Maandelijkse archieven: mei 2020

De Werkvereniging wil rechtszaak over verplichting AOV voor zzp’ers

Een aparte arbeidsongeschiktheidsverzekering (aov) voor zelfstandigen is strijdig met het Europees recht. Dat stelt De Werkvereniging, een belangenorganisatie voor ‘modern werkenden’, naar aanleiding van een  juridische analyse die ze liet uitvoeren. Volgens Roos Wouters van de Werkvereniging zijn zzp’ers bereid om via crowdfunding een rechtszaak te financieren om de wet tegen te houden.

Het idee van een verplichte aov komt voort uit het pensioenakkoord en was een voorwaarde van de vakbonden, de PvdA en GroenLinks om met dat akkoord in te stemmen. De Stichting van de Arbeid heeft enkele maanden geleden een voorstel gepresenteerd hoe zo’n verzekering vorm te geven. Het advies is een collectieve verzekering met een uitkering op basisniveaus. Afhankelijk van de zelf gekozen wachttijd zou deze verzekering  €85 tot €150 per maand moeten gaan kosten.

Naar verwachting komt Minister Koolmees van Sociale Zaken binnenkort met een reactie daarop en bespreekt dat medio juni met de Kamer.  Het draagvlak onder zzp’ers is ‘broos’ te noemen (zie hier).

De Werkvereniging is in ieder geval fel tegenstander van een aparte regeling voor zelfstandigen en pleit al langer voor een arbeidsongeschiktheidsregeling voor alle werkenden. Los van de contractvorm. Nu wil de Werkvereniging dus gaan proberen deze aparte regeling voor zelfstandigen via een rechtszaak tegen te houden. “Het voorstel is niet houdbaar als het wordt getoetst aan de Europese Dienstenrichtlijn en het EU-Werkingsverdrag”, zo stelt Wouters. “Wij hebben laten kijken naar deze Europese wetgeving en naar diverse arresten. De conclusie is dat een verplichte AOV enkel en alleen voor zelfstandigen een ongerechtvaardigde belemmering voor de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten vormt. Bovendien wordt met dit voorstel inbreuk gemaakt op de grondrechtelijke vrijheid van ondernemerschap, zoals is vastgelegd in het EU-Handvest.”

Of de Werkvereniging hier echt een zaak van kan maken moet nog blijken. Zelfstandigen van buiten Nederland vallen conform EU regels nog 24 maanden onder de sociale voorzieningen van hun eigen land. Dat maakt dat een verplichting voor Nederlandse zzp’ers niet snel gezien zal worden als een beperking van de dienstenrichtlijn.

Verder wordt in het advies van de Stichting van de Arbeid gesteld dat het idee van de verplichte aov niet in strijd is met het Europees recht omdat gekozen is voor “een publieke uitvoering van de verzekeringsplicht, via UWV “. “Mogelijk moet bij het invoeren van deze regeling goed worden onderbouwd waarom dit het algemeen belang dient” zo staat in het advies te lezen. In dat kader wijst de Stichting van de Arbeid er op dat de meeste Europese landen al een verzekeringsplicht hebben voor (groepen) zelfstandigen.

Geplaatst in ZP en Politiek | Tags , | 1 Reactie

Hans Borstlap: Inhuur zelfstandigen niet voor piek en ziek, wel voor uniek

Het moet mogelijk blijven om kenniswerkers, die over unieke vaardigheden beschikken, als zelfstandige in te huren. Dat stelt Hans Borstlap, voormalig voorzitter van de Commissie Regulering van Werk in de podcast “ZZP-status: Respecteren of Reguleren?”. Deze podcast is een initiatief van Albert Allmers van Finance Factor en Petra Willems, advocaat bij LWYRS.

“Flex voor piek en ziek, dat is ontaard in permanente tijdelijkheid. Op dat punt moet je terug naar de standaard vaste arbeidsovereenkomst, maar met meer flexibiliteit. Ik vind het logisch om het zelfstandig ondernemerschap te gebruiken voor het inhuren van specifieke kennis”.

Borstlap reageerde daarmee op de stelling van Allmers om bij de regulering van de zzp-markt onderscheid te maken tussen capaciteitsvraagstukken en kennisintensieve opdrachten waarvoor unieke vaardigheden nodig zijn.

‘Koester zzp’ers en laat ze eerlijk bijdragen’

Voorwaarde voor Borstlap is wel dat alle werkenden meedoen aan een collectief sociaal stelsel en dat de fiscale verschillen tussen werknemers en zelfstandigen verdwijnen. “Zzp’ers zijn enorm energieke mensen. Daar hebben we veel aan”, zei Borstlap. “Je moet ze koesteren, maar dat kan pas als zij eerlijk bijdragen aan de financiering van collectieve voorzieningen. Een universeel fundament aan rechten aan de onderkant maakt mogelijk dat mensen zelf kiezen voor de contractvorm: het werknemerschap of het zelfstandig ondernemerschap.”

Borstlap suggereerde dus een grotere keuzevrijheid in de contractvorm dan in het eindrapport van zijn commissie. In het rapport staat dat de feitelijke manier waarop werkzaamheden gedaan worden leidend moet zijn.

De lessen uit de coronacrisis

Volgens Borstlap wordt veel van wat zijn commissie in het eindrapport concludeert in deze coronatijd extra zichtbaar. “Van ondernemers zal in de toekomst steeds meer wendbaarheid gevraagd worden. Ook van zelfstandigen. De stelling in ons rapport is dat je alleen wendbaar kan zijn als je ook weerbaar bent. Die wendbaarheid en weerbaarheid vragen weer om wederkerigheid. Dat zijn de drie kernwoorden die we in ons rapport hebben proberen uit te werken. Zonder een vloer aan sociale voorzieningen voor iedereen en betaald door iedereen, is er geen weerbaarheid en geen wederkerigheid.”

“Dat er nu miljarden euro’s gaan naar groepen die niet aan de sociale voorzieningen hebben bijgedragen, dat is niet vol te houden. Ik zie ook dat deze crisis onder zzp’ers en hun verenigingen wat teweeg brengt. Het vrije jongens gevoel maakt plaats voor een idee dat zo’n basisvoorziening voor risico’s zo gek nog niet is. Ik verwacht dat zo’n voorziening in het komende regeerakkoord ook vormgegeven gaat worden.” Borstlap denkt daarbij ook aan een basale werkloosheidsverzekering voor niet-werknemers.

Borstlap stelt dat zzp’ers over het algemeen te weinig bijdragen aan de collectieve voorzieningen die in tijden van nood nodig zijn. “Als ik de media nu zo volg, dan denk ik dat dat nu wel breed onderkend wordt. We moeten nadenken over de solidariteit, zowel qua rechten als qua plichten.”

Voortschrijdend inzicht

Hans Biesheuvel van ONL kan zich wel wat bij voorstellen bij een algemene basisvoorziening voor iedereen. “Het is voor mij ook voortschrijdend inzicht, zeg ik eerlijk. Dit is wel het moment om het te doen. De politiek is er ook aan toe om op dit vlak stappen te zetten. Ik zeg er wel een ding bij: vernieuw gelijk ook het polderoverleg. Durf met meer partijen te overleggen dan alleen met de traditionele polder.“

Waar Borstlap een collectieve voorziening wil voor alle werkenden, ziet arbeidsrechtsadvocaat Petra Willems van LWYRS meer in individuele verantwoordelijkheid. “Laat mensen verplicht een bepaald percentage van hun omzet apart zetten. Maar dat wel een eigen potje, waar ze uit kunnen putten als het tegen zit.”

Werkgeverschap aantrekkelijker maken

Meer regels voor zzp’ers moet hand in hand gaan met het aantrekkelijker maken van het werkgeverschap, vindt Borstlap. “We zijn niet tegen ondernemerschap. We schetsten in ons rapport drie rijbanen. Daarin is ruimte voor een volwassen vorm van uitzendarbeid en voor een volwassen vorm van ondernemerschap. Die zien er anders uit dan nu. Geen flex als permanente vorm van tijdelijkheid. Naast dat soort zaken hebben we ook een krachtig pleidooi gehouden voor het aantrekkelijker maken van werkgeverschap. We zijn het enige land in de wereld dat het verzonnen heeft om werkgevers te verplichten iemand twee jaar door te betalen bij ziekte, ook als dat komt door een ski-ongeluk.“

Borstlap vindt ook het ontslagrecht veel te ingewikkeld. “Als we de externe flexibiliteit beter beprijzen en terugdringen, dan moet daar meer mogelijkheid tot interne wendbaarheid tegenover staan. Meer flexibiliteit dus in arbeidscontracten en beloning.”

Biesheuvel is het daar zeer mee eens. Dat werkgeverschap door alle verplichtingen onaantrekkelijker is geworden, is één van de redenen waarom hij samen met Mirjam Bink ONL voor ondernemers startte. De onaantrekkelijkheid van werkgeverschap is volgens hem ook een van de redenen dat het aantal zzp’ers is toegenomen.

Dat concludeert ook de Commissie Borstlap.  Biesheuvel: “Wij van ONL verschillen van mening over een aantal oplossingen van de Commissie Borstlap, maar we delen de analyse volledig. Als we het stelsel overeind willen houden, dan moeten we de lasten eerlijker verdelen. Die zijn nu onevenwichtig verdeeld. Dat kan niet zonder dat je werkgeverschap weer aantrekkelijker maakt.”

Wendbaarheid en opleiding

Terug naar de wendbaarheid. Die wordt nu ook verwacht van interim-professionals. Albert Allmers ziet zijn FinanceFactor als een impresariaat voor die groep. “Wij hameren vanuit loopbaanperspectief bij onze netwerkleden op het belang van permanente educatie. Wij richten ons op kennisintensieve projecten, maar zien dat specialisten die het van zulke projecten moeten hebben te weinig investeren in hun netwerk en opleiding. Daar ligt voor ons als bureau een heel belangrijke rol.”

Dit sluit aan bij het eindrapport van de Commissie Borstlap. De commissie constateert dat er te weinig aandacht is voor persoonlijke ontwikkeling van werkenden., ook onder zelfstandigen. De verlengde coronasteun aan bedrijven moet dat ook gekoppeld zijn aan omscholing, vindt Borstlap. Iedereen moet een ‘individueel leerrecht’ krijgen, ook zelfstandigen.

Tot slot: de Wet DBA

Wat betekent dit alles nu voor hoe de zzp-markt gereguleerd moet worden? Via de Wet DBA is dat niet gelukt. De Commissie Borstlap ziet er niets in om die wet te vervangen met een wet minimumbeloning en wet zelfstandigenverklaring. Maar wat moet er dan wel gebeuren?

“Ik maak me zorgen dat veel weer wordt doorgeschoven naar een volgend kabinet”, zei Allmers. Van Biesheuvel mag de Wet DBA ‘gelijk van tafel’. “Vooral vanwege de praktische invulling. Het stelsel van  modelovereenkomsten is te ingewikkeld en ik heb geen enkel vertrouwen in de webmodule. Er is ook gewoon geen draagvlak. De webmodule is daar niet het juiste instrument voor. We pleiten er voor om het rapport Borstlap naar voren te trekken en het echt vernieuwd te doen. We gaan naar een ongekende crisis. Het is nu nog meer nodig om opdrachtgevers vooraf zekerheid te geven of ze iemand als zzp’er in kunnen huren. ”

Allmers heeft samen met brancheorganisatie Bovib flink geïnvesteerd in procedures om te voldoen aan de Wet DBA. Die vervangen door een webmodule ziet Allmers niet zitten. “De webmodule is een enorme administratieve last. We geloven meer in een splitsing tussen puur capaciteitsvraagstukken en kennisintensieve vraagstukken. Wellicht met een tariefgrens. De interim-managers die met die kennisvraagstukken bezig zijn, doen dat bijna allemaal vanuit de bewuste keuze voor zelfstandig ondernemerschap. Er is echt een enorme populatie in Nederland die overtuigd zelfstandige is en ook over de onderliggende waarden beschikt die daarbij past.”

Geplaatst in ZP en Ondernemen | Tags , , | 4s Reacties

“Stel partnerinkomenstoets TOZO 2 uit”

Vandaag debatteert de Tweede Kamer over de verlengde steunmaatregelen voor bedrijven. Verschillende zelfstandigenorganisaties roepen het kabinet op geen partnertoets in te voeren voor de tweede periode van drie maanden van de Tozo-regeling. Die partnertoets wordt nu niet gedaan.

Hans Biesheuvel, voorzitter van ONL voor Ondernemers, vindt deze keuze niet onredelijk, maar het gaat hem veel te snel. ‘Stel het in ieder geval uit tot na 1 september’, zegt Biesheuvel.

Roos Wouters van de Werkvereniging noemt de invoering van de partnertoets wel onredelijk. “Waarom stel je die eis wel aan zzp’ers maar niet aan werknemers? Zzp’ers met partner terug laten zaken tot het sociaal minimum voor tweeverdieners vind ik echt onevenredig scheef en onsolidair. Het wordt beiden met belastinggeld betaald. Waarom moeten wij meebetalen aan de NOW waarbij salarissen tot €9.538 per maand worden gecompenseerd – ongeacht het inkomen van de partner  – maar worden zzp’ers alleen geholpen als het inkomen van de partner onder de €1.653,65 ligt?”

Ook Marjan van Noort, manager FNV Zelfstandigen, had liever gezien dat de partnertoets achterwegen was gebleven: ‘Wij hebben gepleit voor voortzetting van de TOZO onder dezelfde voorwaarden. Daar is helaas niet voldoende naar geluisterd. Gelukkig heeft het kabinet wel rekening gehouden met de uitvoering van de regeling en hoef je vooraf alleen een verklaring af te leggen dat je (met z’n tweeën) onder het sociaal minimum verdient (€ 1.500). Dus vooraf geen bewijsstukken en andere rompslomp, die uitbetaling vertragen’.

Geplaatst in ZP en Ondernemen | Tags | 18s Reacties

HR-managers: IT-vacatures ondanks coronavirus nog steeds lastig in te vullen

Maar liefst 23 procent van de Nederlandse HR-verantwoordelijken zegt dat IT-vacatures op dit moment de lastigst in te vullen vacatures zijn. Vergeleken bij de periode voorafgaand aan de coronacrisis is dit percentage slechts marginaal gedaald (minus drie procent). Dit blijkt uit onderzoek van De Staffing Groep dat voor (december 2019) en na (mei 2020) de uitbraak van het coronavirus is uitgevoerd door Panelwizard, onder 1.188 Nederlandse HR-verantwoordelijken. Op beide meetmomenten noemt maar liefst 27 procent van alle ondervraagden een tekort aan geschikte IT-medewerkers een ernstige bedreiging voor de toekomst van hun organisatie.
it vacatures lastig te vervullenMet 29 procent krijgen grote bedrijven (500+ medewerkers) openstaande IT-vacatures momenteel het moeilijkst vervuld. “Het afgelopen decennium is de vraag naar getalenteerde IT’ers enorm toegenomen”, zegt Wessel van Alphen, CEO van De Staffing Groep. “Deze cijfers laten zien dat de coronacrisis daar vooralsnog weinig invloed op heeft. Alhoewel de totale vraag naar IT-medewerkers stabiel blijft, merken we dat de verdeling van het soort aanvragen is veranderd. Zo komen er momenteel meer aanvragen binnen voor operationele opdrachten, waarbij de resultaten zich gelijk vertalen richting de business. Tegelijkertijd zien we juist een afname van het aantal strategische opdrachten voor de lange termijn.”

Wervingsstrategie

Door de coronacrisis werken veel Nederlanders noodgedwongen vanuit huis, een goed functionerende IT-infrastructuur is daarbij van levensbelang. Het zou hierdoor kunnen komen dat het percentage HR-verantwoordelijken dat bekwame IT’ers van groot belang beschouwt voor hun organisatie, in de afgelopen maanden is gestegen van 61 naar 64 procent.
Ondanks deze toename, blijft het percentage respondenten dat stelt dat hun organisatie geen duidelijke strategie heeft voor het aantrekken van nieuwe IT-medewerkers onveranderd (27 procent). Grote organisaties (101-500 medewerkers) maken met een stijging van zeven procent de grootste progressie op dit vlak.
Van Alphen: “Onze levens spelen zich in toenemende mate online af, de uitbraak van het coronavirus heeft deze ontwikkeling alleen maar bespoedigd. Ook bedrijven zijn de afgelopen maanden geconfronteerd met de toegevoegde waarde van IT, waardoor de werving en het behoud van bedreven IT’ers een strategische issue is geworden die vraagt om een duidelijke strategie. Het verbaast me dat toch nog een kwart van de bedrijven deze (nog) niet heeft geformuleerd.”

Hogere eisen

Niet alleen HR-verantwoordelijken, maar ook de IT-professionals zelf lijken zich in toenemende mate bewust van de toegevoegde waarde van bedreven IT’ers voor een gemiddelde organisatie. Zo stelt maar liefst 39 procent van de ondervraagde HR-verantwoordelijken dat IT-sollicitanten tegenwoordig hogere eisen durven te stellen dan twee jaar geleden. Opvallend genoeg ligt dit percentage fors hoger onder grote (50 procent) dan onder kleine organisaties (21 procent).
Door de hogere eisen van Nederlandse IT’ers en ondanks het coronavirus zegt een kwart van de ondervraagden momenteel ook over de grens te zoeken naar geschikt IT-talent. Van Alphen: “Vanwege de open grenzen en het internationale karakter van ons bedrijfsleven zijn buitenlandse kandidaten in de afgelopen jaren een serieuze optie geworden voor recruiters. Dit geldt zeker voor ons vakgebied, waarbij Engels vaak de voertaal is. Bij de werving en selectie van internationaal IT-talent is het echter wel belangrijk om op voorhand een aantal criteria op te stellen waarop je ze beoordeelt, aangezien diploma’s en certificaten per land sterk in kwaliteit kunnen verschillen. Een internationaal raamwerk als het European Competence Framework kan daarbij uitkomst bieden.”
Geplaatst in Professioneel inhuren | Tags , | Laat een reactie achter

Je online reviews mee kunnen nemen? Reputatiedata verhuizen heeft zin, blijkt uit eerste onderzoek binnen e-commerce platformen.

Professor Timm Teubner is gefascineerd door de vraag hoe aanbieders op online marktplaatsen hun data mee kunnen nemen naar andere platformen. Zorgen meer reviews van diverse platformen samen voor meer vertrouwen? Welke invloed heeft ‘draagbare’ reputatiedata op jouw online profiel?

Ik sprak Teubner in Berlijn vlak voordat de maatregelen tegen de coronapandemie ieder internationaal bezoek onmogelijk maakten. Deze podcast is de registratie van ons interview over online reputatie en de toegevoegde waarde van dataportabiliteit. In deze blog deel ik mijn meest relevante bevindingen.

Weinig onderzoek naar portabiliteit

Er is weinig bekend over de invloed van zogenaamde ‘portabiliteit’ van reputatiedata. Het beetje onderzoek dat naar dit vraagstuk is gedaan, is uitgevoerd door Teubner. Hij is professor in ‘Trust in Digital Services’ bij de faculteit Economie en Management aan de Technische Universiteit in Berlijn.

Teubner onderzoekt hoe aanbieders op online marktplaatsen hun data kunnen meenemen naar andere platformen, om zo op diverse martplaatsen een vertrouwd profiel te creëren. Op dit moment zit de meeste reputatiedata (denk aan recensies, aantal succesvolle verkopen, levertijd) opgesloten in de platformen waar de data is ‘verdiend’.

Economische impact

Platformdeskundigen vermoeden dat het voor alle betrokken partijen (aanbieder, vrager en platform) beter zou zijn als deze data vrij tussen platformen kan stromen. Oftewel, als jij je eigen data kunt meenemen en inzetten op andere marktplaatsen. 

Is dat ook zo? Teubner probeert in de toekomst te kijken en te testen of reputatieoverdraagbaarheid daadwerkelijk economische impact heeft. Als je jouw beoordelingen overdraagt naar een nieuwe platformcontext, hoe betrouwbaar komt dit dan over? In hoeverre accepteren potentiële gebruikers, gasten of kopers beoordelingen van een andere bron?

Deze vragen staan centraal in Teubners onderzoekspaper “Unlocking Online Reputation — On the Effectiveness of Cross-Platform Signaling in the Sharing Economy”. In het tweede paper “Bring your own stars – The economics of reputation portability” kijken hij en zijn medeonderzoekers naar de wisselwerking tussen bestaande en geïmporteerde recensies voor aanbieders op online marktplaatsen.

Geïmporteerde scores hebben effect

Uit beide onderzoeken blijkt dat de geïmporteerde reputatiescores een significant effect hebben op de betrouwbaarheid in de ogen van klanten. Simpel gezegd: als jij op het ene platform reviews laat zien die je op een andere online marktplaats hebt verdiend, kan dat jouw reputatie verbeteren, wat weer leidt tot meer transacties.

Maar de geïmporteerde scores behalen niet het niveau van vertrouwen van de scores die zijn behaald op het platform zelf. Klanten zien zogenaamde ‘on site’-reputatie dus als betrouwbaarder. Toch straalt een profiel met reputatiedata die van een ander platform komt, significant meer vertrouwen uit dan een profiel zonder recensies.

Kortom, de resultaten van de eerste onderzoeken duiden erop dat portabiliteit van reputatiedata bijdraagt aan het vertrouwen van verkopers in de aanbieder. En daarmee helpt het aanbieders dus om op nieuwe platformen sneller aan de slag kunnen.

Waar komt de focus op e-commerce vandaan?

Het valt me op dat Teubner en zijn collega’s voornamelijk onderzoek doen naar e-commerceplatformen. Ook start-ups die dienstverlening ontwikkelen rondom reputatiedata, richten zich meestal op online verkoopplatformen. Er zijn een aantal redenen voor die focus op e-commerce.

Ten eerste is e-commerce een grote markt die de komende jaren alleen maar zal groeien. We bestellen meer en vaker online, zeker in coronatijd. Er komen ook steeds meer aanbieders bij met dezelfde soort producten. En aangezien die verkopers zich niet kunnen onderscheiden met hun aanbod, zullen zij steeds meer differentiëren in prijs en… reputatie.

Sectoroverstijgend

Verder bestaat e-commerce in iedere sector, maar is de dienstverlening van de aanbieders universeel. Hierdoor is het eenvoudig om een rating van bijvoorbeeld boekenverkoop te koppelen aan een review van fietsbandenverkoop.

Bij platformen in de kluseconomie is dat lastiger. Dat jij een goede maaltijdkoerier via Deliveroo bent, zegt weinig over jouw kwaliteiten als barista via een platform als Temper. Oftewel: de ‘cross-platform reputatie-effecten’ zijn bij e-commerce veel universeler dan bij andere type platformen.

Eenvoudig te meten

Tot slot is reputatie binnen e-commerce redelijk eenvoudig te meten. De manier waarop verkopers beoordeeld worden, is vrijwel hetzelfde op alle marktplaatsen. De aanbieder heeft over het algemeen veel invloed op alle variabelen: het product, de communicatie, aftersales en transport.

Als je dit vergelijkt met platformdienstverlening, dan heeft de aanbieder veel minder controle. De maaltijdbezorger heeft bijvoorbeeld geen invloed op de kwaliteit van het eten dat hij bezorgt, het tijdstip waarop het restaurant de maaltijd klaar heeft en de drukte in het verkeer. En toch hebben al die variabelen invloed op de beoordeling van de koerier.

Foutje moet kunnen

Een paar slechte beoordelingen kunnen flinke impact hebben. Teubner spreekt in een van zijn papers over de ‘survivalship bias’. Aanbieders met slechte reviews zijn minder zichtbaar, krijgen minder klanten en verdwijnen na een tijdje van het platform.

Teubner: “Het valt me op dat ik vooral gebruikers met heel erg positieve reviews zie in mijn onderzoek. Het is niet zo dat middelmatige of slechte aanbieders niet bestaan, ze verdwijnen gewoon na een tijdje. Ze verlaten of verwijderen hun account, want ze komen niet af van die slechte beoordeling. Vaak beginnen ze dan maar opnieuw met bijvoorbeeld een andere naam of ander emailadres.”

Profielen met slechte beoordelingen verdwijnen van het platform om vervolgens met een schone lei opnieuw te beginnen. Bij kluseconomie platformen is dat waarschijnlijk lastiger, aangezien een profiel aan een fysieke identiteit is gekoppeld. Daarom zou het voor dit soort platformen een goed idee zijn om ‘een recht om vergeven te worden’ in te bouwen. Teubner is het hier mee eens: “Je zou bijvoorbeeld eens per kwartaal of half jaar een review kunnen verwijderen”, stelt hij voor. “Iedereen maakt weleens een foutje. Dat moet kunnen, ook op online platformen.” Bij platform Meeting Review wordt een score in vijf jaar afgeschreven, wat ook ruimte biedt om fouten te maken en te experimenteren.

Wat vervolgonderzoek ons moet leren

Ieder onderzoek roept weer nieuwe vragen op, zo ook dat van Teubner. Om meer inzicht te krijgen in de toegevoegde waarde van de portabiliteit van reputatiedata voor platformwerkers, is meer specifiek onderzoek nodig. Dit interview geeft in ieder geval belangrijke eerste inzichten om te ontdekken onder welke voorwaarden portabiliteit van reputatiedata van platformwerkers bijdraagt aan het empoweren van deze werker.

Geplaatst in Toekomst van Werk | Tags , | Laat een reactie achter

Arbeidsmarkt in balans? Een evaluatie van de WAB

Met de WAB wil de wetgever het ontslagrecht vereenvoudigen, de groei van flexwerken tegengaan en concurrentie op arbeidsvoorwaarden voorkomen.

De huidige Covid-19 crisis en de gevolgen hiervan op de economie laten zien hoe groot het aandeel is van de flexibele arbeidsverhoudingen. Economie en arbeidsmarkt lijken minder in balans dan ooit.

Maar als we verder kijken dan wat ons overkomt met de Covid-19 crisis, wat kunnen we op dit moment dan zeggen van de maatregelen uit hoofde van de WAB?

Sectorpremie in twee smaken: hoog of laag

Vanaf 1 januari 2020 is de sectorale premie voor het sectorfonds vervallen en is de door werkgevers verschuldigde WW-premie verdeeld in twee categorieën: een hoge en een lage. De voor werkgevers aantrekkelijke lage premie is gereserveerd voor vaste dienstverbanden. Voor de andere vormen van dienstverbanden geldt de hoge premie; het gaat dan om tijdelijke overeenkomsten, oproepcontracten, nul-uren contracten, uitzendovereenkomsten, payroll overeenkomsten voor bepaalde tijd en min/max contracten.

Logischerwijs zijn werkgevers op zoek gegaan naar mogelijkheden om aan de hoge premie te ontkomen. Waar mogelijk hebben werkgevers arbeidsovereenkomsten aangepast en tijdelijke arbeidsovereenkomsten gewijzigd naar contracten voor onbepaalde tijd.

Ook de omvang van de te werken uren wordt meer eenduidig vastgelegd. Werkgevers zijn zich hierbij echter niet altijd genoeg bewust van het belang van de juistheid van deze vastlegging. Vanaf 1 januari 2021 geldt immers dat indien binnen een kalenderjaar de werknemer daadwerkelijk 30% of meer uren werkt dan contractueel overeengekomen, de werkgever met terugwerkende kracht voor de betreffende werknemer alsnog de hoge premie verschuldigd is. Hetzelfde geldt voor situaties waarin de dienstbetrekking eindigt binnen twee maanden na de aanvang. Gelet op de verstreken periode is dit nog niet veel voorgekomen, maar een gewaarschuwd mens telt voor twee.

Sterkere positie oproepkrachten

In het verlengde van het hiervoor vermelde wordt vanaf 1 januari 2020 aan oproepkrachten meer waarborgen gegeven voor meer zekerheid. Zo moeten werkgevers oproepkrachten minstens vier dagen van te voren oproepen voor werk,  waarbij ingeval de werkgever een oproep binnen vier dagen afzegt de oproepwerknemer recht heeft op loon over de uren waarop hij was opgeroepen. Voorts moeten werkgevers na 12 maanden  aan oproepkrachten een vaste arbeidsomvang aanbieden. Met betrekking tot deze bepaling moet worden vastgesteld dat werkgevers kort voor het verstrijken van de 12 maandperiode afscheid nemen van de werknemer.

Sectorindeling en uitzenden

De sectorindeling is dus niet meer relevant voor de hoogte van de WW-premie, maar blijft wel nog van belang voor de hoogte van de te betalen premie werkhervattingskas. Alle ondernemingen die zich meer dan bijkomstig bezighouden met het ter beschikking stellen van arbeidskrachten vallen vanaf 1 januari 2020 in de uitzendsector (52). Hierbij is sprake van meer dan bijkomstig als het ter beschikking stellen ten minste 15% bedraagt. Dit betekent dat bij ter beschikking stellen van arbeid een aansluiting bij sector 52 aan de orde is als het aandeel in de totale activiteiten 15% of meer bedraagt, ook als dit minder dan 50% van het totaal bedraagt. In dergelijke gevallen zal een gesplitste aansluiting aan de orde zijn, waarbij de onderneming deels bij sector 52 en deels bij een andere sector is aangesloten.

In de praktijk zie ik dat ondernemingen zich hier niet of onvoldoende van bewust zijn. In gevallen waarin tot en met 2019 een andere bedrijfssector van toepassing was, bijvoorbeeld omdat de onderneming daarin in hoofdzaak actief is en/of arbeidskrachten naartoe uitzendt, geldt dat op grond van de nieuwe regels een indeling naar sector 52 aan de orde is. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan een onderneming in de metaalnijverheid die naast de bedrijfseigen activiteiten voor 20% ook werknemers uitzendt in deze sector. Waar voorheen enkel een aansluiting voor de metaalsector was, zal voor de onderneming thans ook een aansluiting bij de uitzendsector aan de orde zijn. In de door de Belastingdienst voor 2020 afgegeven premiebeschikkingen werkhervattingskas staat echter veelal de oude sectorindeling vermeld. Ondernemingen zijn zich er veelal niet van bewust dat zij hier de verplichting hebben om zelf actie te ondernemen en de kwestie van de sectoraansluiting bij de Belastingdienst voor te leggen. Let op: Indien de Belastingdienst achteraf vaststelt dat een onderneming in een onjuiste sector is ingedeeld en vaststelt dat de onderneming dit ten onrechte niet zelf heeft gemeld, kan een naheffing (met rente) worden opgelegd.

Volledige arbeidsvoorwaarden inlener voor de payroller

Met ingang van 1 januari 2020 is het begrip payrollovereenkomst uit het begrip van de uitzendovereenkomst gehaald en apart benoemd in het Burgerlijk Wetboek. Onder de nieuwe regels wordt onderscheid gemaakt tussen een uitzendovereenkomst en een payrollovereenkomst. Bij de payrollovereenkomst ontbreekt de mogelijkheid voor de payrollwerkgever om te bepalen waar de werknemer wordt ingezet en wordt er exclusief voor één opdrachtgever gewerkt (de zogeheten allocatiefunctie ontbreekt). Om de concurrentie op arbeidsvoorwaarden tegen te gaan is in de nieuwe regels bepaald dat werknemers met een payrollovereenkomst minimaal dezelfde arbeidsvoorwaarden dienen te krijgen als de werknemers die in dienst zijn bij de opdrachtgever.

Werknemers met een payrollovereenkomst dienen minimaal dezelfde arbeidsvoorwaarden te krijgen als werknemers in dienst bij de opdrachtgever

Payrollondernemingen moeten zich er hierbij van bewust zijn dat het gaat om de volledige arbeidsvoorwaarden. Het gaat dus niet alleen om de inlenersbeloning maar om de gehele arbeidsrechtelijke positie. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de wettelijke ketenbepaling en aan arbeidsvoorwaarden zoals vastgelegd in een cao: vakantiedagen, scholing, verlof, en – vanaf 2021 – een pensioenregeling. De consequentie is dat afhankelijk van de sector de kostprijs voor de payrollwerkgever hoger wordt; deze kan mogelijk maar ten dele worden verdisconteerd in de verkoopprijs.

Zzp vanaf 2021

De gevolgen van de WAB zullen de komende tijd nog wel verder duidelijker worden. De Covid-19 crisis vertroebelt het beeld en maakt het moeilijker om te beoordelen of de WAB inderdaad voor een nieuwe balans zorgt. Ondertussen is voor de balans op de arbeidsmarkt ook van belang hoe de opvolger van de Wet DBA precies zal uitpakken. Ondanks het aantrekkelijker maken van het aanbieden van vaste contracten, zullen ondernemingen behoefte houden aan flexibiliteit en is de vraag interessant in welke mate deze kan worden ingevuld door gebruik te maken van zelfstandigen. De onduidelijkheid na het afschaffen van de VAR is eigenlijk niet weg en ondernemingen geven aan dat ze snakken naar een eenduidige wijze waarop de samenwerking met zelfstandigen, en het voorkomen van inhoudingsplicht, kan worden vormgegeven.

Auteur: Bart Agerbeek

Geplaatst in Professioneel inhuren | Tags , , | Laat een reactie achter