Maandelijkse archieven: september 2026

De zin en onzin van de beroepsaansprakelijkheidsverzekering voor zzp’ers

Beroepsaansprakelijkheid is voor veel zelfstandigen een onderbelicht onderwerp, begint Michel Verheij, mede-eigenaar van verzekeringsplatform Easeley, in ZiPtalk. Dat is volgens hem ook wel begrijpelijk. “Een zelfstandige wil maar drie dingen: werk, op tijd betaald krijgen en het ook nog naar zijn zin hebben. Verzekeren is nou niet echt een onderwerp waar hij veel tijd in steekt.” Toch kan het ontbreken van de juiste dekking grote financiële gevolgen hebben. “Je verzekert je om de continuïteit van je onderneming te waarborgen.” 

Verschil tussen bedrijfs- en beroepsaansprakelijkheid

Allereerst is het belangrijk om het onderscheid tussen bedrijfs- en beroepsaansprakelijkheid helder te hebben. Bedrijfsaansprakelijkheid gaat over schade die iemand tijdens het werk veroorzaakt, vergelijkbaar met de particuliere aansprakelijkheidsverzekering. Een ondernemer kan bijvoorbeeld bij een opdrachtgever een kop koffie over een laptop laten vallen, tegen een glazen deur lopen of een vaas omstoten. “Dat is materiële schade of letselschade”, aldus Verheij.

Beroepsaansprakelijkheid gaat over financiële schade die ontstaat door een fout in de uitvoering van de opdracht. Dat wordt vaak gekoppeld aan klassieke adviesberoepen, zoals advocaten, notarissen en managementconsultants, maar geldt bijvoorbeeld ook voor IT-professionals. Een verkeerd knopje op een website kan bijvoorbeeld leiden tot omzetverlies bij een opdrachtgever. Als die fout tot substantiële financiële schade leidt, kan sprake zijn van beroepsaansprakelijkheid.

Contract en verzekering zijn niet hetzelfde

Opdrachtgevers nemen vaak een aansprakelijkheidsclausule op in hun contract. Die kan volgens Verheij heel ver gaan. “Die zegt in de meeste erge gevallen dat de zelfstandige voor alles aansprakelijk is. Nou, dat kan natuurlijk niet.” Een gebruikelijke constructie is volgens hem dat de aansprakelijkheid wordt gemaximeerd, bijvoorbeeld tot het bedrag van de gedeclareerde uren of de waarde van de opdracht. 

Een zzp’er kan aansprakelijkheid volgens Verheij niet volledig uitsluiten, maar wel beperken. Dat kan hij doen in de eigen algemene voorwaarden. Daar ontstaat in de praktijk een probleem. Veel zelfstandigen hebben geen algemene voorwaarden of gebruiken voorwaarden die niet goed aansluiten. Of de voorwaarden worden niet geaccepteerd door de opdrachtgever. 

Volgens Verheij is er geen balans tussen wat de opdrachtgever vraagt en wat de zzp’er kan leveren aan verzekering. “We zien bij grote partijen dat ze hele hoge bedragen eisen, terwijl ze weten dat het nooit tot uitkering komt als er schade is.” 

Het aantal daadwerkelijke claims is beperkt. Vanuit Easeley heeft Verheij over de afgelopen vijf jaar drie schades gezien. De hoogste bedroeg 95.000 euro. “Dat is heel veel geld”, zegt Verheij. Die schade bleek uiteindelijk niet gedekt en moest door de opdrachtnemer zelf worden betaald. 

Een beroepsaansprakelijkheidsverzekering biedt niet alleen financiële dekking, maar ook juridische ondersteuning wanneer een opdrachtgever een claim indient. De verzekeraar kan de claim onderzoeken en beoordelen of er daadwerkelijk een causaal verband is tussen de fout en de schade. Dat verband is niet altijd eenvoudig aan te tonen. “Een verkeerd knopje aanzetten hoeft niet altijd te betekenen dat daardoor de schade is ontstaan.” Ook wanneer meerdere IT’ers onderdeel zijn van dezelfde keten, kan het lastig zijn om vast te stellen wie waarvoor verantwoordelijk is.

Een polisblad afvinken is niet genoeg

Wanneer een zelfstandige contractueel verplicht is verzekerd te zijn, wordt vaak het polisblad opgevraagd door de opdrachtgever. Vervolgens wordt dat niet inhoudelijk gecontroleerd, maar wordt er alleen gekeken of de datum klopt en of het verzekerde bedrag erop staat. Dat kan tot schijnzekerheid leiden.

Verheij geeft het voorbeeld van een zelfstandige die eerst vanuit een eenmanszaak werkte en later een bv opricht. Wanneer de verzekeraar niet op de hoogte wordt gebracht van de gewijzigde rechtsvorm, kan dat grote gevolgen hebben. “Op het moment dat hij met die nieuwe entiteit een opdracht aangaat bij die opdrachtgever, maar op het polisblad nog als eenmanszaak staat, is er geen dekking.”  

Volgens Verheij moeten opdrachtgevers daarom niet alleen kijken of er een polis is, maar ook naar de verzekerde entiteit, de bedragen, uitsluitingen en de vraag of de werkzaamheden daadwerkelijk onder de dekking vallen. Zijn advies aan opdrachtgevers is vooral om kennis en kunde in te huren als die niet aanwezig is. “Zorgen dat wat je verplicht stelt, ook goed gecontroleerd wordt.” 

Beroepsaansprakelijkheidsverzekering niet altijd nodig

Volgens Verheij leidt de behoefte aan zekerheid bij opdrachtgevers ertoe dat beroepsaansprakelijkheid soms standaard wordt geëist, ook wanneer daar geen aanleiding voor is. “Neem bijvoorbeeld een zelfstandige tekstschrijver die voor de politie personeelsfolders maakt en daarvoor verplicht een beroepsaansprakelijkheidsverzekering moet hebben. Ik kan me niet voorstellen wat daar fout kan gaan. Hoe kan zij de organisatie financiële schade berokkenen?”

De gedachte dat iedere zzp’er automatisch een beroepsaansprakelijkheidsverzekering nodig heeft, noemt Verheij dan ook een mythe. Voor sommige beroepsgroepen ligt een beroepsaansprakelijkheidsverzekering meer voor de hand dan voor andere. Denk aan de zwaardere adviesberoepen, zoals notarissen en advocaten, maar ook IT’ers. Het draait uiteindelijk om de vraag of een beroepsfout financiële schade kan veroorzaken. 

Een ontevreden klant is daarbij niet automatisch een claim waarvoor een beroepsaansprakelijkheidsverzekering nodig is. Verheij gebruikt als voorbeeld een yogadocent. Wanneer iemand niet rustiger wordt van een yogales, is dat geen financiële schade. Maar als een verkeerde instructie ertoe leidt dat iemand tijdens de les gewond raakt, kan het verhaal anders liggen. Zijn advies aan zelfstandigen is om altijd advies in te winnen over de benodigde verzekeringen: “Doe je huiswerk. Verdiep je erin.”

Broker en MSP: service of verdienmodel?

Verheij ziet dat zelfstandigen steeds vaker een compleet pakket krijgen aangeboden door een broker of MSP met onder meer verzekering, versnelde betaling, toegang tot opdrachten en trainingen. Daar is volgens hem op zichzelf niets mis mee. Het probleem ontstaat wanneer een verzekering verplicht wordt gesteld en voor een veelvoud van de oorspronkelijke prijs wordt doorverkocht. “Als je zo misbruik maakt van de onwetendheid van de zzp’er, vind ik dat een verkeerd verdienmodel. Een opslag voor dienstverlening is logisch, zolang die transparant en proportioneel blijft.”

Geplaatst in ZP en Ondernemen | Tags , | Laat een reactie achter

ZZP Nederland: intermediair voorkomt schijnzelfstandigheid niet en mag geen dure verplichting worden

Veel opdrachtgevers zetten een intermediair of onderaannemer in om risico’s rond de inhuur van zzp’ers te beperken. Maar zo’n extra schakel voorkomt schijnzelfstandigheid niet. De manier waarop opdrachtgever en zzp’er in de praktijk samenwerken, blijft bepalend. Ondertussen betaalt de zzp’er wel de prijs: minder keuzevrijheid, lagere tarieven, extra administratie en het risico op onbetaalde facturen. Dat blijkt uit onderzoek van Vereniging ZZP Nederland onder 1.353 zelfstandig ondernemers.  

“Een intermediair kan waarde toevoegen, maar mag geen dure verplichte toegangspoort worden. Als opdrachtgever en zzp’er rechtstreeks willen samenwerken en het werk daarvoor geschikt is, heeft dat de voorkeur. Wordt een tussenpartij verplicht, dan moeten betaling, tarieven en voorwaarden goed en controleerbaar zijn geregeld”, zegt Frank Alfrink, voorzitter van Vereniging ZZP Nederland.

Extra schakel geeft geen zekerheid

Uit het onderzoek blijkt dat 73,8% van de respondenten meestal of altijd via een intermediair werkt omdat de opdrachtgever dit voorschrijft. 40,3% liep in de afgelopen twaalf maanden een of meer opdrachten mis omdat rechtstreekse inhuur niet mogelijk was. Ruim een kwart ervaart geen toegevoegde waarde van de intermediair. Sinds de hervatting van de handhaving op arbeidsrelaties werkt 30,9% vaker via een tussenpartij.

Die tussenlaag geeft opdrachtgevers geen automatische bescherming tegen schijnzelfstandigheid. Een extra contract verandert de dagelijkse aansturing en de uitvoering van het werk niet. Deze schijnveiligheid kan de positie van echte ondernemers juist verzwakken.

Werk rechtstreeks waar dat kan

Vereniging ZZP Nederland roept zzp’ers en opdrachtgevers op om rechtstreeks afspraken te maken als zij dat beiden willen en de opdracht daarvoor geschikt is. Directe samenwerking geeft meer ruimte om afspraken te maken over het resultaat, het tarief en de manier van werken. Ook voorkomt dit onnodige marges en extra risico’s in de keten.

Bescherm geld van zzp’ers

De veiligste route is dat de eindopdrachtgever de zzp’er rechtstreeks betaalt. De intermediair factureert zijn eigen dienstverlening dan apart. Loopt de betaling toch via de intermediair, dan moet geld voor zzp’ers buiten de gewone bedrijfsvoering blijven.

Een gewone aparte rekening of derdenrekening biedt niet vanzelf genoeg bescherming bij beslag of faillissement. ZZP Nederland pleit voor een doelgebonden geblokkeerde rekening, met vooraf vastgelegde rechthebbenden en onafhankelijke controle op de vrijgave. De zzp’er moet kunnen zien wanneer het geld is ontvangen en wanneer het wordt doorbetaald. Een garantie of (krediet)verzekering kan dienen als extra vangnet.

Opdracht aan drie partijen

Naar aanleiding van onder andere de onderzoeksresultaten heeft Vereniging ZZP Nederland een position paper geschreven. In haar position paper ‘Opdrachten via intermediairs’ staat een duidelijke boodschap voor alle betrokken partijen. Zorg voor keuzevrijheid, transparantie en zekerheid. Leg de risico’s niet neer bij de zzp’er die het werk uitvoert. Het volledige position paper is hier te downloaden.

Zzp’ers en opdrachtgevers

Werk rechtstreeks samen als dat kan en bij de opdracht past. Zo houden beide partijen meer grip op het tarief, de voorwaarden en de uitvoering van het werk. Een intermediair moet een bewuste keuze zijn vanwege de waarde die deze partij toevoegt. Het mag geen verplichte toegangspoort tot een opdracht worden.

Opdrachtgevers

Neem verantwoordelijkheid voor de hele inhuurketen. Weet welke partijen er tussen zitten, welke kosten zij rekenen en welk tarief de zzp’er uiteindelijk ontvangt. Beperk het aantal schakels en controleer de financiële gezondheid van intermediairs. Maak ook vooraf een noodplan. Daarmee voorkom je dat zzp’ers zonder betaling achterblijven als een intermediair uitvalt.

Intermediairs

Wees open over je rol, kosten, marges en voorwaarden. Laat duidelijk zien welke diensten je levert en welke waarde je toevoegt. Bescherm geld dat bestemd is voor zzp’ers en gebruik dit niet voor je eigen bedrijfsvoering. Betaal facturen binnen een korte, vaste termijn. Loopt de betaling via jou, zorg dan voor een veilige betaalroute, zoals een doelgebonden geblokkeerde rekening met onafhankelijke controle.

Geplaatst in ZP en Ondernemen | Tags , , | 4s Reacties

De vijf meest gestelde vragen over de Wtta volgens de NAU

De Nederlandse Autoriteit Uitleenmarkt (NAU) merkt dat steeds meer bedrijven zich voorbereiden op  de Wet toelating terbeschikkingstelling van arbeidskrachten (Wtta), die op 1 januari 2027 ingaat. Vanaf 1 januari 2028 wordt gecontroleerd of bedrijven zich aan de wet houden. 

Uitleners mogen alleen nog personeel uitlenen als zij een toelating of ontheffing hebben. Inleners mogen alleen samenwerken met uitleners die zijn toegelaten of een ontheffing hebben. De voorbereiding op de toelating kost met name uitleners tijd. De NAU deelt de vijf meest gestelde vragen van bedrijven die zich voorbereiden op de nieuwe wet. 

1.  Wanneer moet ik een waarborgsom betalen?

Een waarborgsom is nodig om werknemers en de overheid te beschermen tegen de gevolgen van uitleners die hun verantwoordelijkheden niet nakomen. Alle uitleners die een toelating aanvragen, betalen een waarborgsom aan de Nederlandse Autoriteit Uitleenmarkt (NAU). Dit is € 100.000 voor uitleners. Voor startende uitleners is dat € 50.000 bij hun eerste aanvraag. Bij de aanvraag voor de definitieve toelating (na 6 maanden) vullen startende uitleners dit aan tot € 100.000. De waarborgsom krijgen uitleners na 4 jaar terug, als zij zich aan de regels houden. Betaal je de waarborgsom niet? Dan word je als uitlener niet toegelaten tot de uitleenmarkt.

In sommige gevallen hoeven uitleners bij de eerste toelating geen waarborgsom te betalen. Er is dan sprake van een vrijstelling. Deze vrijstelling krijgen uitleners als ze kunnen aantonen dat ze op 31 december 2026 al 4 jaar onafgebroken bij de Kamer van Koophandel staan ingeschreven met uitlenen als hoofdactiviteit. En in die 4 jaar ook daadwerkelijk werknemers hebben uitgeleend. Daarnaast moeten zij een geldige verklaring hebben van de Belastingdienst waaruit blijkt dat alle belastingen en premies betaald zijn. De verklaring mag niet ouder zijn dan drie maanden.

2.  Wanneer kom ik in aanmerking voor een ontheffing?

In sommige gevallen kunnen uitleners een ontheffing van de toelatingsplicht aanvragen. Als uitlener kom je hiervoor in aanmerking als je:

  • minder dan 10 procent van je jaaromzet uitleent;  
  • omzet lager is dan € 5 miljoen per jaar;
  • kunt aantonen dat je voorafgaand aan de aanvraag minimaal 12 maanden loon hebt betaald.

Uitleners moeten de ontheffing zelf aanvragen en een verklaring van een accountant toevoegen over de juistheid van de cijfers. Deze gaan over het jaar vóór de aanvraag. Deze informatie moet elk jaar opnieuw bij de NAU worden aangeleverd.

3.  In welke gevallen heb ik geen toelating nodig?

Er zijn een aantal situaties waarin uitleners geen toelating nodig hebben. We zetten ze hieronder op een rij.

  • Bij het aannemen of uitbesteden van werk is er geen sprake van uitlenen. De werknemers werken wel bij de opdrachtgever, maar blijven werken onder leiding en toezicht van hun eigen werkgever. De opdrachtgever bepaalt wat er moet gebeuren, maar niet hoe het werk wordt uitgevoerd.    
  • Bij uitlenen tussen collega-bedrijven geldt geen toelatingsplicht wanneer er géén winst op de uren wordt gemaakt. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een bedrijf dat tijdelijk te weinig werk heeft en werknemers uitleent aan een ander bedrijf dat op dat moment juist extra mensen nodig heeft. De uitlener mag dan alleen de loonkosten doorberekenen. 
  • Dochterbedrijven die bij één moederbedrijf horen en werknemers aan elkaar uitlenen, hebben geen toelating nodig. De uitlener en de inlener zijn dan onderdeel van dezelfde onderneming.

Ook zijn er uitzonderingssituaties waarin je geen toelating nodig hebt:

  • wanneer arbeidsbeperkten via sociale ontwikkelbedrijven worden aangeboden om te werken onder aangepaste omstandigheden;
  • wanneer een stichting een BBL-traject aangaat met een student en de student ter beschikking stelt aan een bedrijf waar de beroepspraktijkvorming plaatsvindt; 
  • wanneer particuliere beveiligingsbedrijven en recherchebureaus voor dit werk beschikken over een vergunning van de minister van Justitie en Veiligheid.

Twijfel je of jouw bedrijf onder de wet Wtta valt? Gebruik de beslisboom op toelatinguitleenmarkt.nl.

4.  Welke verantwoordelijkheden heb ik als inlener?

Vanaf 1 januari 2028 mogen inleners alleen nog personeel inhuren van uitleners die een toelating of ontheffing hebben óf onder een wettelijke uitzondering vallen. Zij moeten vóór de start van de werkzaamheden vastleggen via welke uitlener personeel wordt ingezet. Dit geldt ook als personeel wordt doorgeleend.

Vanaf 1 juli 2027 kunnen inleners in het openbare register van de NAU controleren of een uitlener is toegelaten, een ontheffing heeft of onder de overgangsregeling valt. De uitleners die in het openbare register staan, mogen dus personeel uitlenen.

Kijk op toelatinguitleenmarkt.nl/inleners voor de checklist voor inleners.

5.  Mijn bedrijf is in het buitenland gevestigd, moet ik ook een toelating aanvragen?

Ja. De toelatingsplicht geldt ook als jouw bedrijf in het buitenland gevestigd is en je werknemers uitleent aan een Nederlandse inlener. De regels voor buitenlandse en Nederlandse inleners zijn zoveel mogelijk gelijk. Maar ze kunnen waar nodig worden aangepast vanwege praktische uitvoerbaarheid. Zo kun je als buitenlands bedrijf geen VOG voor een rechtspersoon aanvragen. Deze VOG-verplichting geldt dus niet. Werkt er een Nederlandse bestuurder bij het bedrijf? Dan geldt de VOG-verplichting wel.


Meer weten over de Wtta?

Tijdens de Webinar Week van ZiPconomy, FlexNieuws, HRMorgen en Werf& krijgt u in drie webinars praktische informatie over de nieuwe toelatingsregels en wat organisaties nu al moeten regelen.

Op het programma:

  • De Wtta komt eraan, weet wat u te doen staat – NAU
  • Wtta als kans, zo speel je er slim op in – Flexpedia
  • Wtta 2027: toelating en gelijkwaardige arbeidsvoorwaarden, wat moet je nu regelen? – Bureau Cicero

Bekijk het programma en schrijf u in via de website van de Webinar Week 2026.

 

Geplaatst in Professioneel inhuren | Tags , , | 2s Reacties

De financial van de toekomst vraagt om een ander profiel

In ruim dertig jaar heb ik Financial Control zien evolueren van een vak dat vooral draaide om betrouwbare rapportages, beheersing en verantwoording achteraf, naar een discipline die steeds nadrukkelijker bijdraagt aan vooruitkijken, richting geven en beter besluiten.

De basis is niet veranderd: betrouwbare cijfers, heldere definities, een zorgvuldige maandafsluiting, forecasting en interne beheersing blijven onmisbaar. Zonder die financiële hygiëne is ieder dashboard vooral een fraaie visualisatie van mogelijk onjuiste of onvolledige informatie. Data zonder kwaliteit levert geen intelligence op.

Tegelijkertijd is de verwachting van finance veranderd. Organisaties willen niet alleen weten hoe zij vorige maand hebben gepresteerd, maar vooral wat er morgen kan gebeuren. Wat is het effect van prijsdruk, veranderende klantvraag of hogere personeelskosten? Welke klanten, activiteiten of investeringen dragen werkelijk bij aan waardecreatie? Waar ontstaan risico’s voordat zij zichtbaar worden in de resultatenrekening?

Daarmee verschuift de rol van de financial: van rapporteur naar business partner, van bewaker naar verbinder. Ik zie de moderne controller of CFO steeds vaker als een impressario. Niet als degene die zelf altijd de hoofdrol speelt, maar als degene die de juiste mensen, data, belangen en inzichten op het juiste moment bij elkaar brengt.

Spend management en leveranciersmanagement

Spend management is hiervan een treffend voorbeeld. Niet alleen de vraag hoeveel er wordt uitgegeven is relevant, maar vooral waar, bij welke leveranciers, onder welke voorwaarden en met welk effect. Door financiële data te verbinden met inkoop-, contract-, project- en operationele data, worden versnipperde uitgaven, contractafwijkingen, prijsstijgingen en afhankelijkheden eerder zichtbaar.

Leveranciersmanagement vraagt vervolgens om meer dan een analyse van crediteuren en betaaltermijnen. Leveranciers maken deel uit van de waardeketen. Zij beïnvloeden leverbetrouwbaarheid, kwaliteit, innovatie, continuïteit, reputatie en werkkapitaal. Finance heeft daarbij een belangrijke verbindende rol: niet door de verantwoordelijkheid van inkoop of operatie over te nemen, maar door financiële, contractuele en risicodata samen te brengen voor betere keuzes.

De arbeidsmarkt vraagt om hybride financials

De arbeidsmarkt voor financiële professionals beweegt mee met deze ontwikkeling. Organisaties zoeken steeds minder naar de controller die uitsluitend uitstekend rapporteert en bewaakt. Uiteraard blijft dat fundament noodzakelijk, maar het is steeds vaker een minimale voorwaarde in plaats van het onderscheidende vermogen.

Het onderscheid ontstaat bij professionals die financiële vakkennis combineren met datageletterdheid, business sense, veranderkracht en overtuigingsvermogen. Zij begrijpen hoe een datamodel, ERP-systeem of dashboard werkt, maar vooral hoe zij de uitkomst daarvan vertalen naar een gesprek met commercie, operations, inkoop of directie.

Dat maakt de zoektocht naar talent complexer. De ideale kandidaat moet enerzijds voldoende diepgang hebben in accounting, control, cash, risk en governance. Anderzijds moet die persoon nieuwsgierig zijn naar technologie, in staat zijn om met verschillende disciplines samen te werken en de moed hebben om aannames ter discussie te stellen. Precies die combinatie is schaars.

Voor werkgevers betekent dit dat zij kritisch moeten kijken naar hun functieprofielen. De veelgevraagde ‘allround business controller’ bestaat niet vanzelfsprekend. Een organisatie die haar datafundament, processen of besluitvorming nog onvoldoende op orde heeft, kan niet verwachten dat één nieuwe professional tegelijk de administratie stabiliseert, BI bouwt, spend optimaliseert, leveranciersmanagement professionaliseert én strategisch business partner wordt.

De relevante vraag is daarom niet alleen: welke financeprofessional zoeken wij? Maar ook: welk vraagstuk moet deze persoon in onze fase van ontwikkeling oplossen en welke randvoorwaarden bieden wij om daarin succesvol te zijn?

Van dashboard naar besluit

Technologie en AI zullen routinetaken binnen finance verder automatiseren en patronen sneller zichtbaar maken. Daarmee wordt het professionele oordeel van de financial niet minder, maar juist meer onderscheidend. Iemand moet de juiste vraag stellen, de betrouwbaarheid van inzichten beoordelen, belangen wegen en complexe analyses vertalen naar een helder besluit.

De financial van de toekomst combineert financiële stevigheid met technologische nieuwsgierigheid, begrip van de business en het vermogen om invloed uit te oefenen. Niet het dashboard creëert waarde, maar het gesprek en het besluit dat erdoor beter worden.

Geplaatst in Professioneel inhuren | Tags , | Laat een reactie achter

Minimumtarief voor zzp’ers: een werknemersoplossing voor een ondernemersprobleem

Ik wil graag reageren op diverse artikelen van Wilmar Dik over een tariefminimum voor zzp’ers, in het bijzonder ‘Een sectorspecifieke tariefondergrens voor zzp’ers in de praktijk’. De situatie die Wilmar Dik beschrijft is reëel. In kunst, cultuur en media staan tegenover een beperkt aantal, grotendeels gesubsidieerde opdrachtgevers heel veel zelfstandigen. Die verhouding laat de opdrachtgever de voorwaarden bepalen. Er is altijd wel iemand die het ervoor wil doen.

Dat is een probleem van het systeem in de sector. Een geconcentreerde vraagkant tegenover een versnipperd aanbod, met een overschot dat de prijs blijft drukken. Die diagnose betwist ik niet. Er zijn ongetwijfeld ook nog andere sectoren waar dit probleem ook speelt. Voor sectoren waar het probleem niet speelt, biedt het voorstel geen enkele toegevoegde waarde.

Dik kiest bovendien een middel dat het probleem niet oplost. Een wettelijke tariefondergrens verandert niets aan het overaanbod. Sterker nog: het houdt het in stand en het neemt de prikkel weg om er iets anders tegenover te zetten. En het middel zelf is van a tot z geleend uit het arbeidsrecht. Dat is de kern van mijn bezwaar: hier wordt een werknemersoplossing gebruikt voor een ondernemersprobleem.

Een prijsbodem creëert geen vraag

Begin bij de eenvoudigste vraag: wat gebeurt er als je in een markt met te veel aanbieders de prijs van onderaf vastzet? Er komt geen opdracht bij. De opdrachtgever heeft een budget en dat budget verandert niet doordat het uurtarief omhoog moet. In gesubsidieerde cultuur is dat budget bovendien van buitenaf vastgesteld: het staat in de beschikking. Verhoging van het uurtarief zonder het budget te verhogen, leidt simpelweg tot de inkoop van minder uren. Het gevolg is herverdeling, geen verbetering. Dezelfde pot geld gaat naar minder mensen. Wie de opdracht krijgt, is beter af. De groep die hem niet krijgt, heeft pech. En die groep wordt groter.

Dat wie de opdracht krijgt een beter tarief krijgt, is geen goede reden om een minimumtarief in te voeren. Dat geldt bij elke vorm van rantsoenering. Je kunt elke maatregel goed praten zolang je alleen naar de winnaars kijkt. En zelfs voor die winnaar valt de winst kleiner uit dan hij lijkt. Bij een vast budget koopt de opdrachtgever minder uren in. Een hoger tarief over minder uren levert per saldo geen hoger inkomen op. Bovendien is niemand steeds de winnaar. 

Wie wint, wordt in een markt zonder prijsconcurrentie ook niet op kwaliteit geselecteerd maar op netwerk, bekendheid en eerdere opdrachten. Degene die al het best gepositioneerd is, heeft voordeel bij een minimumtarief. De rest heeft het nakijken.

Een minimumtarief is daarnaast ook niet eerlijk. Zodra in een sector een minimum geldt, wordt dat de richtprijs en wordt het minimumtarief feitelijk het maximumtarief.  Voor de specialist, die nu hogere tarieven kan bedingen, is dat allesbehalve eerlijk. 

Dat het budget een cruciale factor is, blijkt uit de route die OCW zelf koos. Voor de subsidieperiode 2025-2028 is structureel 38,4 miljoen euro aan extra middelen voor fair pay toegekend aan de bis-regeling, de musea in de Erfgoedwet en de Rijkscultuurfondsen. Extra financiële ruimte zodat het tarief omhoog kan zonder dat het aantal uren omlaag gaat. Een wettelijke ondergrens doet precies het omgekeerde: het verhoogt de prijs en laat het budget ongemoeid.

Hier hoort een nuance bij. Uit arbeidsmarktonderzoek naar het minimumloon blijkt dat de werkgelegenheidseffecten vaak klein zijn en waar één werkgever de markt domineert, kan een minimum én loon én werkgelegenheid zelfs verhogen. Maar die uitkomst is afhankelijk van twee factoren die hier niet spelen. De eerste is dat de drempel dicht bij het echte marktevenwicht wordt gezet, maar waar dat punt in deze markt ligt, is niet zo duidelijk. De tweede is dat een werkgever het werk hoe dan ook nodig heeft. Een opdrachtgever kan iets wat een werkgever niet kan: minder inkopen, later inkopen of niet inkopen.

Dik ziet dit zelf ook. Hij schrijft dat een tariefondergrens overaanbod niet oplost, maar wel voorkomt dat tarieven verder zakken. Dik benoemt daarmee de oorzaak, maar behandelt vervolgens het symptoom.

Overaanbod in stand houden

Een lage prijs is vervelend, maar het is ook een heel duidelijk signaal. Het vertelt dat er te veel mensen achter te weinig opdrachten aanlopen. Een wettelijke bodem onderdrukt dat signaal zonder de oorzaak weg te nemen. Het aanbod blijft te hoog, maar het is niet meer zichtbaar in de prijs. Een minimumtarief maakt een sector aan de buitenkant aantrekkelijker om in te stappen dan hij in werkelijkheid is.

Er gaat bovendien een verkeerde prikkel van uit. Niet omdat de noodzaak om je te onderscheiden verdwijnt, want wie zich niet onderscheidt komt ook met een minimumtarief niet aan de bak. Het punt is waarop dat onderscheid wordt gemaakt. Valt prijs weg als manier om binnen te komen, dan blijft vooral zichtbaarheid over: bekendheid, netwerk en eerdere opdrachten. Daar heeft een nieuwkomer niets aan. Voor die groep gaat de markt op slot.

Daarnaast dreigt de dynamiek uit de markt te verdwijnen. Het minimumtarief gaat omhoog terwijl het aantal opdrachten daalt waardoor blijven waar je zit aantrekkelijker lijkt dan het is. Specialiseren, samenwerken, een eigen product ontwikkelen, andere markten opzoeken of het verdienmodel omgooien zijn strategieën die minder dringend lijken zolang het wettelijke tarief suggereert dat het nog wel kan.

Dat is opmerkelijk voor een voorstel dat over zelfstandigen gaat. De enige oplossing voor een slechte markt is dat de overheid de prijs vastlegt. Ondernemerschap komt er totaal niet in voor.

Werknemersoplossing

Kijk waar de onderdelen vandaan komen. Een bodem per gewerkt uur. Indexering met het wettelijk minimumloon. Toezicht door de Arbeidsinspectie. Een onderbouwing per opdracht die feitelijk neerkomt op urenregistratie. Stuk voor stuk instrumenten uit het arbeidsrecht.

Eén element laat Dik volledig buiten beschouwing, maar dat is nu juist het element dat werknemersoplossingen laat werken: namelijk de werkgever.  Het minimumloon beschermt niet omdat er een bedrag in de wet staat, maar omdat dat bedrag vastzit aan een verplichting om te blijven betalen. Er is loondoorbetaling bij ziekte, er is ontslagbescherming, er is een zorgplicht. De prijs is gereguleerd én het volume is gebonden. 

Een tariefondergrens regelt alleen de prijs. Er staat geen afnameplicht tegenover, geen doorbetaling, geen opzegtermijn. De opdrachtgever kan gewoon minder uren kopen. Daarmee is het geen beschermingsnorm maar een inkoopvoorwaarde. Wie inkoopt, betaalt minimaal dit bedrag. Wie niet inkoopt, betaalt niets.

Voor de zelfstandige is dat de ongunstigste combinatie die er is. Hij houdt alle risico’s van het ondernemerschap; geen opdracht is geen inkomen, ziekte is zijn probleem, leegloop is zijn probleem. En hij levert het enige instrument in dat hij heeft: de vrijheid om zelf te bepalen wat hij voor welk werk vraagt.

De meetlat komt ook uit het arbeidsrecht

Dat werknemersdenken zit niet alleen in de vorm, maar ook in de variabele die Dik kiest. In zijn schijvenmodel bepaalt het gemiddelde aantal declarabele uren in een beroep hoe hoog de bodem is.

Vraag je af wat dat meet. Niet hoe moeilijk het werk is. Niet hoeveel opleiding het vergt, hoe schaars de professional is, wat hij heeft geïnvesteerd, welk risico hij loopt of waar hij aansprakelijk voor is. Declarabiliteit meet maar één ding: hoeveel van je tijd je aan een opdrachtgever kunt verkopen.

Dat is beschikbaarheid. Bij een werknemer is beschikbaarheid inderdaad de maatstaf. Je verkoopt uren en de werkgever draagt het risico. Bij een zelfstandige zit de waarde juist in wat géén uren zijn: expertise, specialisatie, reputatie, eigen apparatuur, verzekering, aansprakelijkheid en verantwoordelijkheid voor het resultaat.

Dik corrigeert wel voor hogere bedrijfskosten, dat moet ik hem nageven. Maar kosten zijn niet hetzelfde als expertise of schaarste. Een fotograaf met veertigduizend euro aan apparatuur krijgt een correctie, een specialist die vijftien jaar expertise heeft opgebouwd en daardoor gevraagd is, krijgt niets. Het is zelfs omgekeerd. Iemand met meer ervaring doet in vier uur wat een ander in acht doet. Zijn waarde stijgt, maar zijn declarabiliteit in het voorstel van Dik niet. Een bodem per uur maakt daarin geen onderscheid.

En dat botst frontaal met de rest van het stelsel. Een zelfstandig ondernemer werkt voor eigen rekening en risico, met eigen expertise en eigen investeringen. Diks ondergrens stelt daarom de verkeerde vraag, namelijk hoeveel uur kun je factureren? Waar het stelsel hem als ondernemer beoordeelt, behandelt het tariefinstrument hem als een hoeveelheid beschikbare tijd.

Het is al eens geprobeerd

Nederland heeft dit pad al eens bewandeld. De Wet minimumbeloning zelfstandigen met daarin een minimumtarief van 16 euro is op 15 juni 2020 ingetrokken. Niet omdat het idee onsympathiek was, maar omdat het onwerkbaar bleek. Onduidelijkheid over directe en indirecte uren en kosten, een urenregistratieplicht voor opdrachtnemer én opdrachtgever, een controleplicht per facturatieperiode inclusief bewijs van girale betaling. De Commissie Borstlap, de Stichting van de Arbeid en het Adviescollege toetsing regeldruk waren tegen.

Het wetsvoorstel ging over één minimumtarief voor alle zelfstandigen. Dik voegt daar zes schijven plus een indeling van beroepen aan toe, een kostencorrectie en een omrekenregel voor projectprijzen waarin ‘het aantal uren dat redelijkerwijs nodig is’ moet worden vastgesteld. Dit laatste vraagt om een normatief oordeel over andermans werkproces, de complexiteit daarvan lijkt Dik te ontgaan. Zijn geruststelling dat partijen de berekening alleen ‘bij controle’ hoeven te onderbouwen, is exact de verplichting van 2019 in een vriendelijker jasje. Wat de sanctie is bij overtreding, staat er dan weer niet bij.

Europa kijkt mee

Het Europese recht komt daar nog bovenop en dat noemt Dik niet. Een wettelijke tariefondergrens voor dienstverleners valt onder artikel 15 lid 2 sub g van de Dienstenrichtlijn en moet de toets van lid 3 doorstaan: niet-discriminerend, noodzakelijk en evenredig. In C-377/17 (Commissie/Duitsland, 4 juli 2019) sneuvelden de Duitse minimumtarieven voor architecten en ingenieurs op die toets. Geen categorisch verbod maar elke ondergrens moet per sector met bewijs worden gedragen en die last wordt zwaarder naarmate het tarief hoger wordt.

Niet toevallig kwam de wetgever in 2019 uit op 16 euro. Dat bedrag was expliciet afgeleid van het sociaal minimum plus 15 procent opslag. Dat was juridische strategie, geen zuinigheid. Ook de ACM trekt in haar Leidraad tariefafspraken zzp’ers uit 2023 de grens bij afspraken die niet verder reiken dan nodig om in het bestaansminimum te voorzien. Dik gaat uit van het netto minimumloon plús reserveringen en komt op 45 euro en hoger. Dat is ruim boven het bestaansminimum, maar geeft niet aan waarom dat in dit geval wel zou kunnen.

Ook een onafhankelijke rekencommissie kan niet zomaar. Een lidstaat mag zijn prijsbevoegdheid niet aan marktpartijen delegeren. In de zaak API (HvJ EU 4 september 2014) sneuvelde de Italiaanse regeling van minimumbedrijfskosten in het wegvervoer mede omdat het vaststellende orgaan grotendeels uit branchevertegenwoordigers bestond.

Wat kan wel

Als de markt in kunst en cultuur niet werkt, hoe verander je die markt dan in plaats van hem te bevriezen?

Dik pleit voor een sectorspecifiek tariefinstrument, terwijl zijn eigen sector er sinds 1 januari 2026 een heeft. De Wet versterking auteurscontractenrecht (36.536) verankert collectieve onderhandelingen tussen verenigingen van makers en exploitanten, en vermoedt een collectief onderhandelde vergoeding billijk. De bewijslast van het tegendeel verschuift daarmee naar de exploitant. Artikel 25c Auteurswet kende al de mogelijkheid dat de minister voor een hele branche een billijke vergoeding vaststelt. Van die mogelijkheid is nooit gebruik gemaakt omdat er nooit een gezamenlijk verzoek kwam. Dat is een organisatieprobleem, geen wetgevingsprobleem. En het instrument rekent in exploitatiewaarde in plaats van in uren. Je verdient aan gebruik, oplage, termijn en exclusiviteit, niet aan beschikbaarheid. Een bodemtarief doet precies het tegenovergestelde en maakt de maker inwisselbaar.

Dat organisatieprobleem wordt voor een deel trouwens al aangepakt. Platform ACCT werkt aan een plan voor implementatie en borging van de ketentafels van fairPACCT, waarin principes als ‘evenwicht aan tafel’, ‘vertegenwoordiging met mandaat’ en ‘aanspreekbaarheid op de uitvoering’ worden uitgewerkt, samen met onderbouwing, toetsing en toepasbaarheid van de afspraken. Daar zit de winst. Mandaat en representativiteit organiseren zodat de sector zijn eigen afspraken kan maken en dragen in plaats van de prijsbevoegdheid bij de wetgever te leggen.

Het auteurscontractenrecht dekt iedere maker; freelance journalisten, tekstschrijvers, vertalers, ontwerpers, fotografen en componisten. Media, uitgeverij, reclame en design hebben dus precies hetzelfde instrument in handen.

Voor sectoren waar niets te exploiteren valt en waar sprake is van een slechte onderhandelingspositie voor zzp’ers loopt de route via het mededingingsrecht. De ACM-leidraad tariefafspraken zzp’ers (2023) en de Europese richtsnoeren 2022/C 374/02 halen collectieve afspraken buiten het kartelverbod voor schijnzelfstandigen, zij-aan-zij-werkenden, economisch afhankelijke zzp’ers en platformwerkers, en de Commissie handhaaft niet tegen onderhandelen met opdrachtgevers boven 2 miljoen euro omzet of tien werkzame personen. Daarmee valt vrijwel elk ziekenhuis, bouwbedrijf, uitzender en gemeente binnen bereik. Tariefafspraken tot het bestaansminimum mogen sowieso.

En er is een route die de sector al heeft: de subsidievoorwaarde. Bij de bis 2025-2028 kreeg het extra fair-pay geld een voorwaarde mee: aansluiten bij een collectieve tariefafspraak, een cao of een honoreringsrichtlijn, of die afspraak volgen en de Fair Practice Code onderschrijven. Met gemeenten en provincies zijn voor dezelfde periode cultuurconvenanten gesloten met fair pay als belangrijk uitgangspunt. Dat raakt hetzelfde doel als een tariefondergrens, maar via de knop waar de overheid als financier zelf aan zit. Het grijpt in op het niveau waar het geld vandaan komt, het is per deelsector te normeren en het legt geen prijsregulering op aan een hele markt. Wie meer wil, verzwaart die voorwaarde, niet de wet.

Tot slot

Een wettelijke prijsautoriteit voor de hele zelfstandigenmarkt is een grote stap, en het is de verkeerde. Zij behandelt zelfstandigen als werknemers zonder werkgever. Alle risico’s van het ondernemerschap, geen van de zekerheden van het dienstverband en straks ook geen ruimte meer om zelf je prijs te bepalen.

Wie vindt dat de markt in kunst en cultuur niet werkt, heeft gelijk. De vraag is dan hoe je die markt verandert. Niet hoe je die markt bevriest en volledig op slot zet.


Over de auteur

Loe van Erp is directeur van SoloPartners, brancheorganisatie voor zzp’ers in de zorg, en bestuurslid van VZN (Vereniging Zelfstandigen Nederland).

Geplaatst in ZP en Ondernemen | Tags | 5s Reacties

Zzp of loondienst: waarom zou bestaanszekerheid daarvan afhangen?

Nederland heeft een uitgebreid stelsel van sociale zekerheid. Toch maakt het voor je bestaanszekerheid nogal wat uit of je in loondienst werkt of als zelfstandige. Werknemers zijn beschermd tegen risico’s als ziekte, arbeidsongeschiktheid en werkloosheid. Voor zelfstandigen ziet die bescherming er heel anders uit.

Dat verschil komt nadrukkelijk terug in het nieuwe boek De staat van de sociale zekerheid in Nederland, onder redactie van Bea Cantillon, emeritus hoogleraar sociaal beleid aan de Universiteit Antwerpen. Nederlandse en Belgische wetenschappers analyseren daarin ons sociale zekerheidsstelsel en houden Nederland een Belgische spiegel voor.

Paul Schoukens, professor Belgisch, Europees en rechtsvergelijkend socialezekerheidsrecht aan de KU Leuven, schreef mee aan het hoofdstuk over de Europese sociale zekerheid. Daarin staat dat Nederland vanuit Europa herhaaldelijk is aangespoord de sociale bescherming van zelfstandigen te verbeteren. Inmiddels gaat die kritiek ook over het ongelijke speelveld tussen werknemers en zelfstandigen. 

Tijdens het congres Self-employment and Social Security aan Tilburg University sprak ik Schoukens hierover. Daarbij kwam voor mij opnieuw scherp naar voren dat twee vragen uit elkaar moeten worden gehouden: is iemand juridisch een echte zelfstandige en kan die zelfstandige zijn sociale bescherming ook daadwerkelijk financieren?

Een belangrijk begrip daarbij is arbeidsneutraliteit. Sociale bescherming zou niet te sterk moeten afhangen van de vraag of je werknemer of zelfstandige bent. De regelingen mogen verschillen, maar de bescherming zou van vergelijkbare waarde moeten zijn.

Nederland en België kiezen anders

Nederlandse zelfstandigen vallen wel onder algemene voorzieningen zoals de AOW en zorgverzekering. Het verschil zit vooral in arbeidsgerelateerde inkomensrisico’s en aanvullende voorzieningen. Bij ziekte, arbeidsongeschiktheid, werkloosheid en aanvullend pensioen is hun bescherming veel beperkter dan die van werknemers.

In België zijn zelfstandigen verplicht aangesloten bij een sociaal verzekeringsfonds en betalen sociale bijdragen. Daar staan wettelijke rechten tegenover bij onder meer ziekte, arbeidsongeschiktheid, pensioen en ernstige economische problemen. Die bescherming is niet hetzelfde als voor werknemers en ook niet onbeperkt. Maar sociale bescherming is wel onderdeel van het zelfstandig ondernemerschap.

Dat verschil zie je bijvoorbeeld bij arbeidsongeschiktheid. In Nederland moeten zzp’ers dit grotendeels zelf regelen en betalen. In 2024 betaalde slechts 15,5 procent van de zzp’ers met ondernemerschap als hoofdinkomen premie voor een AOV. Ruim acht op de tien deden dat dus niet.

België kent daarnaast het overbruggingsrecht, waarmee een zelfstandige onder voorwaarden tijdelijk een uitkering kan krijgen bij bijvoorbeeld faillissement of ernstige economische problemen. Nederland kent vangnetten zoals het Bbz en, voor bepaalde oudere stoppende zelfstandigen, de IOAZ. Dat zijn echter voorwaardelijke inkomensvoorzieningen rond het sociaal minimum en geen algemene sociale verzekering voor zelfstandigen.

Ook zakelijk biedt België meer bescherming

De Belgische vergelijking wordt nog interessanter als je buiten de sociale zekerheid kijkt. Het Belgische economische recht kent een verbod op misbruik van economische afhankelijkheid tussen ondernemingen. Het beschermt bedrijven die sterk afhankelijk zijn van een machtigere zakenpartner tegen misbruik van die positie, bijvoorbeeld via onredelijke prijzen of voorwaarden.

Daarnaast kent België bredere B2B-bescherming tussen ondernemingen, onder meer tegen oneerlijke marktpraktijken en onrechtmatige contractuele bedingen. Daarmee wordt erkend dat twee ondernemingen juridisch gelijkwaardig kunnen zijn, maar niet automatisch evenveel onderhandelingsmacht hebben.

Je kunt juridisch volledig zelfstandig zijn en toch economisch een zwakke onderhandelingspositie hebben. In sectoren waar zelfstandigen weinig onderhandelingsmacht hebben, kan dat ertoe leiden dat tarieven gemiddeld zo laag liggen dat een duurzame beroepspraktijk nauwelijks mogelijk is. Juist die economische kwetsbaarheid wordt in het Belgische recht explicieter erkend. 

Voor echte zelfstandigen ontbreekt in Nederland een algemene economische tariefbodem die een race to the bottom kan afremmen. Geen klanten vinden of je onvoldoende onderscheiden is ondernemersrisico. Maar als in een hele markt wel vraag is en tarieven door overaanbod of sterke inkoopmacht structureel te laag zijn om normale kosten en risico’s te dragen, is dat geen individueel probleem meer maar een marktprobleem.

Goedkoper doordat bescherming ontbreekt

Een van de interessantste passages uit het boek gaat over de economische gevolgen van die beperkte sociale bescherming. De auteurs leggen een verband tussen de groei van het aantal zzp’ers en lagere arbeidskosten voor opdrachtgevers, mede door hun beperktere sociale bescherming.

Ziekte, arbeidsongeschiktheid, pensioen, werkloosheid en andere risico’s kosten geld. Bij werknemers worden die kosten via werkgevers, werknemers en collectieve regelingen betaald. Bij zelfstandigen liggen veel van die kosten en risico’s bij henzelf.

Dat hoeft geen probleem te zijn als het tarief daarvoor voldoende ruimte biedt. Maar juist daar gaat het in sommige markten mis. Dan krijgt de opdrachtgever wel de flexibiliteit van zelfstandige arbeid, terwijl de zelfstandige onvoldoende verdient om pensioen, verzekeringen, ziekte en periodes zonder opdrachten goed op te vangen.

Economische afhankelijkheid betekent bovendien niet automatisch dat iemand geen echte zelfstandige meer is. Arbeidsrechtelijke ondergeschiktheid en een zwakke economische positie zijn verschillende dingen. Dat past ook bij het Europese uitgangspunt dat werknemers en zelfstandigen toegang moeten hebben tot adequate sociale bescherming. Zie ook de Europese Commissie over toegang tot sociale bescherming.

Als zelfstandigen pensioen, verzekeringen en financiële buffers uit hun eigen tarief moeten financieren, moet je ook weten over hoeveel betaalde uren zij die kosten kunnen terugverdienen. Daarom zijn de gemiddelde declarabele uren in een sector zo belangrijk. Alleen dan kun je bepalen welk tarief nodig is om inkomen, bedrijfskosten en sociale risico’s te financieren.

Te zelfstandig voor bescherming

Het Nederlandse zzp-beleid kijkt vooral naar de arbeidsrelatie. Wie onder de tariefgrens van het rechtsvermoeden werkt en feitelijk werknemer is, kan via de rechter proberen om werknemersrechten op te eisen. Wie tegen een laag tarief werkt maar een echte zelfstandige is, heeft daar niets aan.

Die zelfstandige kan dus structureel werken tegen een tarief waarvan pensioen, verzekeringen en buffers nauwelijks betaald kunnen worden. Daar schreef ik eerder over in Te zelfstandig voor bescherming: de blinde vlek in het rechtsvermoeden voor zzp’ers.

Het rechtsvermoeden vraagt vooral of iemand eigenlijk werknemer is. Voor een echte zelfstandige blijft de vraag of het tarief voldoende is om de kosten en risico’s van zelfstandig werken te dragen.

Die vraag speelde ook tijdens het congres in Tilburg: hoe organiseer je sociale bescherming in een arbeidsmarkt waarin steeds meer mensen buiten het klassieke werknemersmodel werken? Voor mij hoort daar nadrukkelijk een economische vraag bij. Als zelfstandigen hun bescherming grotendeels zelf moeten financieren, moet hun tarief daar ook voldoende ruimte voor bieden.

Bescherming is een politieke keuze

De vergelijking met België en andere Europese landen laat vooral zien dat bescherming van zelfstandigen een politieke keuze is. Nederland legt veel verantwoordelijkheid voor sociale bescherming bij de zelfstandige zelf. Een arbeidsongeschiktheidsverzekering is nu nog niet verplicht, maar een verplichte AOV komt er wel aan. Daarmee komt er voor zelfstandigen nog een extra financiële verplichting bij, naast pensioenopbouw, het opvangen van ziekte en het aanhouden van financiële buffers. Juist daarom wordt het steeds belangrijker dat tarieven voldoende ruimte bieden om die sociale bescherming ook daadwerkelijk te kunnen betalen.

Sectorspecifieke tariefondergrenzen kunnen daarvoor een economische bodem bieden. Die ondergrenzen moeten gebaseerd zijn op realistische declarabele uren en noodzakelijke kosten. Een normale beroepspraktijk moet gemiddeld voldoende kunnen opleveren om sociale bescherming te financieren. Mijn voorstel daarvoor beschreef ik eerder in Eerlijke minimumtarieven voor zelfstandigen met schijven per beroep.

De mogelijkheid om sociale bescherming te financieren mag niet afhangen van de vraag of je werknemer of zelfstandige bent. Wat een zelfstandige kan verdienen, verschilt per sector. Dat is geen probleem zolang een gemiddelde beroepspraktijk voldoende oplevert om de kosten en sociale risico’s van zelfstandig werken te dragen. Als dat structureel niet lukt, is het niet langer alleen een individueel ondernemersprobleem, maar ook een marktprobleem dat raakt aan arbeidsneutraliteit en bestaanszekerheid.

Eén tariefgrens beschermt niet iedere zzp’er

Hoogleraar socialezekerheidsrecht Paul Schoukens wees mij erop dat zelfstandigen in een economisch zwakke of ondergeschikte positie in veel landen extra sociale bescherming krijgen. Ook een tariefondergrens kan daar onderdeel van zijn.

Mijn voorstel gaat daarbij niet uit van een collectief onderhandelde ondergrens, maar van een berekende ondergrens die de overheid per sector vaststelt. Gebaseerd op realistische declarabele uren, noodzakelijke kosten en de voorzieningen die een zelfstandige zelf moet financieren.

Nederland gebruikt bij het rechtsvermoeden nu één landelijke tariefgrens als bescherming aan de onderkant. Maar die grens zegt weinig over wat een zelfstandige daadwerkelijk kan verdienen. Het maakt nogal uit of iemand in een sector gemiddeld 18, 24 of 30 uur per week kan declareren en welke kosten bij het beroep horen.

Zo’n sectorspecifieke berekening kost meer onderzoek, maar kan wél rekening houden met die verschillen. Bij werknemers vinden we differentiatie naar sector heel normaal: Nederland kent niet voor niets veel verschillende cao’s met eigen lonen en vergoedingen.

Als we zelfstandigen zelf verantwoordelijk maken voor een belangrijk deel van hun sociale zekerheid, moet de economische bodem ook voldoende zijn om die verantwoordelijkheid te kunnen dragen.

Geplaatst in ZP en Ondernemen | Tags , | Laat een reactie achter