Maandelijkse archieven: mei 2017

Wat zijn de voors en tegens van een algemeen minimumtarief voor zelfstandigen?

Gratis twee weken inwerken bij Rijkswaterstaat. Bezorgdienst Deliveroo die van koeriers ondernemers maakt om zo de loonkosten te drukken. De SER die de lage tarieven in de culturele sector aan de kaak stelt. Een groeiend aantal zelfstandigen dat moet aankloppen voor bijzondere bijstand. Zzp-organisaties die gedwongen zelfstandigen de kans willen geven om in de WW in te stromen. Een uitzending op BNR over of flexwerkers hetzelfde moeten verdienen als vaste krachten.  En een oproep voor strengere controle op flextarieven, plus een ‘fair play’-houding van opdrachtgevers.

Allemaal berichten waarin het direct of indirect gaat over wat een redelijk tarief is voor geleverd werk. Moeten (gedwongen) zelfstandigen de vrijheid hebben om hun eigen tarief vast te stellen, ook al leidt dat mogelijk tot een race-to-the-bottom? Of zou een wettelijk minimumtarief het verschil kunnen maken?

Lastig politiek dossier

De Tweede Kamer praat volgende maand weer eens over de Wet DBA. Op de agenda staat dan waarschijnlijk ook weer de suggestie van de commissie Boot om het tarief een rol te laten spelen in de beoordeling of iemand nu wel of niet als zelfstandig ondernemer ingehuurd kan worden.

Voor flexwerkers die werken via een of andere vorm van arbeidsovereenkomst – al dan niet via een bureau – geldt een wettelijke regeling: zij mogen nooit minder verdienen dan iemand die het vergelijkbare werk doet in loondienst. Voor zelfstandigen ontbreken zulke regels echter helemaal. Het gebrek aan dergelijke regels leidt volgens sommigen tot ongewenste wildwestpraktijken. Anderen vinden zulke regels juist per definitie strijdig met het vrije ondernemerschap.

Wel of geen regels omtrent het tarief? Weinig zzp-dossiers roepen zoveel emoties op, weinig zijn er ook lastiger dan ze op het eerste gezicht misschien lijken. Het is dan ook een dossier waar zelfs in de politiek maar weinig uitgesproken meningen over zijn. Terwijl partijen van links tot rechts zich wel zorgen maken over zelfstandigen met (zeer) lage inkomens. We kunnen er dan ook vanuit gaan dat het een onderwerp is dat in de formatie ook ter sprake zal komen.

Wel of geen algemeen minimumtarief?

Er is een wettelijk minimumloon. Er is dus ook een wettelijk minimumloon voor flexwerkers (in loondienst). Dus waarom dan niet ook een algemeen wettelijk minimumtarief voor zelfstandigen? Om te beginnen maar eens wat argumenten op een rij die voor- en tegenstanders gebruiken in het debat hierover.

Voor een minimumtarief

  • Kiezen tussen een werknemer en zelfstandige moet gaan om kwaliteit, niet om prijs. Dat kun je (deels) afdwingen door met een minimumtarief te werken.
  • Met een minimumtarief voorkom je oneigenlijke concurrentie tussen zelfstandigen en werknemers.
  • In sommige sectoren is er sprake van uitbuiting, dat moet je bestrijden. Tariefgrenzen kunnen daarbij helpen.
  • Een gezond minimumtarief is goed voor een sterk imago van de zzp-markt.

Tegen een minimumtarief

  • Een ondernemer hoort optimale vrijheid te hebben om zijn eigen prijzen te kunnen bepalen.
  • Zelfstandigen werken vaak ook in andere vormen dan ‘uurtje-factuurtje’, dus zo’n regeling is in de praktijk onuitvoerbaar.minimum tarief zzp
  • Bij een minimumtarief bestaat het gevaar dat dit tarief de norm wordt en er nooit méér betaald wordt.
  • Tariefafspraken in cao’s geven vakbonden de macht over zzp’ers. Dat is niet goed voor demarktpositie van die zzp’ers.


Onder zzp’ers zelf blijken de voor- en tegenstanders overigens redelijk verdeeld. In ons ZZPKieskompas is 47% van alle deelnemers (meer dan tienduizend) het eens met de stelling dat er een minimum uurtarief moet komen, 39% is daar tegen.

Is het tarief wel het echte probleem?

Interessant is de vraag hoe groot het maatschappelijke probleem nu eigenlijk is. Dat is nog niet zo makkelijk te bepalen. Goede cijfers over wat zelfstandigen nu verdienen, per jaar of per uur, zijn er eigenlijk niet.

Kijk je naar CBS-cijfers dan is wel duidelijk dat er behoorlijk wat zelfstandigen zijn – ook fulltimers – met heel beperkte jaarinkomens. Maar wat het CBS niet weet is of het tarief hier doorslaggevend is of het aantal declarabele uren dat iemand weet te maken. Dat is nogal een verschil. Wat bepaalt het beperkte verdienvermogen van een zelfstandige: zijn uurtarief of het aantal declarabele uren?  

De culturele sector is bijvoorbeeld een sector waarin met name veel zelfstandigen actief zijn met (te) lage inkomens en relatief veel gedwongen zelfstandigen. Zonder daar nu heel scherp de vinger op te leggen, maakt een SER-rapport over de arbeidsmarkt in de culturele sector wel duidelijk dat voor zelfstandigen in die sector het probleem vooral de hoeveelheid werk is en het feit dat het werk heel versnipperd is. Dat lijkt een groter probleem dan het (ook) lage tarief.  Als ze werk vinden, is het helemaal niet eens zo slecht betaald, zo blijkt.

150% van het uurloon, werkt dat?

Een andere bron van informatie is Loonwijzer. Die website brengt vooral salarissen in kaart, maar ook tarieven van zelfstandigen. Althans voor een aantal beroepen.  

Als norm voor een minimumtarief wordt regelmatig het getal van 150% van een uurloon genoemd. (Waarbij je natuurlijk je kunt afvragen of 150% van een gebruikelijk uurloon voldoende fatsoenlijk is of voldoende om een gezonde onderneming te draaien, met name in de onderkant van het ‘tariefgebouw’. Maar dat is een andere discussie.)

Als we kijken naar de cijfers van Loonwijzer, valt op dat alleen bij enkele laaggeschoolde functies het zzp-tarief onder die 150%-norm komt.  Waarbij opgemerkt dat de groei van het aantal zelfstandigen de afgelopen jaren met name in de groep hoger opgeleiden te vinden is.

Wat de Loonwijzer niet laat zien zijn de excessen. De incidentele gevallen waar er (soms fors) onder deze tarieven betaald wordt. Excessen waar de overheid momenteel weinig aan kan doen.

Veel zelfstandigen hebben geen uurtarief

Tot nu toe spreken we steeds over ‘uurtarief’. Maar voor veel zelfstandigen is die term helemaal niet van toepassing. Zij rekenen bijvoorbeeld af op te leveren producten, of hebben diensten met een fixed fee of een ander verdienmodel dat helemaal niet gebaseerd is op de simpele rekensom: uren maal tarief.  Daar zit ook het ‘ondernemerschap’: je biedt de klant een resultaat aan, hoe jij als ondernemer dat resultaat behaalt, is in principe jouw verantwoordelijkheid.

Een generiek beleid rond een ‘minimumtarief’ is in de praktijk dan ook onuitvoerbaar. Dat maakt dat de discussie (of oplossing) over dit tarief zich wel zal toespitsen op de situatie waarin een opdrachtgever een zelfstandige inhuurt. Die discussie zal in twee varianten ontstaan, al dan niet in combinatie met elkaar: een sectorale benadering en een benadering rondom de Wet DBA.

Sectorale aanpak

minimum tarief zzpIn het ZZPkieskompas van ZiPconomy zat de stelling: “In kwetsbare sectoren moeten zzp’ers de gelegenheid hebben om collectief over hun tarief te onderhandelen”. Dit naar aanleiding van een voorstel van voormalig PvdA Kamerlid Mei Li Vos.

Bijna alle politieke partijen gaven aan het hiermee eens te zijn. Alleen de VVD staat hier ‘neutraal’ in.

Van alle zelfstandigen die het kompas invulden is iets mee dan de helft het eens met die stelling, 29% is het oneens.  

Om collectief onderhandelen binnen een sector mogelijk te maken is overigens een aanpassing van wetgeving nodig.   

Tarief en de Wet DBA

Begin juni komt de Wet DBA weer aan bod in het Tweede Kamer. Waarschijnlijk staat dat ook een (nog niet publiek) rapport op de agenda die een ambtelijke commissie heeft gemaakt over hoe nu verder te gaan met de Wet DBA.

In zowel dat rapport als het debat zal ook de discussie over het minimumtarief wel weer oplaaien. De commissie Boot heeft namelijk voorgesteld om het tarief als een van drie indicatoren te nemen om te bepalen of de relatie opdrachtnemer-opdrachtgever een (verkapt) dienstverband is of niet. De andere twee indicatoren zijn ‘duur opdracht’ en ‘aard werkzaamheden’. Als bóven een bepaald tarief betaald wordt, dat is dat volgens Boot een indicatie dat er dan wel sprake moet zijn van ondernemerschap en geen (gedwongen) schijnconstructie.

Met name VNO-NCW is hier fel tegen, met name omdat staatssecretaris Wiebes (in een nooit publiek gemaakt voorstel) daarbij schijnt te denken aan een norm van 75 euro per uur. Boot zelf denkt overigens aan een norm van 1,5 keer het cao-loon.  Binnen de politiek is er nog veel twijfel of dit nu een goede uitweg uit het dilemma is.  Maar het is dus zeker denkbaar dat via de vernieuwde Wet DBA er toch een soort van ‘de facto tariefsgrens’ komt.

Tarief: kwestie van fatsoen

Moet de overheid nu wel of niet ingrijpen in tarieven voor zelfstandigen? Dat is en blijft een lastig vraagstuk. Opdrachtgevers zitten in de regel niet te wachten op meer regels. De simpelste manier om overheidsingrijpen te vermijden is dan ook om zelf op een verantwoordelijke manier om te gaan met tarieven. Niet: zzp’ers inhuren omdat ze goedkoper zijn, maar: zzp’ers inhuren vanwege hun expertise en flexibiliteit. En ze daarvoor fatsoenlijk betalen.

In die zin zou het goed zijn als een werkgeversorganisatie als VNO-NCW eens iets meer kleur bekent in deze discussie en loskomt van het standaardriedeltje dat een tarief iets is dat de zzp’er altijd zelf moet bepalen. 

BNR besteedde in het programma BNR Werkverkenners ook aandacht aan dit thema. 

Geplaatst in ZP en Ondernemen, ZP en Politiek | Tags , | 5s Reacties

“U komt er zelf wel uit”. De belevenissen van een interimmanager. (Boekinterview)

Ervaringen van een interimmanager’, luidt de ondertitel van het boek van Siebe Sonnema. Maar gaat het in U komt er zelf wel uit nou over het vak of over de vent? Het een krijgen we niet zonder het ander, zo veel is zeker. ‘Je moet meerdere leiderschapsstijlen kunnen toepassen – zonder dat je jezelf hoeft te forceren, want daar prikken mensen meteen doorheen.’

Het interim-management heeft de afgelopen decennia enorme vlucht genomen, niet alleen in Nederland maar ook in omringende landen. Er vallen de meest uiteenlopende bezigheden onder. Wat ziet u als de essentie van het vak?

Zoals Mintzberg het uitdrukt: je probeert de zaken voor elkaar te krijgen die voorliggen en waarvoor je bent uitgenodigd, in een bepaald tijdsbestek. Dat is wat iedere manager in principe doet. Maar is een aantal belangrijke verschillen. Een: dat tijdsbestek is altijd kort en vaak te kort. Er is achterstallig onderhoud, de zaak loopt uit de hand, dus er is geen tijd om op een normale manier de zaken weer in het gareel te krijgen. Twee: je zit eigenlijk altijd in een situatie waarbij je door de ene groep niet wordt gewaardeerd en door de andere groep juist wordt gezien als de verlosser. En drie: je hebt altijd de hete adem van de banken in je nek. Die hebben in Nederland een oppermachtige positie en die gebruiken ze om hun belang als financier te laten prevaleren boven de belangen van de aandeelhouders en van het personeel.

Op uw website stelt u zichzelf voor als specialist in ‘recovery’. Wat moeten we ons daarbij voorstellen?

Zo lang er nog licht is aan de het eind van de tunnel, probeer je een onderneming weer op de rails te krijgen. Dat heet ‘restructuring’. Denk aan wat er nu bij TMG gebeurt. Dat bedrijf is verwaarloosd, daar moet echt wat aan gebeuren, maar de aandeelhouders kunnen het niet eens worden over hoe of wat. Daar zit nu een interimmanager op en die moet een aantal maatregelen nemen, uiteindelijk in opdracht van de bank die zijn zekerheden wil veiligstellen. Dus dat betekent kostenreductie, activiteiten afstoten die niet meer passen, de rentabiliteit weer opkrikken. Hopelijk lukt dat. Als het niet lukt om de onderneming als geheel weer op de been te krijgen, trekken de banken de stekker eruit en wordt er gekeken of er misschien bedrijfsonderdelen tussen zitten die onder een andere eigenaar een tweede leven kunnen krijgen. Dan praat je over ‘recovery’.

Het mooiste voorbeeld is Kroymans. Dat liep uiteindelijk vast met de autoverkoop en de leaseactiviteiten, maar er zaten ook acht florerende of potentieel florerende ondernemingen in. Als interimmanager kijk je samen met de curator hoe dat zit en dan ga je die levensvatbare activiteiten losmaken van het geheel – waar ze natuurlijk op allerlei manier mee verweven zijn. Die worden er dan uitgesneden, die worden een tijdje vertroeteld en uiteindelijk doorverkocht. Dat doe je zo clean mogelijk, maar voor de ondernemer die moet meemaken dat zijn bedrijf zo wordt opgedeeld, is het de hel.

U heeft al vroeg in uw carrière gekozen voor dat vak. Met welke verwachtingen deed u dat?

Ik ben een kind van de jaren zestig en toen dachten we allemaal dat het leven maakbaar was. Nou, dat was het dus niet. Ik zit nu in Amsterdam, aan de De Lairessestraat, en als ik over de schutting kijk zie ik vier tuinen verder het pand waar ik ooit ben begonnen bij wat toen Bosboom Hegener heette [via een reeks van fusies opgegaan in KPMG – red].

Historisch gezien ben ik dus in al die jaren hooguit honderd meter opgeschoten, maar ik heb in de tussentijd de wereld gezien. Dat was een van mijn grote ambities. Dan kun je bij een Shell gaan werken en tien jaar Bahrein doen, tien jaar Dubai, tien jaar Singapore en dan vervroegd met pensioen. Schitterend, maar ik wist al van tevoren dat mij dat niet ging lukken, dat ik dat niet wilde. Wat ik wel graag wilde – en dat komt steeds meer naar voren in je latere leven – was bezig zijn met organisaties waar iets moest gebeuren. Er moet verandering zijn, en dan niet alleen in negatieve zin.

Ik heb in mijn boek het voorbeeld opgenomen van een man die ik tijdens een zeilwedstrijd had ontmoet en met wie ik vijf jaar lang bezig ben geweest om zijn bedrijf te verveelvoudigen. Dat beantwoordde heel sterk aan mijn ambities. Ik was een tropenjongen die pas op z’n achttiende van Curaçao naar Nederland kwam, ik wilde in ieder geval internationaal, ik wilde bezig zijn met een groep mensen die aan het ondernemen waren, ik wilde nieuwe zaken uitproberen, en kijken of het werkte. Dat was mijn primaire ambitie.

Over die case schrijft u uitgebreid in uw boek. Die meneer Koot komt daaruit naar voren als een echte ondernemer en zijn MCi als een fantastisch bedrijf. Wat kun je daar nou als interimmanager nog aan toevoegen?

Zijn uitdaging was dat hij zijn Europese klanten moest blijven bedienen en tegelijkertijd Noord-Amerika moest veroveren. Dan ben je iemands handen, voeten en ogen. Werkt dat en win je daarmee het vertrouwen van je principaal, dan ga je hem ook uitdagen. Ik pakte er Porter bij en Mintzberg en zei bijvoorbeeld: ‘We zitten met een mono-product in een mono-markt op een mono-continent. We moeten er wel een aantal dingen onder zetten, want op een moment in de tijd is het succes voorbij en dan hebben we geen productlijn die dat kan vervangen.’ Daar heeft hij van mij geleerd, denk ik.

Je moet ertegen kunnen dat je op een bepaald moment van een asset een liability begint te worden.

Een interimmanager moet natuurlijk over de nodige kennis en vaardigheden beschikken, maar ik krijg de indruk dat persoonlijkheid ook een heel belangrijke factor is. Klopt dat?

Je moet iemand hebben die dynamisch is, iemand die levenskracht uitstraalt. Niet in de zin van een blije eikel – bewaar me – maar iemand die harde maatregelen kan nemen met respect en integriteit. Met begrip voor mensen die zich beschadigd voelen door jouw ingrijpen maar ook in het besef dat het bedrijf en de mensen in dat bedrijf verder moeten. En Dat je dan een kordaat mens tegenover je krijgt die zegt: ‘U bent hier klaar, nu gaan wij weer alleen verder, in de richting die wij hebben gekozen.’

Is dat dan meteen ook een karakteristiek van Siebe Sonnema?

Ik kan de persoonskenmerken die ik van mijn geliefde ouders heb meegekregen niet ontkennen. Wij zijn, onder een grote generale noemer, heel flexibel. Interimmanagers zijn kameleons, dat is meteen ook een van de grootste verwijten die we krijgen. Dankzij Mintzberg weten we dat managers, zonder dat ze het door hebben, allerlei rollen spelen. Het is heel wat anders wanneer je een ondernemingsraad moet meekrijgen dan dat je op een gegeven moment tegen een bank zegt: ‘Zo gaan we het doen.’ Ook als interimmanager moet je meerdere leiderschapsstijlen kunnen toepassen – zonder dat je jezelf hoeft te forceren, want daar prikken mensen meteen doorheen.

Je moet in dit vak kunnen accepteren dat je ineens van een halleluja-moment zum Tode betrübt kunt zijn.

Uw boek bevat veel persoonlijke elementen: uw jeugd op Curaçao, uw studententijd in Groningen, een huwelijk langs dat op de klippen liep, een nieuw begin…. Hoe hebben die ervaringen uw carrière beïnvloed?

Er is bij mij onmiskenbaar een aantal kritieke momenten geweest. Zoals in elk mensenleven. Misschien zijn die bij mij wat harder aangekomen dan bij anderen, dat ik als ignorante eilander iets gevoeliger was voor de grote dingen die op me afkwamen. De relatie met mijn vader die me veel vertrouwen schonk en me geweldige kansen gaf, de wereld die voor me openging toen ik in Nederland belandde, dat ik na twintig jaar mijn kinderen en mijn vrouw verliet… Uiteindelijk komt dat dan allemaal wel weer goed, maar daar ben ik niet trots op.

Je moet in dit vak kunnen accepteren dat je ineens van een halleluja-moment zum Tode betrübt kunt zijn. Net zoals je moet kunnen accepteren dat je een periode op de toppen van je kunnen draait in een aspect van het vak en dat je daar vervolgens een tijdlang niks meer mee doet. Je komt in situaties terecht die je onprettig vindt of waarvan je denkt: ‘Dat heb ik allemaal al eens een keer eerder meegemaakt.’ Dan kun je wel gaan zitten willen dat het anders was, maar het is wel jouw klant dus je maakt er een feest van. Dat is iets wat je leert in de loop van je leven.

Ja, dat zou mijn afsluitende vraag zijn geweest, maar als we het er nu over hebben, wat is die afsluitende missie?

Ik ben niet iemand om hier de hele dag naar de bloeiende prunus gaan zitten kijken, hoe prachtig die ook is. Voor sommige van mijn vrienden werkt dat perfect, maar ik kan het niet. Dus ik heb voor mijzelf een ambitieplan van vijf jaar, met dingen waar ik vroeger nooit op zou zijn gekomen maar die ik nu graag nog wil doen. Ik ben geen geboren didacticus, maar ik vind het wel leuk om met studenten te sparren over een case. Zij vanuit hun actuele kennis, ik vanuit mijn levenservaring. Dat doe ik af en toe bij Bedrijfskunde in Rotterdam, als een soort wederdienst aan mijn alma mater.

Daarnaast ben ik sinds kort bestuurslid bij het Nederlands Centrum van Directeuren en Commissarissen, waar ik met een aantal van mijns gelijken de portefeuille corporate governance heb mogen aanpakken. En business wise draai ik nog steeds een aantal commissariaten. Als het aan mij ligt blijf ik dat ook doen. Het enige is wel dat je voor jezelf kritisch moet blijven, of je nog scherp bent en weerwoord kunt leveren. Mooie uitdagingen, waar je oud voor moet worden om ze aan te kunnen maar waar je op een gegeven moment ook weer te oud voor bent.

boek interim-management

 

Het boek U komt er zelf wel uit. Ervaringen van een interimmanager van Siebe Sonnema kost € 24,50 en is o.a. hier te bestellen.

Geplaatst in ZP en Ondernemen | Tags , | Laat een reactie achter

Heet hangijzer: flexkrachten en vaste krachten moeten evenveel verdienen

Mag ik gif in het riool lozen? Mag ik mijn medewerker slaan? Mag ik 130 waar de maximale snelheid 60 is? Antwoorden op deze vragen geef je automatisch. Zo is het antwoord op de vraag: Moet een flexwerker in loondienst evenveel verdienen als een vaste kracht? Ja! Dat is namelijk gewoon de wet. Tijdens de uitzending van BNR Werkverkenners van 2 mei 2017 stelde Rens de Jong mij deze vraag.

Hoewel de wet glashelder is, is dit een heet hangijzer. Toegegeven; salarissystematiek is complexe materie en een fout is snel gemaakt. Maar het is en blijft wel de wet om mensen te betalen wat hen toekomt. Helaas wordt de wet vaak niet nageleefd en er wordt niet gehandhaafd.

Bewuste en onbewuste fouten

Het is net als met voetbal: als een bal over de doellijn is, is het een doelpunt. Dat vinden we allemaal logisch. Alleen of een bal daadwerkelijk over de doellijn is gegaan, daarover kun je dan nog een discussie opstarten.

Veel detacheringsbureau’s  hebben moeite met het vaststellen van het juiste loon.

Dezelfde situatie is aan de hand als we kijken naar de verdiensten van flexkrachten in loondienst. In Nederland hebben we een heldere wet (Wet Waadi Artikel 8) die stelt dat flexkrachten in loondienst recht hebben op de zogenaamde inlenersbeloning. Dat betekent dat uitzendkrachten en gedetacheerden in loondienst dezelfde beloning moeten krijgen als werknemers in vaste dienst die hetzelfde werk doen. In de ABU-CAO en de NBBU-CAO is dit heel scherp vastgelegd, het gaat om het basissalaris inclusief toeslagen voor bijvoorbeeld overwerk of onregelmatigheid, adv/atv, onkostenvergoedingen en loonsverhogingen. Alleen –net zoals bij voetbal- is een fout snel gemaakt. Als flexspecialist zien we dat er nog veel onduidelijkheid heerst en onnauwkeurig wordt gewerkt op salarisadministraties.

Veel detacheringsbureau’s  hebben moeite met het vaststellen van het juiste loon en de juiste arbeidstijdsverkortingseisen die uitzenden en detachering met zich meebrengt. Regelmatig maken we mee dat een flexwerker bijvoorbeeld minder vrije dagen heeft dan een medewerker in loondienst van de klant en dat die extra gewerkte dagen niet worden gecompenseerd. Vaak worden dat soort foutjes onbewust gemaakt. De meeste opdrachtgevers of uitzendbureaus die zich bewust worden van deze fouten, herstellen die meteen.

Eerlijk spel voor iedereen

Ernstiger wordt het in situaties waarbij bijvoorbeeld een detacheringsbureau een flexwerker uitleent aan een opdrachtgever en wel het beloningsbedrag ontvangt van de opdrachtgever maar dit bij lange na niet uitbetaalt aan de flexwerker, ook niet als het bureau hierop aangesproken wordt. Dat is wettelijk gewoon verboden. Net zoiets als door een rood stoplicht rijden. Het probleem is dat de wetgeving glashelder is, maar de materie ingewikkeld. In mijn ogen is het gewoon je plicht als werkgever of opdrachtgever om inleners te betalen volgens de wet. Helaas schiet handhaving enorm tekort.

Betere controle leidt tot een eerlijk spel voor iedereen.

Bij de KNVB worden er uitstekende pogingen gedaan om ervoor te zorgen dat er geen discussie meer kan ontstaan over of een doelpunt nu wel of niet daadwerkelijk is gemaakt. Dankzij nieuwe doellijntechnologie. Hierbij staan speciale camera’s op vaste punten op het veld opgesteld. Daarmee wordt op elk moment van de wedstrijd een 360-gradenregistratie gemaakt van waar de bal precies is. Op de millimeter nauwkeurig is te zien of de bal volledig over de lijn is geweest. Zodra dat het geval is, trilt het horloge van de scheidsrechter. Regelmatig zitten uitzendbureaus net wel over de lijn of niet. Ik pleit voor een deugdelijke controle; zoiets als een doellijntechnologie en uiteraard ben ik ook voorstander van een deugdelijk moraal. Een eerlijk spel voor iedereen.

Beloning zzp niet aan regels gebonden.

Waar de wet veel minder duidelijk over is, is de beloning van zzp’ers. 2016 was jaar van de Wet DBA. Daarbij gaat het om tegengaan van uitbuiting en schijnzelfstandigheid. Daar waar de wet op de inlenersbeloning glashelder is en niemand roept om handhaving, is het voor zzp’ers andersom. Er is geen wetgeving die de beloning van zzp’ers reguleert. Hier is -om het nog maar eens met voetbal te vergelijken- nog geen eens zicht op wat binnen of buiten de lijnen is.

Vanuit goed opdrachtgeverschap vind ik het absoluut onjuiste om een zzp’er in te huren omdat deze goedkoper is.

Wat betreft belonen van zzp’ers is er dus veel meer ruimte, en ruimte brengt ook risico’s met zich mee (uitbuiting). Inherent aan ondernemerschap is de vrije ruimte die zzp’ers hebben bij het vaststellen van prijzen en tarieven, aan de boven- én aan de onderkant. Als je als zzp’er zelf akkoord gaat met een bepaald (laag) tarief of bijvoorbeeld iets extra’s wil gratis doen, dan is dat volgens mij prima. Stel je bent kunstenaar en je werkt twee weken aan een kunstwerk en je verkoopt deze voor 100 euro. Dan mag dat toch gewoon?

Maar vanuit goed opdrachtgeverschap vind ik het absoluut een onjuiste overweging om een zzp’er in te huren omdat deze goedkoper is dan een vergelijkbare loondienster. Je huurt een zzp’er in vanwege expertise, kennis en flexibiliteit. Zodra je terechtkomt in de afweging van ‘goedkoper’ dan ben je verkeerd bezig. Dit is wat mij betreft de grens waar ondernemerschap stopt en uitbuiting begint.

Politiek moet zorgen voor fair play

Voor het vraagstuk rondom de beloning van zzp’ers ligt er wat mij betreft óók een voetbal-oplossing klaar. Geen “doellijntechnologie” of “trillende horloges”, deze rigide oplossingen doen geen recht aan de vrijheid en ruimte die zzp’ers nodig hebben om te ondernemen. Maar het voetbal kent wel zoiets als “fair play”, niet strak en eenduidig omschreven, maar iedereen weet wat ermee bedoeld wordt. Fair play voor zzp’ers en opdrachtgevers, ben benieuwd hoe de politiek dáár invulling in zou willen geven.

Tjebbe van Oostenbruggen

Geplaatst in ZP en Ondernemen, ZP en Politiek | Tags , | 5s Reacties

Het huidige model van arbeidsmigratie loopt tegen zijn grenzen aan

Arbeidsmigratie houdt de gemoederen in Nederland en Europa stevig bezig. Niet voor het eerst. In 2007 ging de Nederlandse arbeidsmarkt open voor Midden- en Oost-Europeanen. Nu, een economische crisis en tien jaar verder moeten we constateren dat arbeidsmigratie voor de Nederlandse economie van grote betekenis is maar het huidige model in Nederland tegelijkertijd tegen zijn grenzen aanloopt. Het stelt een nieuw kabinet en onze economie voor fundamentele uitdagingen.

 

Onze economie afhankelijk van arbeidsmigranten

In de eerste plaats is arbeidsmigratie van grote economische waarde voor Nederland. In de loop der jaren zijn complete sectoren en delen van onze economie grotendeels afhankelijk geworden van arbeidsmigranten. Of we dat nou leuk vinden of niet, het is een feit. De komst van arbeidsmigranten heeft daarmee veel bedrijvigheid en werkgelegenheid behouden voor Nederland. Dat is van grote betekenis. SEO becijferde in 2012 de netto meerwaarde van arbeidsmigratie voor onze schatkist op ruim een half miljard.

 

Keerzijde

Maar er is een keerzijde. De toestroom van grote aantallen werkwillige arbeidsmigranten in combinatie met de economische crisis, malafide uitzendbureaus en opdrachtgevers die op centen letten vormden een explosief sociaal mengsel. Het zorgt aan de onderkant van de arbeidsmarkt voor druk op arbeidsverhoudingen en arbeidsvoorwaarden. Het leidt tot de uitdagende kwestie tegen welke sociale voorwaarden wij bereid zijn werkgelegenheid in Nederland te houden. Of, hoe lang we hiermee robotisering denken uit te kunnen stellen.

 

Een land krijgt de arbeidsmigratie die het verdient

De huidige arbeidsmigratie brengt een tweede maatschappelijke uitdaging. Het CPB rekende in 2004 op een extra instroom van vijf- tot tienduizend arbeidsmigranten. Het werden er wat meer. Ondertussen werken in Nederland ruim 200.000 arbeidsmigranten uit Midden- en Oost-Europa. Tegelijkertijd staan er anderhalf miljoen mensen in Nederland aan de kant. Ondenkbaar en wat mij betreft onbestaanbaar. Het lukt al jaren niet of nauwelijks om Nederlandse werkzoekenden naar deze doe-banen te bemiddelen. Dat is niet, zoals sommige stellen, de schuld van de Polen die onze banen inpikken. Het is te wijten aan onze gebrekkig functionerende arbeidsmarkt en aan het feit dat werkzoekenden vaak hun neus ophalen voor het (zware) werk in de logistiek, industrie of tuinbouw.

Het nieuwe kabinet zal zich over de uitdagingen van de huidige arbeidsmigratie moeten buigen.

Het brengt me bij de derde uitdaging. Een land krijgt de arbeidsmigratie die het verdient. In Nederland waren dat de afgelopen twintig jaar vooral ‘handen’. Belangrijk, maar niet voor de economie van de toekomst. Die draait vooral op innovatie, kennis en talent. In de sectoren die nu worden bevolkt door arbeidsmigranten worden straks ‘smart distributiecentra’ of ‘connected productiehallen’ met bijbehorende arbeidsvraag de norm. Jacques van de Broek, ceo van Randstad, pleitte daarom onlangs voor een andere kijk op onze arbeidsmigratie. We moeten ons vooral richten op kennismigranten om schaarste en een rem op de economische groei te vermijden. Minder handen en meer kennis dus, ongeacht waar ze vandaan komen.

 

Grenzen dicht is nooit een oplossing

Dan is er nog de delicate Europese kwestie van het vrij verkeer van werknemers en het vrij verkeer van diensten. Belangrijke pijlers van Europa. Het is vooral arbeidsmigratie op basis van het vrij verkeer van diensten die in Nederland problemen veroorzaakt. Die zijn het gevolg van gaten in het ongelijke Europese speelveld en gebrekkige nationale handhaving van regels. Regels, zoals de detacheringsrichtlijn en A1, die bovendien niet gemaakt zijn voor de huidige grootschalige permanente arbeidsmigratie. Tijd dus om kritisch tegen het licht te houden juist omwille het grotere belang van Europa.

Het huidige model van arbeidsmigratie loopt tegen zijn grenzen aan. Er is in Europa en wereldwijd sprake van sterk groeiend protectionisme en nationalisme. Ook in Nederland. In de aanloop naar de verkiezingen werd de angst stevig aangewakkerd. Het nieuwe kabinet zal zich over de uitdagingen van de huidige arbeidsmigratie moeten buigen. Dat geldt na de verkiezingen ook voor Frankrijk en Duitsland. Het wordt in Europa de ultieme uitdaging om het kind niet met het spreekwoordelijke badwater weg te gooien.  Eén ding is namelijk zeker. Grenzen dicht is nooit een oplossing. Niet voor mensen, niet voor de economie en niet voor de welvaart van ons land.

Geplaatst in ZP en Politiek | Tags , , | Laat een reactie achter

Heeft de CAO toekomst?

In mijn recente artikel ‘voor de werknemer, tegen de vakbond‘ stelde ik al de vraag of je überhaupt CAO’s moest blijven hanteren.

Jaren geleden sprak ik een beloningsadviseur die zei: ik zou ze nu niet afschaffen, maar of ik ze nu zou introduceren als ze er nog niet waren, dat denk ik niet.

De vraag is dus: heeft de CAO toekomst? Voor wie is de CAO nu echt goed? En wat brengt deze ons?

(meer…)

Geplaatst in Beleid, Beloning | Laat een reactie achter

Flex-contract het nieuwe normaal voor jongeren? Zelf hebben ze niet zo’n bezwaar.

Hoe jonger de werknemer, hoe groter de kans dat hij een flexcontract heeft. Een kwalijke zaak vinden vakbonden. De jongeren zelf zien dat heel anders, blijkt uit onderzoek van Werner Liebregts, promovendus bij de School of Economics in Utrecht.

“Het draait bij veel jonge werkenden tegenwoordig meer om werkzekerheid dan om baanzekerheid. Een vast contract is van minder groot belang, mits er sprake is van voldoende werkzekerheid” zo concludeert Liebregts na onderzoek onder werkenden tussen de 17 en 36 jaar. “Men lijkt geen langdurig (relationeel) psychologisch contract aan te willen gaan, welke vaak gepaard gaat met een vaste arbeidsovereenkomst.”

“Een vast contract wordt vaak beschouwd als een teken van werkgeversvertrouwen in de betreffende werknemer. Een deel van de respondenten kan en/of wil een dergelijk aanbod niet met loyaliteit beantwoorden en vindt een flexibel contract derhalve volstaan” schrijft Liebregts in een artikel op Mejudice.nl over zijn onderzoek.

Wens jongeren contract onderbelicht

Reden voor het onderzoek is dat werknemersorganisaties claimen op te komen voor de belangen van alle werknemers. Maar Liebregts ziet dat vakbonden, die vooral heil zien in vaste contracten, een almaar kleinere en vooral ook oudere groep werknemers vertegenwoordigen.

Hiermee dringen de volgens Liebregts zich de volgende vragen op: Hoe kijkt de nieuwste generatie werkenden tegen flexibel werken aan? Welke kijk hebben zij op arbeid en wat is hun rol daarin?

Hoe jonge (potentiële) werkenden tegen werk- en contractvormen aankijken is vooralsnog onderbelicht. Het is belangrijk om deze toe te voegen aan het langlopende debat, aangezien het aanvullende inzichten kan opleveren over waarom flexibilisering plaatsvindt, schrijft Liebregts.

Werkzekerheid belangrijker dan baanzekerheid

“Rationeel gezien zou een ieders gewenste contractvorm er één van onbepaalde tijd moeten zijn, maar niets blijkt minder waar” zo constateert Liebregts. “Van alle Nederlandse ondervraagde jongeren blijkt ongeveer de helft een flexibel contract te verkiezen boven een vast contract. Dit kan gaan om een kortdurend uitzendcontract of een contract van bepaalde tijd met een maximale duur van twee jaar. Wanneer de gewenste contractvorm wordt uitgesplitst naar leeftijd blijken er grote verschillen te bestaan. Minder dan 30% van de 17- t/m 21-jarigen beschouwt een vast contract momenteel als ideaal, maar dit loopt op tot driekwart van de 32- t/m 36-jarigen.

40% jongeren geeft voorkeur aan vast contract

Onder de respondenten in loondienst varieert het aandeel dat een vast contract prefereert van 40% (17 – 21 jaar) tot 84% (32 – 36 jaar). Van degenen die momenteel al een vast contract bezitten, ziet 79% dat als ideale contractvorm.”

Voor jonge werkenden gaat het meer om werkzekerheid dan om baanzekerheid. Een vast contract is van minder groot belang, mits er sprake is van voldoende werkzekerheid.  “De mate van werkzekerheid hangt niet alleen af van de context, maar ook van individuele factoren, zoals een ondernemende houding, kennis en vaardigheden. De resultaten van ons onderzoek bevestigen dit; hoger opgeleiden hechten minder waarde aan een vast contract.”

Geplaatst in ZP en Ondernemen, ZP en Politiek | Tags | Laat een reactie achter