Maandelijkse archieven: augustus 2015

Aukje Nauta over goed opdrachtgeverschap, het psychologisch contract en lessen voor klassieke arbeidsrelaties.

Aukje Nauta Goed opdrachtgeverschap
Prof Aukje Nauta

Goed opdrachtgeverschap, dat gaat vooral om de kwaliteit van de relatie tussen twee mensen: een opdrachtgever en een opdrachtnemer. Dat zegt  Aukje Nauta, hoogleraar op de NSvP-leerstoel ‘Employability in Working Relationships’ aan de Universiteit van Amsterdam en partner van adviesbureau Factor Vijf, naar aanleiding van het onlangs gepubliceerde onderzoek over Goed Opdrachtgeverschap

Tijdens een rondetafelgesprek spraken wij met haar over haar visie op Goed Opdrachtgeverschap, haar eigen ervaring als opdrachtnemer en haar kijk op de resultaten uit het onderzoek. “Mijn advies is heel simpel: ga goed met elkaar in gesprek”. 

“Ik ben nu vijf jaar zelfstandig ondernemer en dus regelmatig opdrachtnemer. Ik moet zeggen, dat bevalt met erg goed. Het zal deels met mijn karakter te maken hebben. Ik kan niet zo goed tegen bazen. En ook niet tegen ondergeschikten. Opdrachten kunnen doen op basis van een voet van gelijkwaardigheid is voor mij cruciaal.

Wat me het beste bevalt is de autonomie, het feit dat je een groot netwerk opbouwt en afwisselende en boeiende opdrachten doet. Daarmee voldoet het zelfstandig ondernemerschap aan de basisbehoeftes die ik, en met mij vele anderen, heb: de behoeften aan autonomie, relatedness en competence, om het in vakjargon te zeggen.

Wanneer ik naar aanleiding van jullie events en onderzoek nadenk over goed opdrachtgeverschap, dan komt bij mij als eerste de vraag naar boven: ben ik zelf eigenlijk wel een goed opdrachtnemer? Goed opdrachtgeverschap kun je niet alleen realiseren, net zo min als goed opdrachtnemerschap. Het zit hem in de relatie. Een bureau dat als intermediair optreedt tussen die twee is idealiter een goede relatiebemiddelaar.

Arbeidsrelaties zijn helaas vaak armoedig

Ik adviseer veel over arbeidsrelaties.  De meest voorkomende arbeidsrelatie is nog altijd die tussen een werkgever en een werknemer in loondienst. Die arbeidsrelaties zijn helaas vaak armoedig. Ze zijn gebaseerd op een gebrekkige uitruil van belangen en behoeftes. Loon versus arbeid. Loyaliteit versus baanzekerheid. Daarbij zijn die relaties erg hiërarchisch, wat leidt tot aangeleerde hulpeloosheid van werkenden; loonslavernij zou je kunnen zeggen. Het psychologisch contract tussen een werkgever en werknemer, ofwel de beleving van de arbeidsrelatie inclusief verwachtingen die men over en weer heeft, is vaak erg transactioneel.

De relatie tussen een opdrachtgever en opdrachtnemer is vaak veel rijker. Althans zo ervaar ik het zelf en zo zie ik het ook om mij heen. De relatie is vaak veel gelijkwaardiger en exclusiever. De opdrachtgever heeft bijzondere expertise nodig en een interimmer kan die bieden. Dan ontstaat er een gebalanceerd psychologisch contract tussen die twee.

De duurzame inzetbaarheid van zelfstandige professionals loopt gevaar

Als ik het onderzoek over Goed opdrachtgeverschap lees, dan komt daarin een rooskleurig beeld naar voren. Opdrachtnemers geven opdracht en opdrachtgevers gemiddeld een 7,9 en een 7,6. Mooie rapportcijfers! Het is goed om voor ogen te houden dat dit onderzoek een selectie van bepaalde zzp’ers betreft, namelijk de hoger opgeleide zelfstandig professionals die voor behoorlijke tarieven werken. Dat is al een selectie van rijke opdrachtgever-opdrachtnemerrelaties. Maar goed, van deze selectieve groep valt te leren over hoe het moet. Lessen die ook van pas komen in klassieke arbeidsrelaties.

De succesfactoren die de zelfstandig professionals in het onderzoek noemen, zijn een passende opdracht, een opdracht die het netwerk en de reputatie vergroot, de steun die ze ontvangen van de inhurend manager en het feit dat ze veel autonomie hebben en flexibel kunnen werken. Kom daar als werknemer maar eens om!

Toch maakt het onderzoek ook duidelijk dat niet alles op orde is in die opdrachtgever-opdrachtnemer relatie. Beide partijen vinden zichzelf en de ander tekortschieten als het gaat om groei, opleiding en ontwikkeling. Dat is risicovol. Het wijst erop dat duurzame inzetbaarheid van zelfstandige professionals gevaar loopt . Die duurzame inzetbaarheid is juist voor zelfstandig professionals erg belangrijk. Het gaat erom dat je continu nieuwe opdrachten kunt krijgen. Dat kan alleen als je je skills up-to-date houdt.

Ga goed met elkaar in gesprek. Sluit zogenoemde i-deals

Op het terrein van opleiding en ontwikkeling valt de relatie tussen opdrachtgever en opdrachtnemer nadrukkelijk te verdiepen. Dit thema is bij een opdrachtgever-opdrachtnemerrelatie veel complexer dan bij een werkgever-werknemerverhouding, zeker als het erom gaat wie verantwoordelijk is voor persoonlijke ontwikkeling en wie wat betaalt. Toch denk ik dat hier wel degelijk een wederzijds belang is en dat je ook hierover afspraken zou moeten maken.

Als het gaat om verrijking van arbeidsrelaties, adviseer ik bedrijven iets heel simpels: ga goed met elkaar in gesprek. Sluit zogenoemde i-deals. Dat zijn niet-standaard en individuele afspraken over werk en voorwaarden die zowel voor medewerkers als voor de organisatie gunstig zijn. In een recent onderzoek heb ik aangetoond dat werknemers die goed sparren met hun baas, vaker i-deals sluiten. Die i-deals verbreden hun inzetbaarheid, vooral de individuele afspraken over groei en ontwikkeling.

Ik zou willen voorstellen om het principe van i-deals ook toe te passen in opdrachtgever-opdrachtnemerrelaties, vooral wat betreft ontwikkeling. Maak niet alleen heel transactionele afspraken over de opdracht en het geld dat je daarvoor biedt of krijgt, maar denk ook na over hoe de opdracht bijdraagt aan groei en ontwikkeling. Is dat met extra feedback? Een extra taak? Een cursus?

Het mooie is: ontwikkelafspraken zijn een cadeautje, een vorm van rijke uitwisseling tussen partijen. Beiden worden er beter van. Als opdrachtgever krijg je zo die extra bevlogenheid. Als opdrachtnemer blijf je duurzaam inzetbaar. Als je hier als intermediair toegevoegde waarde weet te leveren, dan blijf je de concurrentie voor.

Als ik het hieraan afmeet, ben ik dan een goed opdrachtnemer? De meeste opdrachten rond ik goed af en ooit maakte ik wel eens een afspraak om op een specifiek terrein extra feedback te ontvangen. Maar eerlijkheidshalve geef ik toe: ik ben de dokter die rookt, de loodgieter bij wie het dak lekt. Dat is een mooie aanleiding om allemaal eens in de spiegel te kijken en onszelf de vraag te stellen waarom we het eigenlijk veel te weinig doen, rijke afspraken maken over groei en ontwikkeling. Als we hier allemaal aandacht voor hebben, opdrachtgevers en opdrachtnemers, dan verwacht ik dat het wel  goed komt met goed opdrachtgeverschap.”

Het rapport “Goed Opdrachtgeverschap. Een onderzoek naar duurzame en waardevolle samenwerkingsrelaties tussen interim professionals en inhurende organisaties” van Tilburg University & ZiPconomy is hier verkrijgbaar. 

 

Geplaatst in Professioneel inhuren | Tags | Laat een reactie achter

Top 10 artikelen over ‘Inhuur, recruitment & flex’

Top-10Waar de zomerperiode is voor sommigen een tijd om eens lekker wat anders doen op internet vakliteratuur te lezen, is het voor anderen juist een mooie tijd om eens wat langer aandacht te besteden wat er zoals op internet verschijnt.

Om die laatst groep wat te helpen zetten we de komende dagen de best gelezen artikelen van de afgelopen 12 maanden uit de meest bezochte ZiP-dossiers op een rij.

Met als start: de Top 10 artikelen uit ’14/’15 over het thema ‘Inhuur, recruitment & flex’:

  1. Het einde van het traditionele cv voorspeld vanuit vijf trends
  2. Vloeibaar organiseren: onontkoombaar!
  3. Hoe bepaal ik de ideale flexibele schil voor mijn organisatie?
  4. LinkedIn oprichter voorspelt einde van het concept ‘baan’.
  5. Toekomst van Werk volgens Lynda Gratton: Zeven trends en drie thema’s.
  6. Niels van Berkel over de toekomst van online werven en selecteren van zelfstandig professionals
  7. Gusta Timmermans over de integratie van ‘vast en flex’ en het groeiend aantal zp’ers bij ING
  8. Grip op Externe Inhuur? Kies bewust! 9 verschillen tussen Broker en MSP.
  9. Bryan Peña: Inkoop moet het dossier ‘inhuur’ overdragen aan HR. Maar pakken die het ook aan?
  10. Eén transparante kostprijsberekening voor inlener én ZP’er

Vind meer dan honderd artikelen met visies, tips en cases over dit onderwerp in het ZiP-dossier ‘Inhuur, Recruitment & Flex’Inhuur recruitment & flex

 

Geplaatst in Professioneel inhuren | Tags , , , | Laat een reactie achter

Het basisinkomen

economieHet basisinkomen is hot. Er wordt veel over gesproken, de ene econoom en politicus valt over de ander heen om er een mening over te hebben.

Marianne Poot (VVD Amsterdam) schreef een opiniestuk in het FD met de titel: links defaitisme van de bovenste plank. Ik heb het woord defaitisme even moeten opzoeken: Defaitisme is in de oudere betekenis de wens van een individu dat de eigen regering een gewapend conflict verliest. Inhoud lijkt me duidelijk.

Maar ook PvdA economen Van der Ploeg en Vermeend zijn tegenstanders, met een opiniestuk in de Telegraaf. Het zou onbetaalbaar zijn en mensen gaan er minder van werken is hun stelling. Ook de SP is tegen, die zien het namelijk als een afbraak van het sociale stelsel.

Ondertussen zijn er een aantal gemeentelijke experimenten, tenminste, zo worden ze genoemd.

(meer…)

Geplaatst in basisinkomen, Beloning | 3s Reacties

De eerste (niet verrassende) gevolgen van de Wwz worden zichtbaar

De Wet werk en zekerheid (Wwz) wordt op verschillende momenten ingevoerd. 1 juli jl. was de belangrijkste datum. Toen zijn nieuwe bepalingen ingevoerd die, naar mijn mening, de grootste gevolgen zullen hebben voor werkgevers en vooral voor werknemers.  Zo moet nu bijvoorbeeld na 2 jaar en 3 contracten een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd worden aangeboden.  Op de site van de rijksoverheid staat het mooi omschreven:

Met de Wet werk en zekerheid (Wwz) is onder andere de positie van tijdelijke werknemers (flexwerkers) versterkt. Zo wordt het verschil tussen hun positie en die van werknemers met een vast contract kleiner. Bijvoorbeeld door sneller door te stromen naar een vaste baan. “

Maar klopt dat eigenlijk wel?  Is het niet zo dat werknemers na  twee jaar toch vriendelijk bedankt worden voor de geleverde diensten?  De eerste berichten die dit vermoeden bevestigen, druppelen langzaam binnen.  Er zijn al veel voorbeelden van werkgevers die afscheid hebben genomen van personeel dat anders na 1 juli 2015 twee jaar in dienst zou zijn.

Dit is overigens niet per se omdat de werkgever dat wil. Bij een aantal grote bedrijven, bijvoorbeeld in de zorg, is vastgelegd dat er in het kader van de bezuinigen geen arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd meer bij mogen komen. Dergelijke afspraken zijn vaak al gemaakt voordat de exacte maatregelen van de Wwz bekend waren.

Niet onverwacht

Zo bereikte mij het verhaal van een werknemer die al twee jaar bij een zorginstelling op de administratie werkte. De werkgever wilde haar maar wat graag behouden, maar vanwege de flexbepalingen en transitievergoeding bleken er geen mogelijkheden te zijn.  Of het andere verhaal van een jonge moeder die in het hotelwezen werkte. Voorheen kon in de horeca-cao nog afgeweken worden van de flexbepalingen, dat is nu zo goed als onmogelijk geworden. Ook deze vrouw kreeg geen verlenging, terwijl het drukke zomerseizoen voor de deur stond en de werkgever haar graag in dienst wilde houden.

Deze keerzijde van de Wwz komt natuurlijk niet onverwacht. Zodra de plannen van de regering bekend waren, kwam van diverse kanten kritiek. De Koninklijke Horeca Nederland heeft van meet af aan gesteld dat de Wwz niet één op één  toegepast kan worden op bedrijfstakken zoals de horeca, die erg afhankelijk zijn van het seizoen.

Critici zullen stellen dat minister Asscher (Sociale Zaken) een branche kan toestaan waarop de ketenregeling niet van toepassing is. Dat klopt, opgemerkt moet worden dat de minister hiervan slechts een voorbeeld heeft gegeven: het profvoetbal.

Hoe positief de berichten over de toegenomen werkgelegenheid in de uitzendbranche ook zijn (zoals hier), ze moeten wel in het licht van het bovenstaande gezien worden: Veel werkgevers hebben de contracten met hun tijdelijke werknemers beëindigd, maar hebben wel personeel nodig. Het zal geen verrassing zijn waar ze dat personeel vinden.

Geplaatst in ZP en Ondernemen, ZP en Politiek | Tags , , | 1 Reactie

Léon de Caluwé: ‘Veranderkundigen moeten change poets zijn’

caluweMet de bundel Spannend veranderen neemt Léon de Caluwé afscheid als hoogleraar Advieskunde aan de Vrije Universiteit in Amsterdam én van Twynstra Gudde, het adviesbureau waarvoor hij jarenlang werkzaam was. ‘Ooit, in Amerika, heb ik gezegd dat ik tot de tien beste consultants van Nederland wilde gaan behoren. Daar ben ik wel in geslaagd, denk ik.’

‘Worden de foto’s straks in kleur afgedrukt?’ Wanneer de fotograaf zijn spullen opbergt na de fotosessie, kan Léon de Caluwé zijn nieuwsgierigheid niet bedwingen. De fotograaf antwoordt bevestigend. ‘Fijn, dan komen de bloemen in de tuin goed naar voren, ze staan er mooi bij’, stelt De Caluwé tevreden vast.

Toeval of niet, het werk van De Caluwé (1950) is de laatste twintig jaar, sinds hij begon te werken aan zijn promotie, beheerst door de kleurentheorie. In de bundel die nu bij zijn afscheid als hoogleraar Advieskunde aan de Vrije Universiteit verschijnt, blijkt andermaal hoe belangrijk deze metatheorie over de verschillende opvattingen over veranderen voor hem is geweest. Naast de rede die hij bij zijn afscheid op 29 mei heeft uitgesproken, telt de bundel twintig korte essays van mensen met wie De Caluwé in de loop van zijn carrière nauw heeft samengewerkt. En vanzelfsprekend komt de kleurentheorie daarin steeds naar voren. Ook in het stuk van Hans Vermaak, die als coauteur betrokken was bij het boek Leren veranderen uit 1999, waarin De Caluwé de vijf veranderkundige stromingen heeft beschreven.

‘Hans en ik hebben recent weer twee artikelen geschreven’, vertelt De Caluwé. ‘Eén daarvan ging over de theorie zelf en waarom die zo populair is geworden. Met dat artikel hebben we een prijs gewonnen bij de Academy of Management, voor de beste verbinding tussen theorie en praktijk. In dat artikel hebben we de geschiedenis en de ontvangst van de kleurentheorie in beeld gebracht. We hebben drie periodes onderscheiden: de inceptie-periode, waarin het draaide om de ordening, de storming & norming-periode, waarin wij de theorie verder hebben uitgewerkt als een instrument om de complexiteit te leren begrijpen, en de volwassen periode. Dat is een buitengewoon zinvolle exercitie geweest. Het is interessant om terug te blikken op die storming & norming-periode, toen we echt op sleeptouw zijn genomen door de praktijk. Ik kan me herinneren dat we toen elke week iets nieuws bedachten. We zaten in een soort flow, we kwamen telkens weer nieuwe voorbeelden tegen. Door de kritische vragen die we kregen, kwamen we weer op nieuwe gedachten. Alle stukjes vielen in die periode in elkaar, dat was heel spannend.’

Paradoxen

In die periode leerde De Caluwé ook de keerzijde van zijn succes kennen: mensen die zijn theorie gebruikten om dingen te vereenvoudigen, in plaats van de complexiteit te leren begrijpen. ‘Ach, het hoort erbij. Je kunt er niet veel aan doen als mensen een populaire theorie op een platte manier gebruiken. Ik kijk liever naar hoe de ideeën doorontwikkeld worden. Hans Vermaak gaat dat zonder twijfel oppakken en er zijn eigen draai aan geven. We hebben ons boek Leren veranderen enkele jaren geleden opnieuw bewerkt en dat gaan we zeker nog een keer doen. Wanneer weet ik niet precies, voorlopig wil ik even weinig tot niets doen, maar het is nooit af. Dat zou ook raar zijn: de body of knowledge blijft groeien.’

In zijn eigen afscheidsrede gaat De Caluwé daar ook op in. Hij is de laatste jaren gefascineerd geraakt door de groeiende invloed van het paradoxdenken, een trend die naadloos bij zijn eigen kleurentheorie past en deze ook verder kan helpen. ‘Het paradoxdenken komt natuurlijk niet uit de lucht vallen, de Grieken maakten er ook al gebruik van’, zegt hij. ‘Maar de laatste jaren is de aandacht voor concurrerende realiteiten, realiteiten die in tegenspraak met elkaar zijn maar wel waar zijn, enorm toegenomen. Er is ook veel interessante literatuur over verschenen, die ik ook aanhaal in mijn bundel. Die ontwikkelingen volg ik met veel interesse. Het denken over paradoxen is nog lang niet ten einde.’

Waar die trend vandaan komt? De Caluwé durft het niet met zekerheid te zeggen. ‘Misschien is het een reactie op het contingentiedenken, het idee dat we de werkelijkheid kunnen leren kennen door redeneringen in de trant van ‘als dit, dan dat’. We hebben de afgelopen jaren kennelijk geleerd dat het ook en-en kan zijn en dat we moeten laveren tussen de polen van de paradox. Sommige paradoxen vinden we heel normaal, daar hebben we mee leren leven. Bijvoorbeeld dat je aan jezelf moet denken, maar dat je ook aan anderen moet denken, maar dat je niet moet doorslaan naar de ene of de andere kant. Dat weten we heel goed. Zo zijn er ook in organisaties situaties waarvan we weten dat het juist niet goed is om uitsluitend voor het een of het ander te kiezen. Denk aan centraal of decentraal. Of aan sturing of autonomie. Dat zijn bekende paradoxen in de organisatiekunde, waarbij het niet verstandig is om te kiezen. Het beste is te leren laveren, en niet door te slaan naar de ene of de andere pool of hoorn van de stier, zoals dat heet.’ Een mooie metafoor, die nog eens laat zien waarom De Caluwé zo van metaforen en spreekwoorden houdt. ‘De kritiek op spreekwoorden, onder andere van Herbert Simon, is dat ze geen onderscheid maken en daarom wetenschappelijk oninteressant zijn. Maar spreekwoorden laten ons juist de wijsheid van het alledaagse leven zien. De eerste klap is een daalder waard en het eerste gewin is kattengespin. Ook dat zijn paradoxen, tegenstellingen die beide waar zijn.’

Twee koffers vol games

Met alle aandacht voor de kleurentheorie dreigt de rol van De Caluwé als voortrekker van gaming in Nederland wel eens in de verdrukking te komen. In zijn bijdrage aan Spannend veranderen beschrijft Marcel de Rooij hoe De Caluwé samen met Rob Rapmund terugkeerde van een studiereis door de Verenigde Staten, met twee koffers vol standaardgames als Advantig, Hexagon en Slogan. Gaming is ongelooflijk belangrijk geweest voor zijn ontwikkeling als organisatieadviseur en -wetenschapper, vertelt De Caluwé. ‘Ik heb van gaming geleerd hoe mensen zich gedragen ten opzichte van elkaar, maar ook hoe organisatiemechanismen zich ontwikkelen. Games fungeren als een soort laboratoria. De ontwikkelingen spelen zich voor je eigen ogen af. Je ziet de actie en de reactie, je ziet hoe Red Tape zich ontwikkelt, hoe gemakkelijk mensen grijpen naar controlemechanismen. Dat is een natuurlijke neiging. Wanneer je ze vervolgens confronteerde met wat ze deden, waren ze vaak stomverbaasd. Ben ik dat aan het doen? Die reflectie hebben we kennelijk nodig.’

Het is kortom geen toeval dat de grote reorganisatie bij Delta Lloyd, waar De Caluwé met een spel een belangrijke rol in heeft vervuld en die hij heeft beschreven in zijn promotie, de aanjager is geweest van de ontwikkeling van de kleurentheorie. De kleuren van de verandertheorieën zitten in mensen, was de onontkoombare conclusie. In die zin hebben de twee onderwerpen waar De Caluwé zich altijd mee bezig heeft gehouden, veel met elkaar te maken. ‘Aanvankelijk was de kleurentheorie een beschrijving van de stromingen in de veranderkunde. Maar al heel snel hadden we door dat de voorkeuren ook in mensen zitten, dat het onderdeel is van hun waardenstelsel. Dat het onderdeel is van hoe ze denken, van hun preferenties. En dat de confrontatie tussen mensen zich precies op dat vlak afspeelt.’

Change poet

De Caluwé is trots op wat hij tot stand heeft gebracht. Ooit, toen hij met een Fulbrightbeurs naar Amerika ging, kreeg hij de vraag wat zijn ambitie was. Geprikkeld door de vraag antwoordde hij dat hij tot de tien beste consultants in Nederland wilde gaan behoren. ‘Daar ben ik wel in geslaagd, denk ik.’ Zijn collega’s roemen hem om zijn rust, zijn overzicht, zijn vermogen te conceptualiseren. Is dat zijn karakter of heeft hij het zichzelf aangeleerd? ‘Er zal wel wat talent bij zitten’, zegt hij. ‘Ik heb het altijd leuk gevonden om in de praktijk bezig te zijn, maar ik vind het ook interessant om mijn ervaringen te abstraheren, te conceptualiseren. Karl Weick noemt dat change poets: mensen die de praktijk van alledag in concepten kunnen vangen en die met elkaar kunnen verbinden. Ik vind dat eigenlijk alle veranderkundigen dat zouden moeten kunnen. Ze moeten begrijpen waar ze mee bezig zijn en dat ook kunnen duiden.’

Die interesse in abstraheren heeft ook aan de basis van zijn hoogleraarschap gelegen, vertelt hij. ‘Ik heb wetenschap altijd heel interessant gevonden. Toen de mogelijkheid zich voordeed hoogleraar te worden, heb ik meteen ja gezegd, hoewel ik in essentie een praktijkmens ben. De wetenschap heeft ons veel te bieden, hoewel er ook minder bruikbare onderzoeken zijn. Ik vind ook dat wetenschap niet alleen de praktijk moet informeren, maar ook bewezen praktijken moet verwetenschappelijken. Dat dat mogelijk is, hebben we met kleurentheorie wel laten zien.’

Voor De Caluwé is het leren nooit opgehouden. Het is geen toeval dat hij, afgezien van zijn proefschrift, nooit een artikel of boek alleen heeft geschreven. Hij koos altijd voor samenwerking. ‘Dat heeft ermee te maken dat ik het toch wel interessant vind om van anderen te leren. Schrijven is een leerproces op zichzelf. Je gedachten op papier zetten, ze goed verwoorden en toegankelijk maken voor anderen en dat ook nog eens doen met anderen, is een dubbel leerproces. Natuurlijk heeft er ook wel eens een teleurstelling bij gezeten, er is ook wel eens iets mislukt, maar ik heb ontzettend veel van anderen opgestoken.’

Dit interview van Hans van der Klis met Leon de  Caluwé verscheen eerder op Managementboek.nl 

Geplaatst in ZP en Ondernemen | Tags , | Laat een reactie achter

War for talent? Make love not war!

loveOnlangs luisterde ik naar een uitzending van BNR werkverkenners over de The war for talent. Overigens luisterde deze uitzending naar de naam The war on talent. In dat geval gaat het met talent niet goed komen, maar dat terzijde. Tijdens deze uitzending werd verwezen naar een publicatie van McKinsey uit 1999 waarin deze ‘war’ werd aangekondigd. Na het luisteren van deze uitzending kwamen er een paar vragen bij mij op.

Talent = kennis?

Er is een link tussen het begrip talent en schaarse kennis. Ook wel de kwalitatieve mismatch genoemd. In een snel en constant veranderende economie wordt de waarde van (schaarse) kennis steeds belangrijker en meer volatiel. Een recent voorbeeld hiervan is misschien wel het bericht dat de Belastingdienst 5000 mensen gaat ontslaan en tegelijkertijd 1500 mensen wil werven. Dat er een verband wordt gelegd tussen kennis en talent is niet vreemd. Schaarste creëert vraag. Wat ik mij alleen afvraag of dit verband wel zo universeel is. Stel dat je iemand werft of in je organisatie hebt die de schaarse kennis heeft waar je zo hard naar op zoek bent. Maar dat deze persoon niet past in de cultuur of geen verbinding heeft met je klanten, patiënten, burgers, integriteit, etc. Wat is dan de waarde van ‘het’ talent? Is talent misschien genuanceerder dan het hebben van schaarse kennis?

How does your place smell?

Naast kennis gaat het natuurlijk ook om vaardigheden. In het bijzonder het vermogen om te kunnen veranderen en leren. Er zijn te weinig mensen met die vaardigheden werd eensgezind opgemerkt. Ik geloof direct dat dit zo is. Maar vraag me af of het juist is dat we het gebrek aan deze zo gewenste vaardigheden vooral toeschrijven aan de werknemers in een organisatie. Wat is het aandeel van het management van de organisatie hierin? Prof. Sumantra Goshal sprak tijdens het world economic forum over de  the smell of the place. Kort samengevat legt hij hier uit dat het veranderen van mensen veel meer te maken heeft met de verandering van de context dan het veranderen van de mensen zelf. Hoe ontstaat een gebrek aan de talenten leer- en verandervermogen? Is de oplossing: The war for talent met deze vaardigheden?

Should I stay or should I go?

Tijdens de uitzending werd ook het behouden van talent gezien als een grote uitdaging. Duurzaam investeren in talent is belangrijk voor het behouden van talent. Als voorbeeld werd Google aangehaald. Toegegeven dat investeren in talent belangrijk is en dat Google dit naar onze maatstaven op een indrukwekkende manier doet, wordt vergeten dat dit naar Silicon Valley maatstaven eigenlijk heel gewoon is. En dus niet echt een reden is voor talent om bij Google te willen werken. Wat nu? Simon Sinek’s vervolg op ‘start with the why’ gaat in op het belang van het hebben van een doel voor een organisatie. Waarom bestaat een organisatie? En niet wat doet een organisatie. Het verlies van de verbinding met het waarom vervreemdt. Met alle gevolgen van dien. Daarnaast moeten we misschien accepteren dat talent sharing in een netwerk gedreven en deel economie steeds meer de norm wordt.

Make love not war!

In een snel veranderende wereld met een economie gebaseerd op vraag en aanbod zal schaarste vraag creëren. Maar is het misschien mogelijk dat we die vraag anders dan met ‘war’ gaan beantwoorden als we genuanceerd omgaan met het begrip talent? Of als we in organisaties een cultuur en omgeving creëren die verander- en leervermogen echt faciliteert? En zou het niet goed zijn als iedere organisatie aan al zijn medewerkers vraagt, waarom zijn wij er en waarom ben jij er? Met een beetje liefde moet dat lukken, toch?

Geplaatst in Professioneel inhuren | Tags | 1 Reactie