"Exploring the future of work & the freelance economy"
SLUIT MENU

Bureau moet interimmer na goedgekeurde urenstaat uitbetalen, ondanks verdenking van spookuren

Een interim financial controller wordt niet uitbetaald omdat het inlenende bedrijf vermoedt dat hij veel minder heeft gewerkt dan hij declareerde. Het bureau weigert een factuur te betalen en eist zelfs bijna 79.000 euro terug. De kantonrechter in Amsterdam zet daar een streep door: wie een urenstaat goedkeurt, kan daar later niet zomaar op terugkomen.

Wat gebeurt er als een opdrachtgever achteraf twijfelt aan uren die hij zelf heeft goedgekeurd? Wie draagt het bewijsrisico wanneer een bureau een factuur weigert te betalen op basis van een vermoeden? En wat te doen met de claim van de interimmer dat er eigenlijk sprake was van een arbeidsovereenkomst? Daar moest de rechtbank Amsterdam op 5 maart 2026 antwoord op geven.

De kern van de zaak

Een zzp’er werkte via zijn eenmanszaak van januari 2024 tot en met januari 2025 als interim financial controller bij een aardappelverwerkend bedrijf. Hij werd ingehuurd via een bemiddelingsbureau, waarmee hij een overeenkomst van opdracht had gesloten.

De interimmer vroeg de rechter allereerst om vast te stellen dat hij een arbeidsovereenkomst had met het bedrijf en/of het bureau, met het daaraan gekoppelde loon, vakantiegeld en een transitievergoeding van in totaal ruim 18.500 euro bruto. Mocht de rechter concluderen dat er geen arbeidsovereenkomst was, dan vorderde hij als alternatief de betaling van een openstaande factuur van 15.871,40 euro voor gewerkte uren in januari 2025. Het bureau eiste op haar beurt in een tegenvordering 78.771 euro, met als argument dat de interimmer over 2024 en januari 2025 veel meer uren had gedeclareerd dan hij daadwerkelijk had gewerkt.

Aanleiding

De interimmer diende maandelijks een urenstaat in bij zijn opdrachtgever. Die was verantwoordelijk voor de goedkeuring daarvan. Zodra dat gebeurde, stelde het bureau een factuur op namens de opdrachtgever (de zogeheten self-billing methode) en betaalde het de interimmer uit zodra de opdrachtgever had betaald.

Over januari 2025 gaf de interimmer 168 gewerkte uren door, inclusief acht uur op Nieuwjaarsdag. De opdrachtgever keurde deze urenstaat op 11 februari 2025 goed zonder opmerkingen en het bureau factureerde daarop 16.770,60 euro inclusief btw.

Toch bleef betaling uit. De opdrachtgever liet het bureau namelijk weten dat er naar aanleiding van de gedeclareerde uren op 1 januari een onderzoek was gestart naar laptopactiviteit en inloggegevens in het ERP-systeem over de voorgaande maanden. De conclusie van dat onderzoek: de interimmer zou ‘een behoorlijk aantal uren en/of dagen niet actief’ zijn geweest. Er volgde een factuur van 78.771 euro van de opdrachtgever aan het bureau voor de naar eigen zeggen ten onrechte gedeclareerde uren. Het bureau legde hetzelfde bedrag vervolgens bij de interimmer neer.

Het verweer

Zowel het bureau als de opdrachtgever legde de rechter uit dat er geen sprake kon zijn van een arbeidsovereenkomst. Volgens hen was en bleef de rechtsverhouding een overeenkomst van opdracht, waarin de man zelfstandig zijn werkzaamheden indeelde en zonder leiding of toezicht opereerde.

Tegen de vordering tot betaling van de factuur voerden zij aan dat de goedgekeurde urenstaten niet de werkelijkheid weerspiegelden. Ter onderbouwing wezen zij op laptopgebruik dat niet overeenkwam met de gedeclareerde uren en op dagen waarop de man niet was ingelogd in het ERP-systeem, terwijl dat systeem volgens hen bij vrijwel al zijn werkzaamheden nodig was.

Wel of geen arbeidsovereenkomst?

Voor de vraag of sprake was van een arbeidsovereenkomst toetste de kantonrechter aan de gezichtspunten uit het Deliveroo-arrest van de Hoge Raad. Van een gezagsverhouding met het bureau was volgens de rechter niets gebleken en ook richting de opdrachtgever hield de interimmer zijn stelling dat hij structureel instructies kreeg onvoldoende concreet. Zwaarder wogen de duidelijk projectmatige aard en beperkte duur van de opdracht, de betaling via een all-in uurtarief zonder loonheffing, het feit dat hij alleen werd betaald voor gemaakte uren en zijn LinkedIn-profiel waaruit bleek dat hij sinds 2016 voor vijftien verschillende opdrachtgevers als zelfstandige had gewerkt. Dat hij een vaste werkplek had en soms bij teamoverleg aanschoof, was in dat licht onvoldoende om toch van een arbeidsovereenkomst te spreken.

Goedgekeurde uren terugdraaien?

Over de betwiste uren oordeelde de rechter dat de door het bedrijf goedgekeurde urenstaat geldt als een document dat partijen zelf hebben opgesteld en goedgekeurd en dat daarom als bewijs telt. Zo’n goedgekeurd document moet de rechter in beginsel volgen als bewijs van de daarin vermelde uren, tenzij het tegendeel wordt aangetoond.

Het bureau kreeg de kans om dat tegenbewijs te leveren, maar slaagde daar wat de rechter betreft onvoldoende in. De verklaringen van medewerkers bij de opdrachtgever over het belang van het ERP-systeem waren volgens de rechter te weinig concreet, terwijl de interimmer met voorbeelden liet zien dat hij ook buiten dat systeem om kon werken, bijvoorbeeld in geëxporteerde Excelbestanden of bij het fysiek ophalen van vrachtbrieven. Bovendien bleef onweersproken dat hij de beoogde projectresultaten daadwerkelijk had behaald, wat volgens de rechter moeilijk te rijmen is met structurele afwezigheid. En als zelfstandige ging de interimmer er uiteindelijk zelf over hoe hij zijn resultaten bereikte.

De uitspraak

De rechter oordeelde dat er geen arbeidsovereenkomst was en wees de daaraan gekoppelde loonvordering af. Op dat punt haalde de interimmer dus bakzeil.

Anders lag dat bij de uren. De rechter bepaalde dat het bureau de openstaande factuur over januari alsnog volledig moest betalen, inclusief de betwiste uren, plus rente. De 78.771 euro die het bureau bij de interimmer had neergelegd vanwege het feit dat de opdrachtgever de uren betwistte, hoeft de interimmer niet te betalen: er is onvoldoende bewijs dat er te veel was uitbetaald en het feit dat de uren al waren goedgekeurd, woog zwaar.

Wat er is gebeurd met de claim die de opdrachtgever bij het bureau neerlegde, is onbekend. Dat was geen onderdeel van deze rechtszaak.

Bron: Rechtbank Amsterdam, 5 maart 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:2424

 

De ZiPredactie plaatst hier interviews en eigen artikelen. Daarnaast persberichten, aankondigingen of (met toestemming) overgenomen artikelen. (contact: info[AT]zipconomy.nl) Bekijk alle berichten van ZiPredactie

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *



×