Joop der Weduwen 6 maart 2026 15 reacties Print Nieuwe bezems in Den Haag: wat betekent dat voor zzp en schijnzelfstandigheid?Met een nieuw kabinet in aantocht lijkt ook het debat over de regulering van zzp-werk en schijnzelfstandigheid opnieuw in beweging te komen. Jurist Joop der Weduwen verkent de eerste signalen en reflecteert op het rechtsvermoeden, de Zelfstandigenwet en mogelijke keuzes voor de arbeidsmarkt.Hoera, er is een nieuw kabinet. Dat is goed nieuws voor Nederland, omdat er weer beleid tot uitvoering gebracht gaat worden (of in elk geval: dat zou kunnen). Natuurlijk buig ik me alleen over het politieke voor zover het mijn vakgebied betreft. Dat is op het terrein van de scheiding tussen het zijn van werknemer of de eventueel als anderszins aan te merken werkende (kortweg zzp’er). Ik maak een inschatting van de voortekenen en waag me ook aan wat observaties en wensen voor het nieuwe kabinet. Eerste tekenen Het kabinet lijkt in elk geval de sturing op de vormgeving van de arbeidsmarkt voortvarend aan te willen pakken. Dat blijkt wel uit het feit dat er twee ministers op dit terrein zijn benoemd (wie dat zijn en hoe de onderlinge taakverdeling er vermoedelijk uitziet, lees dit artikel op Zipconomy). Verder is (waarschijnlijk onder invloed van de komst van het nieuwe kabinet) het gestarte wetgevende traject van de wet Verduidelijking Beoordeling Arbeidsrelaties en Rechtsvermoeden (VBAR) gestaakt (zie ook eerder bericht daarover op Zipconomy). Kortom, het lijkt erop dat we ons kunnen voorbereiden op een actief kabinet op dit terrein. De inhoud van wat er op ons af gaat komen lijkt in grote lijnen ook wel duidelijk. Het lijkt erop (zie ook dit artikel op Zipconomy) dat het rechtsvermoeden (onderdeel van de VBAR) er gaat komen en dat geldt ook voor de Zelfstandigenwet (althans een variant erop). Beide onderdelen zijn natuurlijk nog niet helder qua vormgeving, dus inhoudelijk commentaar lijkt wat voorbarig. Desalniettemin waag ik me toch aan wat bespiegelingen op beide onderdelen. Lees ook: Knip de VBAR in tweeën Rechtsvermoeden In de (ontwerp)wet VBAR werd een rechtsvermoeden geïntroduceerd via een nieuw artikel 7:610 aa BW. Kort gezegd hield dat in dat, als iemand minder dan € 36,- per uur betaald krijgt als hij arbeid voor iemand verricht, vermoed wordt dat die arbeid verricht wordt via een arbeidsovereenkomst. Als dit rechtsvermoeden er komt in de vorm zoals geregeld bij de VBAR, is de vraag wat dit inhoudt voor de arbeidsmarkt. Vooral interessant is wat het effect is bij de handhaving (op afdracht loonbelasting en premies werknemersverzekeringen) door de Belastingdienst wanneer er wel of geen sprake is van een arbeidsovereenkomst. Kijkt of toetst de Belastingdienst ook naar of op dat rechtsvermoeden bij de vraag of iemand aan te merken is als werkend in een arbeidsovereenkomst of als (kortweg) zzp’er? Daar kan ik kort over zijn: nee. De handhaving door de Belastingdienst ziet op de vraag of er sprake is van een arbeidsovereenkomst ingevolge artikel 7:610 BW. De rechtsvermoedens in het BW (zoals nu artikel 7:610a en 610b BW en straks misschien dus 7:610aa BW) werken tussen degene die de arbeid verricht en degene voor wie gewerkt wordt. Kortom, alleen degene die meent beschouwd te moeten worden als werknemer kan gebruikmaken van deze rechtsvermoedens. Deze rechtsvermoedens zijn bedoeld ter bescherming van de werkenden en zijn een hulpmiddel voor hen. Hiermee kan, als naast aan de rechtsvermoedens ook aan de andere elementen van een arbeidsovereenkomst wordt voldaan, door de (dan) werknemer afgedwongen worden dat zijn (arbeids)relatie aangemerkt wordt als een arbeidsovereenkomst (bij 7:610a en 610aa) dan wel de omvang ervan (als het gaat om 7:610b). Rechtsvermoedens niet voor Belastingdienst Het is dus, zoals gezegd, aan de werkende om deze rechtsvermoedens in te roepen. Aan de werkgever is het, als dat gebeurt, om dat vermoeden dan eventueel te weerleggen. Het zijn bepalingen die zich richten op de relatie tussen de werkende en de werkgevende. Deze bepalingen en rechtsvermoedens zijn kortom niet bedoeld voor, en dus niet toepasbaar door, de Belastingdienst. De Belastingdienst toetst nu ook niet aan de huidige rechtsvermoedens, dus als dat anders zou moeten zijn voor het nieuwe rechtsvermoeden, dan moet dat (apart) geregeld worden. Overigens: zijn deze rechtsvermoedens, die al lang bestaan (ingevoerd per wet van 14-5-1998), tot nu toe een succesnummer? Ook daar kan ik kort in zijn: nee, als het gaat om het rechtsvermoeden van het bestaan van een arbeidsrelatie (7:610a). Ja, als het gaat om de omvang van de arbeidsrelatie (7:610b). Dat zeg ik niet omdat ik kan nagaan of er veel van deze situaties (ik heb het dan over de bestaande rechtsvermoedens en natuurlijk niet over het nog in te voeren rechtsvermoeden) zich voordoen dan wel hebben gedaan en of daar daadwerkelijk een beroep op gedaan wordt. Dat is onbekend. Het enige waarom ik kan aangeven dat het geen succesvolle weg is voor de situatie van het bestaan van een arbeidsrelatie (7:610a), is het beperkte aantal gevallen waarin er een beroep op is gedaan (althans volgens de bekende jurisprudentie). Voor het rechtsvermoeden inzake de omvang van de arbeidsrelatie (7:610b) kan gesteld worden dat het wel een succes is, afgemeten aan de hoeveelheid jurisprudentie. Zonder in te gaan op de redenen voor het succes (7:610b) of juist het uitblijven (7:610a) ervan — dat voert wat ver voor dit artikel en is mogelijk ook erg speculatief — kan wel gesteld worden dat de voortekenen niet gunstig zijn dat een nieuw rechtsvermoeden tot een succesvolle dam tegen schijnzelfstandigheid gaat leiden (in de vorm die was voorzien bij de VBAR). In elk geval kan gesteld worden dat het rechtsvermoeden met name een hulpmiddel is voor de werkende om een (mogelijk) recht te claimen. Daaruit mag ook geconcludeerd worden dat de maatregel met name een zelfhulpmiddel is voor werkenden en dat van hen wordt verwacht ermee aan de slag te gaan (oftewel te procederen). Tussen hoop en vrees Waarom wordt er zo gehecht aan dat rechtsvermoeden en lijkt er Kamerbreed steun voor dit middel? Is er sprake van een verblinding en een idée fixe dat het een succesvol middel is, of de hoop dat het dit zou kunnen zijn? Of weet men wel beter en is er misschien een andere reden? Wat in elk geval bekend is, is dat Nederland, als onderdeel van het Nederlandse Herstel- en Veerkrachtplan, toegezegd heeft aan de EU de arbeidsmarkt te hervormen om deze weerbaarder en eerlijker te maken. Deze hervormingen zijn mijlpalen voor de uitbetaling van € 5,4 miljard aan subsidies door de EU aan Nederland. De deadline voor het volledig uitvoeren van die hervormingen is augustus 2026. In het kader van de verschillende hervormingen die worden voorzien is ook toegezegd maatregelen te nemen die leiden tot het verminderen van schijnzelfstandigheid. Misschien meent Nederland met behulp van de invoering van het rechtsvermoeden wel te kunnen voldoen aan de toezegging aan de EU (op het onderdeel terugdringen van schijnzelfstandigheid). Ik heb vraagtekens of dat ook in feite zo zal zijn, maar belangrijker is natuurlijk de vraag of de invoering van het rechtsvermoeden ook als afdoende gezien wordt door de EU. Ik ga er maar vanuit dat men vanuit het Haagse bij de EU heeft nagegaan of dit inderdaad het geval is. Vervolgvraag is of de invoering van het rechtsvermoeden alleen afdoende is. Zoals gezegd: dat waag ik te betwijfelen en dan is invoering van aanpalende maatregelen noodzakelijk. Dat zou natuurlijk de Zelfstandigenwet kunnen zijn. Even los van de vraag of deze wet in het kader van de toezeggingen aan de EU wel op tijd zou kunnen worden gerealiseerd (ik verwacht van niet). Zelfstandigenwet Ook voor deze maatregel schijnt er een meerderheid te vinden te zijn in de Kamer. Waarom is mij niet geheel duidelijk, als het gaat om de wijze van opzet zoals deze in consultatie is gegaan (mijn commentaar op de Zelfstandigenwet houd ik even buiten dit artikel; voor wie het wil lezen: het beslaat 26 pagina’s). Maar hoe dat ook zij, moeten we uitgaan van de realiteit dat dit nieuwe kabinet iets wil neerzetten. Dat zou zomaar een gestroomlijnde versie van de Zelfstandigenwet kunnen zijn. In het kader van de mogelijke stroomlijning doe ik wat suggesties waar men aan zou kunnen denken bij het schaven aan de vorm en opzet van de Zelfstandigenwet en/of het rechtsvermoeden. De eerste suggestie is wat mij betreft de belangrijkste: harmoniseer eindelijk eens de begrippen en kaders in de verschillende wetsgebieden die zien op de sturing op de arbeidsmarkt. Dat houdt in dat de begrippen in het arbeidsrecht, belastingrecht en sociaalverzekeringsrecht op dezelfde manier geduid en gehanteerd worden. Dit zodat er in onderlinge samenhang tot een stelsel gekomen wordt waardoor het voor werkenden, werkgevers en degenen die toezicht houden op de relatie tussen hen of op basis van die relatie heffingen verrichten een logisch en hanteerbaar systeem ontstaat. Nu is daar, ook niet door de Zelfstandigenwet in welke vorm dan ook, echt zicht op. Wat mij betreft een gemiste kans, juist omdat de Hoge Raad (Deliveroo en Uber) de handschoen wel heeft opgenomen en aspecten die niet in het arbeidsrecht een plek hadden, deze wel een plek heeft gegeven bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van een arbeidsovereenkomst. Kort gezegd door zelfstandig ondernemerschap als relevant gegeven voor duiding van een arbeidsrelatie aan te merken, terwijl de wet(sgeschiedenis) daar geen ruimte voor leek te bieden. Regelingen harmoniseren De tweede suggestie is om, als er gekeken wordt naar harmonisatie, zoveel mogelijk alle relevante regelingen die er zijn binnen de verschillende wetsgebieden in kaart te brengen en op elkaar te laten aansluiten. Het voert wat ver om al deze regelingen te noemen (daarvoor zijn er voldoende Haagse ambtenaren die dat zouden kunnen). Hierbij is mijn insteek dat, als iets werkt, men dat vooral moet eerbiedigen, maar daar waar het niet werkt of waar steken doorvallen (mogelijk sprake van misbruik) dan wel onvoldoende aansluit bij regelingen uit de andere wetsgebieden, men dat moet herstellen. Om wat regelingen te noemen die wat mij betreft in het kader van harmonisatie betrokken zouden moeten worden in de mix, noem ik er een paar, met wat aanbevelingen om deze te behouden en/of te verbeteren. De gelijkgestelde dienstbetrekking (Besluit aanwijzing gevallen waarin een arbeidsverhouding als dienstbetrekking wordt beschouwd; Besluit van 24-12-1986, Stb. 1986, 655, maar ook Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965, Besluit van 17 mei 1965, houdende uitvoering van de Wet op de loonbelasting 1964) kan zeer goed betrokken en gebruikt worden om hetzelfde te bewerkstelligen als via het rechtsvermoeden. In het besluit wordt onder meer (artikel 5) kort gezegd geregeld dat voor degene die persoonlijk arbeid verricht op doorgaans ten minste twee dagen per week, gedurende ten minste dertig dagen en voor veertig procent van het minimumloon, deze werkzaamheden als dienstbetrekking aangemerkt worden. Sinds 1-1-2002 geldt dat deze bepaling buiten werking gezet kan worden door middel van een schriftelijke overeenkomst. Om enig realiteitsgehalte te hebben qua toetsing, dient dit dan natuurlijk weer te vervallen. Het besluit kent ook een bepaling (artikel 8) dat dit besluit voor degene die als zelfstandige aan te merken is, niet van toepassing is. Het uitvoeringsbesluit loonbelasting is grotendeels gelijkluidend, behoudens dat er geen regeling is ten aanzien van zelfstandigheid. Schemergebieden oplossen: duidelijkheid over zelfstandigheid Door te handhaven op dit besluit en het uitvoeringsbesluit zouden veel situaties die nu als schemergebied gelden voor het arbeidsrecht kunnen worden ondervangen. Wel zou het wenselijk zijn dat zelfstandigheid, zoals in het besluit aangeduid, wat meer vorm krijgt, bijvoorbeeld door een nadere definitie en, wat mij betreft, ook een koppeling naar het ondernemersbegrip (‘winst uit onderneming’) van de fiscale wetgeving. Dit zou dan goed kunnen aansluiten op de uitspraken van de Hoge Raad. Voorgaande kan gebeuren door het aanpassen van het besluit en het uitvoeringsbesluit, of door harmonisatie waarbij slechts één van beide overblijft. Een andere optie is om (onderdelen van) het besluit c.q. uitvoeringsbesluit te gebruiken bij een aanpassing van het arbeidsrecht (Zelfstandigenwet), dan wel een uitvoeringsbesluit onderliggend aan het arbeidsrecht, die beide andere besluiten zou vervangen. Een andere aanbeveling is om de fictieve dienstbetrekking uit de fiscale wetgeving ook te betrekken bij de harmonisatie. Denk daarbij aan de opting-inregeling (voor meer inzicht zie dit artikel op Zipconomy). Het vrijblijvende kiezen voor deze regeling, terwijl gegeven de omvang en duur van de werkzaamheden er duidelijk geen sprake is van situaties die hieronder vallen, zou aan banden gelegd moeten worden. Dat kan door deze fictieve dienstbetrekking gelijk te schakelen aan de gelijkgestelde dienstbetrekking. Een andere optie is om de handhaving op de afgifte van de opting-inverklaring strikt vorm te geven. Dat kan ondersteund worden door sancties te leggen op misbruik van deze regeling. Eén regime van uitzenden Verder zou ik sterk voorstander zijn van het laten verdwijnen van de verschillende behandeling van allerlei vormen van terbeschikkingstelling, uitlenen of detacheren van werknemers. Er zijn zoveel verschijningsvormen op de markt, dat het niet doenlijk is ze allemaal te noemen. Wat mij betreft alleen maar ruis, en ik ben er sterk voorstander van om deze allen te laten vallen onder het regime van uitzenden. Een korte klap, maar wel zo duidelijk voor alle betrokkenen. Om de arbeidsmarkt meer tot rust te laten komen en meer duidelijkheid te geven over hoe er getoetst wordt, ben ik voorstander van een uitleg hoe er omgegaan wordt met de toetsing bij de handhaving: wanneer is er wel dan niet sprake van een arbeidsrelatie die te kwalificeren is als een arbeidsovereenkomst, en wanneer is dat niet het geval, bijvoorbeeld doordat iemand als zelfstandig(e ondernemer) wordt aangemerkt. Dat zou heel goed kunnen door middel van een besluit vergelijkbaar met de tot 1-1-2006 geldende Beleidsregels beoordeling dienstbetrekking. Wat mij betreft een goed hulpmiddel voor alle partijen die te maken hebben met de vormgeving van arbeidsrelaties, of het nu gaat om professionals of leken. Mijn toekomstvisie Je zou je een glijdende schaal kunnen voorstellen van primair een arbeidsovereenkomst op grond van de basisbepalingen uit het arbeidsrecht (artikel 7:610 BW) dan wel een uitzendovereenkomst (artikel 7:690 BW). Vervolgens de gelijkgestelde dienstbetrekking (al dan niet via artikel 7:610a en/of aa BW dan wel een uitvoeringsbesluit). En tot slot een fictieve dienstbetrekking, die als vangnet fungeert voor de arbeidsverhoudingen die niet te vangen zijn via de voorgaande hoofdregels. Wil men niet vallen onder voorgaande regels, dan moet er sprake zijn van iemand die uit hoofde van zelfstandig ondernemerschap werkzaamheden verricht, die ter beoordeling staan. In een dergelijk geval kan een uitzondering op de hiervoor genoemde hoofdregels aan de orde zijn, mits hij voldoet aan de criteria die gelden voor zelfstandig ondernemerschap. Deze criteria dienen dan natuurlijk nader vastgelegd te worden. Voorgaande systematiek en de wijze waarop deze wordt getoetst, zou tot slot uitgelegd moeten worden in (weer) vorm te geven Beleidsregels beoordeling dienstbetrekking. Ik ben benieuwd of voorgaande weerklank krijgt onder dit nieuwe kabinet. Webinar Week 2026 Meer leren over het inhuren van zzp’ers en de nieuwe arbeidsmarktregels? Tijdens de Zipconomy-dag op woensdag 11 maart van de Webinar Week 2026 staat alles in het teken van professionele inhuur. Experts bespreken uiteenlopende onderwerpen: van VMS tooling en het managen van een SoW tot slimmer flex inkopen en het voorkomen van schijnzelfstandigheid bij het inzetten van zzp’ers. Bekijk het programma en meld je aan belastingdienst, rechtsvermoeden, wet dba, zelfstandigenwet Print Over de auteur Over Joop der Weduwen Mr. drs. Joop (A.M.) der Weduwen is juridisch adviseur en auteur van het boek ‘Vogelvrij verklaard. Het arbeidsrecht van de zzp-er. Hoe en waarom de freelancer verdwijnt.’ Met zijn bedrijf Juridisch Eerste Hulp Bij Ondernemen helpt hij ondernemers, met praktisch juridisch advies. Hij houdt van een heldere structuur om in samen te werken en gunt dat iedereen. Geen ‘gedoe’, maar weten waar je aan toe bent. Vooral voor freelancers en hun opdrachtgevers een uitdaging. Hij heeft in zijn hele carrière te maken gehad met beoordeling van arbeidsrelaties. Startend in de jaren ’80 met beoordelen en procederen daarover. Hierna in de jaren ’90 heeft hij aan de wieg gestaan van zelfstandigheids besluiten en is hij begin deze eeuw betrokken geweest bij de tot stand koming van de eerste versie van de Verklaring Arbeids Relatie. Nu schrijft en blogt hij over dit onderwerp en geeft geregeld presentaties hierover. Bekijk alle berichten van Joop der Weduwen
Begrijpelijke standpunten vanuit het bestaande kader, maar met als uitkomst een glijdende schaal, waar de markt behoefte heeft aan een duidelijke ja/Nee optie. Lastig hoor, want de toetsingswijze van 7:610 BW biedt die mogelijkheid door haar opzet niet. Beantwoorden
Dag Martin, Dank voor je opmerkingen. Naar mijn idee is er voldoende mogelijkheid voor een ja/nee optie. De glijdende schaal, is naar mijn idee ondersteunend aan die ja/nee. Als onvoldoende duidelijk is dat er (duidelijk) geen sprake is van een arbeidsovereenkomst, dan is er met behulp van die glijdende schaal op een of andere manier sprake van het vallen (in het vangnet van) de arbeidsovereenkomst. Beantwoorden
Interessant artikel, dank Joop. Kleine aanvulling: de tariefgrens voor het rechtsvermoeden stond op €36 (peildatum 1-1-2025) en ligt door indexatie inmiddels op €38. Ik ben benieuwd hoe jij kijkt naar een vervolgstap daarop. Als je toch met een tariefdrempel werkt, waarom dan niet meteen sectorale schijven per beroep, gebaseerd op realistische declarabele uren en kosten? Dat zou vooraf meer zekerheid kunnen geven, en het helpt ook om armoede aan de onderkant en oneerlijke concurrentie tussen loondienst en zzp te beperken. Er zijn bovendien beroepen die door hun aard meestal als zzp worden gedaan, óók wanneer tarieven ver onder die €38 liggen. Hoe bied je die beroepen bescherming zonder ze automatisch richting loondienst te duwen? Juist daarom lijkt een simpele, vooraf te toetsen systematiek (liefst ook voor niet-juristen begrijpelijk) mij belangrijker dan een steeds complexere juridische beoordeling achteraf. Dit geef je zelf ook aan. Een sectorspecifieke realistische uurtarief ondergrens kan naar mijn idee die duidelijkheid geven. Mijn voorstel staat hier: https://www.zipconomy.nl/2026/02/eerlijke-minimumtarieven-voor-zelfstandigen-met-schijven-per-beroep/ Benieuwd hoe jij daar naar kijkt. Beantwoorden
Beste Willem, Dank voor de aanvulling inzake het tarief. Betaling onder het tarief zoals hier aan de orde, kan inderdaad in bepaalde sectoren als een marktconforme betaling gezien worden (voor zowel werknemer, als zelfstandige). Dat een zelfstandige genoegen neemt (of moet nemen) met een bepaalde tarief hoogte, hoeft geen belemmering te zijn, wat mij betreft om hem/haar als zelfstandige aan te merken. Dat lijkt me marktwerking. Ik ben niet voorstander van een wirwar aan tariefstellingen gegeven de aard van de werkzaamheden, de persoon of de sector waarin gewerkt wordt. Het gaat wat mij betreft om een maatregel die de bedoeling heeft om de kwetsbare werknemer te beschermen (los van de vraag of je daarmee eens bent) en het hem/haar makkelijker te maken om een arbeidsovereenkomst te claimen. De tariefstelling is daarbij slechts van beperkt belang, omdat niet louter op tarief het oordeel geveld, zou moeten worden of de werkzaamheden als werknemer verricht worden (dus aangemerkt moeten worden als verricht in een dienstbetrekking). In jouw zeer interessante artikel met mooie onderbouwing, geef je allerlei overwegingen, waarbij ik me echter voor wat betreft jouw laatste conclusie, namelijk “een ondergrens waarmee werken loont, ongeacht de sector”, ik me afvraag of dit wel echt de overweging is voor de politiek, bij het omarmen van het rechtsvermoeden en belangrijker of dat rechtsvermoeden daaraan bijdraagt. Beantwoorden
Dank voor je reactie Joop. Ik ben het eens met het idee om een maatregel in te voeren die kwetsbare werkenden beschermt. In loondienst bestaat daarvoor een heel stelsel aan cao’s en vangnetten, maar voor zzp’ers is die bescherming nog steeds ondermaats. Gevolg: zzp’ers lopen ruim twee keer zo veel risico op armoede als werknemers. De Tweede Kamer nam op 26 februari 2026 een motie van Mirjam Bikker (CU) c.s. aan die het kabinet oproept om ervoor te zorgen dat armoede in deze kabinetsperiode afneemt. Dan lijkt het mij logisch om zzp’ers ook beter te beschermen. De SER wilde in het MLT-advies (2021) met een tariefdrempel de kwetsbare onderkant beschermen via een rechtsvermoeden van werknemerschap, zodat de bewijslast verschuift naar de opdrachtgever. Er staat letterlijk: “Daarom (onder een tariefgrens) dient altijd een rechtsvermoeden van werknemerschap te gelden.” Alleen laat de rechtspraak inmiddels zien dat een laag tarief op zichzelf niet beslissend is: de kwalificatie hangt af van een integrale weging van alle omstandigheden. En omdat zo’n rechtsvermoeden vooral werkt als de werkende het zelf inroept (en desnoods procedeert), levert het in de praktijk niet de bescherming op die door de SER werd beoogd. Een zzp’er kan dus ook bij lagere tarieven ondernemer zijn. Dan is bescherming ver te zoeken. Je kunt dat marktwerking noemen, maar marktwerking kan ook armoede veroorzaken in sectoren waar het structureel hapert; daar schreef ik eerder dit over: https://www.zipconomy.nl/2026/02/marktwerking-waarom-het-in-sommige-sectoren-hapert-voor-zzpers/ Als je armoede echt wilt voorkomen, zal de overheid dus meer moeten doen richting bescherming van zzp’ers. Het idee achter het rechtsvermoeden steun ik, maar de huidige uitvoering niet. Met één generieke ondergrens kun je onmogelijk alle soorten zzp’ers passend beschermen. Bovendien zijn er beroepen die vrijwel altijd als zzp worden gedaan; die kunnen in de praktijk nooit leunen op een rechtsvermoeden, ook niet als tarieven tussen 20 en 35 euro liggen. Daarom pleit ik voor een beperkt aantal sectorale schijven/bandbreedtes die vooraf helder zijn en aansluiten op de economische realiteit. Dan kan werken lonen, ongeacht de sector. Ik hoop dat er een tariefinstrument komt dat écht bescherming kan bieden aan zzp’ers; mijn idee (https://www.zipconomy.nl/2026/02/eerlijke-minimumtarieven-voor-zelfstandigen-met-schijven-per-beroep/ ) komt daar een stuk dichter bij dan de huidige maatregelen. Beantwoorden
Ze zien nu dat de zzp’ers minder belasting betalen bij 40% minder opdrachten kunnen we toch overleven maar de productieve tijd loopt dus terug. En de rekensom is 6 miljard minder inkomsten. Per jaar Reken ik nog voorzichtig 1,2 miljoen zzp ere. 35% te betalen over 50 euro Beantwoorden
Beste Mh, Dank voor je bericht. Als je rekensom klopt, opleverend 6 miljard aan minder inkomsten, dan is dat natuurlijk zorgelijk. Vraag is wel waar dit resultaat op gebaseerd is. Alleen op invoeren van het rechtsvermoeden? Mij niet geheel duidelijk. Vriendelijke groet, Joop der Weduwen. Beantwoorden
Het lijkt erop dat de maatregelen tegen schijnzelfstandigheid vooral de zzp’er raken die zijn werk eerlijk en transparant als ondernemer uitvoert. Niet de partijen die bewust constructies gebruiken om regels te omzeilen. Wie het systeem wil misbruiken verdwijnt namelijk niet door nieuwe regels, maar wijkt uit naar andere constructies. Denk aan uitzend- en detacheringsbureaus, vaak in het buitenland gevestigd, die werknemers vervolgens in Nederland laten werken. Juist daar zien we nu al dat toezicht en handhaving veel lastiger zijn. Zo ontstaat een scheve situatie: de zelfstandige die netjes belasting betaalt en open werkt krijgt meer regels en onzekerheid, terwijl constructies die moeilijker te controleren zijn buiten beeld blijven of zich eenvoudig aanpassen. Daarbij valt nog iets op. De huidige plannen om misbruik van zzp-constructies aan te pakken lijken niet alleen de bonafide detacherings- en uitzendbureaus meer ruimte te geven, maar kunnen juist ook de malafide bureaus stimuleren. Wanneer het voor bedrijven risicovoller wordt om rechtstreeks met zelfstandigen te werken, ontstaat er automatisch meer vraag naar tussenpartijen. En precies in die markt zitten niet alleen nette bureaus, maar ook partijen die de grenzen van wet- en regelgeving opzoeken of daar bewust overheen gaan. Zo zie ik ook bij de zogenoemde welwillende detacherings- en uitzendbureaus een punt van discussie. Zij rekenen vaak een aanzienlijke marge, die uiteindelijk ten koste gaat van de werkende. Het systeem verschuift daarmee van zelfstandigheid naar tussenhandel, waarbij een deel van de opbrengst niet bij de werkende zelf terechtkomt. Nederland heeft richting de EU toezeggingen gedaan om schijnzelfstandigheid terug te dringen, gekoppeld aan miljarden aan subsidies. Wanneer dat niet lukt, bestaat het risico dat die subsidies moeten worden terugbetaald. En dat staat ook niet fijn op je cv. De keuze lijkt dan snel gemaakt. Het aanpakken van complexe, internationale en soms malafide constructies kost niet alleen tijd en capaciteit, het brengt ook risico’s met zich mee en vraagt op zijn minst lef. Regels aanscherpen voor de zichtbare groep zzp’ers levert daarentegen sneller aantoonbaar resultaat op en is daarmee de weg van de minste weerstand. Beantwoorden
Beste Johan, Dank voor je reactie. Dat er wat gedaan moet worden aan de ongebreidelde groei van de tussenlagen (detacheren, inleen, uitleen), ben ik met je eens. Zie de visie daarop in mijn stuk. Of de maatregelen tegen deze branche ter voorkoming van malafide constructies voldoende zullen zijn (WTTA) daar heb ik me niet over uitgelaten, maar jouw scepsis deel ik. Vriendelijke groet, Joop der Weduwen. Beantwoorden
Wat ik hier jammer aan vind. Dat ik straks ruim 10 euro per uur meer moet vragen aan de klant omdat ik anders niemand meer kan sturen. De overheid vergeet ons kleine ondernemers die te weining werk hebben voor vast personeel. En dus soms andere zzpers inhuren. In mijn geval zal dus de klant de dupe worden(als ze het niet kunnen betalen,omat die sector al slecht loopt) maakt de nieuwe regeling meer kapot. Dan beter en duidelijker voor de bedrijven. Beantwoorden
Dag Remco, Ik meen dat dat niet nodig is, mits je werkt met een bonafide en boven twijfel verheven zelfstandig ondernemer, die als zodanig voor jou (en/of voor de opdrachtgever) werkt. Als het tarief marktconform is en beneden die grens van het rechtsvermoeden ligt is er niet automatisch sprake van een arbeidsovereenkomst en dus een werknemer. Ook dan nog moet uit alle omstandigheden van het geval blijken dat dat zo is. ook al kan de werkende bij een laag tarief het rechtsvermoeden inroepen, is tegenbewijs altijd mogelijk. Dus goede vormgeving van de relatie en met de juiste werkenden, kan ook dan nog steeds. Vriendelijke groet, Joop der Weduwen Beantwoorden
Nee laten we het allemaal nog bureaucratischer en complexer maken met zijn allen. Een ondernemer heeft een eigen verankering in de wet nodig en moet niet aan de hand van de arbeidsrecht wet getoetst worden. Dat is nou juist het probleem dat eenieder in keurslijf van het arbeidsrecht wordt gedrukt. Daar komt de complexiteit vandaan. En daar zit de oplossing dus ook niet. Het moet duidelijk zijn, geen criteria zoals inbedding en dat soort zaken. Daarmee krijg je dat categorisch ZZP in veel sectoren uitgesloten wordt. Piek en Ziek is dan onmogelijk door een ZZP-er in te vullen. In de zorg is het in elk geval een ramp. Het is verschrikkelijk en onmenselijk wat er gebeurd door tekorten en ZZP-ers categorisch uit te sluiten. In de bouw werken veel ZZP-ers, de overheid die dit frustreert. Waar gaat het toch over jongens. Men is aan het werk, betaald belasting. Zit niet aan het staatsinfuus, nee laten we die werkende even hard aanpakken. Beantwoorden
Dag Mautice, Dank voor je bericht, volgens mij een hartekreet. Ik weet niet of je opmerking over nog ingewikkelder en bureaucratischer ziet op mijn voorstellen, maar als dat zo is, dan is dat jammer. Mijn insteek is juist het ontwarren van de knopen en het eenduidiger en vooral inzichtelijker maken. Dat er een grens is/bestaat tussen werken als werknemer en degene niet als zodanig werkt, lijkt me duidelijk. Dat deze grens op een of andere manier inzichtelijk gemaakt moet worden is volgens mij in ieders belang. De vraag is of de huidige situatie daarin voldoende is en belangrijker of de toekomstige maatregelen daarbij behulpzaam zijn. Daar zagen mijn opmerkingen en aanbevelingen op. Is dat een geruststelling voor jou of voor anderen die daarmee bezig zijn? Misschien niet. Zelfs als er meer helderheid komt over de grens tussen het een (werknemer) en het andere (werken vanuit zelfstandig ondernemerschap), dan zal dat voor een heleboel mensen nog steeds lastige materie zijn. Daarbij zullen er ook mensen zijn die leven van die onduidelijkheid en de angst over de afbakening tussen het een en het ander aanjagen. Omdat zij niet beter weten of soms ook omdat het een verdienmodel is. Daarbij is natuurlijk enige deskundigheid wel handig. Je opmerking over de zorg kan ik in dit licht bezien dan ook volgen. Een oplossing is daar wel voorhanden: zorg voor meer deskundigheid en ook eenduidige berichtgeving over dit onderwerp vanuit de overheid. Daar kan nog veel meer over gezegd worden, maar daar laat ik het hier even bij. Sterkte in jouw werkveld. Joop der Weduwen. Beantwoorden
Dank voor deze degelijke analyse mijnheer Der Weduwen en mooi dat er wordt gerefereerd aan de gelijkgesteldenregeling/fictieve dienstbetrekking. Dat onderdeel werd ook vergeten bij het vervallen van de Wet uitbreiding rechtsgevolgen VAR door de Wet DBA en de inzet van (sector)modelovereenkomsten en de vrijstelling voor de inhoudingsplicht Loonheffingen in 2016. De optie om het ontstaan van zo’n fictie uit te sluiten was natuurlijk ook reparatiewetgeving … Wanneer die optie zou komen te vervallen, dan hoort daar wel bij dat het fiscaal ondernemerschap ex ante wordt vastgesteld en niet ex post nog eens ter discussie kan worden gesteld. Dat was immers in 20216 het geval, waardoor arbeidsrelaties na een maandje kwalificeerden als fictieve dienstbetrekking… Beantwoorden
Geachte heer Korver, beste Harry, dank voor je opmerkingen. Ten aanzien van ex ante c.q. ex post beoordelen van het fiscaal ondernemerschap, kan ik helaas niet met je instemmen. Allereerst is het zo, dat fiscaal ondernemerschap op zich al niet een eenduidig begrip is. Zo kent de inkomstenbelasting en de omzetbelasting ieder een eigen definitie van (fiscaal) ondernemerschap. De regel is in het algemeen wel, dat als je (fiscaal) ondernemer bent voor de inkomstenbelasting, je dat ook bent voor de omzetbelasting, maar (helaas) andersom is dat niet zo maar het geval. Ten tweede is het zo, dat bij het werken voor anderen enerzijds de arbeidsrelatie een rol speelt, maar anderzijds ook de wijze waarop de verdiensten uit die arbeidsrelatie worden aangemerkt in het licht van het (fiscaal) ondernemerschap. Ik licht dat toe. Hierbij spelen twee elementen een rol. De eerste is de kwalificatie van de arbeidsrelatie. Primair gebeurd dat op basis van het arbeidsrecht. Hierbij kan (fiscaal) ondernemerschap een rol spelen, maar deze rol hoeft op zich niet doorslaggevend te zijn. Immers het gaat erom dat de ondernemer zich ook in de arbeidsrelatie die ter beoordeling staat, zich als zelfstandig ondernemer gedraagt. Het enkele feit dat hij overigens (fiscaal) ondernemer is, is daarvoor onvoldoende. Een zelfstandig gevestigd (fiscaal) ondernemer kan ook heel goed (naast of tijdelijk in zijn geheel) werkzaam zijn als werknemer. Dat werken als werknemer, hoeft geen afbreuk te doen aan zijn fiscaal ondernemerschap. Ten tweede en voortbordurend op de laatste opmerking (werken als werknemer hoeft geen afbreuk te doen aan ondernemerschap) geldt, dat iemand die werkzaam is als (fiscaal) ondernemer ook inkomsten die hij als werknemer verwerft binnen zijn (fiscale) ondernemerschap kan brengen. Dat heet absorptie. Dat kan aan de orde zijn als de werkzaamheden in dienstbetrekking, in nauw verband staan met die in de onderneming en in het geheel van de ondernemingsactiviteiten een ondergeschikte plaats innemen. Kortom alleen de beoordeling vooraf dat er sprake is van een (fiscaal) ondernemerschap zal op zichzelf niet afdoende zijn om duidelijkheid te bieden bij de kwalificatie vraag voor de te beoordelen arbeidsrelatie. Tenzij we dat gaan regelen. Leuker kan ik het niet maken. Beantwoorden
video highlight - Minister Aartsen: “Mijn doel is dat we het over vier jaar niet meer over zzp’ers hoeven te hebbe...