Werkgevers worstelen met flexibele schil: kosten stijgen, zzp’ers willen niet in dienst Geplaatst 10 maart 2026 door ZiPredactie Door strengere flexwetgeving en actievere handhaving van zzp-regels hebben bedrijven steeds meer moeite om een ‘flexibele schil’ in te richten. De kosten van flexwerk lopen op, de werkdruk onder vast personeel stijgt en sommige werkzaamheden worden zelfs gestopt. Dat blijkt uit nieuw ledenonderzoek van werkgeversvereniging AWVN. Net als begin 2025 bevroeg AWVN haar leden over de effecten van de handhaving van regels rond zzp’ers — die begin 2025 van start ging — en over de verwachte gevolgen van nieuwe flexwetgeving. Aan het onderzoek namen 162 werkgevers deel. Flexwet: hogere kosten en minder flex Het beeld dat uit het onderzoek naar voren komt is stevig. Driekwart (75%) van de werkgevers verwacht dat de kosten van flexwerk hoger worden als gevolg van de ‘Flexwet’ (Wetsvoorstel meer zekerheid flexwerkers), die momenteel in het parlement ligt. Daarnaast voorziet 68 procent dat de administratieve regeldruk stijgt. Meer dan de helft (58%) stelt minder flexkrachten te zullen inzetten en 16 procent zegt zelfs helemaal te stoppen met de inzet van flexwerkers zodra de wet van kracht wordt. Een op de vijf werkgevers (19%) verwacht werkzaamheden uit te besteden en 6 procent overweegt bepaalde werkzaamheden helemaal stop te zetten. Opvallend is dat minder flex niet automatisch leidt tot meer vast. Ondanks dat bijna driekwart van de werkgevers aangeeft minder of geen flexwerkers in te zullen zetten, verwacht slechts 32% dat dit resulteert in meer vaste dienstverbanden. Werkgevers geven aan te verwachten dat hun organisatie minder wendbaar wordt en dat vaste medewerkers hierdoor een hogere werkdruk zullen ervaren. Lees ook: Wetvoorstel schrapt nuluren contract Zzp-handhaving werkt nu al kostenverhogend Ook de effecten van het opheffen van het handhavingsmoratorium per 1 januari 2025 zijn inmiddels duidelijk voelbaar. Bijna de helft (46%) van de werkgevers heeft te maken met hogere loonkosten, doordat zij in plaats van zzp’ers mensen inhuren via een andere flexvorm, zoals uitzenden of detachering. Dat is een forse stijging ten opzichte van een jaar eerder (27%). Lees ook: ZiPconomy onderzoek: flink minder inhuur, helft organisaties vindt informatie handhaving nog onduidelijk. De verschuiving heeft directe gevolgen voor de werkvloer: meer dan de helft van de werkgevers (56%) zegt dat de werkdruk van het zittend personeel is opgelopen sinds de zzp-handhaving. Ruim een derde meldt dat de kwaliteit van producten of dienstverlening onder druk staat. Een vijfde geeft aan bepaalde producten of diensten niet meer te kunnen leveren. Twee derde past contracten aan om met zzp’ers te blijven werken De onderzoeksresultaten laten zien dat werkgevers actief zoeken naar manieren om toch met zzp’ers te kunnen blijven werken. Maar liefst 62 procent heeft opdrachten of contracten geherformuleerd — een flinke toename ten opzichte van 47 procent een jaar eerder. Tegelijkertijd huurt 46 procent van de werkgevers minder zzp’ers in (was 40%) en schakelt 43 procent over op andere flexvormen, zoals uitzending en detachering (was 29%). Zzp’ers hebben geen trek in loondienst Een blijvend fenomeen: 47 procent van de werkgevers heeft zzp’ers een vaste aanstelling aangeboden, maar die voelen daar vrijwel niet voor. Slechts 6 procent van de werkgevers geeft aan dat zzp’ers bereid zijn om in loondienst te komen. Dat percentage is zelfs lager dan vorig jaar — ondanks dat recente CBS-cijfers juist lieten zien dat er meer zzp’ers overstapten naar een vaste baan. Het merendeel van de zzp’ers dat van positie wisselde, maakte echter de overstap naar een andere vorm van flexwerk. Balans zoek De flexwetgeving vloeit voort uit het arbeidsmarktpakket waarover werkgeversorganisaties en vakbonden in 2021 overeenstemming bereikten. De maatregelen hebben tot doel om meer zekerheid te bieden aan flexwerkers, maar ook om het vaste contract minder vast en star te maken. Dat laatste komt vooralsnog niet uit de verf, constateert AWVN. Terwijl de behoefte daaraan bij werkgevers onverminderd groot is. De werkgeversvereniging roept het kabinet op om werk te maken van het volledige pakket aan arbeidsmarkthervormingen, zodat er een gezonde balans op de arbeidsmarkt ontstaat. Bron: AWVN Geplaatst in Professioneel inhuren | Tags AWVN, Flexibele schil | 9s Reacties
“MSP’s en brokers als bank: stop ermee” Geplaatst 9 maart 2026 door Gastblogger OneStopSourcing. De naam zegt genoeg over de ambitie: alles onder één dak. Inclusief, zo blijkt nu, de kasstromen van honderden zzp’ers en leveranciers. WHOA-procedure. Ruim 900 externen bij de Belastingdienst, Tweede Kamer, provincies en gemeenten wachten op hun geld. Facturen van het laatste kwartaal van 2025. Onbetaald. Dit hadden we eerder gezien. 2013: Corso failliet. Werkkapitaal gebruikt voor een acquisitie. 300+ zzp’ers en professionals bij ABN AMRO, KPN, Atos en de Rijksoverheid gedupeerd. 2019: TCP failliet. Een cashflowgat in de payroll-BV gedicht met geld uit de broker-BV. 142 miljoen omzet, voorzitter van de brancheorganisatie. En toch failliet. Het antwoord is elke keer hetzelfde: de MSP of broker zat midden in de kasstroom, en gebruikte die voor andere doeleinden dan waarvoor hij bestemd was. Dat is geen regiepartij meer. Dat is een bank. Opdrachtgevers schakelen een MSP of broker in voor regie: compliance, contractbeheer, leveranciersmanagement. Dat is de propositie. Maar de MSP ontvangt niet alleen een regiefee. Hij ontvangt de volledige betaling van de opdrachtgever, betaalt daaruit zzp’ers en leveranciers, en houdt zijn marge over. Hij int, bewaart en betaalt door. En als je een partij als een bank laat functioneren, gaat die zich ook als bank gedragen. Concreet betekent dat: Kasstroom als werkkapitaal. Tussen het moment dat de opdrachtgever betaalt en het moment dat de zzp’er wordt uitbetaald, zit een gat. Dat gat is geld. De MSP zet dat in voor eigen activiteiten: investeringen, acquisities, operationele tekorten elders in de groep. Rente pakken op doorbetaling. Bij grote kasstromen levert daggeldrente substantieel op. Geld dat bestemd is voor de professional, rendeert voor de MSP. Factoring als werkkapitaalinstrument. Elke schakel in de keten kan zijn vordering op de volgende schakel factoriseren. De MSP over de opdrachtgever, de broker over de MSP. Zo genereert elke partij werkkapitaal over geld dat al bestemd was voor een ander. Werkkapitaal als onderpand. Met de voorspelbare kasstroom trekt de MSP krediet aan bij banken of investeerders. De kasstroom van derden dient als financiële basis voor eigen groei. Kruissubsidiëring. Verliesgevende regiemandaten, uitgeknepen in aanbestedingen op laagste prijs, worden intern gefinancierd met het doorbetaalgeld van winstgevende kasstromen. Eigen waar verkopen. Wie het inkoopproces beheert, bepaalt wie er wordt geplaatst. MSP’s en brokers met gelieerde leveranciers of eigen detacheringspoten sturen opdrachten naar zichzelf. De opdrachtgever denkt onafhankelijke regie in te kopen. De MSP verdient op de regie én op de plaatsing. Het verschil met een echte bank: een bank staat onder DNB-toezicht, heeft kapitaaleisen, depositogarantie en liquiditeitsvereisten. Een MSP die zich als bank gedraagt heeft dat allemaal niet. Maar pakt wel de voordelen. Groter is niet veiliger De reflexmatige aanname bij opdrachtgevers: grotere partijen zijn stabieler. Grotere kasstromen trekken echter ook grotere financiële ambities aan. Financiële ratio’s als quick ratio en current ratio bieden geen garantie: ze zijn een momentopname en vertellen niets over wat er met de kasstroom gebeurt tussen ontvangst en doorbetaling. Daar komt een presentatieprobleem bij. MSP’s en brokers rapporteren vaak de volledige doorbetaalde kasstroom als omzet. De regiefee verdwijnt in het grotere getal. Een MSP met €200 miljoen ‘omzet’ kan een fee-base van €4 miljoen hebben. Op de omzetladder staan ze naast elkaar. De kasstroom van derden telt mee als eigen kracht. Het verdienmodel is gebaseerd op een minimale marge op een grote omzet. Niet een teruglopend resultaat is het eerste signaal van problemen, maar een teruglopende omzet. Zodra opdrachtgevers wegvallen, verdwijnt het doorbetaalgeld waarop de operatie drijft. De verplichtingen aan zzp’ers én overige leveranciers lopen door. Het gat valt niet te dichten met winst, want die was er nauwelijks. SOW groeit. Steeds meer inhuur wordt gestructureerd als Statement of Work: de opdrachtgever koopt een resultaat, geen inspanning. Vaste prijs, duidelijke deliverable, zakelijke leverancier. Een volwassen model dat aan terrein wint. Maar SOW verandert niets aan het kasstroom-risico zolang de betaling via de MSP loopt. De MSP int de opdrachtgever, betaalt de SOW-leverancier, en beheert het verschil. Het label is anders. De structuur niet. Sterker: SOW-leveranciers staan bij faillissement vaak slechter dan zzp’ers. Ze hebben al kosten gemaakt, ingezet op mijlpaalbetalingen, en staan met grotere bedragen in de rij. Gewone schuldeisers, achteraan. Lees ook: Factoring door brokers leidt tot grote financiële risico’s in de inhuurmarkt Waarom dit structureel fout zit: transactiekostentheorie MSP’s en brokers bestaan om een reëel probleem op te lossen. Tientallen leveranciers, wisselende vraag, compliance, contractbeheer: de transactiekosten van direct inhuren zijn hoog. De MSP reduceert die kosten. Dat is de legitimatie van het model. Maar de economen Coase en Williamson wezen al op de keerzijde. Een intermediair die transactiekosten verlaagt, introduceert tegelijk een nieuw probleem: zodra de zzp’er zijn werk heeft geleverd, is zijn positie volledig veranderd. Het werk valt niet terug te draaien. Hij kan niet dreigen met weglopen. Hij wacht op zijn geld en heeft niets meer te zeggen. Wie betaalt bepaalt. En de MSP betaalt als laatste. Williamson noemde dit de kern van het vraagstuk: stem de spelregels af op de werkelijkheid van de transactie. Die werkelijkheid is: geleverd werk, onzekere financiële positie van de MSP, geen terugweg voor de professional. Vertrouwen is geen governance. Structuur wel. Lees ook: OneStopSourcing krijgt uitstel van betaling. De oplossing: haal ze uit de kasstroom De reflexmatige reactie na elk faillissement is strengere financiële eisen: solvabiliteitsratio’s, bankgaranties, jaarrekeningen. Dat is de verkeerde weg. Je maakt daarmee een structureel verkeerd model wat veiliger in plaats van het model zelf te herzien. Twee andere sectoren hebben dit probleem al opgelost. Niet met meer toezicht, maar door de financiële structuur zelf te herzien. De hypotheekmarkt. Tot 2013 ontvingen hypotheekadviseurs provisie van de geldverstrekker wiens product zij adviseerden. Perverse prikkel. De oplossing was niet meer toezicht, maar de adviseur uit de financiële keten halen. Sindsdien alleen een directe fee van de klant. Advieskosten daalden van €3.000 naar €1.700. De parallel: ook de MSP zit financieel in de keten van degene voor wie hij regie voert. Haal hem eruit. De reisbranche. Wie een pakketreis boekt, betaalt vooraf. De touroperator kan failliet gaan. De oplossing: het SGR-garantiefonds. Geld van de klant staat apart. Bij faillissement krijgt de klant zijn geld terug, niet als gewone schuldeiser maar direct, omdat het geld nooit van de operator was. Dat is precies wat een derdengeldrekening doet voor de opdrachtgever die via een MSP inhuurt. Regie is het verdienmodel. De kasstroom is niet van de MSP. Vier concrete handvatten, toepasbaar binnen bestaand recht: Betalingen lopen via een geblokkeerde rekening waarop de MSP geen zeggenschap heeft anders dan doorsturen. Notarissen werken al decennia zo. Derdengelden vallen buiten de boedel bij faillissement, wettelijk verankerd sinds HR 1984. Geen nieuwe wet nodig, alleen een contractuele keuze. Dit botst niet met de G-rekening: die beschermt de opdrachtgever tegen inlenersaansprakelijkheid. De derdengeldrekening beschermt de leverancier en zzp’er tegen wanbetaling. Twee instrumenten, twee risico’s. Factoring alleen bij de laatste schakel. Factoring hoort thuis bij de partij die de professional daadwerkelijk verlóont: de detacheerder, de payrollorganisatie, of bij een zelfstandige de zzp’er zelf. Niet hoger in de keten. Zo heeft elke schakel één heldere financiële positie: wat hij verdient en wat hij verschuldigd is. Factoring hoger in de keten moet contractueel worden uitgesloten. Maak bij aanbesteding expliciet onderscheid tussen het uurtarief van de professional en de regiefee van de MSP. Nu gaan beide op in één totaalbedrag dat de opdrachtgever betaalt. Dat gebrek aan transparantie maakt het mogelijk de regiefee in de aanbieding kunstmatig laag te houden, en het tekort te compenseren met de kasstroom van de doorbetaling. Transparantie over eigen kandidaten. Als een MSP eigen kandidaten plaatst via gelieerde entiteiten, moet dat contractueel verplicht zichtbaar zijn voor de opdrachtgever: welke entiteit, welk financieel belang, welk deel van de opdracht. Zonder die transparantie is onafhankelijke regie een fictie. De verantwoordelijkheid van opdrachtgevers De Belastingdienst, de Tweede Kamer, gemeenten en provincies die via OneStopSourcing inhuurden hadden geen directe relatie met de zzp’ers die voor hen werkten. Zodra OneStopSourcing in de problemen komt, zijn het die zzp’ers die de rekening betalen: als gewone schuldeisers zonder preferente positie, achteraan in de rij. Dat is onacceptabel voor professionals die gewoon hun werk hebben gedaan. De instrumenten bestaan. De juridische basis is er. Wat ontbreekt is de keuze om ze te gebruiken. Corso. TCP. OneStopSourcing. Zolang het model in stand blijft, is het wachten op de volgende naam op de lijst. Rob de Laat is DGA-coach en performance coach, M&A-adviseur en investeerder in de flexbranche via Enthri Capital. Co-auteur van ‘Professioneel inhuren van flexibele arbeid’ (2013, herzien 2021). Wouter Waaijenberg is onafhankelijk industry expert op het gebied van externe inhuur, VMS en MSP. Eerder directeur van Staffing MS. Geplaatst in Professioneel inhuren | Tags broker, MSP, OneStopSourcing | 3s Reacties
ZZP: De hond zonder riem Geplaatst 8 maart 2026 door Mirjam Amajjar In Den Haag zagen ze iets vreemds. Een mens die werkte. Zonder baas. Dat soort dingen houden ze daar liever aangelijnd. Geen manager. Geen beoordelingsgesprek. Geen kringetje in een zaaltje waar iemand op een gitaar drie akkoorden aanslaat en iedereen moet zingen over ‘verbinding’. Sommige mensen noemen dat werk. Anderen noemen het dagbesteding. Voor een ministerie is dat ongeveer hetzelfde als een hond zonder riem in een park. Dat kan alle kanten op. Voor je het weet rent hij achter een eend aan, springt in de vijver en jaagt drie ambtenaren met een notitieblok de struiken in. En Den Haag houdt niet van honden zonder riem. Den Haag houdt van lijnen. Van hekjes. Van formulieren met drie handtekeningen en een bijlage van twaalf pagina’s. Dus werd er een woord bedacht. Schijnzelfstandigheid. Een woord dat klinkt alsof er in Nederland duizenden mensen rondlopen met een KvK-nummer en een nep-snor. ‘Goedemorgen, ik ben Piet. Ondernemer.’ Tenminste…. volgens de KVK. Maar volgens de overheid kan dat dus nep zijn. Dus kwamen er regels. Veel regels. Regels over vrijheid. Regels over risico. Regels over hoeveel opdrachtgevers je hebt. Regels over wie bepaalt wanneer je werkt. Het werd een bureaucratisch bouwwerk waar zelfs de bouwers af en toe naar keken alsof het door iemand anders was ontworpen. Een soort handleiding voor ondernemerschap, geschreven door mensen die nog nooit een factuur hebben gestuurd. Stap 1: wees zelfstandig. Stap 2: maar niet te zelfstandig. Stap 3: bel een commissie. Stap 4: organiseer een overleg over stap 3. Ondertussen gebeurde er iets buiten Den Haag. Bedrijven werden voorzichtig. ‘Straks blijkt onze zelfstandige illegaal zelfstandig.’ Dat is ongeveer alsof je een restaurant sluit om eerst te onderzoeken of de kok wel kan koken. Dus opdrachten verdwenen. In de zorg. In de bouw. In de IT. Roosters kregen gaten. Projecten bleven liggen. Niet omdat er geen werk was. Maar omdat Den Haag eerst wilde vaststellen of de hond eigenlijk wel een hond was. Of een ondernemer misschien gewoon een werknemer was met een eigen koffiezetapparaat. De arbeidsmarkt begon langzaam op een dierentuin te lijken. Iedereen kreeg een bordje omgehangen. ‘Pas op: ondernemer. Kan zelfstandig beslissingen nemen.’ De schade? Die was niet theoretisch. Zelfstandigen zonder opdrachten. Bedrijven zonder mensen. Sectoren die al tekorten hadden en er nog een probleem bij kregen. Allemaal omdat iemand dacht dat ondernemers misschien werknemers waren met een laptop. En toen gebeurde er iets zeldzaams. De overheid keek naar zichzelf. En dacht: Misschien zijn wij hier de hond die blaffend achter de eenden aanrent. Dus gaat een deel van die wet nu van tafel. Eindelijk. Want zelfstandigheid is geen wild dier. Het is gewoon iemand die werkt. En Den Haag staat er nu een beetje naar te kijken. En dus wordt er nu druk nagedacht over een andere riem. Niet voor de hond. Voor het idee. Geplaatst in ZP en Ondernemen | Tags Thierry Aartsen, zelfstandigenwet | 7s Reacties
Minister Aartsen (Werk & Participatie) maakt tempo met nieuwe zzp-wet: rechtsvermoeden werknemerschap bij tarief onder de 38 euro Geplaatst 6 maart 2026 door Claartje Vogel Zelfstandigen met een uurtarief van minder dan 38 à 39 euro kunnen straks eenvoudig bij de rechter claimen dat zij werknemer zijn. Zij hebben dan dezelfde rechten als werknemers in loondienst. Is de opdrachtgever het er niet mee eens? Dan moet hij bewijzen dat het toch gaat om zelfstandig ondernemerschap. De ministerraad ging vrijdag akkoord met dit voorstel van Thierry Aartsen, de nieuwe minister van Werk en Participatie. Aartsen laat hiermee zien dat hij zijn belofte wil waarmaken: snel aan de slag met nieuwe zzp-wetgeving. “Het is een eerste stap van een nieuwe koers”, zegt Aartsen. “Het is belangrijk om zelfstandigen en opdrachtgevers duidelijkheid te geven. En daarmee te zorgen voor rust onder zzp’ers en opdrachtgevers, zodat we voorkomen dat opdrachten onnodig wegvallen.” Losgeknipt van de wet VBAR Het rechtsvermoeden van werknemerschap was oorspronkelijk onderdeel van de wet Verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden (VBAR). In het regeerakkoord stond al dat het kabinet niet doorgaat met de VBAR, maar wel met het rechtsvermoeden. Aartsen ‘knipt’ dit R-onderdeel los van de rest, om het snel in te voeren. Volgende stap: uitwerken Zelfstandigenwet Over het VBA-deel was namelijk veel discussie. Dit gedeelte moet verduidelijken wanneer een opdrachtgever een zzp’er mag inhuren. Als Tweede Kamerlid ontwikkelde Aartsen (VVD) samen met D66, CDA en SGP een alternatief voor het VBA-deel: de Zelfstandigenwet. In het coalitieakkoord staat dat hij dit verder mag uitwerken en invoeren. Dit wordt zijn volgende stap, na de invoering van het rechtsvermoeden. “Voor een deel van het wetsvoorstel VBAR ontbrak het aan draagvlak”, zegt Aartsen. “Daarom haal ik dat deel van het wetsvoorstel van tafel. Hiermee is de weg vrij voor de Zelfstandigenwet.” Rechtsvermoeden: hoe werkt het? Het rechtsvermoeden van werknemerschap is bedoeld om kwetsbare werkenden te beschermen tegen schijnzelfstandigheid. Het is een ‘facultatief instrument’: dat betekent dat de werkende er gebruik van mag maken, maar het hoeft niet. Als hij tevreden is met zijn werk als zzp’er voor een lager tarief, dan hoeft hij niks te doen. Maar als hij vindt dat hij eigenlijk recht heeft op werknemersbescherming (ontslagrecht, loondoorbetaling bij ziekte, pensioenopbouw), dan kan hij een beroep doen op het rechtsvermoeden. Als hij inderdaad een lager uurtarief krijgt dan het drempelbedrag, kan hij bij de rechter eenvoudig werknemersrechten opeisen. Daartoe wordt het artikel 610 van Boek 7 BW aangepast (zie hier) Omgekeerde bewijslast Dit is heel anders dan dat het nu werkt. Op dit moment moet een schijnzelfstandige bewijs leveren dat hij eigenlijk werknemer is. Als straks het rechtsvermoeden is ingevoerd, hoeft dat niet meer. De rechter gaat uit van werknemerschap zodra het uurtarief minder is dan het drempelbedrag. Als een opdrachtgever toch vindt dat er sprake is van zzp-schap, dan moet hij dat bewijzen. Hoe hoog is het drempelbedrag? De tariefgrens is afgeleid van het minimumloon en wordt 38 à 39 euro per uur. Het tarief staat niet vast: als het minimumloon stijgt, groeit het drempelbedrag automatisch mee. Het bedrag wordt altijd naar boven afgerond. In de tabel hieronder zie je hoe dat werkt. Het voorstel is al een paar jaar oud. Je ziet nu dus al hoe het meestijgt met het minimumloon: van 33 euro in 2023 naar waarschijnlijk 39 euro in 2027. Wat is het niet? Het rechtsvermoeden van werknemerschap is nadrukkelijk geen verbod om onder het drempeltarief te werken. Daarnaast kunnen alleen werkenden zelf of hun vertegenwoordigers er een beroep op doen. Instanties zoals de Belastingdienst of de Nederlandse Arbeidsinspectie kunnen er niets mee. Tot slot kunnen alleen mensen die werken voor zakelijke opdrachtgevers (bedrijven of organisaties) het rechtsvermoeden inroepen. Zzp’ers die producten verkopen (de bakker, de webshophouder) of die werken voor particulieren (de thuiskapper, de bijlesleraar), kunnen er niks mee. Welk effect heeft dit? Opdrachtgevers die werken met zelfstandigen tegen tarieven lager dan het grensbedrag, lopen risico. De zzp’ers kunnen later namelijk eenvoudig naar de rechter gaan en werknemersrechten opeisen. Dit kan de werkgever flink geld kosten. Als hij het er niet mee eens is, moet hij voldoende bewijs hebben dat er sprake was van zzp-schap. Het effect van het rechtsvermoeden kan zijn dat opdrachtgevers tarieven structureel verhogen. Het is officieel geen ‘minimumtarief’, maar kan in de praktijk dus wel zo uitpakken. Verder hoopt het kabinet dat het zorgt dat werkgevers bewuster nadenken over de contractvorm. Kiezen voor zzp-inhuur alleen omdat het goedkoper is, moet afgelopen zijn. Politieke discussie De ministerraad is akkoord, nu de Tweede Kamer nog. Aarsten hoopt dit snel voor elkaar te krijgen, zodat het rechtsvermoeden vanaf begin 2027 kan gelden. In principe steunen veel partijen het rechtsvermoeden, maar er zijn nog wel wat discussiepunten en twijfels. 1. Geen handhaving, dus een papieren tijger? Het rechtsvermoeden is momenteel een ‘privaatrechtelijk’ instrument. Dat betekent dat Belastingdienst en Arbeidsinspectie het niet kunnen handhaven. Kamerlid Mariëtte Patijn (GroenLinks-PvdA) noemde dit eerder een ‘gemiste kans’ en vreest dat het weinig effect zal hebben zonder publiekrechtelijke handhaving. Dat vinden ook vakbond FNV en de BBB. “Zodra je zegt dat mensen zelf naar de rechter moeten stappen om hun recht te halen, geef je eigenlijk al aan dat de wetgeving aan de basis niet goed in elkaar zit”, zei BBB-Kamerlid Henk Vermeer. 2. Beperking van ondernemerschap? Partijen op rechts worstelen juist met de inbreuk op de markt. Hoewel het geen minimumtarief is, kan het in de praktijk wel zo uitwerken. Uit peilingen van brancheorganisaties zoals ABU, Bovib en RIM blijkt dat er brede steun is voor de plannen, maar dat wil niet zeggen dat alle zelfstandigen voorstander zijn. Grafieken: Zzp’ers met hoge tarieven zijn vaker voorstander van een rechtsvermoeden onder een laag uurtarief. Bron: ZZPKiest.nu Zelfstandigen die ruim boven de grens verdienen, steunen het voorstel omdat het hen rust en duidelijkheid geeft. Maar juist de groep voor wie het rechtsvermoeden bedoeld is (de ‘laagverdienders’) zit er minder op te wachten. Uit het grootschalige ZZPKiest-onderzoek van ZiPconomy (2025) blijkt dat de steun significant afneemt, naarmate het uurtarief daalt. Zzp’ers met lage tarieven zijn bang dat ze niet meer ingehuurd worden. Grafieken: Zzp’ers die VVD, JA21 of PVV kiezen, zijn het vaker oneens met het rechtsvermoeden. Bron: ZZPKiest.nu Kortom, de doelgroep zelf vreest voor de gevolgen en in de politiek hebben links (effectiviteit zonder publieke handhaving) als rechts (beperking om eigen tarieven te bepalen) bezwaren. Aartsen heeft vaart gezet, maar is nog niet klaar. Hij moet aan de slag om de sceptische polder en Kamer te overtuigen. Meer weten over dit onderwerp. Volg woensdag 11 maart dit gratis webinar Geplaatst in ZP en Politiek | Tags #zzpdebat, nieuws, schijnzelfstandigheid, VBAR, wet dba, Wet VBAR, zelfstandigenwet | 11s Reacties
Nieuwe bezems in Den Haag: wat betekent dat voor zzp en schijnzelfstandigheid? Geplaatst 6 maart 2026 door Joop der Weduwen Hoera, er is een nieuw kabinet. Dat is goed nieuws voor Nederland, omdat er weer beleid tot uitvoering gebracht gaat worden (of in elk geval: dat zou kunnen). Natuurlijk buig ik me alleen over het politieke voor zover het mijn vakgebied betreft. Dat is op het terrein van de scheiding tussen het zijn van werknemer of de eventueel als anderszins aan te merken werkende (kortweg zzp’er). Ik maak een inschatting van de voortekenen en waag me ook aan wat observaties en wensen voor het nieuwe kabinet. Eerste tekenen Het kabinet lijkt in elk geval de sturing op de vormgeving van de arbeidsmarkt voortvarend aan te willen pakken. Dat blijkt wel uit het feit dat er twee ministers op dit terrein zijn benoemd (wie dat zijn en hoe de onderlinge taakverdeling er vermoedelijk uitziet, lees dit artikel op Zipconomy). Verder is (waarschijnlijk onder invloed van de komst van het nieuwe kabinet) het gestarte wetgevende traject van de wet Verduidelijking Beoordeling Arbeidsrelaties en Rechtsvermoeden (VBAR) gestaakt (zie ook eerder bericht daarover op Zipconomy). Kortom, het lijkt erop dat we ons kunnen voorbereiden op een actief kabinet op dit terrein. De inhoud van wat er op ons af gaat komen lijkt in grote lijnen ook wel duidelijk. Het lijkt erop (zie ook dit artikel op Zipconomy) dat het rechtsvermoeden (onderdeel van de VBAR) er gaat komen en dat geldt ook voor de Zelfstandigenwet (althans een variant erop). Beide onderdelen zijn natuurlijk nog niet helder qua vormgeving, dus inhoudelijk commentaar lijkt wat voorbarig. Desalniettemin waag ik me toch aan wat bespiegelingen op beide onderdelen. Lees ook: Knip de VBAR in tweeën Rechtsvermoeden In de (ontwerp)wet VBAR werd een rechtsvermoeden geïntroduceerd via een nieuw artikel 7:610 aa BW. Kort gezegd hield dat in dat, als iemand minder dan € 36,- per uur betaald krijgt als hij arbeid voor iemand verricht, vermoed wordt dat die arbeid verricht wordt via een arbeidsovereenkomst. Als dit rechtsvermoeden er komt in de vorm zoals geregeld bij de VBAR, is de vraag wat dit inhoudt voor de arbeidsmarkt. Vooral interessant is wat het effect is bij de handhaving (op afdracht loonbelasting en premies werknemersverzekeringen) door de Belastingdienst wanneer er wel of geen sprake is van een arbeidsovereenkomst. Kijkt of toetst de Belastingdienst ook naar of op dat rechtsvermoeden bij de vraag of iemand aan te merken is als werkend in een arbeidsovereenkomst of als (kortweg) zzp’er? Daar kan ik kort over zijn: nee. De handhaving door de Belastingdienst ziet op de vraag of er sprake is van een arbeidsovereenkomst ingevolge artikel 7:610 BW. De rechtsvermoedens in het BW (zoals nu artikel 7:610a en 610b BW en straks misschien dus 7:610aa BW) werken tussen degene die de arbeid verricht en degene voor wie gewerkt wordt. Kortom, alleen degene die meent beschouwd te moeten worden als werknemer kan gebruikmaken van deze rechtsvermoedens. Deze rechtsvermoedens zijn bedoeld ter bescherming van de werkenden en zijn een hulpmiddel voor hen. Hiermee kan, als naast aan de rechtsvermoedens ook aan de andere elementen van een arbeidsovereenkomst wordt voldaan, door de (dan) werknemer afgedwongen worden dat zijn (arbeids)relatie aangemerkt wordt als een arbeidsovereenkomst (bij 7:610a en 610aa) dan wel de omvang ervan (als het gaat om 7:610b). Rechtsvermoedens niet voor Belastingdienst Het is dus, zoals gezegd, aan de werkende om deze rechtsvermoedens in te roepen. Aan de werkgever is het, als dat gebeurt, om dat vermoeden dan eventueel te weerleggen. Het zijn bepalingen die zich richten op de relatie tussen de werkende en de werkgevende. Deze bepalingen en rechtsvermoedens zijn kortom niet bedoeld voor, en dus niet toepasbaar door, de Belastingdienst. De Belastingdienst toetst nu ook niet aan de huidige rechtsvermoedens, dus als dat anders zou moeten zijn voor het nieuwe rechtsvermoeden, dan moet dat (apart) geregeld worden. Overigens: zijn deze rechtsvermoedens, die al lang bestaan (ingevoerd per wet van 14-5-1998), tot nu toe een succesnummer? Ook daar kan ik kort in zijn: nee, als het gaat om het rechtsvermoeden van het bestaan van een arbeidsrelatie (7:610a). Ja, als het gaat om de omvang van de arbeidsrelatie (7:610b). Dat zeg ik niet omdat ik kan nagaan of er veel van deze situaties (ik heb het dan over de bestaande rechtsvermoedens en natuurlijk niet over het nog in te voeren rechtsvermoeden) zich voordoen dan wel hebben gedaan en of daar daadwerkelijk een beroep op gedaan wordt. Dat is onbekend. Het enige waarom ik kan aangeven dat het geen succesvolle weg is voor de situatie van het bestaan van een arbeidsrelatie (7:610a), is het beperkte aantal gevallen waarin er een beroep op is gedaan (althans volgens de bekende jurisprudentie). Voor het rechtsvermoeden inzake de omvang van de arbeidsrelatie (7:610b) kan gesteld worden dat het wel een succes is, afgemeten aan de hoeveelheid jurisprudentie. Zonder in te gaan op de redenen voor het succes (7:610b) of juist het uitblijven (7:610a) ervan — dat voert wat ver voor dit artikel en is mogelijk ook erg speculatief — kan wel gesteld worden dat de voortekenen niet gunstig zijn dat een nieuw rechtsvermoeden tot een succesvolle dam tegen schijnzelfstandigheid gaat leiden (in de vorm die was voorzien bij de VBAR). In elk geval kan gesteld worden dat het rechtsvermoeden met name een hulpmiddel is voor de werkende om een (mogelijk) recht te claimen. Daaruit mag ook geconcludeerd worden dat de maatregel met name een zelfhulpmiddel is voor werkenden en dat van hen wordt verwacht ermee aan de slag te gaan (oftewel te procederen). Tussen hoop en vrees Waarom wordt er zo gehecht aan dat rechtsvermoeden en lijkt er Kamerbreed steun voor dit middel? Is er sprake van een verblinding en een idée fixe dat het een succesvol middel is, of de hoop dat het dit zou kunnen zijn? Of weet men wel beter en is er misschien een andere reden? Wat in elk geval bekend is, is dat Nederland, als onderdeel van het Nederlandse Herstel- en Veerkrachtplan, toegezegd heeft aan de EU de arbeidsmarkt te hervormen om deze weerbaarder en eerlijker te maken. Deze hervormingen zijn mijlpalen voor de uitbetaling van € 5,4 miljard aan subsidies door de EU aan Nederland. De deadline voor het volledig uitvoeren van die hervormingen is augustus 2026. In het kader van de verschillende hervormingen die worden voorzien is ook toegezegd maatregelen te nemen die leiden tot het verminderen van schijnzelfstandigheid. Misschien meent Nederland met behulp van de invoering van het rechtsvermoeden wel te kunnen voldoen aan de toezegging aan de EU (op het onderdeel terugdringen van schijnzelfstandigheid). Ik heb vraagtekens of dat ook in feite zo zal zijn, maar belangrijker is natuurlijk de vraag of de invoering van het rechtsvermoeden ook als afdoende gezien wordt door de EU. Ik ga er maar vanuit dat men vanuit het Haagse bij de EU heeft nagegaan of dit inderdaad het geval is. Vervolgvraag is of de invoering van het rechtsvermoeden alleen afdoende is. Zoals gezegd: dat waag ik te betwijfelen en dan is invoering van aanpalende maatregelen noodzakelijk. Dat zou natuurlijk de Zelfstandigenwet kunnen zijn. Even los van de vraag of deze wet in het kader van de toezeggingen aan de EU wel op tijd zou kunnen worden gerealiseerd (ik verwacht van niet). Zelfstandigenwet Ook voor deze maatregel schijnt er een meerderheid te vinden te zijn in de Kamer. Waarom is mij niet geheel duidelijk, als het gaat om de wijze van opzet zoals deze in consultatie is gegaan (mijn commentaar op de Zelfstandigenwet houd ik even buiten dit artikel; voor wie het wil lezen: het beslaat 26 pagina’s). Maar hoe dat ook zij, moeten we uitgaan van de realiteit dat dit nieuwe kabinet iets wil neerzetten. Dat zou zomaar een gestroomlijnde versie van de Zelfstandigenwet kunnen zijn. In het kader van de mogelijke stroomlijning doe ik wat suggesties waar men aan zou kunnen denken bij het schaven aan de vorm en opzet van de Zelfstandigenwet en/of het rechtsvermoeden. De eerste suggestie is wat mij betreft de belangrijkste: harmoniseer eindelijk eens de begrippen en kaders in de verschillende wetsgebieden die zien op de sturing op de arbeidsmarkt. Dat houdt in dat de begrippen in het arbeidsrecht, belastingrecht en sociaalverzekeringsrecht op dezelfde manier geduid en gehanteerd worden. Dit zodat er in onderlinge samenhang tot een stelsel gekomen wordt waardoor het voor werkenden, werkgevers en degenen die toezicht houden op de relatie tussen hen of op basis van die relatie heffingen verrichten een logisch en hanteerbaar systeem ontstaat. Nu is daar, ook niet door de Zelfstandigenwet in welke vorm dan ook, echt zicht op. Wat mij betreft een gemiste kans, juist omdat de Hoge Raad (Deliveroo en Uber) de handschoen wel heeft opgenomen en aspecten die niet in het arbeidsrecht een plek hadden, deze wel een plek heeft gegeven bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van een arbeidsovereenkomst. Kort gezegd door zelfstandig ondernemerschap als relevant gegeven voor duiding van een arbeidsrelatie aan te merken, terwijl de wet(sgeschiedenis) daar geen ruimte voor leek te bieden. Regelingen harmoniseren De tweede suggestie is om, als er gekeken wordt naar harmonisatie, zoveel mogelijk alle relevante regelingen die er zijn binnen de verschillende wetsgebieden in kaart te brengen en op elkaar te laten aansluiten. Het voert wat ver om al deze regelingen te noemen (daarvoor zijn er voldoende Haagse ambtenaren die dat zouden kunnen). Hierbij is mijn insteek dat, als iets werkt, men dat vooral moet eerbiedigen, maar daar waar het niet werkt of waar steken doorvallen (mogelijk sprake van misbruik) dan wel onvoldoende aansluit bij regelingen uit de andere wetsgebieden, men dat moet herstellen. Om wat regelingen te noemen die wat mij betreft in het kader van harmonisatie betrokken zouden moeten worden in de mix, noem ik er een paar, met wat aanbevelingen om deze te behouden en/of te verbeteren. De gelijkgestelde dienstbetrekking (Besluit aanwijzing gevallen waarin een arbeidsverhouding als dienstbetrekking wordt beschouwd; Besluit van 24-12-1986, Stb. 1986, 655, maar ook Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965, Besluit van 17 mei 1965, houdende uitvoering van de Wet op de loonbelasting 1964) kan zeer goed betrokken en gebruikt worden om hetzelfde te bewerkstelligen als via het rechtsvermoeden. In het besluit wordt onder meer (artikel 5) kort gezegd geregeld dat voor degene die persoonlijk arbeid verricht op doorgaans ten minste twee dagen per week, gedurende ten minste dertig dagen en voor veertig procent van het minimumloon, deze werkzaamheden als dienstbetrekking aangemerkt worden. Sinds 1-1-2002 geldt dat deze bepaling buiten werking gezet kan worden door middel van een schriftelijke overeenkomst. Om enig realiteitsgehalte te hebben qua toetsing, dient dit dan natuurlijk weer te vervallen. Het besluit kent ook een bepaling (artikel 8) dat dit besluit voor degene die als zelfstandige aan te merken is, niet van toepassing is. Het uitvoeringsbesluit loonbelasting is grotendeels gelijkluidend, behoudens dat er geen regeling is ten aanzien van zelfstandigheid. Schemergebieden oplossen: duidelijkheid over zelfstandigheid Door te handhaven op dit besluit en het uitvoeringsbesluit zouden veel situaties die nu als schemergebied gelden voor het arbeidsrecht kunnen worden ondervangen. Wel zou het wenselijk zijn dat zelfstandigheid, zoals in het besluit aangeduid, wat meer vorm krijgt, bijvoorbeeld door een nadere definitie en, wat mij betreft, ook een koppeling naar het ondernemersbegrip (‘winst uit onderneming’) van de fiscale wetgeving. Dit zou dan goed kunnen aansluiten op de uitspraken van de Hoge Raad. Voorgaande kan gebeuren door het aanpassen van het besluit en het uitvoeringsbesluit, of door harmonisatie waarbij slechts één van beide overblijft. Een andere optie is om (onderdelen van) het besluit c.q. uitvoeringsbesluit te gebruiken bij een aanpassing van het arbeidsrecht (Zelfstandigenwet), dan wel een uitvoeringsbesluit onderliggend aan het arbeidsrecht, die beide andere besluiten zou vervangen. Een andere aanbeveling is om de fictieve dienstbetrekking uit de fiscale wetgeving ook te betrekken bij de harmonisatie. Denk daarbij aan de opting-inregeling (voor meer inzicht zie dit artikel op Zipconomy). Het vrijblijvende kiezen voor deze regeling, terwijl gegeven de omvang en duur van de werkzaamheden er duidelijk geen sprake is van situaties die hieronder vallen, zou aan banden gelegd moeten worden. Dat kan door deze fictieve dienstbetrekking gelijk te schakelen aan de gelijkgestelde dienstbetrekking. Een andere optie is om de handhaving op de afgifte van de opting-inverklaring strikt vorm te geven. Dat kan ondersteund worden door sancties te leggen op misbruik van deze regeling. Eén regime van uitzenden Verder zou ik sterk voorstander zijn van het laten verdwijnen van de verschillende behandeling van allerlei vormen van terbeschikkingstelling, uitlenen of detacheren van werknemers. Er zijn zoveel verschijningsvormen op de markt, dat het niet doenlijk is ze allemaal te noemen. Wat mij betreft alleen maar ruis, en ik ben er sterk voorstander van om deze allen te laten vallen onder het regime van uitzenden. Een korte klap, maar wel zo duidelijk voor alle betrokkenen. Om de arbeidsmarkt meer tot rust te laten komen en meer duidelijkheid te geven over hoe er getoetst wordt, ben ik voorstander van een uitleg hoe er omgegaan wordt met de toetsing bij de handhaving: wanneer is er wel dan niet sprake van een arbeidsrelatie die te kwalificeren is als een arbeidsovereenkomst, en wanneer is dat niet het geval, bijvoorbeeld doordat iemand als zelfstandig(e ondernemer) wordt aangemerkt. Dat zou heel goed kunnen door middel van een besluit vergelijkbaar met de tot 1-1-2006 geldende Beleidsregels beoordeling dienstbetrekking. Wat mij betreft een goed hulpmiddel voor alle partijen die te maken hebben met de vormgeving van arbeidsrelaties, of het nu gaat om professionals of leken. Mijn toekomstvisie Je zou je een glijdende schaal kunnen voorstellen van primair een arbeidsovereenkomst op grond van de basisbepalingen uit het arbeidsrecht (artikel 7:610 BW) dan wel een uitzendovereenkomst (artikel 7:690 BW). Vervolgens de gelijkgestelde dienstbetrekking (al dan niet via artikel 7:610a en/of aa BW dan wel een uitvoeringsbesluit). En tot slot een fictieve dienstbetrekking, die als vangnet fungeert voor de arbeidsverhoudingen die niet te vangen zijn via de voorgaande hoofdregels. Wil men niet vallen onder voorgaande regels, dan moet er sprake zijn van iemand die uit hoofde van zelfstandig ondernemerschap werkzaamheden verricht, die ter beoordeling staan. In een dergelijk geval kan een uitzondering op de hiervoor genoemde hoofdregels aan de orde zijn, mits hij voldoet aan de criteria die gelden voor zelfstandig ondernemerschap. Deze criteria dienen dan natuurlijk nader vastgelegd te worden. Voorgaande systematiek en de wijze waarop deze wordt getoetst, zou tot slot uitgelegd moeten worden in (weer) vorm te geven Beleidsregels beoordeling dienstbetrekking. Ik ben benieuwd of voorgaande weerklank krijgt onder dit nieuwe kabinet. Webinar Week 2026 Meer leren over het inhuren van zzp’ers en de nieuwe arbeidsmarktregels? Tijdens de Zipconomy-dag op woensdag 11 maart van de Webinar Week 2026 staat alles in het teken van professionele inhuur. Experts bespreken uiteenlopende onderwerpen: van VMS tooling en het managen van een SoW tot slimmer flex inkopen en het voorkomen van schijnzelfstandigheid bij het inzetten van zzp’ers. Bekijk het programma en meld je aan Geplaatst in ZP en Politiek | Tags belastingdienst, rechtsvermoeden, wet dba, zelfstandigenwet | 15s Reacties
HeadFirst Group benoemt Saskia Kapper tot Director Customer Success Geplaatst 6 maart 2026 door ZiPredactie HR-tech dienstverlener HeadFirst Group heeft per 2 maart 2026 het leiderschapsteam uitgebreid met Saskia Kapper als Director Customer Success. In deze rol wordt zij verantwoordelijk voor het Customer Success-team, inclusief sectorgerichte teams, MSP-operaties, solutions design & implementatie en SOW & services procurement. Kapper richt zich op het verder ontwikkelen van de dienstverlening aan klanten, het versterken van klantrelaties en het leveren van oplossingen die aansluiten bij de behoeften van organisaties. Daarnaast behoudt zij haar rol als voorzitter van de Bovib. Lees ook: HeadFirst Group benoemt Allard van Dam tot Country Manager Nederland Positie versterken De benoeming van Kapper sluit aan bij de strategie van HeadFirst Group om te blijven investeren in leiderschap, klantgerichtheid en technologie. Met een open en schaalbaar platform en een Europese leiderschapsstructuur wil de organisatie haar positie in workforce solutions verder versterken en organisaties ondersteunen bij het effectief organiseren van hun flexibele workforce. Relevante ervaring in HR Kapper brengt meer dan twintig jaar ervaring mee in HR, recruitment en workforce solutions. Ze begon haar carrière bij Randstad en werkte daarna bij StarJob en Tempo-Team, waar zij teams aanstuurde en strategische accounts beheerde. Bij Hero Business Solutions en later Hero Interim Professionals vervulde zij verschillende leiderschapsrollen, waaronder die van Director en Chief Commercial Officer. In deze functies was zij onder meer verantwoordelijk voor commerciële strategie, partnerships en de ontwikkeling van HR-processen. Sinds maart 2024 is Kapper tevens voorzitter van brancheorganisatie Bovib, waar zij zich inzet voor de belangen van intermediairs en brokers in de sector. Deze rol zal ze de komende tijd blijven vervullen. Lees ook: HeadFirst wil terug naar waar het bij een MSP om draait: grip en kostenbesparing Met deze achtergrond maakt Kapper nu de overstap naar HeadFirst Group. “HeadFirst Group biedt een omgeving waarin technologie, HR en dienstverlening samenkomen. Dat maakt het een interessante plek om mijn ervaring in te zetten en verder bij te dragen aan de ontwikkeling van workforce solutions,” aldus Kapper. Geplaatst in Toekomst van Werk | Tags HeadFirst Group | Laat een reactie achter