"Exploring the future of work & the freelance economy"
SLUIT MENU

Een zzp-status zonder tariefgrens: wie wordt daar eigenlijk mee beschermd?

In het voorstel voor de Zelfstandigenwet belooft VZN meer duidelijkheid voor zelfstandigen en opdrachtgevers. Wilmar Dik ziet echter een voorstel dat opdrachtgevers meer zekerheid biedt, terwijl zelfstandigen belangrijke bescherming mislopen.

Onlangs presenteerde de Vereniging Zelfstandigen Nederland (VZN) een voorstel voor de Zelfstandigenwet. De kern: geef zelfstandigen vooraf een eigen status, in plaats van pas achteraf te beoordelen of sprake was van loondienst.

VZN wil daarmee vooraf duidelijkheid bieden aan zelfstandigen én opdrachtgevers. Zelfstandigen kunnen hun ondernemerschap aantonen en opdrachtgevers krijgen minder onzekerheid over naheffingen, premies en de kwalificatie van de arbeidsrelatie. Helemaal prima.

Daarnaast wil VZN kwetsbare werkenden beschermen via drie harde sporen: het rechtsvermoeden, sectorale regels bij misbruik en ruimte voor collectieve afspraken. Waarom ze dat hard noemen is mij niet duidelijk, want juist de voorgestelde sporen zijn best zacht.

De safe harbour

Een onderdeel van het voorstel is de safe harbour. Die houdt in dat een opdrachtgever vooraf controleert of iemand een zelfstandigenstatus heeft. Voldoet de opdrachtgever daarnaast aan een aantal voorwaarden, bijvoorbeeld geen exclusiviteit, geen vast werknemersrooster en geen directe overstap vanuit hetzelfde werk in loondienst, dan krijgt hij vrijwaring voor loonheffingen en premies.

Dit is zo omschreven: ‘Wordt een voorwaarde niet nageleefd, dan vervalt de safe harbour voor die opdracht en kan worden gehandhaafd. Dat geldt aan beide kanten: de opdrachtgever via de safe harbour en de erkende zelfstandige via zijn status die bij onterechte verkrijging of misbruik kan vervallen. Heeft de opdrachtgever te goeder trouw de status gecontroleerd, dan liggen de gevolgen van onjuiste opgave bij de zelfstandige.’

De bedoeling is duidelijk: een opdrachtgever moet vooraf weten waar hij aan toe is. Maar de bescherming ligt daarmee vooral bij de opdrachtgever. Voldoet die niet aan de voorwaarden, dan vervalt de safe harbour voor die opdracht en kan alsnog worden gehandhaafd. Heeft de opdrachtgever de status te goeder trouw gecontroleerd en blijkt die achteraf onjuist of misbruikt, dan wil VZN de gevolgen bij de zelfstandige leggen.

De zzp’er kan zijn status verliezen en de gevolgen dragen, terwijl het voorstel geen bescherming biedt tegen een te laag tarief of een economisch onhoudbare opdracht.

Geen vast werknemersrooster?

VZN wil geen safe harbour geven wanneer een zzp’er werkt volgens een vast, vooraf opgelegd rooster zoals bij een werknemer. In sectoren als zorg, beveiliging, evenementen, productie en media is een rooster vaak gewoon nodig om het werk te organiseren.

Als een zzp’er nu aannemelijk kan maken dat hij of zij een echte zelfstandige is, mag die wel via een rooster werken. Dit voorstel voor de Zelfstandigenwet is daarmee nou niet bepaald gunstig voor zzp’ers die in de praktijk binnen roosters werken. Waar komt deze wens van VZN vandaan? En waarom komt een organisatie die zegt op te komen voor zzp’ers met een voorstel dat voor een behoorlijke groep zzp’ers mogelijk het einde van opdrachten kan betekenen?

Door een vast rooster buiten de safe harbour te plaatsen, ontstaat het risico dat opdrachtgevers niet meer met zelfstandigen willen werken. Niet omdat die zelfstandigen geen ondernemer zijn, maar omdat de opdrachtgever geen voorafgaande zekerheid meer krijgt. Zo kan een regel die misbruik moet voorkomen in de praktijk zorgen voor meer druk om als zzp’er weer richting loondienst te gaan.

Het tarief bewust buiten beeld

In het voorstel voor de Zelfstandigenwet maakt VZN een andere opvallende keuze. Het uurtarief wordt bewust niet opgenomen als voorwaarde voor de zelfstandigentoets of de safe harbour: ‘Het uurtarief nemen we bewust ook niet op als voorwaarde, niet voor de status en niet voor de safe harbour. De status staat los van het tarief: ook wie tegen een laag tarief werkt, kan immers ondernemer zijn. Een tariefgrens als voorwaarde zou die zelfstandigen ten onrechte buiten het ondernemerschap plaatsen.’

Juridisch is dat juist. Een laag tarief maakt iemand niet automatisch werknemer. Iemand kan ook bij een laag tarief ondernemer zijn. Maar daaruit volgt niet dat het tarief geen rol zou mogen spelen in een wet die echte zelfstandigheid zou moeten beschermen.

Juist een tarief zegt veel en is voor een zzp’er erg belangrijk. Hoe lager een tarief is, hoe belangrijker die vergoeding wordt. Uiteindelijk wil iedere zzp’er op fulltime basis van dat tarief kunnen leven. Door het uurtarief uit alle voorwaarden te houden, blijven opdrachtgevers de mogelijkheid houden om zzp’ers in te huren voor tarieven waar zij niet van kunnen rondkomen. Voor wie is dat gunstig?

Juridisch zelfstandig, maar economisch klem

Iemand kan juridisch echt zelfstandig zijn en toch werken in een markt waar de tarieven te laag zijn om zelfstandig van te leven. Dat komt niet doordat een zelfstandige bewust kiest voor een onhoudbaar verdienmodel.

In sommige sectoren is de onderhandelingsruimte klein en worden tarieven feitelijk bepaald door grote inkopers, platforms of bemiddelaars. Dan is iemand formeel ondernemer, maar economisch nauwelijks in staat om als ondernemer te functioneren.

Een laag tarief is meestal geen vrije keuze

Een zelfstandige kan tijdelijk besluiten om een lager tarief te accepteren. Bijvoorbeeld om ervaring op te doen of een nieuwe klant binnen te halen. Tijdelijk voor €85 per uur werken in plaats van €110 is prima. Maar structureel werken voor €30 in plaats van €45 is dat niet. Dan bestaat het risico dat de opbrengsten niet voldoende zijn om van rond te komen.

Als een zelfstandige bij een normale inzet niet kan rondkomen, is het moeilijk om nog te spreken van echte tariefvrijheid. Een ondernemer hoort zelf over zijn tarief te gaan. Maar als iemand nauwelijks onderhandelingsmacht heeft en de markt hogere tarieven structureel niet toelaat, is die vrijheid er eigenlijk niet.

Bij werknemers accepteren we ook niet dat iemand structureel onder het minimumloon werkt omdat hij daar zelf mee akkoord zou zijn gegaan. Waarom zouden we bij zelfstandigen dan accepteren dat sommige sectoren afhankelijk zijn van mensen die alle risico’s dragen, maar daar niet duurzaam van kunnen leven?

Bescherming aan de onderkant: drie harde sporen?

VZN schrijft daarover: ‘De zorg over kwetsbare werkenden delen we. Maar de werkrelatietoets is daar een slecht middel voor: die is onwerkbaar en raakt alle zelfstandigen in plaats van de groep die echt klem zit. We stellen drie harde sporen voor.’

Dat klinkt goed. Maar wie kijkt naar de concrete invulling ziet dat deze drie harde sporen niet al te hard zijn.

Spoor 1: het uurtarief rechtsvermoeden

Onder €38 per uur geldt een rechtsvermoeden van werknemerschap met een eigen indexatie in de wet. Dit spoor kan helpen voor iemand die mogelijk eigenlijk werknemer is. De werkende kan een beroep doen op het rechtsvermoeden en werknemersrechten opeisen. Maar juist de onderkant van de zzp’ers vormt een blinde vlek. Een echte zzp’er kan en wil geen werknemersrechten opeisen.

Voor een zzp’er die juridisch echt zelfstandig werkt, biedt dit spoor dus weinig bescherming. Die kan nog steeds ver onder de grens van het rechtsvermoeden blijven werken. Het rechtsvermoeden pakt bovendien niet rechtstreeks de economische prikkel aan om werk goedkoop buiten loondienst in te kopen.

Spoor 2: harde sectorale regels voor sectoren met aangetoond misbruik

VZN noemt ‘harde sectorale regels voor sectoren met aangetoond misbruik’: verplichte contractelementen, meldplicht bij grote inhuurvolumes en ketenaansprakelijkheid. Via een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) kunnen die worden ingezet waar het misgaat. Een wettelijk minimumtarief wordt bewust niet opgenomen. Wil een sector tot tariefafspraken komen, dan kan dat via de collectieve route van spoor 3.

Geen van deze maatregelen voorkomt dat een echte zelfstandige voor een te laag tarief kan blijven werken. Een opdrachtgever kan alle contractregels naleven, een meldplicht correct uitvoeren en aansprakelijkheid goed organiseren, terwijl de zzp’er nog steeds voor €25 of €30 per uur kan werken.

Voor zzp’ers aan de onderkant gaat spoor 2 vooral over de manier waarop zij worden ingehuurd, niet over de vraag of zij een economisch houdbaar tarief ontvangen. Bovendien moet misbruik eerst worden aangetoond voordat deze regels via een AMvB kunnen worden ingezet. Dat maakt bescherming afhankelijk van politieke keuzes, bewijsvoering en uitvoering achteraf. Krijgen we dan eerst een discussie over wat misbruik is?

De kortste weg naar bescherming aan de onderkant is simpelweg een goede berekening van een ondergrens. En juist dat wil VZN niet.

Spoor 3: ruimte voor collectieve afspraken voor zelfstandigen in een zwakke onderhandelingspositie

Collectieve afspraken zijn al sinds 2022 Europees toegestaan. VZN wil die ruimte bevestigen in de Zelfstandigenwet en presenteert dat als spoor 3. Maar daarmee kiest VZN aan de onderkant niet voor goed berekende, afdwingbare tarieven per sector, maar voor overleg over tarieven.

Dat is een zwakke vorm van bescherming. Zelfstandigen met weinig onderhandelingsmacht blijven afhankelijk van collectief overleg met partijen die vaak ook belang hebben bij lage tarieven. Opdrachtgevers hoeven niet mee te doen, sectoren hoeven geen afspraken te maken en er is geen garantie dat een eventueel bedrag hoog genoeg is of wordt gehandhaafd.

Bovendien bestaat deze mogelijkheid al vier jaar. Dat heeft voor zzp’ers aan de onderkant nog niet gezorgd voor minder armoede of betere, breed gedragen verplichte tariefafspraken.

Juist waar opdrachtgevers veel marktmacht hebben en zzp’ers versnipperd zijn, kan zo’n sectortafel uitblijven of eindigen met een bedrag dat nog steeds te laag is. Als je onderbetaling echt wil voorkomen, ga je dan gewoon een goede ondergrens berekenen of ga je overleggen over de mogelijkheid die al sinds 2022 bestaat?

Wie krijgt welke zekerheid?

De drie sporen geven geen harde economische ondergrens. Het rechtsvermoeden helpt alleen als iemand mogelijk werknemer is. Sectorale regels gaan vooral over contracten en toezicht. Collectieve afspraken blijven afhankelijk van onderhandeling.

Tegelijkertijd krijgt de opdrachtgever via de zelfstandigenstatus en safe harbour wel vooraf zekerheid. Die kan controleren of een zzp’er een status heeft en, binnen een beperkte set voorwaarden, de inhuur voortzetten zonder risico op naheffingen en premies.

De zelfstandige krijgt een status dat die zzp’er is, terwijl die dat altijd al was. De opdrachtgever behoudt de mogelijkheid om goedkoop in te huren. En mocht dat toch ergens misgaan, dan is de zzp’er de klos en niet de opdrachtgever. Want: ‘Heeft de opdrachtgever te goeder trouw de status gecontroleerd, dan liggen de gevolgen van onjuiste opgave bij de zelfstandige.’

Bescherm niet alleen de status, maar ook de werkelijkheid

Een Zelfstandigenwet zou niet alleen moeten bepalen wanneer iemand juridisch zzp’er is, maar ook voorkomen dat zelfstandig werk structureel onder een houdbare ondergrens wordt betaald.

Vooraf duidelijkheid voor echte zelfstandigen en opdrachtgevers is nodig. Maar het is vreemd om tegelijk een tariefondergrens uit te sluiten en een extra voorwaarde toe te voegen die zzp’ers bij werk via een rooster kan uitsluiten van safe harbour. Dan krijgt de opdrachtgever zekerheid vooraf, terwijl de zzp’er vooral de zekerheid krijgt dat hij of zij ook voor een onleefbaar tarief ondernemer mag blijven.

Wie echt ondernemer is, moet boven een eerlijke ondergrens ruimte houden om zelf te onderhandelen, risico te nemen en eigen keuzes te maken. Een tariefbodem beperkt ondernemerschap niet, maar voorkomt dat markten worden ingericht op tarieven waar niemand duurzaam van kan bestaan.

Een voorstel dat lage tarieven ongemoeid laat en tegelijk geroosterd werk risicovoller maakt voor opdrachtgevers, helpt zzp’ers niet vooruit. Vreemd dat een partij die zegt voor zzp’ers op te komen, juist daarvoor pleit.

Wilmar Dik is fotograaf, cameraman en actief pleitbezorger voor de positie van zelfstandigen in Nederland. Sinds 2008 werkt hij als zelfstandig professional en combineert hij zijn praktijkervaring met publicaties over ondernemerschap, marktwerking, tariefvorming, fotografie, marketing en duurzame verdienmodellen voor zzp’ers. Hij schrijft regelmatig over werken als zelfstandige en over de economische realiteit achter het ondernemerschap. Vanuit die betrokkenheid zet hij zich actief in voor realistische en uitvoerbare oplossingen die bijdragen aan een economisch houdbare positie van zelfstandigen. Bij de NVJ is hij vertegenwoordiger in het beleidsteam Werkvoorwaarden namens de ledengroep NVF/Beeldmakers. Daarnaast is hij als zelfstandig specialist betrokken bij de Ketentafel Fotografie (fairPACCT). Bekijk alle berichten van Wilmar Dik

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *



×