Interimmarkt vindt nieuw evenwicht: minder opdrachten, maar tarieven blijven stijgen Geplaatst 4 september 2026 door ZiPredactie Na een periode van uitzonderlijke groei vindt de Nederlandse flexibele arbeidsmarkt een nieuw evenwicht. Eind 2024 werkte nog 22 procent van alle hoogopgeleiden als externe professional. Dat aandeel is in het tweede kwartaal van 2026 gedaald naar achttien procent. \ Er zijn minder opdrachten en meer aanbiedingen per opdracht. Toch blijven de uurtarieven stijgen. Dit blijkt uit de nieuwste editie van de Talent Monitor, een gezamenlijke uitgave van HR-tech dienstverlener HeadFirst en arbeidsmarktdata-specialist Intelligence Group. Flexibele schil terug naar niveau van voor groeiperiode Met circa 775.000 zzp’ers en gedetacheerden die ingehuurd wordt, blijft dit deel van de flexibele schil een belangrijk onderdeel van de Nederlandse arbeidsmarkt. In 2022 lag hun aandeel rond de zeventien à achttien procent, waarna dit opliep tot een piek van 22 procent eind 2024. Sindsdien daalt de flexibele schil geleidelijk, zo zien HeadFirst en databedrijf Intelligence Group. De opheffing van het handhavingsmoratorium op schijnzelfstandigheid speelt hierin een belangrijke rol: opdrachtgevers hebben hun inhuurbeleid aangepast, contracten aangescherpt en hun flexibele schil afgebouwd. Lees ook: Omzetdaling detacheerders vlakt verder af, nieuwe cao inzet bij war for talent Tarieven blijven stijgen ondanks daling in opdrachten Het aanbod van flexibel werk is in dezelfde periode sterk gekrompen: vergeleken met hetzelfde kwartaal vier jaar eerder nam het aantal geregistreerde opdrachten met circa 42 procent af. Toch leidt die hogere concurrentie niet tot lagere tarieven. Het gemiddelde gerealiseerde uurtarief steeg van €91,10 in het tweede kwartaal van 2022 naar €102,38 in het tweede kwartaal van 2026, een stijging van ruim twaalf procent. Geert-Jan Waasdorp, CEO bij Intelligence Group: “Dat de tarieven blijven stijgen terwijl er minder opdrachten zijn en de concurrentie tussen professionals toeneemt, laat zien dat het uurtarief zich weinig laat bepalen door vraag en aanbod. Ondanks de veranderende marktomstandigheden, in het nadeel van de flexmarkt, blijven de tarieven de inflatie volgen. Dat patroon zien we al langer terug in onze data.” Beweging tussen vast en flex stabiliseert Ook de mobiliteit op de arbeidsmarkt laat een stabiel beeld zien. Momenteel is 22 procent van de zzp’ers actief op zoek naar een nieuwe opdracht, tegenover 24 procent van de gedetacheerden. Dat ligt lager dan tijdens eerdere piekmomenten. De daling hangt deels samen met de krimp van de populatie: professionals die langdurig geen opdrachten vonden, hebben de flexibele arbeidsmarkt verlaten. Ook de beweging tussen vast en flex stabiliseert: dertien procent van de zzp’ers wil de overstap naar loondienst maken. Een vergelijkbaar aandeel werknemers in loondienst overweegt de stap naar zelfstandigheid. Allard van Dam, Country Manager Nederland bij HeadFirst: “Wat we zien is een markt die volwassen wordt. Flexibele professionals blijven een onmisbare rol spelen voor organisaties die behoefte hebben aan specialistische kennis, extra capaciteit of tijdelijke ondersteuning. Juist in deze fase is het belangrijk om strategisch naar de inzet van talent te kijken, ongeacht de contractvorm.” Lees ook: Freelance Markt Index Q3 2026: vertrouwen zakt naar laagste peil sinds begin 2025 Check het webinar Wil je meer inzicht in de actuele dynamiek op de arbeidsmarkt? Schrijf je dan in over het webinar ‘De impact van handhaving, beleid en arbeidsmarktontwikkelingen in cijfers’ op 5 oktober. Een webinar met de nieuwste arbeidsmarktcijfers, analyses en duiding daarvan. Allard van Dam, country manager HeadFirst Nederland, en Hugo-Jan Ruts bespreken de hoofdpunten uit het kersverse rapport ‘De nieuwe werkelijkheid van zzp. De impact van handhaving, beleid en arbeidsmarktontwikkelingen in cijfers’. Geplaatst in Professioneel inhuren | Tags arbeidsmarktcijfers, HeadFirst Group, talent monitor | Laat een reactie achter
Goed beginnen met AI is níet beginnen met een AI-tool Geplaatst 3 september 2026 door Gijs-Jan van het Kaar Elk kwartaal heeft een nieuwe kampioen op het gebied van AI-technologie. Wie nu een AI-tool kiest en daar blind op vertrouwt, loopt het risico binnen een jaar alweer achterop te raken. De echte winst zit niet in de tool, maar in de data eronder. Voorlopers op de inzet van AI, op dit moment vooral software developers, wisselen continu van onderliggende AI-motor. Zodra een nieuw model beter presteert, stappen zij over. Wat zij wél angstvallig bewaken, is hun eigen data en hun instructies aan het model. Dat wordt in hun werk steeds meer de onderscheidende factor. Van prompts naar context Wat eerst prompt engineering heette, noemen deze voorlopers nu context management. De verschuiving in naamgeving is veelzeggend: het gaat niet langer alleen om de juiste vraag stellen, maar om het slim organiseren van de informatie die je een AI-model meegeeft. Dat heeft een dubbel doel. Aan de ene kant levert het betere uitkomsten op, aan de andere kant helpt het efficiënter om te gaan met de tokens die steeds duurder worden. Data wordt de echte waarde Deze ontwikkeling is al gevestigd in softwareontwikkeling, maar zal steeds meer voor alle sectoren gelden. Voor Workforce Management (WFM) betekent het dat harde data over planning, uren, proces en performance steeds persoonlijker en waardevoller worden. Deze gegevens, en de lessen die er in verstopt zitten, worden daarmee een uitkomst op zich. Een WFM-proces is pas succesvol als het ook goede data genereert over wat werkt en waarom. Naarmate AI-modellen beter worden, zullen lessen die nu nog verborgen zijn steeds beter gezien worden en wordt goede, gestructureerde data steeds meer waard. Lees ook: Shifter: de dirigent van de flexibele werkvloer Kijk voorbij de AI-tool van vandaag De les die hieruit te trekken valt: focus niet te veel op de AI-tools die nu beschikbaar zijn. Gebruik ze, maar zorg dat je zelf eigenaar blijft van de data. Volgend jaar zijn er weer nieuwe kampioenen, en die zullen ook functies bieden voor overstappen zonder verlies. Maar dat werkt alleen als je zelf de regie hebt over je eigen data. Laat die niet bij een externe leverancier zitten, want dan zit je vast. Drie stappen voor een AI-bestendige organisatie Wie zich wil voorbereiden op de toekomst, kan daarom beter beginnen bij de basis in plaats van bij de tool. Dat begint met het kiezen van een datastructuur: in welke structuur wordt de organisatie bestuurd en hoe wordt er gerapporteerd? Vanuit die vraag is het zaak om data te organiseren op een zo groot mogelijk detailniveau, met een gestructureerde ‘kapstok’ voor kwantitatieve gegevens. Per afdeling per week registreren is daarbij prima, maar per shift per persoon is nog beter. Aan die kwantitatieve basis kan vervolgens ook kwalitatieve informatie worden opgehangen. Ten tweede is het van belang om alle bedrijfsdata consequent in diezelfde structuur te organiseren, zodat alles op elkaar aansluit. Als het nu veel tijd kost om een totaaloverzicht van gewerkte uren samen te stellen, zal een AI tool diezelfde bottleneck moeten overwinnen, met hogere kosten en mindere uitkomsten tot gevolg. Ten derde is het verstandig om vanaf nu ook kwalitatieve data zoals feedback en tevredenheidsonderzoeken binnen diezelfde structuur vast te leggen. Zodoende kan die door de toekomstige tools geduid worden op de juiste plek binnen het proces en zo bijdragen aan een completer beeld van de organisatie en de succesfactoren. Data van vandaag wordt morgen waardevoller Ook in de toekomst zullen AI-modellen steeds krachtiger worden. Daarmee wordt de data van vandaag en gisteren steeds meer waard. AI-modellen kunnen relatief eenvoudig worden ingewisseld voor een nieuwere, betere versie. Wat niet kan, is gegevens terughalen die nooit zijn vastgelegd. Wie nu de basis legt voor een gestructureerde, gedetailleerde dataverzameling, legt daarmee ook de basis voor onderscheidend vermogen in de toekomst. Lees ook: RAI Amsterdam en Shifter winnen Total Talent Management Award 2026 Meer leren van Shifter? Tijdens de ZiPmedia Webinar Week vertelt Gijs-Jan van het Kaar in het webinar ‘De uitzend inhuur impact top 5’ welke vijf bottlenecks in je proces je kunt oplossen om de waarde van inhuur te maximaal te verbeteren. In 45 minuten leer je de kosten van vijf concrete bottlenecks, en de stappen die je morgen kunt toepassen om ze op te lossen. Ontdek waar in het inhuurproces de meeste winst te behalen valt op kosten, kwaliteit en betrouwbaarheid, en hoe je chaos en risico structureel terugdringt. Meer informatie en inschrijven? Ga naar de website van de Webinar Week. Geplaatst in Professioneel inhuren | Tags AI, HR Tech, shifter, Total Workforce Management | Laat een reactie achter
Van uren verkopen naar resultaten leveren: AI verandert de detacheringsmarkt Geplaatst 2 september 2026 door Arthur Lubbers AI zet de komende tien jaar de detacheringsmarkt op zijn kop. Er komt een verschuiving van ‘uren verkopen’ naar ‘resultaten leveren’. Het draait niet meer om het leveren van capaciteit, maar om het inzetten van geskillde professionals én AI om veranderingen binnen organisaties te realiseren. Dat is de conclusie van het Kwartaalperspectief Detacheringsbranche Q2 2026, geschreven door Han Mesters (ABN AMRO) in opdracht van de Vereniging van Detacheerders Nederland (VvDN). Mesters verwacht dat AI het businessmodel van de Nederlandse detacheringssector fundamenteel zal veranderen. In de traditionele economische modellen zijn arbeid, kapitaal en technologie de belangrijkste productiefactoren. Maar de komst van AI zet dit oude denken op z’n kop. AI maakt namelijk kennis overvloedig (gratis beschikbaar) en besluitvorming goedkoper (naast routinematig werk neemt het ook planning, analyses en rapportages over). Daarentegen wordt reputatie belangrijker. Mensen willen zaken doen met organisaties die ze vertrouwen. En bedrijven die snel kunnen experimenteren, leren en veranderen presteren beter. “Aanpassingsvermogen wordt de nieuwe productiviteit.” Lees ook: Stef Witteveen (VvDN): ‘Eigen cao is erkenning van bijzondere positie detachering op de arbeidsmarkt’ Economische bottleneck verschuift Mesters’ conclusie: de traditionele maatstaf arbeidsproductiviteit (output per gewerkt uur) geeft steeds minder goed weer waar waarde ontstaat. Een klein team met AI kan dezelfde output leveren als een veel grotere organisatie. Het verschil zit dan niet in meer arbeid, maar in betere organisatie, data, vertrouwen en besluitvorming. Ondernemerschap en aanpassingsvermogen worden de echt schaarse economische middelen. Dat betekent volgens hem niet dat arbeid onbelangrijk wordt, maar wel dat de economische bottleneck verschuift. De vraag is niet: ‘Wie heeft de meeste mensen?’, maar: ‘Wie kan mensen en AI het snelst laten samenwerken aan betrouwbare beslissingen?’ Het draait dan voor detacheerders dus niet meer om ‘uren verkopen’, maar om ‘resultaten leveren’. Dit betekent volgens Mesters dat zij hun businessmodel moeten omgooien van capaciteitsleverancier naar productiviteitsleverancier die inzet op cognitief kapitaal. Andere propositie voor detacheerders De traditionele waardepropositie van detacheerders staat door AI dus onder druk. Maar er zijn volgens Mesters zeker kansen voor detacheerders als zij een nieuwe propositie hanteren: het vergroten van het aanpassingsvermogen van organisaties. Dan lever je als detacheerder bijvoorbeeld niet een Java-ontwikkelaar of HR-adviseur, maar een bepaald resultaat. Denk aan: een AI-implementatie, cybersecurity, compliancy, procesverbetering of reorganisatie. Voor detacheerders wordt het leveren van diensten op basis van Statement of Work (SoW) interessanter. Daarmee wordt de stap gezet van ‘wij leveren mensen’ naar ‘wij nemen verantwoordelijkheid voor een resultaat of een afgebakende dienst’. Detacheerders spelen dan in op de ontwikkeling in de markt die al gaande is, namelijk dat organisaties steeds meer contract-based services inkopen. Meerwaarde leveren gebeurt zeker als detacheerders erin slagen hybride teams van continu geskillde professionals en AI te combineren. Dus: minder focus op uren en meer op resultaat en productiviteit van de professionals. De flexibiliteit die detacheerders leveren voorziet dan niet zozeer in de behoefte aan capaciteit voor piekwerk, maar meer tijdelijke capaciteit voor veranderingen binnen organisaties. Hier komt het belang van vertrouwen om de hoek kijken. Organisaties moeten voor die veranderingen (een deel van) de regie uit handen geven. Zij zullen daarvoor kiezen voor een detacheerder die een sterke reputatie heeft, een echte vertrouwenspartner. Lees ook: ZiPtalk: WTTA en nieuwe cao zetten detacheringsbranche op scherp Van capaciteits- naar productiviteitsmarkt Mesters voorziet in 2035 een markt waarin niet de detacheerder met de meeste professionals de winnaar is, maar degene die de hoogste productiviteit per professional kan leveren. ‘De omvang van het personeelsbestand wordt minder belangrijk dan het vermogen om professionals effectief te combineren met AI.’ Er komt een verschuiving van een capaciteitsmarkt naar een productiviteitsmarkt. Het gaat dan niet meer om de omzet of het aantal fte, maar om de vraag hoeveel extra economische waarde een detacheerder per ingezette professional creëert. Dat betekent dat de huidige KPI’s, zoals bezettingsgraad, uurtarief en aantal fte, minder relevant zijn. Nieuwe KPI’s worden bijvoorbeeld de snelheid waarmee schaarse expertise kan worden ingezet, de tijd die nodig is voor reskilling, AI-versterkte productiviteit per professional en de klantproductiviteit als gevolg van die inzet. Mesters trekt de vergelijking tussen een vermogensbeheerder en de detacheerder-nieuwe-stijl: een vermogensbeheerder optimaliseert de inzet van financieel kapitaal. Een toekomstige detacheerder optimaliseert de inzet van menselijk kapitaal én AI-capaciteit. “De vraag wordt dan niet: ‘Wie heb je beschikbaar?’, maar: ‘Welke combinatie van mensen, AI-agenten en kennis levert voor deze klant de hoogste productiviteit?’” Lees ook: Omzetdaling detacheerders wordt weer kleiner, belang detachering steeds groter Geplaatst in Professioneel inhuren | Tags ABN AMRO, AI, detachering, VVDN | 1 Reactie
Een sectorspecifieke tariefondergrens voor zzp’ers in de praktijk Geplaatst 1 september 2026 door Wilmar Dik Wie werkt, moet daarmee voldoende kunnen verdienen om van te leven. De Grondwet maakt bestaanszekerheid expliciet tot een zorg van de overheid. Die verantwoordelijkheid geldt voor alle burgers. Werknemers hebben wettelijke inkomensbescherming, zoals het minimumloon en loondoorbetaling bij ziekte. Voor zelfstandigen ontbreekt zo’n economische bodem. Het rechtsvermoeden helpt vooral laagbetaalde zzp’ers die mogelijk feitelijk werknemer zijn; het bijbehorende uurtarief is geen verplichte minimumvergoeding. Daarom pleit ik voor sectorspecifieke tariefondergrenzen: bedragen waaronder een gemiddelde zelfstandige zijn beroep niet duurzaam kan uitoefenen. In sectoren met veel declarabele uren en lage kosten kan die bodem onder €38 liggen, in andere sectoren juist erboven. Het gaat niet om een marktconform of aanbevolen tarief, maar om een wettelijke ondergrens voor professioneel ingekochte arbeid, vergelijkbaar met het minimumloon voor werknemers. Begin bij hetzelfde minimale inkomen De berekening moet uitgaan van wat iemand minimaal aan werken moet overhouden. Een logisch uitgangspunt is het netto-inkomen van iemand die fulltime voor het minimumloon werkt. Een zelfstandige moet na alle belastingen, premies en noodzakelijke bedrijfskosten minimaal een vergelijkbaar netto-inkomen kunnen overhouden. In het benodigde tarief moet daarnaast ruimte zitten voor pensioen, arbeidsongeschiktheid, vakantie, ziekte en niet-declarabele werkzaamheden. De benodigde jaaromzet wordt vervolgens gedeeld door het aantal uren dat binnen het beroep gemiddeld werkelijk declarabel is. Een te hoge inschatting van die uren levert automatisch een te laag tarief op. Declarabele uren bepalen een groot deel van de ondergrens Het aantal declarabele uren verschilt sterk per beroep. Wie veel uren kan factureren, kan met een lager tarief voldoende verdienen. Bij minder betaalde uren is een hoger tarief nodig. Ook vraag en aanbod spelen mee: als veel zelfstandigen om weinig opdrachten concurreren, worden de beschikbare uren over meer mensen verdeeld. Een tariefondergrens lost overaanbod niet op, maar voorkomt dat tarieven steeds verder zakken. Flexibiliteit kost geld en die kosten liggen in sommige sectoren vooral bij zzp’ers. Binnen de berekening van het rechtsvermoeden gaat men ervan uit dat een zzp’er gemiddeld twee derde van de werktijd kan declareren en een derde niet. Maar dat verschilt sterk per beroep en sector. Mede daarom werkt één landelijk bedrag, zoals de €38 van het rechtsvermoeden, niet voor iedere sector. Gebruik schijven in plaats van honderden tarieven Het is niet nodig om voor ieder beroep een apart minimumtarief vast te stellen. Beroepen met een vergelijkbaar aantal declarabele uren en vergelijkbare bedrijfskosten kunnen in dezelfde schijf vallen. Ik pleitte eerder voor bijvoorbeeld zes schijven, van beroepen met maximaal achttien declarabele uren per week tot beroepen waarin gemiddeld 31 uur of meer kan worden gefactureerd. Per schijf kan een basistarief worden vastgesteld, met waar nodig een correctie voor hogere bedrijfskosten. Zo blijft het systeem overzichtelijk en sluit het aan bij de economische werkelijkheid van verschillende beroepsgroepen. Mijn eerdere voorstel voor zo’n schijvenmodel is hier te lezen: Eerlijke minimumtarieven voor zelfstandigen met schijven per beroep Laat een onafhankelijke instantie rekenen Beroepsorganisaties, vakbonden, opdrachtgevers en onderzoekers kunnen gegevens aanleveren, maar zouden niet zelf de wettelijke ondergrens moeten bepalen. Een onafhankelijke rekencommissie of onderzoeksinstantie kan beoordelen of de gegevens recent en representatief zijn, hoeveel uren gemiddeld worden gedeclareerd, welke bedrijfskosten normaal zijn en hoeveel ruimte nodig is voor pensioen, arbeidsongeschiktheid, ziekte, vakantie en flexibiliteit. De gegevens, aannames en berekeningen moeten openbaar zijn, zodat controleerbaar is waarom een beroep in een bepaalde schijf valt en hoe het ondergrenstarief tot stand komt. Oude cijfers kunnen geen nieuwe ondergrens dragen De arbeidsmarkt verandert snel. Vraag en aanbod verschuiven, beroepen veranderen en AI beïnvloedt steeds meer werk. Ook het rechtsvermoeden (zie de onderbouwing van het rechtsvermoeden op pagina 98 van de pdf) laat zien waarom actuele cijfers nodig zijn. Daar wordt aangenomen dat een zzp’er gemiddeld twee derde van zijn werktijd kan declareren. Die aanname komt uit Panteia-cijfers uit 2012. Het kabinet erkent dat die cijfers oud zijn, maar onderbouwt niet met recent onderzoek waarom ze nog representatief zouden zijn. De realiteit is dat er sectoren zijn waar de werkelijke declarabiliteit duidelijk lager of hoger is. Wie blijft rekenen met één landelijke aanname uit 2012, kan daardoor op een te lage óf onnodig hoge economische bodem uitkomen. Alleen tarieven indexeren is daarom niet genoeg. Ook declarabele uren, kosten en andere arbeidsmarktgegevens moeten regelmatig opnieuw worden onderzocht. Waarom zouden we zzp’ers bescherming aan de onderkant geven op basis van een aanname uit 2012, als we die bescherming ook op actuele marktgegevens kunnen baseren? Tariefcalculators laten zien hoe belangrijk aannames zijn De tariefchecker van de Kunstenbond rekent standaard met 167 declarabele werkdagen, oftewel 1.336 uur per jaar. Bij €60 per uur is dat €80.160 omzet; bij €38 nog €50.768. Herkenbaar voor creatieve zzp’ers? Ik denk het niet. De gebruiker kan het aantal dagen aanpassen, maar zo’n voorinstelling suggereert wel wat normaal of haalbaar is. Onderzoek van SEO Economisch Onderzoek naar de culturele en creatieve sector laat zien dat gemiddeld 62 procent van de gewerkte uren declarabel is. Bij 38 uur per week komt dat neer op ongeveer 24 declarabele uren per week. Wie te veel declarabele uren veronderstelt, verdeelt hetzelfde benodigde inkomen over meer betaalde uren en komt automatisch op een lager tarief. Dat houdt een sector betaalbaar, maar kan ook structurele onderbetaling in stand houden. Ook bij de Ketentafel AV/Film zie je dat effect. Daar leidt een hoge inschatting van declarabele uren tot erg lage tarieven: het starttarief voor 2026 is €29,16 per uur en de helft van de niveaus zit onder €37, dus zelfs onder de €38 van het rechtsvermoeden. Lees ook: Een zzp-tarief vergelijken met een cao: waar het mis kan gaan Een andere zzp-calculator laat zien dat het ook anders kan. Daar kunnen inkomen, kosten en declarabele uren worden aangepast en wordt onderscheid gemaakt tussen een kaal minimum, een gezond tarief en een groeitarief. Met ongeveer 24 declarabele uren per week, zoals uit het SEO-onderzoek binnen de creatieve sector naar voren komt, zie je een heel ander minimumtarief. Zelfs als je uitgaat van een laag gewenst inkomen van €2.300 netto en 30 procent belasting en premies, is het onverstandig om voor minder dan €45 per uur te werken. Bij veel declarabele uren en beperkte kosten kan de ondergrens ook onder de €38 van het rechtsvermoeden liggen. Sectorspecifiek rekenen betekent dus vooral rekenen met wat binnen een markt werkelijk haalbaar is. Bereken per sector waar de economische bodem ligt, op basis van actuele marktgegevens en realistische aannames. Een minimumtarief bereken je, daar onderhandel je niet over. Ook een projectprijs heeft een effectief uurtarief Een wettelijke ondergrens werkt niet wanneer die eenvoudig kan worden omzeild met een vaste projectprijs. Deel daarom de totale vergoeding door het aantal uren dat redelijkerwijs nodig is voor de opdracht. Daarbij horen ook noodzakelijke voorbereiding, inhoudelijk onderzoek, overleg, planning en reistijd wanneer de freelancer vanuit huis werkt. In de offerte of opdrachtovereenkomst kan vooraf een realistische ureninschatting worden opgenomen. Wordt de opdracht uitgebreid, dan moeten de uren en de vergoeding worden aangepast. De opdrachtgever en zzp’er hoeven niet bij iedere factuur een uitgebreide urenadministratie mee te sturen, maar moeten de berekening bij controle wel kunnen onderbouwen. Indexeer en actualiseer de bedragen De sectorspecifieke ondergrenzen kunnen tegelijk met het minimumloon worden geïndexeerd. Daarnaast moet periodiek worden onderzocht of de indeling van beroepen en het aantal declarabele uren nog aansluiten bij de werkelijkheid. Dat wordt steeds belangrijker door AI. Werkzaamheden verdwijnen, veranderen en ontstaan. Omscholen of ander werk zoeken kan, maar kost tijd. Een individuele zelfstandige heeft zelf weinig invloed op zulke marktontwikkelingen, maar ondervindt wel de gevolgen ervan. Alleen tarieven indexeren is daarom niet genoeg. Ook de uitgangspunten achter de berekening moeten actueel blijven. Een economische ondergrens voorkomt niet dat opdrachten verdwijnen, maar wel dat het werk dat overblijft structureel te laag wordt vergoed. Controleer de minimumvergoeding en laat de rest van de zzp-markt vrij Het risico bestaat dat de ondergrens in sommige sectoren het standaardtarief wordt. Maar juist daar liggen de tarieven nu vaak nog lager. Dat sommige werknemers precies het minimumloon verdienen, is geen argument tegen een wettelijke bodem, maar juist een reden waarom die bestaat. Een ondergrenstarief is geen eerlijk, gezond of marktconform tarief, maar het absolute minimum waaronder een gemiddelde zelfstandige niet duurzaam kan werken. Daarboven bepalen ervaring, kwaliteit, reputatie, schaarste en onderhandelingsmacht de prijs. Ook het ondernemersrisico blijft gewoon bestaan. Een zelfstandige kan nog steeds te weinig opdrachten hebben, verkeerd investeren of hoge kosten maken. Ondernemerschap betekent alleen niet dat opdrachtgevers professionele arbeid structureel onder een economisch houdbare prijs moeten kunnen inkopen. Het rechtsvermoeden verhindert dat helaas niet. Zelfstandigen houden lage tarieven soms vol door minder te reserveren voor pensioen, arbeidsongeschiktheid en periodes zonder opdrachten. Daardoor lijken zij goedkoper dan werknemers, terwijl de werkelijke kosten bij de zzp’er blijven liggen. Een tariefondergrens kan betekenen dat opdrachtgevers die nu professionele arbeid onder een economisch houdbare prijs inkopen, meer moeten betalen. Dat is geen onbedoeld neveneffect. De vraag is wie de kosten en risico’s van flexibel werk draagt. Nu liggen die in sommige markten grotendeels bij de zelfstandige. Een ondergrens brengt daar meer evenwicht in. Vrijwilligerswerk moet mogelijk blijven Vrijwillige inzet voor een vereniging, goed doel, buurtinitiatief of organisatie zonder winstoogmerk moet mogelijk blijven. Dat is iets anders dan een commerciële opdrachtgever die gratis professioneel werk vraagt. Een uitzondering kan gelden wanneer de zelfstandige aantoonbaar vrijwillig kiest, geen betaalde opdracht wordt vervangen en de afspraak vooraf schriftelijk wordt vastgelegd. Een commerciële partij die een professioneel product of een professionele dienst nodig heeft, moet daarvoor ten minste een economisch houdbare vergoeding betalen. En een basisinkomen? Een basisinkomen is een andere manier om bestaanszekerheid te organiseren. Iedere burger ontvangt dan een laag vast bedrag van de overheid, zonder werkverplichting en onafhankelijk van inkomen of vermogen. Een prachtig idee, als je het mij vraagt. Een basisinkomen voorkomt alleen niet dat commerciële partijen te weinig betalen voor werk. Als je een basisinkomen voor iedereen wilt, lijkt het mij logisch om er ook voor te zorgen dat commerciële partijen in iedere sector een duurzame vergoeding voor werk betalen. Beide ideeën lossen een ander probleem op: een basisinkomen biedt inkomenszekerheid, een tariefondergrens voorkomt inkoop onder een economisch houdbare bodem. Begin waar de nood het hoogst is Een sectorspecifieke ondergrens hoeft niet direct voor ieder beroep te worden ingevoerd. Begin in sectoren waar relatief veel zelfstandigen werken en/of tarieven structureel laag zijn. Een opvallend hoog aandeel zzp’ers kan daarbij een signaal zijn dat nader onderzoek nodig is. Over de financiële prikkel om zelfstandigen goedkoper in te huren schreef ik eerder: Waarom het rechtsvermoeden de economische prikkel achter schijnzelfstandigheid niet wegneemt Ook sectoren waarin algemene aannames over declarabele uren slecht aansluiten op de praktijk verdienen prioriteit. Zo begin je waar de kans op een te lage economische bodem het grootst is. Economische schijnzelfstandigheid? Een goed berekende tariefondergrens maakt het minder aantrekkelijk om zelfstandigen vooral in te huren omdat ze goedkoper zijn dan werknemers. Zzp’ers dragen immers zelf kosten en risico’s die in hun tarief moeten terugkomen. Als een zzp’er juridisch wél zelfstandig is, maar structureel werkt tegen een tarief dat op de lange termijn niet is vol te houden, zou je dat dan economische schijnzelfstandigheid kunnen noemen? Een tariefondergrens neemt een belangrijke financiële prikkel voor schijnzelfstandigheid weg. De Arbeidsinspectie bewaakt de economische bodem; de Belastingdienst en de rechter beoordelen de arbeidsrelatie. Zelfstandigen kunnen dan nog steeds worden ingehuurd vanwege hun kennis, flexibiliteit of tijdelijke inzet. Bestaanszekerheid begint met goed rekenen Het uitgangspunt is eenvoudig: wie fulltime werkt, moet daarmee minimaal voldoende kunnen verdienen om van te leven. Voor zelfstandigen betekent fulltime werken alleen niet dat alle gewerkte uren ook betaald kunnen worden. Hoe groot dat declarabele deel is, verschilt sterk per markt en verandert bovendien voortdurend. De ene zzp’er zal boven het gemiddelde uitkomen, de andere eronder. Daarom pleit ik ervoor uit te gaan van het gemiddelde aantal declarabele uren binnen een markt. Een individuele zzp’er heeft weinig invloed op dat marktgemiddelde, maar krijgt er wel mee te maken. Voor werknemers biedt het minimumloon een wettelijke bodem; voor echte zelfstandigen ontbreekt die. Maar ook voor hen hoort bestaanszekerheid niet afhankelijk te zijn van de toevallige markt waarin zij hun arbeid verkopen. Bij veel declarabele uren kan de ondergrens relatief laag zijn, bij weinig betaalde uren of hoge kosten juist hoger. Een ondergrens bepaalt niet wat goed werk waard is, maar alleen wat te weinig is. Daarboven blijft ruimte voor onderhandeling. Daaronder niet. Geplaatst in ZP en Ondernemen | Tags minimumtarief zzp, rechtsvermoeden, schijnzelfstandigheid | Laat een reactie achter
Substantietoets voor zzp-inhuur: eerst de onderneming, dan de arbeidsrelatie Geplaatst 1 september 2026 door Paul Oldenburg Deel 1 van deze reeks stelde dat het zzp-debat de verkeerde vraag stelt. Deel 2 pleitte voor een werkbaar beoordelingskader. In dit derde deel schets ik dit kader: vijf dimensies, dossieropbouw op drie niveaus en de vraag waarmee het begint. Met wie contracteert u eigenlijk? Lees ook: Inhuur of loonlijst? Stop met de verkeerde vraag stellen. Waarom een nieuwe toets nodig is Sinds minister Aartsen op 6 maart 2026 het verduidelijkingsdeel van de Vbar schrapte, geldt onverkort de holistische toets van de Hoge Raad: per opdracht, achteraf, moeilijk voorspelbaar. Van de Vbar bleef het rechtsvermoeden bij lage tarieven over, waarmee de Eerste Kamer op 16 juni 2026 instemde. Minister Aartsen stelde in juni vast dat nergens in de Nederlandse wet staat wanneer iemand zelfstandig is. De Zelfstandigenwet die dat gat moet vullen is nog in ontwerp. Het initiatiefvoorstel waarop zij rust, kijkt vooralsnog alleen naar de persoon van de werkende en niet naar de onderneming die wordt gecontracteerd. Ondertussen handhaaft de Belastingdienst sinds 1 januari 2025 zonder moratorium. Tot en met oktober 2025 rapporteerde het kabinet 842 bedrijfsbezoeken en 237 boekenonderzoeken. Sinds 1 januari 2026 kunnen bij opzet of grove schuld weer vergrijpboetes volgen; verzuimboetes blijven dit jaar achterwege. Bij schijnzelfstandigheid draagt de inlener het grootste risico: indicatief meer dan 30 procent van het betaalde bedrag. In het rekenvoorbeeld dat de Belastingdienst op het Bovib-congres van juni presenteerde, gaat het om circa € 10.223 naheffing op een opdrachtsom van € 24.000. Rationeel gedrag van een opdrachtgever is dan risicomijding, met de inhuur ondergebracht bij een handvol brokers of MSP’s. Zo ontstaat de indirecte uitsluiting die FNV Zelfstandigen en anderen terecht signaleren: de echte zelfstandige is formeel welkom, maar verliest zijn directe toegang. De markt heeft nú iets nodig dat werkt. De kern: de partijvraag als voorvraag De denkfout in het huidige debat is dat alles op de kwalificatievraag wordt gelegd: is déze arbeidsrelatie een dienstbetrekking? Die vraag wordt holistisch en per opdracht beoordeeld, en is daarmee inherent onzeker. Er gaat een andere vraag aan vooraf: de partijvraag. Met wie contracteert u, en heeft u te maken met een reële onderneming? Voor de juridisch onderlegden: die partijvraag kent een eigen, stabieler toetsingskader (Volvo/Braam, ABN AMRO/Malhi), niet dat van Groen/Schoevers. Wat er voor een opdrachtgever toe doet, is of zijn partijkeuze standhoudt. Een rechter of een inspecteur mag door een constructie heen kijken als de onderneming geen eigen betekenis heeft. Heeft de contractpartij aantoonbare substantie, met een toetsbare scheiding tussen de onderneming en de persoon die het werk uitvoert, dan is het restrisico bedrijfskundig aanvaardbaar en kan vooraf en gedocumenteerd worden gecontracteerd. In gewone taal komt het hierop neer. Inhuur is een spel met twee spelers, en allebei moeten zij vóóraf weten wat zij willen zijn. Wil je ondernemer zijn, met eigen spelregels en eigen opdrachtgevers? Of wil je een professional zijn die goed werk levert en zekerheid zoekt? Allebei prima, maar het moet kloppen met wat de opdrachtgever zoekt: een persoon die hij aanstuurt, of een onderneming die verantwoordelijkheid neemt voor het resultaat. Het grijze gebied ontstaat namelijk niet omdat de verkeerde vorm gekozen wordt, maar omdat twee partijen iets anders willen en geen van beiden dat hardop zegt, laat staan netjes vastlegt. Een bedrijfskundige toets, geen juridisch oordeel Dit stuk is geschreven vanuit de bedrijfskunde en niet vanuit het recht, en dat is een keuze. De kwalificatievraag is een juridische vraag met een juridisch antwoord; die laat ik aan juristen. Of een onderneming substantie draagt, is ook een bedrijfskundige vaststelling: draagt deze partij eigen risico, heeft zij een markt, een organisatie, continuïteit? U beoordeelt het met dossiers en cijfers. Substantieel ondernemerschap is hier een bedrijfskundig begrip en verschilt van het gezichtspunt extern ondernemerschap uit de rechtspraak, hoezeer de kenmerken ook op elkaar lijken. Het verschil zit in het object. Extern ondernemerschap neemt de werkende als uitgangspunt. De substantietoets neemt de onderneming als uitgangspunt; de persoon komt alleen in beeld voor zover hij iets zegt over de onderneming, niet andersom. De zekerheid is navenant: bedrijfskundig aanvaardbare zekerheid vooraf. Geen juridische garantie, wel een risiconiveau waarop een bestuurder, een CFO of een inkoper kan handelen. Zoals dat ook geldt voor een kredietbeoordeling, een leveranciersaudit of een verzekeringsdekking: niemand vraagt daar om een juridische garantie, en toch handelt iedereen erop. Lees ook: Op zoek naar een werkbaar beoordelingskader voor substantieel ondernemerschap Hoe de toets werkt De toets beoordeelt substantieel ondernemerschap op objectieve, verifieerbare kenmerken die aansluiten bij de gezichtspunten die ook in de rechtspraak een rol spelen: eigen rekening en risico, debiteurenrisico, meerdere opdrachtgevers, eigen verzekeringen en bedrijfsmiddelen, een actieve marktpositie, en contractering van entiteit tot entiteit met een toetsbare scheiding tussen de onderneming en de persoon die het werk uitvoert. De uitkomst is geen momentopname, maar een niveau met bijbehorende, controleerbare dossieropbouw. Onderstaand schema geeft de vijf dimensies en de drie niveaus. De kernvraag daarbij is niet of deze opdracht goed is ingericht, maar of de onderneming bestaat en blijft bestaan als deze opdracht wegvalt. De opdracht telt dus wel degelijk mee, maar als feit óver de onderneming. Een voltijdse opdracht van jaren kan een onderneming uithollen tot een doorgeefluik, en juist dat wil de toets vooraf zichtbaar maken. De toets is bewust selectief. Niet elke zelfstandige zal echte substantie kunnen aantonen, en juist daar zit de toegevoegde waarde: voor de ondernemer die het wél aantoont, is de zekerheid iets waarop vertrouwd kan worden. Wie de toets niet haalt, wordt niet afgewezen; die opdracht gaat gewoon door naar de kwalificatievraag. Niemand valt af; de route loopt alleen anders. Op niveau C is het ijs altijd glad en is juridisch advies bij het intakegesprek verstandig. Twee zaken, twee uitkomsten Twee uitspraken laten zien waar de grens ligt. In de zaak van een intensivist (ECLI:NL:RBZWB:2024:4597) bestond het ondernemerschap uit een inschrijving bij de Kamer van Koophandel, een LinkedIn-profiel en eigen werkkleding. De herkwalificatie slaagde. Geen enkele dimensie van de toets zou hier zijn afgedekt, en de uitkomst bevestigt het kader van de andere kant: herkwalificatie slaagt waar de substantie dun is. De zaak Humby (ECLI:NL:RBLIM:2025:11921) wijst de andere kant op. Daar werkte een bv voor in feite één opdrachtgever, en toch werd geen arbeidsovereenkomst aangenomen. Spreiding is dus geen drempeleis, maar een indicator binnen de toets. Dunne spreiding leidt tot méér onderzoek, niet tot afwijzing. Beide zaken komen uit een set die ik in zijn geheel heb doorgenomen en gecodeerd op de vijf dimensies. De verantwoording daarvan en de volledige dataset publiceer ik apart. De bedrijfskundige safe harbour Hier zit de waarde van de toets. Een organisatie die door de Belastingdienst wordt gecontroleerd, legt voor haar zzp-inhuur de substantietoets plus het onderliggende dossier over. Daarmee is vooraf en gedocumenteerd onderbouwd waarom met deze onderneming is gecontracteerd, en hoeft niemand achteraf een voorschot te nemen op een ondoorzichtige afweging per opdracht. Het is de bedrijfskundige, schaalbare pendant van de bestaande routes voor zekerheid vooraf (de beschikking geen verzekeringsplicht, het vooroverleg met de Belastingdienst), maar dan herbruikbaar en direct toepasbaar. Een open standaard De toets is geen keurmerk en geen product. Ik zet hem als open standaard in de markt: de criteria, de weging en straks de onderliggende dataset zijn openbaar, en iedereen mag hem gebruiken, bekritiseren en verbeteren. Een instrument dat vooraf zekerheid moet bieden, kan niet in bezit zijn van één partij. Gesprekken met belangenbehartigers, de Belastingdienst en het ministerie zijn welkom en nuttig, en uiteindelijk is het aan de wetgever om structureel duidelijk te maken wat wel en niet kan. De toets wacht daar niet op. Het werk zit in de inbedding Een schema op papier verandert nog niets. Vier dingen moeten in de organisatie landen voordat de toets iets waard is. De toets hoort in het inkoopbeleid, zodat de partijvraag vóór de aanvraag wordt gesteld en niet erna. Hij hoort in het intakeproces, met iemand die het gesprek op niveau C kan voeren. Hij hoort in de afspraken met brokers en de MSP, want als die de contractpartij selecteren zonder dat de toets daar geldt, blijft het dossier van de opdrachtgever leeg. En er hoort een hertoets bij, bij verlenging en bij signaalwijziging, want substantie is geen momentopname. Bij opdrachtstart is de toets het startdossier. Tijdens de opdracht blijft de dagelijkse verantwoording langs de Deliveroo-lijn gewoon staan. Begin vanavond Een suggestie om mee te beginnen, en hij kost u een uur. Neem uw vijf grootste zzp-relaties. Loop per relatie het schema langs en tel hoeveel er op niveau A blijven staan, met bewijsstuk erbij en niet op gevoel. Bij de meeste organisaties valt die uitkomst tegen. Dan weet u wat er te doen staat, en of u het gesprek met uw inhurende managers wilt voeren voordat de inspecteur of uw accountant het met u voert. Verantwoording De substantietoets bouwt voort op een inzicht dat Joost van Ladesteijn (Vertex Legal) in dit debat heeft verwoord: dat de partijvraag voorafgaat aan de kwalificatievraag. Ik vertaal dat inzicht naar een werkbaar en toetsbaar instrument met vijf dimensies en dossieropbouw. Voor de empirische onderbouwing is de set uitspraken uit het onderzoek van Van der Neut en Zevenbergen gecodeerd op die vijf dimensies, met per dimensie de rechtsoverweging waarop de score rust. Methodeverantwoording en dataset volgen in een aparte publicatie, zodat iedereen kan inzien wat er is gedaan. Het criterium waarop dit kader sneuvelt, ligt vooraf vast: een uitspraak waarin de contractpartij op ten minste vier van de vijf dimensies aantoonbaar scoorde en waarin tóch een arbeidsovereenkomst werd aangenomen. Kent u zo’n zaak, dan houd ik me aanbevolen via paul@pauloldenburg.nl. Elke zaak die aan dat criterium voldoet, gaat met bronvermelding de openbare dataset in. Geplaatst in Professioneel inhuren | Tags ondernemerschap, schijnzelfstandigheid, zelfstandigenwet | 4s Reacties
Van handiger werken naar slimmer beslissen met data en AI Geplaatst 1 september 2026 door Mariëtte Wendrich Technologie hielp ons lange tijd vooral om hetzelfde werk sneller te doen. Inmiddels helpt technologie ons om betere keuzes te maken. Maar de grootste winst zit misschien wel ergens anders. Bij Flextender komt elke dag een enorme hoeveelheid data binnen. Over opdrachten, professionals, tarieven, leveranciers, doorlooptijden, kwaliteit en compliance. Allemaal waardevolle informatie. Maar pas als je die data met elkaar verbindt, gaat het echt voor je werken. Data als basis voor slimme technologie Technologie helpt bijvoorbeeld om sneller de juiste professional aan een opdracht te koppelen. Niet alleen op basis van een cv, maar ook op basis van vaardigheden, ervaring, beschikbaarheid en eerdere prestaties. En je krijgt steeds beter zicht op wat er speelt in de toekomst. Waar komt straks schaarste? Welke vaardigheden worden belangrijker? En waar moet je nu al op inspelen? Als je eerder ziet waar de markt naartoe gaat, kun je ook eerder in actie komen. En dat kan een flink concurrentievoordeel opleveren. Technologie is daarmee veel meer dan een digitale versie van een administratief proces. Je maakt van duizenden inhuurtransacties iets veel waardevollers: kennis waarmee je betere beslissingen kunt nemen. Lees ook: AI en vergrijzing schudden zakelijke dienstverlening op AI begint bij goede data AI gaat daarin een steeds grotere rol spelen. Denk aan slimme matching, maar ook aan voorspellingen en het herkennen van patronen die je zelf misschien niet zo snel ziet. Maar er is wel een belangrijke voorwaarde: de basis moet kloppen. Want slechte data levert uiteindelijk ook slechte uitkomsten op. Organisaties die nu investeren in een goed datafundament, zorgen ervoor dat ze AI straks ook echt goed kunnen inzetten. En dan is er nog een andere vraag: waar staat al die data eigenlijk? En wie kan erbij? Zeker als je met gevoelige informatie werkt, bijvoorbeeld bij overheden, is dat geen detail. Je wilt weten waar je gegevens terechtkomen en wie er controle over heeft. Niet dat informatie over professionals, opdrachten en inhuur ergens aan de andere kant van de wereld belandt zonder dat je precies weet wat ermee gebeurt. Grip op data is geen bijzaak Technologie moet daarom niet alleen slim en snel zijn. Je wilt ook weten: is het veilig? Hoe zit het met privacy? En houden we zelf de controle over onze data? Een MSP moet daarin zekerheid bieden. Bij Flextender hechten we daar dan ook veel waarde aan: zorgvuldig omgaan met data, privacy goed borgen en ervoor zorgen dat opdrachtgevers en zzp’ers grip en controle houden op hun gegevens. En misschien is dat wel het mooiste wat technologie ons geeft: tijd. Tijd die je kan besteden aan wat echt verschil maakt: persoonlijk contact met opdrachtgevers en professionals, vooruitkijken naar toekomstige personeelsbehoeften en werken aan goed opdrachtgeverschap. Technologie neemt het menselijke werk dus niet over, maar geeft juist meer ruimte om het beter te doen. En dat is waar we bij Flextender voor staan. Lees ook: AI is een bril, geen orakel. Waarom HR bij de selectie het morele kompas moet blijven Geplaatst in Professioneel inhuren | Tags AI, flextender | Laat een reactie achter