Victor Groothoff (SchaalX): ‘Onze professionals helpen bedrijven te vernieuwen en te versnellen’ Geplaatst 17 juli 2026 door Arthur Lubbers SchaalX is een echte nichespeler en richt zich volledig op de vakgebieden marketing en communicatie. Naast bemiddeling van (senior) freelancers heeft het bureau in Utrecht circa veertig professionals in dienst die worden gedetacheerd bij bekende opdrachtgevers zoals asr, PGGM, ABN AMRO, Kia Nederland, ONVZ, Eneco, Vattenfall, ArboUnie, bij diverse gemeentes en in de zorg en het onderwijs. Victor Groothoff ziet detachering als veel meer dan het opvangen van ziek en piek en vervanging bij zwangerschapsverlof. “De ontwikkelingen binnen marketing en communicatie gaan ongelooflijk snel. Het datagedreven werken (AI) is voor veel medewerkers binnen organisaties niet bij te benen. Onze professionals dichten dat gat. Zij helpen opdrachtgevers echt te vernieuwen en te versnellen.” Impact maken Om dat mogelijk te maken moet SchaalX continu investeren in opleiding en ontwikkeling van professionals. De detacheerder biedt dan ook intensieve opleidingsprogramma’s. Er zijn om de week masterclasses op het kantoor in Utrecht waarbij bekende experts uit het vakgebied de professionals bijspijkeren, SchaalX heeft een eigen coach in dienst en via de Talent Academy Group – dat ook topsporters begeleidt – wordt gewerkt aan hun persoonlijke ontwikkeling. Dat begint overigens al bij de selectie, vertelt Groothoff. “Wij zoeken mensen met durf, lef. Mensen die impact kunnen maken. We equiperen hen met alle kennis die nodig is om datagedreven te werken en daarvoor ook draagvlak te creëren bij de opdrachtgevers.” Dat hun mensen na al die investering in hun opleiding en ontwikkeling regelmatig alsnog bij de opdrachtgever in dienst gaan, vindt Groothoff dan ook niet per se nadelig. “Als een opdrachtgever iemand na twee jaar overneemt, beschouw ik dat als een compliment. Dat betekent dat het een goede professional is. En die goede professional wordt dan een ambassadeur van SchaalX.” Het detacheringsbureau ziet voor zichzelf namelijk een rol weggelegd bij de innovatie van de markt. “Als het economisch wat minder gaat, blijft innovatie vaak achter. Maar de ontwikkelingen staan niet stil. Uiteindelijk hebben organisaties die kennis van buiten hard nodig om de ontwikkelingen bij te houden. Wij zorgen dat de expertise van onze professionals op het gebied van marketing en communicatie up to date is. Niet voor niets zien klanten ons steeds meer als partner voor team- en kennisontwikkeling.” Groothoff merkt hierdoor dit jaar al enig herstel in de markt. “Organisaties hebben meer behoefte aan ondersteuning bij het implementeren van AI-toepassingen. En ook door de verschuiving van SEO (Search Engine Optimization) naar GEO (Generative Engine Optimization) groeit de vraag.” Als een opdrachtgever iemand na twee jaar overneemt, beschouw ik dat als een compliment. Dan wordt die goede professional een ambassadeur van ons Cao: plussen en minnen De wens voor een eigen cao leeft al jaren bij SchaalX en is een van de redenen geweest dat het detacheringsbureau zich jaren geleden al als een van de eersten heeft aangesloten bij de Vereniging van Detacheerders Nederland (VvDN), de branchevereniging die inmiddels meer dan 240 leden telt. “Ik ben blij dat die eigen cao er nu is”, stelt Groothoff. Toch plaatst hij hierbij ook enige kritische kanttekeningen. “Het is een enorme administratieve last, het is heel veel werk. Het zorgt in de praktijk nog wel eens voor stress bij collega’s. En door het principe van gelijkwaardige beloning treedt soms ongelijkheid op; voor een gedetacheerde bij een bank in schaal 9 betalen we projecttoeslag (die ontvangt een extraatje), een gedetacheerde in een vergelijkbare functie bij een andere opdrachtgever die onder een cao in de cultuursector valt, krijgt dat niet.” Positief is wel dat detacheerders meer ruimte krijgen een eigen arbeidsvoorwaardenpakket te maken dat beter aansluit bij de wensen van de gedetacheerde en het detacheringsbureau. Misschien dat dit in een volgende stap nog beter tot zijn recht komt, denkt Groothoff. “Het liefst zou ik een cao willen die niet aan een uitzend-cao gelinkt is. Detacheren is gewoon geen uitzenden.” Wtta wordt ‘moment of truth’, mits… Naast de detacherings-cao wordt ook het aanstaande toelatingsstelsel (Wtta) gezien als een verdere professionalisering van de markt. “Dat wordt voor velen the moment of truth”, denkt Groothoff. Mits het toelatingsstelsel snel effectief wordt. In de markt leeft de vrees dat door het soepele overgangsrecht wel eens een jarenlange gedoogperiode kan ontstaan. Iets waar Groothoff fel tegen gekant is. “Onze grootste frustratie is dat wij alles goed op orde hebben en andere clubs die ook detacheren nog niet eens een pensioenregeling voor hun mensen hebben. We zijn van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat bezig om het goed te regelen. Het kost veel tijd en geld. Als partijen die niet eens een SNA-keurmerk hebben nog jaren worden gedoogd, zou dat mij echt pissig maken.” Lees ook: ZiPtalk: WTTA en nieuwe cao zetten detacheringsbranche op scherp Positie detacheren verstevigen Je kunnen onderscheiden als detacheerder door goed werkgeverschap en echt toegevoegde waarde leveren is voor SchaalX cruciaal, stelt Groothoff. “Wij zijn geen platte cv-schuivers. Als detacheerder ga je een verplichting aan, je steekt je nek uit. We nemen professionals in dienst en investeren fors in hun opleiding en ontwikkeling. Daarmee maak je kosten die je niet direct kunt verrekenen. Detacheerders verdienen daar waardering voor”, vindt Groothoff, die dan ook de inspanningen van de VvDN prijst. “Het is goed dat de VvDN zo hard heeft gevochten voor een eigen cao en een vuist maakt richting Den Haag om de positie van detacheren te verstevigen.” Onze grootste frustratie is dat wij alles goed op orde hebben en andere clubs die ook detacheren nog niet eens een pensioenregeling voor hun mensen hebben Detacheerders zijn schokdempers economie De detacheringsbranche kampt al ruim twee jaar met omzetkrimp. En detacheerders zijn nog niet uit het diepe dal, zo is de conclusie op basis van de FlexNieuws TOP 100. Na een slecht 2025 is de omzetdaling van Nederlandse detacheerders in eerste kwartaal van 2026 wel afgevlakt. Dat gold ook voor SchaalX. “2025 was inderdaad een moeilijk jaar. Maar we hebben een goed eerste kwartaal gedraaid”, zegt Groothoff. De marges in de detacheringsbranche staan echter nog altijd flink onder druk en de concurrentie is groot. “Wij moeten als relatief klein bureau opboksen tegen de grote jongens. Dat betekent dat je iets extra’s moet doen om onderscheidend te zijn. Wij doen dat door op elk moment professionals aan te kunnen bieden die over actuele, relevante kennis en expertise beschikken.” De kracht van detacheren zit in het (anticyclisch) investeren om de golfbeweging op de arbeidsmarkt op te vangen. “Detacheerders zijn en blijven de schokdempers voor de economie”, zo zei VvDN-voorzitter Edwin van den Elst eind vorig jaar. Die rol op de arbeidsmarkt vervult SchaalX volgens Groothoff ook. “Wij zorgen dat onze frisse, goed opgeleide professionals klaarstaan. Als een klant belt met de vraag: ‘Hebben jullie nog een Laura? Die was zo goed!’ dan kunnen wij zeggen: ‘Ja, deze heet Emma, en die is net zo goed.” Geplaatst in Professioneel inhuren | Tags CAO detachering, Detacheren, gelijkwaardige beloning, goed werkgeverschap, VVDN, wtta | Laat een reactie achter
VMS-onderzoeksrapport: volop groeikansen op verzadigde VMS-markt Geplaatst 15 juli 2026 door ZiPredactie Het VMS-onderzoeksrapport, editie 2026/2027* biedt inzicht in de omvang en trends in de wereldwijde VMS-markt en duidt specifiek de ontwikkelingen in Nederland. De schatting van de wereldwijde jaarlijkse marktomvang in omzet van VMS – die bestaat uit licenties, softwareverkoop en abonnementen – lopen uiteen van circa $ 7 miljard (volgens globalgrowthinsights.com) tot $ 8,7 miljard (onderzoeksbureau SIA). Inmiddels werkt vier op de vijf (79 procent) grote organisaties (>1.000 medewerkers) volgens SIA werkt met een VMS. De Amerikaanse en (een deel van) de Europese markt wordt dan ook gezien als een ‘verzadigde’ markt. Ook op de geografisch kleine Nederlandse markt zijn veel VMS-aanbieders actief. Ons land geldt als ‘volwassen inhuurmarkt’, gezien de hoge adoptie van VMS-tools, die met name worden gebruikt door Managed Service Providers (MSP). Een Vendor Management System (VMS) is software voor het beheren van leveranciers (intermediairs zoals uitzendbureaus, detacheringsbureaus, zzp-bemiddelaars) en het automatiseren van de werving en selectie en administratieve processen voor de inhuur van externen. Veel concurrentie dus, maar tegelijkertijd zijn er groeikansen voor iedereen. De VMS-markt heeft een decennium van explosieve groei achter de rug. In Nederland was de groei in tien jaar tijd 50 procent. En de verwachting is dat de VMS-markt de komende tien jaar nog eens met dubbele cijfers blijft groeien, naar wellicht een jaarlijkse wereldwijde omzet van $ 20 miljard in 2035. Die groeiverwachting wordt met name gevoed door de wens om inhuurprocessen efficiënter te maken, te voldoen aan strengere wet- en regelgeving (compliance) en de noodzaak om te investeren in leveranciersrelaties om het (schaarse) talent te vinden. Daarnaast is er een explosieve groei van aanneming van werk (SoW), dat in toenemende mate via een VMS wordt beheerd. Lees ook: Modern VMS speelt in op trends direct sourcing en Statement of Work Marktleiders profiteren van multi-country VMS Er is niet één marktleider, er zijn enkele van oorsprong Amerikaanse bedrijven die de wereldwijde VMS-markt domineren (zoals de grafiek hieronder laat zien): Beeline, SAP Fieldglass, Workday VNDLY, Magnit VMS, AgileOne en Simplify VMS. Dit zijn (niet toevallig) ook de namen die in Nederland (en België) bekend zijn. Vrijwel alle grote VMS-aanbieders zijn ook hier actief. Zo zijn er steeds meer internationale organisaties die kiezen voor een zogenoemd multi-country VMS: één wereldwijd werkend VMS – meestal een van de marktleiders – voor het beheer van de inhuur van arbeidskrachten, waarbij de uitvoering/ondersteuning door meerdere Managed Service Providers (MSP’s) lokaal (per land) gebeurt. Nederlandse en Belgische vestigingen werken dan met het door de moederorganisatie gekozen VMS. Concurrentie middensegment In het (qua marktaandeel) middensegment van de wereldwijde VMS-markt is de concurrentie groot. Meer dan vijftien major contenders vechten om een sterkere positie in de ambitie om marktaandeel van elkaar en van de marktleiders af te snoepen. Daarbij zijn enkele VMS-aanbieders die een sterke positie in Nederland (en België) hebben. Dat geldt bijvoorbeeld voor het Franse Pixid VMS, Directskills, het Belgische Connecting-Expertise (onderdeel van de Pixid Group). Dat de Europese VMS-markt zeer versnipperd is komt door verschillen in landelijke wet- en regelgeving en cultuur. Dat vraagt om specifieke, flexibele systemen waarvoor kennis en expertise vereist is. De naam die op de Nederlandse markt het meest opvalt naast de bekende namen is Nétive VMS. Onderzoeksbureau Everest Group noemt Nétive VMS een ‘star performer’ in het middensegment (zie grafiek). Dit Nederlandse bedrijf heeft logischerwijs een dominante positie in eigen land, maar behoort ook Europees gezien tot de grotere spelers. Rol VMS in bedrijfsprocessen De markt voor Vendor Management Systemen (VMS) professionaliseert in een hoog tempo. Waar externe inhuur vroeger vaak versnipperd en operationeel werd beheerd in excelbestanden, groeit vandaag de dag de vraag naar geïntegreerde platformen die sourcing, compliance, rapportering en kostencontrole samenbrengen in één omgeving. Ook Nederlandse en Belgische VMS-aanbieders investeren daarom fors in AI, datagedreven matching en integraties met hr-, finance- en procurementplatformen. Daarmee volgen VMS-aanbieders de trends in de MSP-wereld. Voorheen waren het vooral grote (internationale) organisaties die een MSP inschakelen voor de inhuur van hoge volumes flexkrachten/externen. De belangrijkste redenen hiervoor waren compliance (voldoen aan wet- en regelgeving), transparantie en kostenbeheersing/besparing. Met de structurele krapte op de arbeidsmarkt en vooral schaarste aan specifieke profielen, is daar een taak bij gekomen: het ontsluiten van de arbeidsmarkt om maximaal toegang tot talent te krijgen. Het VMS krijgt daarmee een steeds grotere, belangrijkere rol in de bedrijfsprocessen van een organisatie. Lees ook: Ontwikkeling VMS: van stand-alone tool naar AI native-oplossing Groei mid-marketsegment Die ontwikkeling leidt ertoe dat niet alleen grote (internationale) organisaties een MSP (met een VMS) inschakelen voor de inhuur van hoge volumes flexkrachten/externen. Ook middelgrote organisaties voelen de noodzaak tot het professionaliseren van inhuur. Zij staan immers voor dezelfde uitdaging om compliant te werken en grip te krijgen op hun inhuur. Het gebruik van een VMS (al dan niet via een MSP) is tegenwoordig al interessant voor organisaties die enkele tientallen fte’s per jaar inhuren en grofweg een jaarlijkse inhuuromvang kennen van vijf tot tien miljoen euro. Die trend zien we ook in Nederland. De (qua managed spend) grote spelers HeadFirst Group en Circle8 beheren bijvoorbeeld niet alleen grote inhuurprogramma’s bij corporates, maar ook MSP-programma’s voor het mkb (+)-segment. Ook Pontoon, dat als dochteronderneming van moederbedrijf Adecco Group tot de grootste spelers op de wereldwijde MSP-markt behoort, richt zich nadrukkelijk op het mid-marketsegment. In vergelijking met de grote corporates eisen die middelgrote organisaties wel een snellere implementatie van een inhuurprogramma tegen lagere kosten. En dat betekent ook dat van een VMS wordt verwacht dat deze sneller te implementeren is, direct en gemakkelijk te gebruiken en schaalbaar is. VMS-onderzoeksrapport, editie 2026/2027 ZiPconomy heeft samen met NextConomy (België) het VMS onderzoeksrapport editie 2026/2027 gepubliceerd. Dit rapport geeft een actueel overzicht van de aanbieders van Vendor Management Systeem-oplossingen die actief zijn in Nederland en België. Het rapport biedt inzicht in de verschillen (in functionaliteiten) tussen die aanbieders en een uitgebreid overzicht van de trends in de wereld van VMS. Het rapport is gratis te downloaden of als hardcopy te bestellen. Geplaatst in Professioneel inhuren | Tags vms | Laat een reactie achter
De Wet Platformwerk raakt niet alleen platformbedrijven Geplaatst 14 juli 2026 door ZiPredactie De Wet Platformwerk is de Nederlandse vertaling van de verplichte Europese Platform Work-richtlijn. Die wordt vaak geassocieerd met Uber, maaltijdbezorgers en andere platformbedrijven. Volgens platformexpert Martijn Arets is dat een te beperkte kijk. De technologie achter platformwerk wordt inmiddels veel breder ingezet om arbeid te organiseren. Daardoor krijgen mogelijk ook intermediairs, HR-techbedrijven en werkgevers – als ze algoritmes gebruiken voor matching, planning of beoordeling – met de wet Platformwerk te maken. Ook als ze helemaal geen platform zijn of niet met zzp’ers werken. Platformwerk heeft de toegang tot werk vergroot De discussie over platformwerk gaat vaak over de schaduwkanten, maar Arets vindt dat het belangrijk is eerst te kijken wat platformen hebben opgeleverd. “Platformen verlagen op heel veel plekken de toegang tot werk. Heel veel mensen kunnen relatief eenvoudig aan het werk gaan en hebben veel flexibiliteit om te bepalen wanneer ze werken. Daardoor konden groepen die eerder werden genegeerd op de arbeidsmarkt ineens wel aan het werk.” Tegelijkertijd plaatst hij daar direct een kanttekening bij. “We hebben ook heel duidelijk gezien dat daar een schaduwzijde aan zit. Uiteindelijk is die autonomie ook maar beperkt en afhankelijk van verschillende factoren.” De definitie van platformwerk is steeds breder geworden Platformwerk begon als een digitale marktplaats die vraag en aanbod in gefragmenteerde markten bij elkaar bracht. Arets: “Bijvoorbeeld voor taxichauffeurs of maaltijdbezorgers. Het platform faciliteert die transactie en bepaalt ook onder welke condities het werk wordt uitgevoerd. Maar je ziet steeds meer dat die definitie breder wordt getrokken. Het platform wordt steeds meer een mechanisme voor de organisatie van arbeid.” Dat ziet hij op twee manieren gebeuren. Aan de ene kant breidt platformwerk zich uit naar steeds meer sectoren. Waar het eerst vooral zichtbaar was in consumentenmarkten, wordt dezelfde technologie inmiddels gebruikt voor de business markt: dagklussen, de uitzendbranche en de zorg. Aan de andere kant worden platformmechanismen ook binnen organisaties toegepast. “Je ziet bijvoorbeeld interne platformen waarbij werknemers in loondienstverband meer controle krijgen over welk werk ze doen. Maar ook platformen waarmee organisaties personeel onderling kunnen uitwisselen of regionale pools organiseren.” Volgens Arets wordt de rol van technologie regelmatig overschat. “Technologie is uiteindelijk altijd het gevolg van keuzes die worden gemaakt door mensen. En daar zit ook de discussie: over die keuzes en over de verantwoordelijkheid daarachter.” Lees ook: Nieuwe internationale afspraken moeten platformwerk toekomstbestendig(er) maken Van digitaal prikbord naar marktmeester Volgens Arets zit de grootste kritiek op platformwerk niet in de technologie zelf, maar in de machtspositie van platformen. “Platformen positioneerden zich in het begin heel erg als een prikbord. Maar uiteindelijk zie je dat een platform de informatiepositie heeft in een gefragmenteerde markt. Daardoor heeft het een informatievoordeel en datamacht.” Daarnaast bepalen platformen steeds vaker zelf de spelregels. “Het platform bepaalt de voorwaarden van de transactie. In de meest extreme vorm zie je dat bij ‘on demand work’ zoals taxi en delivery, waar het algoritme eigenlijk alles bepaalt.” Daardoor ontstaat volgens hem een ongelijke positie tussen platform en werkende. “Het platform heeft alle data en de werkende niet. Dat zie je ook terug in rechtszaken.” Vaak wordt platformwerk direct gekoppeld aan zzp’ers, maar dat is volgens Arets een te beperkte benadering. “Het fenomeen platformen voor het organiseren van arbeid trekt zich eigenlijk niets aan van de contractvorm.” Als voorbeeld noemt hij dataportabiliteit. “Voor de toegang tot werk maakt het niet uit of iemand freelancer is, in loondienst werkt of uitzendkracht is.” De richtlijn gaat over veel meer dan platformwerk Ook Hugo-Jan Ruts benadrukt dat de Europese richtlijn veel breder is dan de naam doet vermoeden. “Het is eigenlijk een slechte naam,” zegt Ruts. “Want het gaat niet alleen over platformwerk. Het gaat ook over de regulering van de technologie die eronder zit.” Denk aan systemen die kandidaten selecteren, automatisch afwijzen, een tarief of salarisindicatie bepalen of beoordelingen ondersteunen. Als zulke beslissingen grotendeels via een algoritme plaatsvinden, zonder menselijke tussenkomst, kunnen organisaties onder de nieuwe richtlijn vallen. Daardoor kunnen ook organisaties die zichzelf helemaal niet als platform zien met de nieuwe regels te maken krijgen. De conceptwet ligt momenteel ter internetconsultatie, waarna de politiek zich over de definitieve invulling buigt. Ruts: “Als je de richtlijn in de meest ruime zin uitlegt, hebben we het over duizenden, misschien wel 20.000, bedrijven die hier op een of andere manier mee te maken krijgen. Veel mensen denken nu nog aan Uber of Uber Eats, maar het is echt veel breder.” Hij noemt het voorbeeld van werkgevers die medewerkers volledig via apps aansturen. “Je kunt een bezorgafdeling hebben met mensen die gewoon in loondienst zijn, maar feitelijk worden aangestuurd als een soort platform.” Europa gebruikte platformwerk als ingang Volgens Arets is de Platform Work-richtlijn het resultaat van jarenlange discussies in Brussel. “Het was lange tijd spannend of die er überhaupt zou komen. De belangen zijn natuurlijk heel groot en de arbeidsmarkt is een onderwerp dat veel landen liever niet op Europees niveau bespreken. Ik heb vaak gevraagd: waarom pakken jullie niet meteen de hele arbeidsmarkt? Dan zeiden ze in Brussel: ‘Dat snappen wij ook wel, maar dat is politieke zelfmoord.’ Platformen waren een mooi haakje om voor een bepaalde groep werkenden urgentie te creëren.” De richtlijn is inmiddels vastgesteld. Nu moeten de lidstaten die vertalen naar nationale wetgeving. “Landen hebben behoorlijk veel vrijheid gekregen, maar er zijn ook harde voorwaarden. Binnen die kaders moet ieder land de implementatie verder vormgeven.” Lees ook: Wat een vakbond uit Australië ons leert over het reguleren van platformwerk Twee onderdelen van de Nederlandse wet Volgens Hugo-Jan Ruts bestaat de Nederlandse uitwerking grofweg uit twee onderdelen. Het eerste deel gaat over de arbeidsrechtelijke positie van platformwerkers en het rechtsvermoeden van werknemerschap. Dat sluit volgens hem aan bij de bredere discussie over schijnzelfstandigheid. “Dat stuk vind ik eigenlijk niet zo spannend,” zegt Ruts. “Dat gaat over een beperkt aantal platformen en sluit ook aan bij het rechtsvermoeden bij lage tarieven.” Veel interessanter vindt hij het tweede deel van de wet. “Dat gaat over al die platformtechnologie. Over werving en selectie, tariefbepaling, ratings en algoritmes. Die gaat veel breder.” Volgens Ruts draait dat niet meer om de vraag of iemand werknemer of zelfstandige is. “Het gaat vooral over: doe je dat netjes? Ben je daar transparant over? Leg je uit wat het doel is?” Arets waarschuwt ervoor de nieuwe verplichtingen niet te onderschatten. “Sommige dingen overlappen met andere wetgeving, zoals de AI Act en de AVG. Maar er zijn ook echt nieuwe verplichtingen.” Een voorbeeld is het verplichte communicatiekanaal dat in de richtlijn is opgenomen. Platformen moeten een mogelijkheid bieden waarmee werkenden met elkaar én met hun vertegenwoordigers kunnen communiceren. Volgens Arets is de gedachte daarachter eenvoudig. “Vroeger konden werkenden elkaar vinden op de werkvloer. Vertegenwoordigers konden bij de fabriekspoort gaan staan en mensen aanspreken. Nu werk steeds digitaler wordt georganiseerd, moet je die fabriekspoort eigenlijk digitaliseren.” Ook werkgevers en intermediairs kunnen worden geraakt Voor intermediairs, MSP’s, HR-techbedrijven en softwareleveranciers heeft Arets een duidelijk advies. “Lees de documenten van de consultatie en kijk wat de impact op jouw organisatie is.” Veel onderdelen zouden volgens hem eigenlijk al vanzelfsprekend moeten zijn. “Het gaat om basisdingen als uitlegbaarheid, accountability en risicotoetsing. Als je op een ethisch juiste manier met systemen omgaat, zou je dat eigenlijk al lang moeten doen.” Vervolgens is het zaak te kijken welke aanvullende verplichtingen gelden als een organisatie daadwerkelijk onder de wet komt te vallen. Daarnaast ziet hij een belangrijke rol voor brancheverenigingen. Wanneer veel organisaties aan dezelfde regels moeten voldoen, kunnen gezamenlijke voorzieningen de nalevingskosten beperken. Hoewel de uiteindelijke Nederlandse invulling nog niet vaststaat, merkt Arets dat veel organisaties pas sinds de internetconsultatie beseffen dat de richtlijn ook voor hen gevolgen kan hebben. “Eigenlijk zit iedereen nog in een verkennende fase. Terwijl er al jaren over wordt gesproken.” Juist daarom pleit hij ervoor niet af te wachten. Die oproep geldt niet alleen voor platformbedrijven of intermediairs. Ook opdrachtgevers en werkgevers die AI of algoritmes inzetten om werk te organiseren doen er verstandig aan zich nu al in de nieuwe regels te verdiepen. “Neem het initiatief. Er is nog heel veel ruimte voor invulling. Je kunt wachten tot iedereen het doet en je daarnaar schikken, maar je kunt ook zelf de lead nemen”, besluit Arets. Lees ook: Wet Platformwerk biedt bescherming kwetsbare zzp’ers. Maar impact is veel breder dan dat Bekijk hier de podcast: Of luister op Spotify: Geplaatst in Professioneel inhuren | Tags EU platformrichtlijn, Martijn Arets, Wet Platformwerk | Laat een reactie achter
Bureau moet interimmer na goedgekeurde urenstaat uitbetalen, ondanks verdenking van spookuren Geplaatst 12 juli 2026 door ZiPredactie Wat gebeurt er als een opdrachtgever achteraf twijfelt aan uren die hij zelf heeft goedgekeurd? Wie draagt het bewijsrisico wanneer een bureau een factuur weigert te betalen op basis van een vermoeden? En wat te doen met de claim van de interimmer dat er eigenlijk sprake was van een arbeidsovereenkomst? Daar moest de rechtbank Amsterdam op 5 maart 2026 antwoord op geven. De kern van de zaak Een zzp’er werkte via zijn eenmanszaak van januari 2024 tot en met januari 2025 als interim financial controller bij een aardappelverwerkend bedrijf. Hij werd ingehuurd via een bemiddelingsbureau, waarmee hij een overeenkomst van opdracht had gesloten. De interimmer vroeg de rechter allereerst om vast te stellen dat hij een arbeidsovereenkomst had met het bedrijf en/of het bureau, met het daaraan gekoppelde loon, vakantiegeld en een transitievergoeding van in totaal ruim 18.500 euro bruto. Mocht de rechter concluderen dat er geen arbeidsovereenkomst was, dan vorderde hij als alternatief de betaling van een openstaande factuur van 15.871,40 euro voor gewerkte uren in januari 2025. Het bureau eiste op haar beurt in een tegenvordering 78.771 euro, met als argument dat de interimmer over 2024 en januari 2025 veel meer uren had gedeclareerd dan hij daadwerkelijk had gewerkt. Aanleiding De interimmer diende maandelijks een urenstaat in bij zijn opdrachtgever. Die was verantwoordelijk voor de goedkeuring daarvan. Zodra dat gebeurde, stelde het bureau een factuur op namens de opdrachtgever (de zogeheten self-billing methode) en betaalde het de interimmer uit zodra de opdrachtgever had betaald. Over januari 2025 gaf de interimmer 168 gewerkte uren door, inclusief acht uur op Nieuwjaarsdag. De opdrachtgever keurde deze urenstaat op 11 februari 2025 goed zonder opmerkingen en het bureau factureerde daarop 16.770,60 euro inclusief btw. Lees ook: Interim Hoofd ICT int kickbackvergoeding van ingehuurde zzp’ers. Daar was de opdrachtgever niet blij mee. En de rechter ook niet. Toch bleef betaling uit. De opdrachtgever liet het bureau namelijk weten dat er naar aanleiding van de gedeclareerde uren op 1 januari een onderzoek was gestart naar laptopactiviteit en inloggegevens in het ERP-systeem over de voorgaande maanden. De conclusie van dat onderzoek: de interimmer zou ‘een behoorlijk aantal uren en/of dagen niet actief’ zijn geweest. Er volgde een factuur van 78.771 euro van de opdrachtgever aan het bureau voor de naar eigen zeggen ten onrechte gedeclareerde uren. Het bureau legde hetzelfde bedrag vervolgens bij de interimmer neer. Het verweer Zowel het bureau als de opdrachtgever legde de rechter uit dat er geen sprake kon zijn van een arbeidsovereenkomst. Volgens hen was en bleef de rechtsverhouding een overeenkomst van opdracht, waarin de man zelfstandig zijn werkzaamheden indeelde en zonder leiding of toezicht opereerde. Tegen de vordering tot betaling van de factuur voerden zij aan dat de goedgekeurde urenstaten niet de werkelijkheid weerspiegelden. Ter onderbouwing wezen zij op laptopgebruik dat niet overeenkwam met de gedeclareerde uren en op dagen waarop de man niet was ingelogd in het ERP-systeem, terwijl dat systeem volgens hen bij vrijwel al zijn werkzaamheden nodig was. Wel of geen arbeidsovereenkomst? Voor de vraag of sprake was van een arbeidsovereenkomst toetste de kantonrechter aan de gezichtspunten uit het Deliveroo-arrest van de Hoge Raad. Van een gezagsverhouding met het bureau was volgens de rechter niets gebleken en ook richting de opdrachtgever hield de interimmer zijn stelling dat hij structureel instructies kreeg onvoldoende concreet. Zwaarder wogen de duidelijk projectmatige aard en beperkte duur van de opdracht, de betaling via een all-in uurtarief zonder loonheffing, het feit dat hij alleen werd betaald voor gemaakte uren en zijn LinkedIn-profiel waaruit bleek dat hij sinds 2016 voor vijftien verschillende opdrachtgevers als zelfstandige had gewerkt. Dat hij een vaste werkplek had en soms bij teamoverleg aanschoof, was in dat licht onvoldoende om toch van een arbeidsovereenkomst te spreken. Lees ook: Zorgbureau en zelfstandigen stappen naar de rechter om zekerheid te krijgen over contractvorm. Wat was het oordeel? Goedgekeurde uren terugdraaien? Over de betwiste uren oordeelde de rechter dat de door het bedrijf goedgekeurde urenstaat geldt als een document dat partijen zelf hebben opgesteld en goedgekeurd en dat daarom als bewijs telt. Zo’n goedgekeurd document moet de rechter in beginsel volgen als bewijs van de daarin vermelde uren, tenzij het tegendeel wordt aangetoond. Het bureau kreeg de kans om dat tegenbewijs te leveren, maar slaagde daar wat de rechter betreft onvoldoende in. De verklaringen van medewerkers bij de opdrachtgever over het belang van het ERP-systeem waren volgens de rechter te weinig concreet, terwijl de interimmer met voorbeelden liet zien dat hij ook buiten dat systeem om kon werken, bijvoorbeeld in geëxporteerde Excelbestanden of bij het fysiek ophalen van vrachtbrieven. Bovendien bleef onweersproken dat hij de beoogde projectresultaten daadwerkelijk had behaald, wat volgens de rechter moeilijk te rijmen is met structurele afwezigheid. En als zelfstandige ging de interimmer er uiteindelijk zelf over hoe hij zijn resultaten bereikte. Lees ook: Rechter oordeelt: zzp’er wilde niet in dienst, maar is dat wel degelijk De uitspraak De rechter oordeelde dat er geen arbeidsovereenkomst was en wees de daaraan gekoppelde loonvordering af. Op dat punt haalde de interimmer dus bakzeil. Anders lag dat bij de uren. De rechter bepaalde dat het bureau de openstaande factuur over januari alsnog volledig moest betalen, inclusief de betwiste uren, plus rente. De 78.771 euro die het bureau bij de interimmer had neergelegd vanwege het feit dat de opdrachtgever de uren betwistte, hoeft de interimmer niet te betalen: er is onvoldoende bewijs dat er te veel was uitbetaald en het feit dat de uren al waren goedgekeurd, woog zwaar. Wat er is gebeurd met de claim die de opdrachtgever bij het bureau neerlegde, is onbekend. Dat was geen onderdeel van deze rechtszaak. Bron: Rechtbank Amsterdam, 5 maart 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:2424 Geplaatst in Professioneel inhuren | Tags arbeidsovereenkomst, rechtspraak, rechtszaak | Laat een reactie achter
Talentstrategie van kabinet: vier sectoren centraal. Switch van laag productieve arbeidsmigratie naar kennismigranten. Geplaatst 11 juli 2026 door ZiPredactie De aanleiding om met een talentstrategie te komen is de fundamentele zorg die het kabinet heeft over de toekomstige arbeidsmarkt. Door de vergrijzing moet er over meer werk verzet worden door relatief minder mensen, terwijl er nu al een groeiende mismatch bestaat tussen gevraagde en beschikbare vaardigheden en nog te veel mensen onnodig langs de kant staan. Doel van de strategie is dat de Nederlandse economie gemiddeld 1,5 procent per jaar blijft groeien, zodat publieke voorzieningen op peil blijven. Haalt het kabinet dat groeidoel, dan is de economie over vijf jaar zo’n 92 miljard euro groter dan nu. Vier strategische domeinen Het kabinet kiest ervoor specifiek te investeren in vier domeinen waar voor Nederland kansen liggen om te groeien. De keuze sluit aan op adviezen van econoom Mario Draghi, oud-ASML-topman Peter Wennink en de Staatscommissie Demografische Ontwikkelingen 2050. In de Kamerbrief die vandaag naar de Tweede Kamer is gestuurd, licht het kabinet de vier domeinen als volgt toe: Digitalisering & AI. Digitalisering en AI zijn drijvende krachten achter innovatie en productiviteit. Het domein omvat hardware, zoals chips en datacenters, en software, zoals AI en cloudtechnologie. Investeren hierin versterkt onze digitale soevereiniteit en versnelt ook innovaties in andere sectoren, bijvoorbeeld door AI in te zetten voor efficiënter gebruik van het elektriciteitsnet. Veiligheid & weerbaarheid. Dit domein richt zich op innovatieve toepassingen voor defensie en veiligheid om Nederland te beschermen tegen oorlog, cyberaanvallen en geopolitieke dreigingen. Het versterkt de defensie-industrie en stimuleert technologische ontwikkelingen, zoals drones, sensoren en satellieten. Energie- & klimaattechnologie. Dit domein ondersteunt de energietransitie en het doel om in 2050 klimaatneutraal te zijn. De focus ligt op technologieën voor duurzame energie, CO₂-reductie en energiezekerheid, zoals nieuwe nucleaire energie, groene chemie en de aanpak van vervuiling zoals PFAS. Life sciences & biotechnologie. Dit domein richt zich op medische en biotechnologische innovaties voor uitdagingen als vergrijzing en voedselzekerheid. Voorbeelden zijn klimaatrobuuste gewassen en medische toepassingen van AI en robotica. Daarnaast draagt het bij aan een gezonde leefomgeving en beter beheer van water-, bodem- en luchtkwaliteit. Naast deze vier groeidomeinen erkent het kabinet dat ook cruciale publieke voorzieningen voldoende vakmensen nodig hebben: het funderend onderwijs, de kinderopvang, het sociaal domein, de eerstelijns- en ouderenzorg en de woningbouw. Voor deze sectoren is slimmer en innovatiever werken alleen niet genoeg. Hier blijven volgens het kabinet ook extra vakmensen nodig. Zo kampt het onderwijs nu al met een tekort van circa 7.400 fte, en wordt in de kinderopvang in 2035 een tekort van ongeveer 35.000 medewerkers verwacht. Vier actielijnen, waaronder een andere migratiestrategie Om dit te realiseren bundelt het kabinet de krachten met medeoverheden, werkgevers, werknemers, onderwijsinstellingen en jongerenorganisaties langs vier lijnen. Het kabinet wil werk slimmer, innovatiever en productiever organiseren, onder meer door te investeren in onderzoek. De komende jaren gaat daar 428 miljoen euro extra naartoe. Er moet beter en gerichter worden opgeleid voor de cruciale domeinen, van het funderend onderwijs tot en met hbo en wo. Leren en ontwikkelen moet de norm worden, ook na de initiële opleiding, onder meer via een nieuwe regeling voor een leven lang ontwikkelen. Het kabinet zet daarbij expliciet in op een “skillsgerichte arbeidsmarkt“, waarin niet zozeer diploma’s maar vaardigheden centraal staan. Het beroept zich hierbij op een SER-rapport over dit onderwerp en op het systeem CompetentNL, dat als gemeenschappelijke taal moet gaan gelden voor wat mensen kennen en kunnen. Een strategisch aanpak van arbeids-, kennis- en studiemigratie, gericht internationaal toptalent aantrekken voor de cruciale domeinen. Samen met de Benelux-landen pleit Nederland voor een ambitieuze EU-agenda rond het verwachte Skills Portability Initiative, dat vaardigheden en beroepskwalificaties van binnen en buiten de EU makkelijker overdraagbaar moet maken. Concrete instrumenten zijn verder onder meer een herziening van de vmbo-profielenstructuur, een samenwerkingsbudget voor mbo-instellingen, de doorontwikkeling van de Netherlands Point of Entry als aanspreekpunt voor internationaal toptalent en een verkenning naar een vakkrachtenpilot. Tegenover deze gerichte werving van kennismigranten voor de vier domeinen, staat een rem op arbeidsmigratie die niet bijdraagt aan een hoogproductieve economie. Een keuze die wat het kabinet betreft in lijn is met het verschillende adviezen, zoals ‘Gematigde groei’ door de Staatscommissie Demografische Ontwikkelingen 2050 en het SER advies (2025) ‘’Arbeidsmigratie naar waarde’’. Productitiveitsagenda Tegelijk met deze talentstrategie komt het kabinet ook met de tweede productiviteitsagenda, als vervolg op de agenda van september 2025. Aanleiding: de arbeidsproductiviteitsgroei stagneert (gemiddeld 0,3% per jaar het laatste decennium), terwijl vergrijzing het arbeidsaanbod beperkt. Zonder hogere productiviteit is de beoogde 1,5% economische groei onhaalbaar. De agenda werkt langs zes thema’s: een goed opgeleide beroepsbevolking, een goed functionerende arbeidsmarkt, digitalisering en innovatie, de interne markt, toegang tot financiering, en een slagvaardige overheid. Nieuw zijn onder meer de Nationale Investeringsinstelling, het Agentschap voor Disruptieve Innovatie en de Talentstrategie. De pas benoemde Productiviteitsraad gaat het kabinet jaarlijks adviseren. Vervolg De Talentstrategie – afkomstig van de minister van bewindspersonen van Onderwijs, Economische Zaken en Klimaat, Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Werk en Participatie – maakt onderdeel uit van de bredere Ministeriële Taskforce Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat. De komende maanden werkt het kabinet de plannen verder uit, onder meer via het nog te sluiten mbo-Pact “Opleiden voor de arbeidsmarkt van de toekomst”, de uitwerking die hbo en wo voorbereiden, de aanpak van een leven lang ontwikkelen en een gerichte strategie voor het aantrekken van internationaal talent. De zelfstandigen (zonder personeel) hebben geen plekje gekregen in de talenstrategie van het kabinet. Geplaatst in Toekomst van Werk | Tags kennismigratie | Laat een reactie achter
Wtta: tijdlijn richting verplichte toelating voor uitleners Geplaatst 10 juli 2026 door Bureau Cicero Bureau Cicero heeft een tijdlijn gemaakt met de belangrijkste mijlpalen rond de invoering en implementatie van de Wet toelating terbeschikkingstelling van arbeidskrachten (Wtta). De nieuwe wet introduceert een verplicht toelatingsstelsel voor uitleners en heeft ook gevolgen voor inleners. Om organisaties houvast te bieden bij de voorbereiding, zet Bureau Cicero de belangrijkste data en deadlines overzichtelijk op een rij. Nu – Voorbereiden De impact van de Wet toelating terbeschikkingstelling van arbeidskrachten is groot. Daarom is het belangrijk om tijdig inzicht te krijgen in hoeverre uw organisatie voldoet aan de nieuwe toelatingseisen. De Wtta-module ondersteunt u hierbij. Meer informatie over de WTTA module vindt u hier. 1 november 2026 – Start aanmelding overgangsrecht Vanaf deze datum kunnen uitleners die gebruik willen maken van het overgangsrecht zich aanmelden bij het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Deze aanmelding is mogelijk tot 1 januari 2027. Gedurende deze periode kunnen uitleners, onder voorwaarden, hun activiteiten voortzetten terwijl hun toelatingsaanvraag in behandeling is. 1 januari 2027 – Inwerkingtreding Wtta en start aanvraag toelating Per deze datum treedt de Wtta officieel in werking. Vanaf dit moment kunnen uitleners formeel een toelating aanvragen bij het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid om hun werkzaamheden voort te zetten binnen het nieuwe wettelijke kader. Uiterlijk 1 juli 2027 – Deadline indienen toelatingsaanvraag Alle uitleners dienen uiterlijk op deze datum hun aanvraag voor toelating te hebben ingediend. Tijdige indiening is het noodzakelijk om te blijven voldoen aan de wettelijke vereisten en om continuïteit van de dienstverlening te waarborgen. 1 januari 2028 – Start handhaving Vanaf deze datum start de Nederlandse Arbeidsinspectie met actieve handhaving. Uitleners zonder geldige toelating riskeren bestuurlijke boetes. Dit geldt tevens voor inleners die gebruikmaken van diensten van niet-toegelaten uitzendorganisaties. Bureau Cicero benadrukt het belang van tijdige voorbereiding op deze overgang en volgt de verdere implementatie van de wetgeving nauwgezet. Geplaatst in Professioneel inhuren | Tags Bureau Cicero, wtta | 1 Reactie