Europese Raad geeft definitief groen licht voor EU-talentplatform voor werkzoekenden van buiten de EU Geplaatst 31 maart 2026 door ZiPredactie Op 30 maart jl. heeft de Raad definitief groen licht gegeven voor een verordening tot instelling van een EU-talentpool, een nieuw platform dat werkzoekenden van buiten de EU in contact brengt met werkgevers in de EU. Dit digitale EU-platform zal internationale werving vergemakkelijken in sectoren waar EU-lidstaten te kampen hebben met een tekort aan arbeidskrachten, door vacatures te koppelen aan de profielen van werkzoekenden van buiten de EU die buiten de EU wonen. Lees ook: Minder Europese arbeidsmigranten willen naar Nederland “De EU-talentpool zal helpen bij het aanpakken van het tekort aan arbeidskrachten in heel Europa. Het zal het concurrentievermogen van de EU versterken door werkgevers gemakkelijker toegang te geven tot werkzoekenden van buiten de EU die over de vaardigheden beschikken die zij nodig hebben,” aldus Nicholas Ioannides, Cypriotisch viceminister van Migratie en Internationale Bescherming. Ondersteuning voor werkzoekenden buiten de EU Het platform staat open voor werkzoekenden van buiten de EU met relevante vaardigheden en biedt duidelijke informatie over het wervingsproces en informeert kandidaten over hun rechten, met name met betrekking tot eerlijke werving en fatsoenlijke arbeidsomstandigheden. Het bevat ook waarborgen om arbeidsuitbuiting te voorkomen. Werkzoekenden van buiten de EU die via de EU-talentpool een baan aangeboden krijgen, zullen nationale immigratieprocedures moeten doorlopen om een verblijfs- en werkvergunning te verkrijgen. Het platform zal informatie verstrekken over deze procedures, met inbegrip van de voorwaarden waaraan moet worden voldaan. Deelname aan de EU-talentpool is vrijwillig voor de lidstaten. Het voormalige Kabinet Schoof voelde weinig voor Nederlandse deelname aan dit initiatief. Lees ook: Vakkrachtenregeling voor werknemers buiten EU verdeelt coalitie De Commissie gaat nu het platform ontwikkelen, dat naar verwachting in 2027 volledig operationeel zal zijn. Geplaatst in Professioneel inhuren | Tags EU, talentplatform | Laat een reactie achter
‘Veel MSP’s/brokers spelen met andermans geld, en dat is moreel verwerpelijk’ Geplaatst 31 maart 2026 door Mariëtte Wendrich De recente ontwikkelingen maken opdrachtgevers bewuster van de financiële kant van MSP-dienstverlening en de grote geldstromen die daarmee gemoeid zijn. Dat is een positieve ontwikkeling. Risico’s van constructies zoals factoring (zie kader) komen hierdoor nadrukkelijker aan het licht, wat bijdraagt aan een meer volwassen markt. Opdrachtgevers verdiepen zich beter en komen daardoor sneller uit bij partijen die hun zaken op orde hebben. Tegelijkertijd is de situatie zorgwekkend. Negatieve berichtgeving over MSP’s en brokers schaadt het vertrouwen in de gehele sector. En het is geen incident: verhalen over partijen die hun betalingsverplichtingen niet nakomen, doen al langer de ronde. Lees ook: OneStopSourcing krijgt uitstel van betaling. Deel bureaus en zzp’ers wachten nog steeds op hun geld. Aanbestedingen onder kostprijs Een belangrijke oorzaak van financiële problemen is de toenemende druk op tarieven bij aanbestedingen. Opdrachtgevers sturen steeds vaker op de laagste prijs, waardoor marges onder druk komen te staan. Er ontstaat een punt waarop tarieven simpelweg niet meer realistisch zijn. Bij Flextender schrijven we niet in op aanbestedingen waarbij de marge onder de € 1,50 ligt. In de praktijk zijn dit schijntarieven. Wat je ziet is dat partijen met lage tarieven inschrijven en vervolgens hun marge elders compenseren, bijvoorbeeld door eigen kandidaten met voorrang te plaatsen (margestapeling). Dit gebeurt regelmatig bij aanbestedende organisaties die onvoldoende inzicht hebben in het marktmodel. Een andere route is dat partijen de kasstromen anders laten renderen. Wie onder kostprijs inschrijft, moet immers ergens anders zijn geld verdienen. Een broker is geen bank Eerder schreven Rob de Laat en Wouter Waaijenberg op ZiPconomy al dat MSP’s en brokers zich niet als bank moeten gedragen. Toch blijkt dat in de praktijk verleidelijk, gezien de omvang van de geldstromen. En dit speelt in de hele markt, ook bij grote spelers. Er wordt geld verdiend met geld dat niet van hen is, bijvoorbeeld via factoring. Hoewel factoring op zichzelf een legitiem financieel instrument is, wordt het problematisch wanneer het structureel onderdeel wordt van het verdienmodel. Misschien is het tijd dat opdrachtgevers hier expliciet eisen aan stellen, bijvoorbeeld door factoring uit te sluiten in aanbestedingen. In de kern is het namelijk niet nodig. Je kunt als MSP/broker ook duidelijk maken dat je geen voorfinanciering doet. Zodra je dat wel doet, neem je feitelijk een bankfunctie op je, en dat is een rol die je niet zou moeten willen. Wat is factoring? Soms betaalt een broker leveranciers of zzp’ers voordat hij zelf wordt betaald door de opdrachtgever. Dit kan leiden tot een tijdelijk liquiditeitstekort. Factoring biedt dan uitkomst: openstaande facturen worden verkocht of verpand aan een factoringmaatschappij. Volgens Marc Nijhuis (W&RK Advies) is factoring op zichzelf een gangbaar instrument om werkkapitaal te financieren. “Het wordt pas risicovol wanneer het geld voor andere doeleinden wordt gebruikt.” Thijs Maters (Quest4) is kritischer en vergelijkt factoring met het afsluiten van een hypotheek op het huis van de buurman, zonder diens medeweten of toestemming. “Als het misgaat, is de buurman de dupe.” Lees ook: Factoring door brokers leidt tot grote financiële risico’s in de inhuurmarkt Altijd op tijd betalen Voor ons is het uitgangspunt helder: leveranciers en zzp’ers worden altijd op tijd betaald. Naast compliance is dit een morele kwestie. Iedereen werkt voor zijn geld en heeft verplichtingen. Het is niet juist om met dat geld te speculeren of er winst op te maken. Toch lijkt dit in de markt steeds normaler te worden. Wij doen daar niet aan mee. En uiteindelijk geldt: wie lang genoeg normaal doet, wordt vanzelf bijzonder. Ons betalingsbeleid is gebaseerd op twee principes: We spreken een betalingstermijn af van 30-35 dagen. Worden wij eerder betaald door de opdrachtgever, dan keren we niet later uit om rentevoordeel te behalen, maar betalen we binnen twee dagen (verwerkingstijd). We hanteren het pay-when-paid-principe: zodra wij betaald worden, betalen wij direct de leveranciers en zzp’ers. Waar veel partijen zich primair richten op de opdrachtgever, beschouwen wij leveranciers en zzp’ers als gelijkwaardig. Zonder hen is er immers geen dienstverlening. Lees ook: MSP’s en brokers als bank: stop ermee Transparantie in betalingsgedrag Positief is dat in vrijwel elke recente aanbesteding expliciet wordt gevraagd naar een betrouwbare betalingspartner. Dit biedt ruimte voor ons om onderscheid te maken. Opdrachtgevers kunnen dit toetsen door MSP’s en brokers te vragen hun betalingshistorie inzichtelijk te maken. Wij kunnen dat dankzij ons eigen Vendor Management System (VMS), waarin het volledige proces — van inhuur tot betaling — wordt vastgelegd. Deze data, inclusief daadwerkelijke betaalmomenten, kunnen wij transparant delen. Dat opdrachtgevers hier steeds vaker om vragen, is een belangrijke én gezonde ontwikkeling voor de markt. Geplaatst in Professioneel inhuren | Tags broker, factoring, flextender, MSP | 3s Reacties
Evaluatie Wet Arbeidsmarkt in Balans: wet heeft flexwerk nauwelijks teruggedrongen Geplaatst 30 maart 2026 door ZiPredactie De Wet arbeidsmarkt in balans (Wab) heeft er niet voor gezorgd dat werkgevers minder gebruikmaken van flexibele arbeid. Dat blijkt uit onderzoeken van Regioplan naar de werking van de wet. De belangrijkste conclusie: de kosten- en risicoverschillen tussen vaste en flexibele contracten zijn nauwelijks verkleind, en het vaste contract is voor werkgevers niet aantrekkelijker geworden. Minister Vijlbrief van Sociale Zaken en Werkgelegenheid noemt de beperkte effecten van de Wab in een reactie ‘niet verontrustend’. Hij wijst erop dat de regering zich bij de invoering al bewust was dat de wet geen grote verschuivingen op de arbeidsmarkt zou veroorzaken. De Wab was bedoeld als een eerste stap in de goede richting, aldus de minister. Volgende week behandelt de Tweede Kamer de Wet meer zekerheid flexwerkers, een nieuwe wet gericht op het verder beperken van flex. Zo wordt de uitzendduur verkort, worden de kosten verhoogd en wordt het oproepcontract afgeschaft. Uit onderzoek van werkgeversorganisatie AWVN blijkt dat werkgevers opzien tegen de oplopende kosten van flex, terwijl maatregelen om het vaste contract minder vast en star te maken uitblijven. Flexibele arbeid: werkgevers vinden andere wegen De maatregelen rondom flexibele arbeid — waaronder de verruiming van de ketenbepaling, strengere regels voor oproepkrachten en aanpassingen voor payrollwerknemers — hebben volgens een onderzoek van Regioplan weinig tot geen invloed gehad op de contractkeuzes van werkgevers. Die keuzes worden nog altijd bepaald door de aard van het werk, krapte op de arbeidsmarkt en de behoefte aan flexibiliteit. Niet door de Wab. De verruiming van de ketenbepaling van twee naar drie jaar geeft werkgevers juist méér ruimte om tijdelijke contracten aan te bieden. Een deel van de werkgevers gebruikt die ruimte om langer te toetsen of iemand functioneert; andere werkgevers — vooral in sectoren met fluctuerende vraag — gebruiken de extra ruimte om flexibel te blijven. Het gevolg: werknemers stromen later door naar een vast contract, niet eerder. Bij oproepkrachten blijken werkgevers in de praktijk creatieve oplossingen te vinden om de strengere regels te omzeilen. Veel werkgevers houden zich niet strikt aan de oproep- en afzegtermijn van vier dagen, of maken onderling afspraken met werknemers. Werknemers zijn vaak slecht op de hoogte van hun rechten, of durven die niet op te eisen uit angst hun werkrelatie te beschadigen. Het jaarlijkse aanbod voor een vaste arbeidsomvang wordt door een groot deel van de oproepkrachten niet geaccepteerd — vaak omdat het gaat om studenten of gepensioneerden die juist flexibiliteit zoeken. Payrollsector flink gekrompen De payrollsector is wel stevig geraakt door de Wab. Payroll is duurder geworden en het aantal payrollorganisaties is afgenomen. Maar dat heeft niet geleid tot meer vaste contracten: werkgevers zijn overgestapt naar andere flexibele vormen, zoals uitzendwerk of het inzetten van zzp’ers. Ontslagrecht: vaste contract niet aantrekkelijker geworden De introductie van de cumulatiegrond — bedoeld om ontslag eenvoudiger te maken — heeft volgens de onderzoekers een beperkte rol gespeeld. De bekendheid onder werkgevers is laag en het aantal rechtszaken op basis van deze grond is gering. Ontslag is er volgens werkgevers en de rechtspraak niet direct makkelijker door geworden. De aanpassingen in de transitievergoeding hebben er wel toe geleid dat meer flexibele werknemers een vergoeding ontvangen bij het einde van hun contract. Maar het gaat veelal om kleine bedragen, en het grootste deel van het totale bedrag aan transitievergoedingen komt nog steeds terecht bij oudere werknemers in vaste dienst. De onderzoekers zien geen aanwijzingen dat de transitievergoeding wordt ingezet voor scholing — de meeste werknemers gebruiken het geld voor dagelijkse kosten of zetten het op een spaarrekening. Het verschil in ontslagkosten tussen vaste en flexibele contracten is door de Wab weliswaar kleiner geworden, maar volgens de onderzoekers is dat verschil te beperkt om werkgevers daadwerkelijk over te halen vaker een vast contract aan te bieden. WW-premiedifferentiatie: een steuntje in de rug, geen gamechanger Van de drie onderzochte pijlers heeft de WW-premiedifferentiatie — werkgevers betalen een lage premie voor vaste contracten en een hoge premie voor flexibele contracten — nog het meeste effect gehad. Een deel van de werkgevers ervaart het premieverschil als een extra duwtje om werknemers eerder een vast contract te geven. De analyses laten zien dat werknemers tijdens de Wab iets eerder doorstromen van een flexibel naar een vast contract, met name na het eerste jaar. De effecten verschillen sterk per sector. In de handel zegt een groter deel van de werkgevers dat meer werknemers overgaan op een vast contract door de premiedifferentiatie. In de horeca is dat effect afwezig: daar wordt de hogere premie vooral als een extra kostenpost ervaren, zonder dat het leidt tot meer vaste contracten. Geen vlucht naar zzp De onderzoekers zien geen bewijs dat de Wab gezorgd heeft voor een verschuiving naar zzp-constructies. De doorstroom vanuit flexibele contracten naar zzp ligt tijdens de Wab op vergelijkbaar niveau als in de periode daarvoor, onder de Wet werk en zekerheid (Wwz). Slechts een klein deel van de werkgevers geeft aan door de WW-premiedifferentiatie meer uitzendkrachten of zzp’ers in te zetten. De onderzoekers merken daarbij op dat veel werkgevers niet goed op de hoogte zijn van de precieze kostenverschillen, en dat andere factoren — zoals arbeidsmarktkrapte en de aard van het werk — veel bepalender zijn voor keuzes rondom contractvormen. Bekendheid en naleving als struikelblok Een rode draad in de evaluatie is dat veel werkgevers én werknemers slecht op de hoogte zijn van de maatregelen uit de Wab. Dat ondermijnt de werking van de wet. Zo wordt de transitievergoeding bij ontslag lang niet altijd uitbetaald, houden werkgevers zich niet aan de oproep- en afzegtermijnen, en weten werknemers vaak niet welke rechten zij hebben. Bij grotere bedrijven speelt bovendien dat HR-afdelingen de regels wel kennen, maar dat het de lijnmanagers zijn die beslissingen nemen over contracten — en die zijn vaak minder goed op de hoogte. De onderzoekers wijzen er ook op dat de Wab relatief kleine aanpassingen betrof in al bestaande wetgeving — zeker op het gebied van het ontslagrecht, dat eerder met de Wwz al grondig was herzien. Die bescheiden omvang draagt bij aan de beperkte zichtbaarheid en impact. Cultuurverschillen tussen sectoren Ook blijkt dat de cultuur binnen een sector een minstens een zo grote rol speelt als financiële prikkels. In sectoren waar vaste contracten al gangbaar waren, heeft de Wab het meeste effect gehad. Maar juist in sectoren waar flexwerk de norm is — zoals de horeca — blijven de effecten beperkt. De gewoonte om met flexibele krachten te werken weegt daar zwaarder dan de hogere kosten die de Wab met zich meebrengt. De Wab richt zich niet op deze culturele patronen, en heeft die dan ook niet doorbroken. Positieve effecten concentreren zich bij sterkere groepen De onderzoekers signaleren dat waar de Wab wél positieve effecten heeft — zoals iets meer doorstroom naar vaste contracten — deze zich vooral voordoen bij werknemers die al een relatief sterke positie hadden: hoger opgeleid, met meer inkomen en vermogen. Werkenden in een kwetsbare positie, die het meest gebaat zouden zijn bij meer zekerheid, profiteren het minst van de wet. Een concreet positief effect is wel dat de doorstroompiek bij 23 maanden is verdwenen. Onder de vorige wet (Wwz) hadden werkgevers een financiële prikkel om contracten maximaal 23 maanden te laten duren, zodat ze geen transitievergoeding hoefden te betalen. Nu de vergoeding vanaf dag één wordt opgebouwd, is die prikkel weggevallen. Conclusies weinig verrassend Kortom: de Wet arbeidsmarkt in balans heeft de flexibele arbeidsmarkt niet fundamenteel veranderd. De kosten- en risicoverschillen tussen contractvormen zijn nauwelijks verkleind, het vaste contract is voor werkgevers niet wezenlijk aantrekkelijker geworden, en de werk- en inkomenszekerheid van flexibele werknemers is niet duidelijk verbeterd. Wim Davidse, arbeidsmarktdeskundige en hoofdredacteur van FlexNieuws, is niet verbaasd door de conclusies. Hij ziet het al jaren in zijn analyses van de arbeidsmarktcijfers. “Het aantal vaste contracten in Nederland in deze 21e eeuw groeit pas als de economie al jarenlang groeit én de arbeidsmarkt (dus) krap wordt c.q. de werkloosheid richting 5% zakt, en daaronder. Pas dán denken werkgevers: ‘Vooruit, nu dan maar wel, anders lopen de mensen té makkelijk weg uit mijn organisatie.’ Wetgeving heeft daar nauwelijks invloed op,” zo weet Davidse. “Er is één wet die wel serieus impact had op de verhouding vast/flex: de Wet verlenging loondoorbetalingsverplichting die op 1 jan 2004 in werking trad. Maar die had een onbedoeld neveneffect. Toen ging de stijging van flex in een nog hogere versnelling, want het vaste contract werd toen nóg onaantrekkelijker voor werkgevers.” De afgelopen 4 à 5 kwartalen ziet Davidse wel iets veranderen: binnen de totale flexschil, die procentueel een fractie kleiner is geworden, is interne flex belangrijker geworden. Dat komt door de handhaving van schijnzelfstandigheid, die niet gecompenseerd wordt door meer uitzendkrachten of gedetacheerden (externe flex), maar door meer tijdelijke contracten en oproepkrachten (interne flex). Vijlbrief: inzetten op betere communicatie Naast nieuwe wetgeving – waaronder de Wet meer zekerheid flexwerkers – zegt minister Vijlbrief (SZW) in een reactie in te willen zetten op betere communicatie over bestaande regels. Met name gericht op sectoren met veel flexwerk en op kleine werkgevers, via kanalen als de Kamer van Koophandel en brancheorganisaties. Ook erkent de minister het belang van het versterken van het ‘doenvermogen’ van werknemers: zij moeten niet alleen hun rechten kennen, maar ook in staat zijn die op te eisen. Hij verwijst daarbij naar initiatieven als de WorkinNL-punten voor arbeidsmigranten en experimenten met de regelrechter voor laagdrempelige toegang tot het recht. Geplaatst in Toekomst van Werk | Tags WAB, Wet meer zekerheid flexwerkers | Laat een reactie achter
Wat je vraagt is wat je krijgt: zo koop je slimmer flex in Geplaatst 30 maart 2026 door ZiPredactie Het is een bekend fenomeen: jouw organisatie begint een inkooptraject met hoge verwachtingen, maar krijgt uiteindelijk lagere kwaliteit of minder expertise dan verwacht. Hoe komt dat? “De reden is simpel: de uitvraag aan de voorkant deugt niet”, begint Jan-Willem Weijers, hoofdredacteur van Zipconomy. “Wat je vraagt, is namelijk precies wat je krijgt. Het is dus tijd om te leren hoe je slim flex inkoopt.” Tips voor een scherpere uitvraag Tijdens de eerste Webinarweek van 2026 onderzoekt Weijers hoe een scherpe uitvraag leidt tot betere geschikte flexpartners en realistischere tarieven. Dat doet hij samen met twee experts die de inhuurmarkt van binnenuit kennen: Sarah Goossens en Rémon van Buuren. Goossens spreekt namens Bovib, de brancheorganisatie voor intermediairs en brokers. Behalve Bovib-bestuurslid is zij commercieel directeur bij Harvey Nash en Flexhuis. Van Buuren is partner bij Workforce Consulting. Hij helpt organisaties om aanbestedingen voor flexarbeid te verbeteren. Aanbestedingsmarkt groeit, vooral voor brokers en MSP’s Workforce Consulting maakt analyses van de aanbestedingsmarkt voor flexibele arbeid en wat blijkt: die is niet alleen groot, maar groeit nog steeds. Vooral het aantal contracten voor brokers en Managed Service Providers (MSP) stijgt hard. In 2025 was er een toename van ruim vijftig procent in dit type aanbestedingen ten opzichte van het jaar daarvoor. “Dit komt doordat organisaties vaker stoppen met Dynamische Aankoopsystemen (DAS) of het werken met losse leveranciers”, vertelt Van Buuren. “Er gaan gigantische bedragen om in deze markt. Een organisatie als Enexis besteedt bijvoorbeeld 250 miljoen euro per jaar aan inhuur. Grote partijen zoals de politie, het UWV en Schiphol zetten vorig jaar enorme contracten in de markt.” Omdat deze contracten vaak zes tot acht jaar lopen, gaat het in totaal om bedragen die ruim boven de miljard euro uitkomen. Van Buuren: “Met zulke grote bedragen is het belang van een goede aanbesteding nog extra groot.” Onvoldoende interne afstemming vooraf Toch gaat het nog vaak mis en dat begint al in de voorbereidingsfase. “De meeste fouten ontstaan al ver voordat een opdracht officieel wordt gepubliceerd”, vertelt Goossens. Organisaties praten meteen al over een oplossing, zonder dat ze weten wat nou echt het probleem is. Uit een poll onder de kijkers blijkt zij ‘onvoldoende interne afstemming’ en ‘een vage probleemstelling’ als de grootste problemen zien. Hier gaat het mis, zegt maar liefst 43 procent van de respondenten. Hoe draagt inhuur bij aan je doelen? “Te vaak zijn bedrijven simpelweg aan het inhuren, zonder dat ze eerst nadenken over organisatiedoelen”, zegt Van Buuren. “Zo blijven aanvragen ook makkelijker hangen op standaardzaken als risico’s en marges. Het is beter om je eerst af te vragen wat jij als organisatie wilt bereiken, hoe externe inhuur daaraan bijdraagt en welke rol een leverancier kan spelen.” Goossens merkt dat verschillende afdelingen vaak langs elkaar heen werken. “Inkoop en HR moeten met elkaar in gesprek”, zegt ze. “Zonder gedeelde doelstellingen en afstemming is een inhuurprogramma gedoemd te mislukken. De busines zoekt talent, maar inkoop is vooral gericht op tarieven en risico’s. Om het beste resultaat te krijgen, moet je die twee belangen op elkaar afstemmen.” Frustratie: ‘de schrijfwedstrijd’ Een grote frustratie in de markt is de ‘schrijfwedstrijd’, vertelt Goossens. “We horen van onze Bovib-leden dat aanbestedingen regelmatig worden gewonnen door de partij met de beste tekstschrijver, niet door de beste leverancier”, zegt ze. Bijna tachtig procent van de kijkers herkent dit. Standaardteksten en AI “Door het gebruik van AI en standaard tekstbibliotheken lijken plannen van aanpak steeds meer op elkaar”, merkt Van Buuren. “Ook wordt verschil tussen het aanbod op papier en de werkelijkheid steeds groter. Partijen schrijven simpelweg op wat ze denken dat de inkoper wil lezen. Dit maakt het voor een inkooppanel bijna onmogelijk om een juiste keuze te maken.” Hij vertelt dat leveranciers hun biedingsproces soms volledig uitbesteden. “Om hier doorheen te prikken, moeten organisaties stoppen met algemene vragen over een ‘visie’ of ‘aanpak’. Dat is slechts voer voor de schrijvers.” Oplossing: verificatiegesprekken Een concrete oplossing is de inschrijving valideren met persoonlijke gesprekken. Daarbij stel je vragen over het plan om te zien of de leverancier jouw behoefte echt begrijpt, tipt Goossens. Zij ziet dat steeds meer inkopers deze methode toepassen. Laat je niet verleiden door een gelikte presentatie van een commercieel team, maar ga in gesprek met de mensen die het werk daadwerkelijk uitvoeren. Confronteer ze met praktijkvoorbeelden om te zien of ze jouw probleemstelling echt begrijpen. Kies een model dat bij de behoefte past Verder is er nog steeds veel verwarring bij inkopers over termen zoals MSP en broker. Het belangrijkste verschil: bij een MSP besteed je het advies en de regievoering aan de voorkant volledig uit, terwijl een broker vooral fungeert als een loket voor contracten en kandidaten zonder diep in je interne processen te duiken. Goossens vertelt dat de keuze voor een model afhangt van wat je van een leverancier verwacht. Zoek je een partner die actief mee zoekt naar kandidaten met eigen recruiters, of vooral een systeem dat de markt ontsluit? “Termen worden vaak door elkaar gebruikt. Mijn advies is dan ook: let niet te veel op namen als ‘broker’ of ‘MSP’, maar kijk vooral naar wat nou de kern van de dienstverlening is.” Contractmanagement Als het contract getekend is, begint het proces pas echt. Maar vaak verslapt dan de aandacht aan de zijde van de opdrachtgever. “Ook hier gaat het vaak mis”, zegt Van Buuren. Hij legt uit dat contractmanagement vanaf de start van de aanbesteding aan tafel moet zitten om een soepele overdracht van inkoop naar uitvoering te garanderen. Belofteboeken en data Uit de poll blijkt dat bij 72 procent van de organisaties de uitvoering in de praktijk afwijkt van de beloftes. Daarom is bijsturing nodig. Goossens ziet dat organisaties hier tegenwoordig zogenaamde ‘belofteboeken’ voor gebruiken. “Hierin staan alle concrete toezeggingen uit de winnende offerte”, legt ze uit. “Dit boek dient als leidraad voor de periodieke evaluatiegesprekken. Het helpt zo projecten op koers te houden.” Van Buuren vertelt dat objectieve data hierbij onmisbaar zijn. “Zorg dat je inhuurdata op orde zijn, zodat je het gesprek met de leverancier kunt voeren op basis van feiten in plaats van onderbuikgevoelens en anekdotes.” Readiness scan en rondetafelgesprek Kortom: professioneel inhuren vraagt om aandacht en investering aan de voorkant en actief beheer tijdens de looptijd. Meer weten? Kijk het webinar hieronder. Als vervolg op het webinar organiseert de Bovib op 16 april een rondetafelgesprek over ‘prijsmodellen versus businessmodellen’. Lees hier meer en geef je op. Geplaatst in ZP en Politiek | Tags bovib, broker, inkoop, MSP, webinarweek | Laat een reactie achter
Onderzoek schijnzelfstandigheid in de bouw: beperkt risico, maar grote impact op gedrag bedrijven Geplaatst 27 maart 2026 door Hugo-Jan Ruts Nieuw onderzoek van het Economisch Instituut voor de Bouw (EIB) laat twee gezichten van de discussie over schijnzelfstandigheid in de bouw en infra zien. Enerzijds toont het onderzoek aan dat het feitelijke risico relatief beperkt is. Anderzijds leidt de handhaving sinds 2025 tot grote gedragsveranderingen bij bedrijven, met name uit angst voor naheffingen en boetes. Opvallend: zzp’ers zelf zijn nauwelijks van plan om in loondienst te gaan. Beperkt deel zzp’ers in risicozone Op basis van tien indicatoren concludeert het EIB dat slechts een beperkt deel van de zzp’ers kenmerken vertoont die richting werknemerschap wijzen. Zo blijkt dat slechts 3 procent van de zzp’ers minder dan 36 euro per uur verdient, ongeveer 90 procent meerdere opdrachtgevers heeft en slechts 16 procent sterk afhankelijk is van één opdrachtgever. Andere indicatoren wijzen wat meer op een mogelijk risico, maar zijn vooral gerelateerd aan specifieke delen van de sector. Zo hebben zzp’ers die vooral voor aannemers werken vaak minder vrijheid, waardoor er sneller sprake kan zijn van een gezagsverhouding. Bijna een kwart geeft aan niet zelf verantwoordelijk te zijn voor het herstellen van fouten. Dat kan duiden op beperkte commerciële risico’s — een van de Deliveroo-criteria — al merkt het EIB op dat bouwfouten in de praktijk vaak lastig aan één persoon zijn toe te rekenen. Ook buitenlandse zzp’ers vormen volgens het EIB een risicogroep. Door taalbarrières en een beperkt lokaal netwerk zijn zij vaker aangewezen op bemiddelaars die ‘totaalpakketten’ aanbieden, inclusief huisvesting en soms vervoer. Zulke constructies vergroten de afhankelijkheid. Voor de Belastingdienst vormen bemiddelings- en detacheringsbureaus die buitenlandse zzp’ers inzetten daarom een duidelijke risicogroep voor gerichte handhaving. Grootste probleem: onduidelijkheid in wetgeving De kern van de onzekerheid zit volgens de onderzoekers niet zozeer in de praktijk, maar in de toetsing. Die draait sterk rond het begrip ‘gezag’, een criterium dat in de praktijk lastig objectief te meten is. Voor de bouwsector levert dat extra frictie op: werken in teams is vaak noodzakelijk vanwege veiligheid en efficiëntie, projecten duren lang waardoor afhankelijkheid van één opdrachtgever logisch kan zijn, en aansturing is soms functioneel in plaats van hiërarchisch. Wat in andere sectoren een indicatie van werknemerschap is, kan in de bouw operationeel noodzakelijk zijn, zo stellen de onderzoekers. Lees ook: Forse naheffingen in bouw- en infra vanwege schijnzelfstandigheid Grote bedrijven nemen vaker maatregelen Beperkt risico of niet: het onderzoek laat zien dat veel bedrijven wel in beweging zijn gekomen. Opvallend is daarbij het verschil tussen grote en kleine bedrijven. De enquête onder bouw- en infrabedrijven toont aan dat grote bedrijven (meer dan 100 werknemers) op vrijwel alle fronten actiever zijn dan kleinere bedrijven. Zo heeft circa 80 procent van de grote bedrijven zzp’ers een aanbod gedaan om in dienst te treden, tegenover slechts zo’n 35 procent van de kleinste bedrijven (minder dan 20 werknemers). Ook screenen grote bedrijven veel vaker op ondernemerschap van zzp’ers: ruim 70 procent doet dit, tegenover circa 25 procent van de kleinste bedrijven. Bij het aanpassen van de wijze waarop zzp’ers worden ingehuurd zien we een vergelijkbaar patroon: ongeveer 75 procent van de grote bedrijven heeft hieraan gesleuteld, tegen zo’n 45 procent van de kleinste bedrijven. Ook het verminderen van zzp-inhuur komt bij grote bedrijven vaker voor (circa 75%) dan bij de kleinste bedrijven (ruim 40%). Kleine bedrijven in spagaat De kleinste bedrijven lijken het meest in een spagaat te zitten. Eventuele hoge naheffingen zijn voor hen lastiger te dragen. Maar ze hebben ook last van een andere trend die het rapport signaleert: zzp’ers zijn nauwelijks geneigd om in loondienst te komen. Driekwart van alle zzp’ers verwacht namelijk over een jaar nog steeds zelfstandig te zijn. Ongeveer 9 procent denkt te zijn gestopt vanwege pensionering of doorgroei naar zelfstandige met personeel, 7 procent weet het nog niet en slechts 8 procent verwacht te zijn gestopt als zzp’er vanwege andere redenen, waaronder handhaving op schijnzelfstandigheid. Als belangrijkste reden om te starten als zzp’er noemen bouwprofessionals bekende thema’s: de vrijheid om naar eigen inzicht te werken, de mogelijkheid om de eigen tijd in te delen en het vakmanschap beter tot uiting kunnen brengen. Minder dan 5 procent geeft aan niet uit eigen keuze zzp’er te zijn geworden. Trendbreuk: minder zzp’ers in de bouw Hoewel zzp’ers zelf niet van plan zijn te stoppen, is er wel degelijk een daling zichtbaar. Uit CBS-cijfers over 2025 blijkt dat er minder zzp’ers in de bouw werken en ook de KVK ziet minder starters in de sector. Lees ook: Fors minder startende zzp’ers, vooral in zorg en bouw De daling van het aantal zelfstandigen hangt volgens het EIB dan ook ‘vooral samen met teruglopende inhuur door opdrachtgevers en minder met een afnemende bereidheid van zzp’ers om zelfstandig te werken.’ Ruim 40 procent van de bedrijven geeft aan de inhuur van zzp’ers te hebben verminderd ten opzichte van een jaar eerder. Voor 60 procent van deze bedrijven is de mogelijke handhaving door de Belastingdienst de belangrijkste reden. Roep om duidelijke criteria Het EIB constateert dat de huidige onzekerheid met name komt door de relatief ‘zachte’ en moeilijk meetbare criteria en de vraag in hoeverre de Belastingdienst die in de uitvoering kan handhaven. Deze onduidelijkheid zorgt voor onrust bij zowel bedrijven als zzp’ers in de bouwsector. Veel partijen pleiten daarom voor eenvoudige, objectieve en toetsbare criteria, bijvoorbeeld een duidelijke uurtariefgrens of standaard verplichte contractuele afspraken. Zolang die er niet zijn, blijft de sector laveren tussen de behoefte aan flexibele arbeidskrachten en de angst voor naheffingen. Download het onderzoek Het volledige onderzoek ‘Schijnzelfstandigheid in de bouw en infra’ is uitgevoerd door het Economisch Instituut voor de Bouw (EIB) en is hier te downloaden. Geplaatst in Professioneel inhuren | Tags bouw, schijnzelfstandigheid, zzp | Laat een reactie achter
Handhaving Belastingdienst bemoeilijkt door Uber-jurisprudentie Geplaatst 26 maart 2026 door Boris Emmerig Thierry Aartsen, minister van Werk & Participatie, maakte op 19 maart 2026 in de Tweede Kamer kenbaar dat hij ‘het onverstandig vindt om de handhaving (op schijnzelfstandigheid) fundamenteel op z’n kop te gaan zetten.’ In april zal Aartsen de Tweede Kamer informeren over ‘de nieuwe zzp-koers’. Ik hoop dat in deze brief ook aandacht wordt besteed aan het volgende. Lees ook: Minister Aartsen: Kabinet kiest voor een nieuwe zzp-koers maar geen aanpassing handhaving. Dat zou leiden tot een ongewenste zigzagkoers Toelichting arbeidsrelaties toe aan update De Belastingdienst publiceerde in november 2024 de Toelichting Beoordeling arbeidsrelaties. Deze toelichting geeft het beslis- en afwegingskader van de Belastingdienst voor de privaatrechtelijke dienstbetrekking zoals dat gold op 1 november 2024. Inmiddels zijn we bijna anderhalf jaar verder, en is deze toelichting toe aan een update. Reden hiervoor is nieuwe jurisprudentie, zoals het Uber-arrest van de Hoge Raad van 21 februari 2025 en de daaropvolgende uitspraak van Hof Amsterdam van 27 januari 2026. Extern ondernemerschap doorslaggevend Uit het arrest van de Hoge Raad van 21 februari 2025 blijkt dat wanneer twee personen hetzelfde werk voor dezelfde opdrachtgever doen, het toch mogelijk is dat de ene persoon geen dienstbetrekking heeft en de andere wel. Het verschil zit hem in het gedrag als ondernemer: de eerste persoon gedraagt zich extern als ondernemer, de tweede niet. De aan- of afwezigheid van extern ondernemerschap kan de balans dus volledig doen omslaan. Uit jurisprudentieonderzoek van Niels van der Neut en Paul Zevenbergen, beiden verbonden aan de Universiteit van Amsterdam, blijkt dat het criterium van het extern ondernemerschap het zwaarst weegt bij de kwalificatie van de aard van een arbeidsrelatie. Kort daarna volgen de aard en duur van de werkzaamheden (zie hun artikel ‘De Deliveroo-gezichtspunten gewogen: some factors are more equal than others’, Tijdschrift Arbeidsrechtpraktijk, oktober 2025). Deze benadering ontbreekt nog in de Toelichting Beoordeling arbeidsrelaties. Dat is logisch, omdat de toelichting is geschreven naar de stand van zaken per 1 november 2024, vóór de Uber-jurisprudentie. Toch moet de toelichting hierop worden aangepast. Individuele beoordeling noodzakelijk Uit de uitspraak van Hof Amsterdam van 27 januari 2026 blijkt dat de arbeidsrelatie van iedere werker apart moet worden beoordeeld, tenzij sprake is van een groep. Dat laatste is echter moeilijk aan te tonen. Dit betekent dat de Belastingdienst bij controles op schijnzelfstandigheid in beginsel per werkende moet controleren, en niet op groepsniveau, tenzij de groep homogeen is. Homogeniteit is niet aan de orde wanneer het extern ondernemerschap per werkende verschilt, omdat dat de balans volledig kan omslaan. Deze aanpak maakt controles zeer bewerkelijk. Bovendien zal ook bij de werkenden zelf het extern ondernemerschap beoordeeld moeten worden, temeer daar de bewijslast bij de fiscus ligt. Geplaatst in ZP en Politiek | Tags handhaving, Holla, ondernemerschap, schijnzelfstandigheid, Uber | 3s Reacties