijnzelfstandigheid, zzp Print Over de auteur Over Wilmar Dik Wilmar Dik is fotograaf, cameraman en actief pleitbezorger voor de positie van zelfstandigen in Nederland. Sinds 2008 werkt hij als zelfstandig professional en combineert hij zijn praktijkervaring met publicaties over ondernemerschap, marktwerking, tariefvorming, fotografie, marketing en duurzame verdienmodellen voor zzp’ers. Hij schrijft regelmatig over werken als zelfstandige en over de economische realiteit achter het ondernemerschap. Vanuit die betrokkenheid zet hij zich actief in voor realistische en uitvoerbare oplossingen die bijdragen aan een economisch houdbare positie van zelfstandigen. Bij de NVJ is hij vertegenwoordiger in het beleidsteam Werkvoorwaarden namens de ledengroep NVF/Beeldmakers. Daarnaast is hij als zelfstandig specialist betrokken bij de Ketentafel Fotografie (fairPACCT). Bekijk alle berichten van Wilmar Dik
Minimumtarieven per sector maakt de uitvoering in de praktijk heel moeilijk. ZZP-ers laten zich lang niet altijd in een sector vangen. Ze nemen niet altijd opdrachten aan die in precies dezelfde sector vallen. In de loop van de jaren kunnen ze zich ook op nieuwe sectoren richten. En in welke sector deel je iemand die zingt in concerten en af en toe invalt om muziekles te geven op een school? Beantwoorden
Beste Barend, Dat argument hoor ik vaker, dus bedankt voor de vraag. Je deelt niemand in, in een sector. Die zzp-er factureert zelf minimaal de berekende ondergrens voor een specifieke sector. Ook in loondienst verdient niet iedereen steeds hetzelfde. Wie van branche of cao wisselt, krijgt vaak ook een andere beloning. Dat is heel normaal. Tarief- en loonafspraken per sector of functie zijn in Nederland al op grote schaal georganiseerd. In veel cao’s bestaan verschillende schalen, functiegroepen en ondergrenzen. Waarom zou dat voor zelfstandigen dan heel moeilijk zijn? Het kost wel tijd om dit goed te organiseren en beroepsorganisaties kunnen daar ook een rol in spelen. Mijn idee ( https://www.zipconomy.nl/2026/02/eerlijke-minimumtarieven-voor-zelfstandigen-met-schijven-per-beroep/) gaat bovendien niet uit van voor elke sector automatisch een andere ondergrens. Ik pleit alleen voor een andere ondergrens als de gemiddelde declarabele uren en kosten in een sector verschillen. Als die verschillen beperkt zijn, hoeft ook de ondergrens niet anders te zijn, want dan kunnen dergelijke beroepen in eenzelfde schaal vallen. Bij gemengde beroepspraktijken kun je bovendien gewoon kijken naar het type opdracht dat wordt uitgevoerd. Iemand die vooral concerten doet en af en toe muziekles geeft, hoeft dus niet in één hokje te passen. Dat is in de praktijk echt niet onoverkomelijk. Het alternatief, één vast bedrag voor alle zzp’ers, doet juist alsof al die verschillen er niet zijn. Beantwoorden