Maandelijkse archieven: juli 2026

Wet Meer Zekerheid Flexwerkers nu definitief. Wet gaat 1 januari 2028 in, onderdeel over gelijkwaardige beloning al eerder van kracht.

Na de Tweede Kamer heeft nu ook de Eerste Kamer ingestemd met de wet meer zekerheid flexwerkers. De wet heeft als doel werknemer meer zekerheid over hun inkomen en hun werktijd te geven.

Minister Vijlbrief (SZW) noemt het wetsvoorstel een manier om excessen aan te pakken, zonder flexibele contracten helemaal overboord te gooien. “Werk moet mensen zekerheid bieden. Over het aantal uren dat ze moeten werken en over hoe hoog hun inkomen is. Dat geeft een stabiele basis om plannen te maken en jezelf te ontwikkelen. Met dit wetsvoorstel pakken we de uitwassen aan. Het uitgangspunt moet zijn dat bij structureel werk ook een structurele en vaste arbeidsrelatie hoort. En flexibele contracten blijven natuurlijk mogelijk, voor bijvoorbeeld het oppakken van tijdelijke klussen, het vervangen van zieke werknemers of als opstapje voor jongeren.”  

Hij laat weten blij te zijn dat het voorstel op steun kon rekenen van zowel werkgevers als vakbonden, en op een brede meerderheid in beide Kamers.

Strenge grens voor draaideurconstructies

Het uitgangspunt wordt dat tijdelijke contracten alleen nog bedoeld zijn voor tijdelijk werk. Waar nu na een onderbreking van zes maanden weer een tijdelijk contract mag worden aangeboden, geldt straks na drie tijdelijke contracten een verplichte pauze van drie jaar voordat een werkgever opnieuw een tijdelijk contract mag aanbieden. Daarmee wordt bijna alle ruimte voor draaideurconstructies weggenomen.

Nulurencontracten maken plaats voor brandbreedtecontract

Nulurencontracten verdwijnen en maken plaats voor het bandbreedtecontract, met een afgesproken minimum- en maximumaantal uren waarbij het verschil niet groter mag zijn dan 30 procent. Bij een minimum van 10 uur ligt het maximum dus op 13 uur. Werknemers mogen oproepen boven dat maximum weigeren, en bij structureel meer werk moet de werkgever een contract met meer uren aanbieden. Voor bijbanen van AOW-gerechtigden, scholieren en studenten met een andere hoofdactiviteit geldt een uitzondering.

Uitzendwerk beperkt en gelijkwaardige beloning

Voor de uitzendsector zelf verandert er het meest, en het snelst. Uitzendkrachten moeten straks minimaal gelijkwaardige arbeidsvoorwaarden krijgen als werknemers die rechtstreeks in dienst zijn.

Voor beloning volgde die verplichting al uit een uitspraak van het Europees Hof van Justitie, maar wordt nu voor alle arbeidsvoorwaarden in de Nederlandse wet vastgelegd. Dit onderdeel treedt al op 31 december 2026 in werking, ruim voor de rest van de wet. De ABU/NBBU cao uitzenden en de VvDN cao detachering voldoen hier al aan.

Wel is – op aandringen van de Tweede Kamer – er een ‘stopknop’ in de wet gekomen. De minister van SZW krijgt de bevoegdheid om de mogelijkheid om via een cao af te wijken van het principe van gelijke beloning te beperken. De minister kan – bij aantoonbaar misbruik -specifieke arbeidsvoorwaarden aanwijzen waarvan in geen geval mag worden afgeweken. Denk aan loon, toeslagen, verlofregelingen en scholing. Afwijking via compenserende arbeidsvoorwaarden – zoals nu afgesproken in de lopende cao’s – is dan niet langer mogelijk voor die aangewezen onderdelen.

Daarnaast wordt fase A binnen uitzenden wettelijk teruggebracht in duur. Ook dat is al opgenomen in de cao.

Onderdeel van breder arbeidsmarktpakket

De wet is het tweede wetsvoorstel uit het arbeidsmarktpakket dat door beide Kamers is geloodst, na de wet invoering rechtsvermoeden van een arbeidsovereenkomst op basis van een uurtarief. De voorstellen komen voort uit de afspraken die het kabinet in 2023 maakte met vakbonden en werkgevers, en zijn gebaseerd op het rapport van de commissie Borstlap uit 2020 en het SER-advies uit 2021.

Daarnaast zit er nog wetgeving in de pijplijn rond Platformwerk en het Concurrentiebeding.

 

 

Geplaatst in Professioneel inhuren | Tags | Laat een reactie achter

Peiling: jonge zzp’ers willen aparte regels voor bijverdienen naast studie of baan

Sinds de Belastingdienst weer actief handhaaft op schijnzelfstandigheid, zijn veel opdrachtgevers terughoudender geworden met de inzet van zelfstandigen. Dat lijkt zich niet te beperken tot fulltime zzp’ers. Ook jongeren die slechts enkele uren per week freelancen naast een studie of baan zeggen de gevolgen steeds vaker te merken.

Dat blijkt uit een peiling onder 396 freelancers die werken via YoungOnes, een platform met opdrachten voor bijverdienende freelancers, veelal studenten en jongeren. De helft (49%) ervaart minder werk of minder opdrachtgevers als gevolg van de discussie over zzp-regelgeving. Daarnaast zegt 45 procent dat opdrachtgevers terughoudender zijn geworden bij het inzetten van freelancers. Ook geeft 65 procent aan minder via platforms te willen werken wanneer de regels verder worden aangescherpt of onduidelijk blijven. 

Oproep voor aparte regels

Een meerderheid van de ondervraagden (62 procent) vindt dat er aparte regels moeten komen voor mensen die beperkt freelancen naast een studie of baan. Volgens YoungOnes verschilt deze groep wezenlijk van zelfstandigen die volledig afhankelijk zijn van hun inkomsten als ondernemer. “Veel van deze jongeren freelancen een paar uur per week naast hun studie of andere werkzaamheden. De overgrote meerderheid wil zelf bepalen wanneer en voor wie ze werkt. Dat is een andere groep dan de zzp’er die hier zijn brood mee verdient”,  zegt Pim Graafmans, CEO van YoungOnes.

Opvallend is dat bijna een derde van de respondenten zwart werk niet uitsluit wanneer regelgeving strenger of onduidelijker wordt, terwijl ruim 16 procent zegt dit daadwerkelijk te overwegen. Volgens Graafmans is dat een signaal dat een deel van de jongeren het vertrouwen verliest dat flexibel bijverdienen binnen de huidige regels mogelijk blijft. “Regelgeving moet mensen beschermen tegen misstanden. Maar als jongeren door onzekerheid afhaken of buiten het systeem gaan denken, moet je je afvragen of beleid nog het gewenste effect bereikt.”

Geplaatst in ZP en Politiek | Tags , , | 2s Reacties

Ook Commissie van Aanbestedingsexperts vindt dat categorische uitsluiting van zzp’ers bij inhuuropdracht niet is toegestaan

Een provincie sloot zzp’ers bij voorbaat uit van een inhuuropdracht, met als argument dat er een risico zou kunnen zijn op schijnzelfstandigheid. De Commissie van Aanbestedingsexperts zet daar een streep door: de provincie mag een hele beroepsgroep niet op voorhand buitensluiten zonder dat individueel te motiveren. Het is de tweede uitspraak in korte tijd waarbij een overheidsinstantie een tik op de vingers krijgt voor een vergelijkbaar geval.

Provincie zocht interim deelprojectleider, maar dat mocht geen zzp’ers zijn

De opdracht ging over een “Deelprojectleider Netcongestie”: ongeveer 24 uur per week, een looptijd van zes maanden met de mogelijkheid tot drie keer verlengen. De provincie kampt met ernstige netcongestie en dreigt zelfs een algehele aansluitstop, en zocht een specialist die samen met netbeheerders de voortgang bewaakt op onder meer flexibel vermogen en warmtenetten.

In de uitvraag, gepubliceerd via een dynamisch aankoopsysteem, stond een harde uitvoeringsvoorwaarde: gelet op de Wet DBA mocht de opdracht niet worden uitgevoerd door een zzp’er. Wie zich als zelfstandige inschreef, voldeed sowieso niet aan die voorwaarde, “ongeacht of dit een eenmanszaak of een BV is”, aldus de tekst in de uitvraag.

Een zelfstandig adviseur, Richard Zwiers, die eerder een vergelijkbare klacht indiende bij de gemeente Pijnacker-Nootdorp, was het daar niet mee eens. Hij stelde eerst een vraag via de nota van inlichtingen, diende vervolgens een klacht in bij het klachtenmeldpunt van de provincie zelf, en schreef daarna toch maar in ondanks de uitsluiting. Zijn inschrijving werd geweigerd. De provincie hield, ook na eigen intern beraad, vast aan de uitvoeringsvoorwaarde. Daarop stapte de ondernemer naar de Commissie van Aanbestedingsexperts.

Ondernemer: onderbouwing rammelt op zes van de negen punten

De kern van de klacht van de ondernemer: de uitsluiting van zzp’ers is disproportioneel en in strijd met de Gids Proportionaliteit.

Zwiers baseerde zijn zaak vooral op het Deliveroo-arrest van de Hoge Raad, waarin negen gezichtspunten worden genoemd om te bepalen of sprake is van een arbeidsovereenkomst, van de aard en duur van de werkzaamheden tot ondernemersgedrag.

Volgens de ondernemer had de provincie hier maar drie van de negen criteria beoordeeld, en juist de zes overgeslagen criteria wezen zijns inziens op zelfstandigheid: de opdracht kwam tot stand via een openbare offerteprocedure, het uurtarief lag boven het cao-equivalent, en hijzelf werkt al sinds 2012 als zelfstandig adviseur met een eigen bedrijf en meerdere opdrachtgevers.

Ook wees hij op de webmodule Beoordeling Arbeidsrelatie van het ministerie van SZW. Hij had die zelf ingevuld vanuit het perspectief van de provincie en kwam uit op 31 punten, ruim onder de grens van 45 die duidt op een arbeidsrelatie. De uitkomst: de klus kan buiten dienstbetrekking worden uitgevoerd.

Zijn belangrijkste punt: er waren minder ingrijpende alternatieven denkbaar dan het helemaal uitsluiten van alle zzp’ers, zoals het gebruiken van een modelovereenkomst van de Belastingdienst, vooroverleg met de Belastingdienst of een resultaatgerichte opdrachtformulering.

In plaats van ruimte te bieden aan zelfstandigen om met een oplossing te komen sloot de provincie, zonder nadere toelichting, die weg af. Ook werd niet uitgelegd waarom de opdracht alleen via detachering mogelijk was.

Provincie: risico’s te groot en detachering blijft mogelijk

De provincie hield bij de behandeling van de klacht voet bij stuk. Volgens haar voldeed de opdracht al op voorhand aan minstens drie van de negen Deliveroo-criteria: de aard en duur van het werk, de manier waarop werktijden worden bepaald, en de inbedding in de organisatie. Haar ervaring: zodra zo’n drietal criteria vooraf als risicovol is aan te merken, blijkt er in de praktijk vrijwel altijd nog een vierde of vijfde bij te komen zodra de opdrachtnemer bekend is. Deze ziens- en werkwijze zou zijn afgestemd met de eigen contactpersoon bij de Belastingdienst.

Op de argumenten van de ondernemer reageerde de provincie onder meer dat de webmodule niet alle feiten van het individuele geval kan meewegen. Aan de modelovereenkomst van de Belastingdienst had de provincie ook geen boodschap: die zou geen recht doen aan de praktijk, omdat het hier om een reguliere functie ging die tijdelijk wordt ingevuld, mét sturing en zonder resultaatverplichting.

Verder benadrukte de provincie het financiële risico: sinds 1 januari 2025 is het handhavingsmoratorium van de Belastingdienst vervallen, waardoor een verkeerde kwalificatie van de arbeidsrelatie kan leiden tot naheffingen op loonheffingen. Ook kunnen pensioenuitvoerders en de zzp’er zelf achteraf aanspraak maken op rechten die bij een arbeidsovereenkomst horen. Zzp’ers werden overigens niet helemaal geweerd, stelde de provincie: ze mochten zich alleen niet als zelfstandige inschrijven, maar via een bureau op detacheringsbasis.

Commissie: dit is wél categorische uitsluiting, en onvoldoende onderbouwd

Na weging van de argumenten heeft de Commissie van Aanbestedingsexperts de klacht gegrond verklaard. Belangrijkste overweging: het is op zich legitiem dat de provincie een mogelijk onjuiste arbeidsrelatie (schijnzelfstandigheid) wil voorkomen, maar de manier waarop ze dat hier deed, gaat te ver. De formulering in de uitvraag (“géén arbeidsrelatie… ongeacht of dit een eenmanszaak of een BV is”) is volgens de Commissie een onweerlegbaar vermoeden. Daardoor kon geen enkele zzp’er zich als zodanig inschrijven, wat neerkomt op een categorische uitsluiting van een hele beroepsgroep.

Dat de provincie bij andere inhuuropdrachten wél zzp’ers toelaat, doet daar volgens de Commissie niet aan af, want het gaat om de proportionaliteit van deze specifieke voorwaarde. Ook het aanbod om via detachering mee te doen raakt niet de kern van de klacht: die ging over het recht om als zelfstandig ondernemer in te schrijven, niet over feitelijke betrokkenheid bij het werk.

De Commissie verwijst naar Europese rechtspraak waaruit volgt dat zo’n algemene, categorische uitsluiting alleen is toegestaan bij een legitiem doel én als de maatregel niet verder gaat dan noodzakelijk. Op dat tweede punt struikelt de provincie. De Hoge Raad vraagt in het Deliveroo-arrest om een holistische toets, waarbij alle omstandigheden in samenhang worden gewogen, ook die aan de kant van de specifieke opdrachtnemer. De provincie had volgens de Commissie alleen naar haar eigen omstandigheden gekeken, en zzp’ers nooit de kans gegeven om zelf tegenbewijs te leveren tegen het vermoeden van schijnzelfstandigheid. Bovendien had de provincie wel uitgelegd waarom ze de aangedragen alternatieven niet gebruikte, maar niet waarom precies déze, verstrekkende maatregel de enige overgebleven optie was.

Tweede uitspraak dit jaar met dezelfde strekking

Deze zaak lijkt sterk op de kwestie bij gemeente Pijnacker-Nootdorp. Ook daar werden zzp’ers bij een opdracht categorisch uitgesloten. Ook hier werd een klacht, ingediend dus door dezelfde interim-manager Zwiers, gegrond verklaard.

Meer recentelijk werd, bij een aanbesteding van de Audit Dienst Rijk, duidelijk dat ook de Rijksoverheid zzp’ers zonder veel toelichting categorisch uitsluit. Omdat het hierbij ging om een uitvraag via bureaus was daar geen mogelijkheid tot indienen van een klacht door individuele zelfstandigen.

Wat de zaak van de provincie nog wat extra gewicht meegeeft is dat de uitspraak in dit geval gedaan werd door de Commissie van Aanbestedingsexperts (CvAE). Dat orgaan is ingesteld naar aanleiding van de Aanbestedingswet 2012 en beoordeelt klachten tegen de achtergrond van die wet, de Gids Proportionaliteit en de aanbestedingsbeginselen. Ook een advies van de Commissie is niet bindend, maar het weegt zwaarder mee in de aanbestedingspraktijk, en de toetsing is explicieter juridisch onderbouwd.

Relevant is ook dat de CvAE hier een oordeel velt over vrij algemene uitgangspunten. Dat oordeel lijkt daarom ook toepasbaar op de veel voorkomende situatie, zowel bij lagere overheden als de Rijksoverheid, waarbij zelfstandigen in aanbestedingen worden buitengesloten met een enkele verwijzing naar de Wet DBA of het handhavingsbeleid van de Belastingdienst. In die gevallen is de wet- en regelgeving rond (schijn)zelfstandigheid kennelijk leidend, en niet de uitgangspunten van het aanbestedingsrecht. Daar steekt de CvAE een stokje voor.

Binnenkort op ZiPconomy: een interview met Richard Zwiers, de man achter deze klacht en achter de klachtenprocedure bij gemeente Pijnacker-Nootdorp. Over zijn motieven om deze procedures in gang te zetten, en over de botsende wereld van de Belastingdienst en het aanbestedingsrecht.

Geplaatst in Professioneel inhuren | Tags | 5s Reacties

Strategisch vooruitzicht bij externe inhuur ontbreekt vaak, maar is wel mogelijk

Er heeft een enorme verschuiving plaatsgevonden in brokerland. Voorheen werden brokers voornamelijk ingezet om het contractmanagement te beheren, maar de laatste jaren heeft de broker een stap naar de voorkant gezet. De ‘voorkant’ houdt in dat de broker niet slechts de contractafhandeling doet, maar dat de broker een vertaalslag maakt tussen de klantvraag en het leveranciersaanbod. Die beweging, van contract naar ontzorging, zien we overal. Bij Circle8-klanten, maar ook in de markt. Daarmee kun je de conclusie trekken dat de markt voor externe inhuur van professionals volwassen wordt. Als Circle8 zien we dat dit een goed begin is, maar dat de strategische samenwerking tussen brokers en klanten vaak ontbreekt.

Externe inhuur: van ad hoc en reactief naar lange termijn

Bij Circle8 zien we dat externe inhuur nog te vaak reactief en ad hoc wordt ingezet. Dat is zonde. Want er ligt namelijk een kans voor opdrachtgevers om de externe inhuur om te buigen naar een strategisch verlengstuk van de business. Als voorbeeld: een klant trekt twee à drie jaar uit om een groot project voor te bereiden, maar de broker wordt pas op het allerlaatste moment ingeschakeld om de nodige profielen in te vullen. Daardoor ontbreekt de tijd om de juiste leveranciers en professionals te vinden, laat staan op te leiden.

Het kan dan voorkomen dat een klant meer dan vijftig profielen aanvraagt binnen één maand. De inhuurdesk, aan de klantzijde, krijgt niet inzichtelijk waarom er opeens veel vraag vanuit de business komt. Gelukkig zijn we als broker in staat om te voldoen aan de vraag. Toch kan dit ten koste van de kwaliteit gaan qua kandidaten, want als we de vraag qua talent verder van tevoren kennen, creëert dit ruimte in de zoektocht naar het juiste en beter gekwalificeerde talent. In plaats van ad hoc recruitment en afhankelijkheid van het huidige aanbod, kan de broker door strategische planning ver van tevoren, samen met de juiste leveranciers, zoeken naar de profielen die het verschil gaan maken bij de klant.

Als je nog een stap verder gaat, dan kan je met een strategische planning en prognose ook inschatten welke kennis nodig is voor een groot project binnen de organisatie. En met die inzage kan je samen met leveranciers het talent dat geschikt is al van tevoren opleiden, trainen en voorbereiden om de projecten die geïnitieerd worden met het beste resultaat op te leveren. Verderop in het artikel vind je een suggestie, maar eerst de redenen waarom externe inhuur niet strategisch benaderd wordt.

Welke factoren belemmeren de strategische samenwerking?

Nu weer met de benen op de grond, want het bovenstaande scenario is toekomstmuziek, maar zeker haalbaar. Om het haalbaar te maken, moet je wel eerst kijken naar de oorzaken die ervoor zorgen dat het nu spaak loopt.

De belangrijkste factor in de externe inhuur is versnippering. Opdrachtgevers, en daarmee ook de brokers, werken historisch gezien met tientallen, soms honderden leveranciers en zzp’ers tegelijk. Daarmee versnippert de regie op inhuur ook, wat ervoor zorgt dat de strategische blik op de toekomst ondersneeuwt door de waan van de dag: wie hebben we vandaag nodig?

Een andere voorkomende factor is de inhuurdesk, die tussen de business en de broker in zit. Vaak staat de inhuurdesk te ver af van HR en daarmee wordt de externe inhuur onvoldoende betrokken bij het HR-beleid. HR zit dan niet aan tafel bij de partijen, zowel intern als extern, die zich buigen over de externe inhuur. Daarmee wordt de externe inhuur niet meegenomen in de overkoepelende HR-strategie.

Daarmee kan elke partij, inclusief de broker, een voorbeeld nemen aan de uitzendbranche: daar zitten business, HR en contractmanagement structureel aan tafel. En daarmee wordt de externe inhuur meegenomen in de strategische plannen.

Van budget naar potentieel talent

Op dit moment zien we dat het externe inhuurbeleid meestal budget- en/of FTE-gestuurd is. De strekking is dan vaak: ‘we mogen een x aantal mensen vast aannemen en de rest wordt extern ingehuurd.’ Er wordt een budget beheerd voor externe inhuur en de business houdt zich aan dit potje.

De business wil het juiste specialisme in huis halen en daarmee projecten, binnen het tijdsframe, opleveren. De kwaliteit van de kandidaat heeft bij de business dus prioriteit en vervolgens moet het aangetrokken talent binnen het budget passen. Dit kan schuren. Want opdrachtgevers sturen regelmatig op beschikbaarheid en prijs, en niet op de kwaliteit en continuïteit van talent.

Wat ook over het hoofd wordt gezien, is de potentie van externe inhuur als instroomkanaal voor toekomstig vast personeel. Want hoe je het wendt of keert, er zijn altijd professionals die de klus en de opdrachtgever zo leuk vinden dat ze uiteindelijk in dienst treden.

Forecasting: hoe opdrachtgever en broker samenwerken

Vooruitkijken en anticiperen op talent is geen hogere wiskunde, maar je moet het wel gezamenlijk inrichten en realiseren. Ten eerste vereist het een verschuiving in houding, zowel aan de brokerkant als aan de opdrachtgeverszijde: de broker moet als kennispartner het gesprek aangaan met de klant en de data van de markt als uitgangspunt nemen. Waar liggen kansen op het gebied van talent? De opdrachtgever moet HR betrekken bij het externe inhuurbeleid, zodat dit een integraal onderdeel wordt van het talentbeleid én ook gezien wordt als een wervingskanaal.

Met welwillendheid vanuit de verschillende afdelingen van de opdrachtgever (business, HR, inhuurdesk) en de broker, kan je structurele gesprekken organiseren die continu draaien om de toekomstige vraag. Welke projecten staan op de planning, welke profielen zijn nodig om de projecten met succes op te leveren en vooral wanneer? Gezamenlijk kijk je kwartalen vooruit met het doel om de juiste kennis en het juiste specialisme te reserveren voor toekomstig succes.

Als je samen vooruit kijkt, kan je ook het gebrek aan talent en kennis ondervangen. Als je drie kwartalen van tevoren weet welke projecten op de planning staan en welke capaciteiten daarvoor nodig zijn, kan je gezamenlijk met de broker kijken naar trainingen en opleidingen. Dit vergt coördinatie. Zo wordt er vaak, bij grotere organisaties, een Talent Acquisition specialist ingezet. De Talent Acquisition specialist werkt samen met corporate recruitment, maar vaak onvoldoende met recruitment, externe inhuur en de broker. En dat terwijl de externe inhuur ook een instroomkanaal is voor talent op de lange termijn.

De externe inhuurmarkt wordt volwassen en de stap naar een gezamenlijke strategische kijk op toekomstige talenten en specialismen is een natuurlijke vervolgstap voor zowel broker als opdrachtgever.


Over de auteur

Mariska van den Ham is Sector Lead Energie & Zakelijke dienstverlening bij Circle8. Ze heeft 24 jaar ervaring in de uitzendbranche, waarvan een groot deel in het strategische accountmanagement en in diverse commerciële rollen. Ze werkt sinds 2,5 jaar binnen de brokerdienstverlening bij Circle8 als sector lead. Vanuit die rol draagt zij bij aan de groei en doorontwikkeling van de dienstverlening voor klanten en leveranciers.

Geplaatst in Professioneel inhuren | Tags , | Laat een reactie achter

Cao-afspraken over zzp’ers nemen toe, vooral in de zorg en bouw

Voor het maken van afspraken over het inhuren van zzp’ers wordt veel naar de overheid gekeken. Maar sociale partners kunnen natuurlijk ook best veel zelf regelen. Bijvoorbeeld in een cao.

Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) onderzoekt, op verzoek van de Tweede Kamer, jaarlijks hoeveel en welke afspraken er in cao’s gemaakt worden over, en soms met, zzp’ers. Die gaan deels over tarieven. De meeste afspraken gaan over de inzetbaarheid van zzp’ers: wanneer mogen ze worden ingehuurd en onder welke voorwaarden.

Van de 661 bij het ministerie van SZW aangemelde cao’s bevatten er 49 een expliciete afspraak over zzp’ers. Elf daarvan gaan concreet over tarieven. Drie jaar geleden waren dat er nog maar negen.

Tariefafspraken: opslagen tot 67 procent boven het cao-loon

De tariefafspraken zijn bedoeld om zzp’ers in staat te stellen zelf voorzieningen te treffen, zoals een arbeidsongeschiktheidsverzekering en pensioen. In zes van de elf cao’s met een tariefafspraak is sprake van een minimum-opslagpercentage. Dat percentage loopt uiteen van 40 tot 67 procent bovenop het cao-loon, met een gemiddelde van 52,5 procent.

Een concreet voorbeeld is de cao Nederlandse Podia. Daarin is afgesproken dat het uurtarief voor een zzp’er minimaal overeenkomt met het bijbehorende salarisniveau, verhoogd met ten minste 60 procent. Dat was in de vorige cao-periode nog 50 procent: een expliciete opwaartse bijstelling. De cao Toneel en Dans hanteert een ondergrens van 50 procent opslag op het bruto maandsalaris. De cao Kunsteducatie werkt met een concrete rekentool, de FairPacct-tool, waarmee zowel werkenden als werkgevers een passend zzp-tarief kunnen berekenen.

Zorgsector en bouw domineren

Het gaat om twee ondernemingscao’s en negen bedrijfstakcao’s waarin tariefafspraken zijn gemaakt. De zorgsector is de sector met de meeste zzp-afspraken, gevolgd door de bouw. Op de derde en vierde plek staan de cultuursector en financiële instellingen.

De zorgsector heeft met name afspraken over de inroostering: werknemers met een vast contract krijgen de eerste keuze bij het invullen van diensten en roosters, vóór ingehuurde zzp’ers en andere flexkrachten. Dit is vastgelegd in onder meer de cao’s voor Ziekenhuizen, VVT (Verpleeg-Verzorgingshuizen en Thuiszorg), Ambulancezorg, Huisartsenzorg en Universitaire Medische Centra.

In de bouw concentreren de afspraken zich meer op opdrachtovereenkomsten en de vergewisplicht bij inhuur. Zo verplicht de nieuwe cao Afbouw werkgevers bij inhuur van zzp’ers te voldoen aan een door de Belastingdienst goedgekeurde modelovereenkomst. Bovendien moeten werkgevers zich ervan vergewissen dat de ingehuurde zzp’er voldoet aan veiligheidseisen en aantoonbaar de vereiste certificaten heeft.

Inzetbaarheid: 25 cao’s stellen grenzen aan de flexibele schil

Naast tariefafspraken en roostering zijn er 25 cao’s (uit het totaal van 661) met afspraken over de inzetbaarheid van zzp’ers: de verhouding tussen vaste werknemers en flexibele krachten. De gedachte achter deze afspraken is het bewaken van de balans en continuïteit in de organisatie.

Een voorbeeld: in de Ambulancezorg is het gebruik van flexovereenkomsten en de inzet van uitzend- of detacheerbedrijven beperkt tot uitzonderlijke situaties, zoals onvoorziene uitval die niet door vaste medewerkers kan worden opgevangen. Bij ING Bank spreken cao-partijen af de verhouding vaste medewerkers en flexmedewerkers op 80 om 20 procent te houden.

Principeakkoorden: vijf nieuwe afspraken in aantocht

In de meest recente principeakkoorden, afgesloten in de aanloop naar de peildatum, zijn in vijf cao’s expliciete afspraken over zzp’ers opgenomen. Het gaat om Afbouw, Nederlandse Podia, Kinderopvang, Uitvaartbranche en Primair Onderwijs.

Bij Primair Onderwijs onderzoeken cao-partijen de mogelijkheden van een zogenoemde regie-arbeidsovereenkomst: een constructie die flexibiliteit biedt, maar de medewerker tegelijkertijd een vast maandinkomen garandeert. Een vergelijkbare regeling bestaat al in de cao VVT. De achtergrond: de krappe arbeidsmarkt heeft de afgelopen jaren geleid tot een sterke toestroom van zzp’ers, uitzendbureaus en commerciële partijen op de onderwijsarbeidsmarkt. Cao-partijen en de overheid willen die beweging terugdringen.

Vergelijking met 2023: voorzichtige maar gestage groei

In een vergelijkbaar onderzoek in 2023 waren negen cao’s te vinden met een tariefafspraak voor zzp’ers, waaronder Architectenbureaus, NAPK Muziekensembles, Nederlandse Poppodia en Festivals, Omroeppersoneel en Toneel en Dans. Ten opzichte van de meting het jaar daarvoor was dat al bijna een verdubbeling.

De groei zet zich dus door, maar de aantallen blijven beperkt. Dat zal deels ook komen doordat zelfstandigen zich beperkt (willen) organiseren om dit soort afspraken te kunnen maken.

Bron: Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Rapportage Cao-afspraken 2026,

Geplaatst in ZP en Ondernemen | Tags , | 5s Reacties

Op zoek naar een werkbaar beoordelingskader voor substantieel ondernemerschap

In mei publiceerde ik op deze plek de column ‘Inhuur of loonlijst? Stop met de verkeerde vraag stellen.’ De boodschap aan inkoop, HR en compliance: stop met kijken naar rechtsvorm, begin met kijken naar ondernemerschap. Drie checks volstaan: draagt de ondernemer aantoonbaar eigen risico, heeft hij aantoonbare ondernemerssubstance, en is er een meerjarig patroon van opdrachtenspreiding.

De reacties waren positief, inclusief verbeterpunten. Twee daarvan verdienen een uitgebreid antwoord. Samen met de politieke ontwikkelingen van de laatste weken bieden zij de aanleiding voor dit vervolg. Want het is duidelijk dat de markt niet kan wachten op een sluitende juridische theorie. De markt heeft directe behoefte aan een werkbaar beoordelingskader voor substantieel ondernemerschap. En precies daar wil ik me met deze serie hard voor maken.

De juridische tegenwerping: geen rangorde, ook niet voor ondernemerschap

De eerste tegenwerping kwam van een advocaat. In mijn column suggereerde ik dat aan een holistische afweging pas wordt toegekomen als ondernemerschap niet kan worden vastgesteld. Dat is te absoluut. De Hoge Raad heeft in het Uber-arrest van 21 februari 2025 expliciet bevestigd dat er geen rangorde bestaat tussen de Deliveroo-gezichtspunten, ook niet voor extern ondernemerschap. Daar heeft de advocaat gelijk in, en dat verdient erkenning.

Tegelijk zit onder die juridische correctie een belangrijker punt. Wat ik aandraag is geen theorie over juridische rangorde, het is een empirische observatie over hoe de holistische weging in de praktijk uitvalt. In tien jaar gepubliceerde jurisprudentie is geen zaak te vinden waarin een ondernemer die voldoet aan de substantiechecks tegen zijn zin een arbeidsovereenkomst kreeg opgelegd. De zaken waarin herkwalificatie wel slaagde, gaan vrijwel zonder uitzondering over werkenden met dun ondernemerschap: een KvK-inschrijving, een LinkedIn-profiel, eigen werkkleding. Geen substantieel ondernemerschap, maar een façade.

Voor een jurist is het verschil tussen ‘geen rangorde’ en ‘de holistische weging valt in de praktijk consistent uit’ wezenlijk. Voor een inkoper die maandag een interim-controller wil contracteren biedt het laatste reële houvast. De Hoge Raad zegt: alles weegt. De praktijk bewijst: substantieel ondernemerschap kantelt de balans. Dat is geen tegenstelling, het is een aanvulling en juist die aanvulling is wat inhurende organisaties en ondernemende zzp’ers nu nodig hebben.

De partijvraag: met wie sluit je eigenlijk een overeenkomst?

Sluit een opdrachtgever een overeenkomst met een onderneming, dan is de contractpartner het bedrijf, niet de persoon die het werk doet. De Hoge Raad heeft in ABN AMRO/Malhi het verbondenheidscriterium ontwikkeld: rechtszekerheid verzet zich tegen het geruisloos veranderen van de contractstructuur. Door de onderneming ‘heen kijken’ mag alleen als ultimum remedium: als de onderneming onvoldoende substantie heeft, schijn is of onjuist is ingericht. Mijn lekenconclusie: dat verklaart de afwezigheid van arresten waarin ondernemers met substantie toch als werknemers in loondienst werden beoordeeld.

Dat onderscheid is belangrijker dan veel discussies over Deliveroo-criteria laten doorklinken. Eerst de partijvraag: heb je een afspraak met een ondernemer of met een persoon die zich als ondernemer voordoet? Pas bij de tweede variant kom je toe aan de toetsing van de arbeidsrelatie. Bij een onderneming met echte substantie blijft die toetsing eenvoudigweg niet relevant. Advocaat Joost van Ladesteijn heeft over deze partijvraag en over het gezichtspunt extern ondernemerschap waardevolle artikelen geschreven, waaronder zijn commentaar op het advies van A-G De Bock in Uber en zijn artikel over de vergeten partijvraag. Beide aanraders voor wie deze materie juridisch wil doorgronden.

Een kort woord over wat ik in deze tekst met ‘substantieel ondernemerschap’ bedoel. Het is geen juridische categorie en geen alternatieve aanduiding voor het Deliveroo-gezichtspunt extern ondernemerschap. Het is een bedrijfskundige toets: een operationele check waarmee een inhurende organisatie kan vaststellen of de werkende een echte ondernemer is.

Het belangrijkste resultaat van die toets is bedrijfskundig aanvaardbare zekerheid vooraf: geen juridische garantie (Haviltex en de uitlegfase blijven gelden), wel een risiconiveau waarop een inhurende organisatie kan handelen. Empirische onderbouwing: tussen de 2,5 en 4 miljoen opdrachtjaren met substantieel ondernemerschap in tien jaar, en hooguit een handvol gepubliceerde herkwalificatiezaken: een risiconiveau dat geen accountant of CFO als materieel zal kwalificeren. Vraag 1 levert die zekerheid bij een onderneming met aantoonbare substantie. Vraag 2 kan haar alsnog bieden als de partijvraag tot de persoon leidt; daarvoor is met Bovib ervaring opgedaan met een toetskader. Voor vraag 1 ontbreekt zo’n kader, en daar ligt de leemte.

De politieke actualiteit: er beweegt iets

Minister Thierry Aartsen heeft de Tweede Kamer toegezegd nog voor de zomer een aangepaste leidraad inhuur externen bij de Rijksoverheid te willen publiceren. Hij gaat in gesprek met de VNG over gemeenten die zelfstandigen bij voorbaat uitsluiten. In hetzelfde overleg sprak Aartsen ook over de Zelfstandigenwet als instrument dat ‘de duidelijkheid en de zekerheid vooraf geeft aan zzp’ers door een soort veilige haven in die wet te creëren’. En deze week is de Webmodule beoordeling arbeidsrelatie aangepast om aan te sluiten bij de Uber-uitspraak: extern ondernemerschap is nu een volwaardig criterium.

De webmodule-toelichting bevat daarbij een opmerkelijke erkenning. Voor een overeenkomst met een rechtspersoon stelt de Belastingdienst dat er geen arbeidsrelatie ontstaat met het bedrijf, mits dat bedrijf realiteitswaarde heeft. En voegt eraan toe dat zo’n beoordeling een uitgebreid onderzoek vraagt waarvoor de webmodule niet geschikt is. De Belastingdienst zegt dus zelf dat zijn eigen toets de partijvraag uit het schema hierboven niet kan beantwoorden.

Tegelijk publiceerde Vereniging Zelfstandigen Nederland (VZN) op 21 juni haar voorstel voor de Zelfstandigenwet, ZiPconomy publiceerde daar deze week een aparte analyse over. Voorzitter Connie Maathuis vat de kern raak samen: niet ‘werknemer, tenzij’, maar ‘ondernemer, want’. VZN bepleit een eigen status voor de zelfstandige, met een zelfstandigentoets die vooraf wordt uitgevoerd en die opdrachtgevers via een register kunnen raadplegen: de safe harbour-gedachte.

Drie ontwikkelingen die in dezelfde richting wijzen. Aartsen wil de leidraad aanpassen én spreekt over een ‘veilige haven’ in de Zelfstandigenwet. De webmodule erkent zijn beperkingen bij de partijvraag. VZN draait het frame om naar ‘ondernemer, want’. Wat ze delen: het besef dat het huidige systeem opdrachtgevers achteraf afrekent op een toets die ze vooraf niet kunnen uitvoeren. En precies dáár past een werkbaar beoordelingskader voor substantieel ondernemerschap.

Wat ik wil bouwen

Mijn ambitie met deze serie is concreet. Ik wil een beoordelingskader voor substantieel ondernemerschap uitwerken dat aan drie eisen voldoet.

  1. Vooraf toepasbaar door een inkoper, HR-medewerker of compliance-officer. Geen juridisch deskundigenrapport, maar een verifieerbare set criteria met een heldere uitkomst: voldoet wel of voldoet niet. Bij voldoet niet vallen we terug op de holistische toets.
  2. Empirisch verankerd. De criteria zijn gebaseerd op wat in tien jaar jurisprudentie consistent als markers van echt ondernemerschap is erkend. Geen wensdenken, maar feiten die rechters en de Belastingdienst meewegen.
  3. Het kader sluit aan op zowel de partijvraag uit vraag 1 als het gezichtspunt extern ondernemerschap uit vraag 2: hetzelfde kader, op twee plaatsen toepasbaar. En het is afdwingbaar in een register of een door de Belastingdienst gepubliceerde toets, zodat opdrachtgevers vooraf zekerheid kunnen krijgen. Dat sluit precies aan op de safe harbour-gedachte van VZN.

Op zoek naar een partner

Ik kan dit niet alleen. De partijen die hier logisch in beeld komen, zijn voor mij de volgende:

  • Vereniging Zelfstandigen Nederland, omdat het beoordelingskader de operationele invulling kan zijn van wat VZN met ‘ondernemer, want’ politiek bepleit.
  • FNV Zelfstandigen, omdat zij in de zaak-Zwiers lieten zien dat ze de bescherming van échte zelfstandigen serieus nemen: door uitsluiting aan te vechten, niet door inhuur te ontmoedigen.
  • De Belastingdienst zelf, omdat de webmodule-toelichting de partijvraag al erkent als operationele leemte. Een sectorale handreiking kan die leemte dichten zonder dat de dienst zelf een politiek kwetsbaar instrument hoeft te ontwikkelen.
  • Aan ZiPconomy en de lezers: ken je een partij die hierbij past of een bestuurder die mij zou willen ondersteunen, dan houd ik me aanbevolen. Reacties zijn welkom, ook rechtstreeks via LinkedIn. (https://www.linkedin.com/in/pauloldenburg

In het volgende deel van ‘Op zoek naar’ schets ik de eerste contouren van het beoordelingskader zelf. Dan komt de vraag aan de orde welke markers van substantieel ondernemerschap juridisch én operationeel houdbaar zijn en welke we beter aan de juristen kunnen laten.

Geplaatst in ZP en Ondernemen | Tags , , | 2s Reacties