Workforce Orchestration: toekomstmuziek? Geplaatst 21 oktober 2025 door Jan-Willem Weijers Total Workforce Management (TWM) is de eerste stap in het doorbreken van traditionele silo’s binnen organisaties. Het doel: één overzicht van alle contractvormen, van vaste medewerkers tot freelancers en SoW (Statement of Work) projecten. De focus ligt op zichtbaarheid, controle, compliance en kostenbesparing. Je kunt het zien als het bijhouden van een inventarislijst van je gereedschap: je weet wat je hebt en waar het ligt. Lees ook: Van lege talentpool naar actieve community: jouw Total Workforce strategie Proactief dirigeren Workforce Orchestration gaat een stap verder. Het is niet langer passief beheer, maar proactief dirigeren van je workforce. Het draait om het dynamisch samenstellen van de beste combinatie van talent (vast, flexibel, intern, extern, mens én machine/AI) om een specifiek bedrijfsdoel te bereiken. Waar TWM de beheerder is van het instrumentendepot, is Workforce Orchestration de dirigent van een orkest. Iedereen speelt uit hetzelfde muziekstuk, maar heeft een eigen specialisme. De dirigent brengt het talent bij elkaar en zorgt dat elk instrument op het juiste moment en in harmonie speelt, zodat er een meesterwerk (het bedrijfsresultaat) ontstaat. De kern van Workforce Orchestration rust op drie pijlers: talent, technologie en data. Talent is het hart van de strategie. Het vraagt een andere kijk op talent: van functies naar skills. Niet ‘wie kan deze baan doen?’, maar ‘welke vaardigheden zijn nodig om deze taak of dit project te voltooien?’ Zo ontstaat een vloeibare talentpool waarin interne en externe professionals gewaardeerd worden om hun expertise, niet hun contractvorm. Een holistische talentervaring is daarbij belangrijk: consistente en positieve ervaringen maken van een organisatie een aantrekkelijke opdrachtgever voor toptalent en verhogen engagement en retentie. Technologie is de enabler, het zenuwstelsel. Losse systemen volstaan niet meer. Organisaties hebben een geïntegreerd platform nodig dat data uit verschillende bronnen samenbrengt en interpreteert. AI en machine learning helpen bij het identificeren van de beste talentmatch, gebaseerd op skills, beschikbaarheid, kosten en prestaties. In dit opzicht wordt technologie niet slechts een registratiesysteem, maar een intelligent adviesorgaan dat bijdraagt aan strategische keuzes. Data is de brandstof voor beslissingen. Waar vroeger rapportages volstonden (‘hoeveel flex hebben we ingehuurd?’), verschuift de focus naar voorspellende en normatieve inzichten. Zo kan een organisatie bijvoorbeeld zien dat er in een kwartaal een tekort aan softwareontwikkelaars dreigt en hier proactief op inspelen met een mix van interne bijscholing en externe specialisten. Lees ook: Van uren managen naar talent dirigeren – hoe Shifter in de praktijk invulling geeft aan het concept Workforce Orchestration. Voordelen en risico’s De voordelen van Workforce Orchestration zijn aanzienlijk: wendbaarheid, optimale talent-to-task matching, strategische kostenoptimalisatie, verhoogde innovatiekracht en betere betrokkenheid van talent. Maar risico’s zijn er ook: complexe implementatie, dataprotectie, wet- en regelgeving en vooral cultuurverandering. Het doorbreken van de traditionele ‘wij’ (vast) versus ‘zij’ (flex) mentaliteit is vaak de grootste horde. Wat vraagt dit van organisaties, leveranciers en talent? Organisaties hebben leiderschap en visie nodig, moeten silo’s doorbreken, investeren in technologie en sturen op output in plaats van aanwezigheid. Belangrijk is dat er een goede ‘dirigent’ op zit. Vraag je af: hebben we die in huis en zijn we er klaar voor? Leveranciers verschuiven van transactionele partijen naar strategische partners die meedenken, data-analyse leveren en technologisch integreren. Talent moet continu leren, ondernemend zijn en flexibel blijven, ongeacht de contractvorm. Continu proces Workforce Orchestration is geen eindpunt, maar een continu proces van aanpassen en optimaliseren. Op een ingewikkeld muziekstuk moet je langer oefenen met elkaar. Het vraagt een cultuur waarin iedereen, intern of extern, vanuit zijn of haar specialisme samenwerkt aan een gemeenschappelijk doel. Organisaties die deze harmonie tussen talent, technologie en data weten te realiseren, zullen niet alleen overleven, maar floreren in de toekomst van werk. Lees ook: De inhuurvolwassenheidsfase: waar staan organisaties anno 2025? Geplaatst in Professioneel inhuren | Tags inhuur extern talent, Total Workforce Management | 3s Reacties
SUSA-directie in ZiPtalk: ‘Nieuwe uitzend-cao is complex, maar ook een kans’ Geplaatst 20 oktober 2025 door ZiPredactie SUSA, een uitzendbureau dat zich richt op onder meer flexibel studentenwerk, houdt de ontwikkelingen rondom de nieuwe cao al geruime tijd nauwlettend in de gaten en vertaalt deze naar concrete handvatten voor opdrachtgevers. Gelijkwaardige beloning “Hét grote verschil met de nieuwe cao is dat de methode van inlenersbeloning verdwijnt en plaatsmaakt voor minimale gelijkwaardigheid,” zegt Bijvank-Olthof. “In de huidige cao geldt dat een aantal beloningselementen één-op-één worden overgenomen van de inlener, zoals loon en reiskosten. Deze zijn dan gelijk aan een medewerker in een vergelijkbare functie bij de inlener. Daarnaast zijn er elementen, zoals vakantiedagen en feestdagen, die generiek in de cao zijn geregeld. Dat is een duidelijke methode, maar wel één die alleen op een beperkt aantal beloningselementen is gericht.” “Vanaf 2026 stappen we over op een resultaatverplichting van minimale gelijkwaardigheid,” vervolgt ze. “Dat betekent dat we niet meer simpelweg een lijst met elementen overnemen, maar dat bureaus moeten aantonen dat het totale arbeidsvoorwaardenpakket voor de uitzendkracht minimaal gelijkwaardig is aan dat van een medewerker in een vergelijkbare functie bij de inlener.” De losse elementen van de beloning mogen daarbij verschillen, zolang de totale waarde van het arbeidsvoorwaardenpakket minimaal gelijkwaardig is. “Dat maakt het ingewikkeld,” benadrukt Bijvank-Olthof, “want alles telt mee — zelfs het bloemetje op de eerste werkdag. Bovendien is er (nog) geen vaste rekenmethode om gelijkwaardigheid te bepalen, en hebben bureaus veel vrijheid in hoe ze hun arbeidsvoorwaardenpakket invullen. Oftewel: complex, maar ook een kans.” Complex, ook voor opdrachtgevers Nicky Blom vult haar collega aan: “Dit is een van de grootste veranderingen voor flexwerk in lange tijd. Alle spelregels gaan op de schop. En dat heeft enorm veel impact, niet alleen op uitzendbureaus zoals SUSA, maar ook op detacheerders, flexkrachten en inleners die met uitzendkrachten werken.” Die impact wordt meteen voelbaar in de praktijk, zegt Bijvank-Olthof . “Als uitzendbureau moet je van al je opdrachtgevers in kaart brengen welke cao’s gelden én welke aanvullende arbeidsvoorwaarden er zijn die misschien niet in de cao staan. Dat is al een uitdaging op zich, zeker als je met tientallen klanten werkt die allemaal eigen regelingen hebben.” Ook voor opdrachtgevers verandert er veel. Zij moeten alle informatie over hun arbeidsvoorwaarden aanleveren aan het uitzendbureau. “Bij het inhuren van uitzendkrachten zal daar expliciet naar gevraagd worden,” legt Blom uit. “En dat is geen vrijblijvend verzoek: uitzendbureaus worden straks gecontroleerd op het naleven van de gelijkwaardige beloning uit de nieuwe cao.” Tip: vanaf week 1 in 2026 moet volgens de nieuwe uitzend-cao worden verloond. Voor hr-afdelingen is het een hele klus om dat volledige arbeidsvoorwaardenpakket aan te leveren. Als dat nog niet gebeurd is, ga daar dan gauw mee aan de slag zodat uitzendorganisaties tijdig alle informatie krijgen die nodig is om compliant te blijven verlonen vanaf 1 januari a.s. Het uitzendbureau kan vervolgens zelf, op basis van een eigen arbeidsvoorwaardenpakket, zorgen dat er een (minimaal) gelijkwaardige beloning voor de uitzendkracht uitrolt. Dat eigen arbeidsvoorwaardenpakket mag de uitzender in principe zelf inrichten. Een manier om dit te doen is sommige beloningselementen te vertalen naar uurloon, voor andere elementen gebruik je reserveringen. Daarbij kan de uitzender ook waarde toekennen aan de eigen extra’s, zoals begeleiding, coaching en kerstpakketten. Dat totale pakket vergelijk je met dat van de opdrachtgever, waarbij de totaalsom van het arbeidsvoorwaardenpakket van het uitzendbureau dus niet minder mag zijn dan dat van de opdrachtgever. “Die vrijheid om zelf tot gelijkwaardigheid te komen is ook een kans voor ons als uitzendwerkgever om ons te onderscheiden”, stelt Bijvank-Olthof. “Er zijn cao’s waarin korting op zonnepanelen wordt geboden. Ik moet de student nog vinden die daarop zit te wachten. Die heeft meer behoefte aan begeleiding bij de carrièrekeuze of financiële coaching. Dat bieden wij en zo kunnen we tot een geschikt arbeidsvoorwaardenpakket komen dat past bij je doelgroep.” Arbeidsvoorwaardenpakket afstemmen op doelgroep Die vrijheid biedt voor SUSA juist kansen: het arbeidsvoorwaardenpakket kan beter worden afgestemd op de wensen van studenten. Maar andere uitzendbureaus hebben weer andere doelgroepen, en zullen hun pakketten dus anders inrichten. “En juist dát maakt het in de praktijk complex voor inleners,” licht Bijvank-Olthof toe. “Kijk vanuit het perspectief van de opdrachtgever: die werkt vaak met meerdere uitzendbureaus. Dan kan het zomaar gebeuren dat twee uitzendkrachten op dezelfde werkvloer een ander uurloon ontvangen, simpelweg omdat hun arbeidsvoorwaardenpakket anders is opgebouwd.” Het is dus zowel voor uitzendbureaus als opdrachtgevers een flinke puzzel om tot alle arbeidsvoorwaarden te komen en te bepalen hoe je tot gelijkwaardigheid komt. En daar stopt het niet: ook de administratieve kant vraagt om vernieuwing. “We moeten toe naar een efficiënte, gestandaardiseerde manier van werken,” zegt Bijvank-Olthof. “Een samenspel waarin we gelijkwaardigheid verbinden aan een pragmatische methodiek, eentje die transparant maakt waarom een uitzendkracht op dat moment die beloning krijgt. Dat moeten we echt helemaal opnieuw inrichten.” Veranderende rol uitzenden in de markt De prangende vraag die veel organisaties nu beziggehouden is: wordt uitzenden door de nieuwe cao duurder? “Het eerlijke antwoord is: in veel gevallen wel, maar hoeveel precies hangt volledig af van de cao van de inlener. Hoe uitgebreider en unieker de arbeidsvoorwaarden zijn, hoe meer elementen moeten worden vertaald en gecompenseerd.” antwoordt Blom. “Maar die financiële impact is eigenlijk maar één deel van het verhaal. De komst van de nieuwe cao dwingt organisaties om opnieuw na te denken over hun inzet van flexibele arbeid. Waar uitzenden jarenlang vooral een operationele of juridische oplossing was, wordt het nu een strategisch onderwerp. Steeds vaker zien we dat het thema op de MT-agenda staat, met vragen als: waar zet ik uitzenden wel of juist niet voor in?” vervolgt ze. Dat inleners hier kritischer naar kijken, blijkt ook uit de ontwikkeling van de uitzenduren die al jaren krimpen. Die trend kan zich best doorzetten, zeker als uitzenden vooral wordt ingezet om financiële redenen of om juridische risico’s af te dekken. “Ik zie dan ook een duidelijke kanteling in de markt. Het traditionele uitzenden, vooral gericht op snelle inzet of kostenbesparing, neemt af. Tegelijkertijd blijft of zelfs groeit de behoefte aan flexibele oplossingen mét kwaliteit, begeleiding en specialisatie. De vraag naar flexibiliteit blijft dus bestaan, maar de invulling verandert. Organisaties zullen uitzenden absoluut blijven inzetten, mits het toegevoegde waarde biedt. Dat kan zijn omdat ze flexibiliteit inkopen, of een bepaalde doelgroep, in ons geval: studenten.” sluit Blom af. Inhouse Poolconcept Een fraai voorbeeld van een nieuwe vorm van dienstverlening is SUSA’s Inhouse Poolconcept. Hierbij neemt SUSA de werving en selectie volledig uit handen van de opdrachtgever. De studenten komen op de loonlijst van de opdrachtgever, terwijl SUSA ondersteunt bij de planning, traffic en begeleiding van deze studenten. Dit is een aantrekkelijk concept voor organisaties die niet btw-plichtig zijn, zoals zorginstellingen, de overheid en banken of verzekeraars. Zij betalen ook over het uitzendtarief (dat grotendeels uit loonkosten bestaat) 21% btw, maar kunnen dit niet terugvorderen. Wanneer de studenten bij de opdrachtgever zelf op de loonlijst staan, vervalt die btw-druk en ontstaat er dus een duidelijk kostenvoordeel. “Hoewel het geen uitzendconstructie is, biedt het Inhouse Poolconcept dezelfde mate van flexibiliteit en ontzorging.” legt Blom uit. “SUSA organiseert de werving, selectie, planning en begeleiding, zodat organisaties snel kunnen op- en afschalen mét behoud van hun eigen cao en zonder extra btw-kosten.” Met dit alternatief voor uitzenden speelt SUSA in op de trend dat organisaties meer mensen in eigen dienst nemen, zowel om kostentechnische redenen als vanuit beleidsmatige keuzes. “Zo zet SUSA haar specialisme en expertise in werving & selectie en kennis van de kandidaatbeleving van studenten in om structureel toegevoegde waarde te leveren.” sluit Blom af. Meer informatie over de gevolgen van de nieuwe cao en praktische tips voor HR, operatie en inkoop zijn te vinden op de speciale ABU-cao 2026-pagina van SUSA. Geplaatst in Professioneel inhuren | Tags cao, SUSA, Uitzend CAO, ZiPTalk | Laat een reactie achter
Mag je als zzp’er via een uitzendbureau werken? Geplaatst 17 oktober 2025 door Freelance.nl Bij uitzenden ben je vaak gewoon werknemer, terwijl je bij bemiddeling wél echt zelfstandig blijft. Ook opdrachtgevers lopen risico’s, bijvoorbeeld door hoge marges of schijnzelfstandigheid. Maar dat betekent niet dat er geen werkbare mogelijkheden zijn. Zzp via uitzendbureau: mag dat? Ja, maar niet in alle gevallen. Bij uitzenden werk je formeel in loondienst bij het uitzendbureau. Je bent dus géén zelfstandige. Alleen bij bemiddeling is werken als zzp’er mogelijk: het bureau koppelt jou aan een opdrachtgever, maar het contract en de verantwoordelijkheid liggen direct tussen jou en die opdrachtgever. Wat zegt de wet? Als je officieel ondernemer bent, maar in de praktijk werkt alsof je werknemer bent, kan dat flink gedoe geven. Je loopt het risico dat de Belastingdienst je werk ziet als loondienst. Dat kan betekenen dat je ineens loonheffingen moet terugbetalen, of dat je opdrachtgever extra kosten krijgt opgelegd. Ook verlies je als zzp’er voordelen waar je op rekent, zoals bepaalde aftrekposten. Kortom: wie denkt vrij en zelfstandig te werken, kan later onaangenaam verrast worden. Wat is het verschil tussen uitzenden, bemiddelen en detacheren? Veel freelancers en opdrachtgevers gebruiken deze termen door elkaar, maar ze betekenen iets heel anders. Dat verschil is belangrijk, want het bepaalt of je écht zelfstandig werkt of feitelijk in loondienst bent. En dat heeft directe gevolgen voor je rechten, je risico’s en de kosten die erbij komen kijken. Situatie Juridische positie Wie sluit het contract? Hoeveel ondernemerschap hou je? Uitzenden Werknemer van het uitzendbureau Uitzendbureau ↔ opdrachtgever Geen: je werkt onder leiding van de opdrachtgever Bemiddeling Zelfstandig ondernemer (zzp) Jij ↔ opdrachtgever Volledig: jij bepaalt tarief en voorwaarden Detacheren Werknemer van detacheringsbureau Detacheringsbureau ↔ opdrachtgever Beperkt: je hebt loondienst, geen ondernemersrisico Wanneer loop je risico op schijnzelfstandigheid? Schijnzelfstandigheid, of een verkapt dienstverband, betekent dat je op papier zzp’er bent, maar in de praktijk als werknemer werkt. Je hebt dus wél de lasten van ondernemen (geen loon bij ziekte, zelf je pensioen regelen), maar niet de voordelen. Voor zowel zzp’er als opdrachtgever kan dit flink nadelig uitpakken. De Belastingdienst kan achteraf zeggen: dit is loondienst. Sinds 2025 komen daar gevolgen bij kijken onder de Wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelaties (Wet DBA): naheffingen, extra werkgeverslasten en het terugbetalen van sociale premies. 5 kenmerken van schijnzelfstandigheid Je werkt onder leiding en toezicht van de opdrachtgever Je hebt vaste werktijden en kan je niet vrij laten vervangen Je gebruikt vooral de middelen van de opdrachtgever (laptop, software) Je hebt geen ruimte om eigen tarieven of voorwaarden te bepalen Je werkt langdurig voor één opdrachtgever zonder andere opdrachtgevers Schijnzelfstandigheid via een uitzendbureau Het risico is extra groot als er een uitzendbureau tussen zit. Waarom? Omdat een bureau vaak tarief en voorwaarden bepaalt, terwijl jij werkt alsof je in loondienst bent. In zo’n situatie kan de Belastingdienst concluderen: dit is géén ondernemerschap, maar schijnzelfstandigheid. Daarom komt er ook nieuwe wetgeving, de Wet TTA, die onder andere moet voorkomen dat bureaus mensen dwingen om “zzp’er” te worden, terwijl ze feitelijk werknemer zijn. Wanneer kan zzp’en bij een uitzendbureau wél? Het is niet zo dat werken via een uitzendbureau altijd fout gaat. Er zijn situaties waarin je wél echt als zelfstandige aan de slag kunt: Bij bemiddeling: Het bureau koppelt jou aan een opdrachtgever, maar verder houd je alles in eigen hand: je contract, tarief en facturatie. Als specialist: Bureaus zetten soms zzp’ers in voor kortlopende of zeer specialistische opdrachten waar echte ondernemersvrijheid nodig is. Transparante afspraken: Zolang duidelijk is dat jij zelf onderhandelt en het bureau alleen een bemiddelingsvergoeding krijgt, loop je weinig risico. Wat kost zzp’en via een uitzendbureau? Een uitzendbureau werkt nooit gratis. Als zzp’er lever je meestal een deel van je tarief in, omdat het bureau je opdrachten en administratief gemak biedt. Hoeveel dat precies is, verschilt per bureau en sector. Veel bureaus rekenen een marge van 20 tot 30%. Bij hogere tarieven kan dit percentage iets dalen, maar gaat het vaak nog steeds om tientallen euro’s per uur. Doorbelasting vs. inhouding Er zijn grofweg twee manieren waarop dit werkt: Doorbelasting aan de opdrachtgever: Het bureau factureert een hoger bedrag aan de opdrachtgever en betaalt jou een afgesproken (lager) tarief uit. Inhouding op jouw tarief: Jij spreekt met het bureau een tarief af, maar daar gaat een percentage vanaf voor bemiddeling en administratie. In beide gevallen blijft er minder over dan je misschien verwacht. Daarom is transparantie cruciaal: vraag altijd welk tarief de opdrachtgever betaalt, welk deel het bureau inhoudt en hoe hoog de fee precies is. Zo voorkom je vervelende verrassingen achteraf. Zzp’ers inhuren via een uitzendbureau Niet alleen freelancers zoeken via een uitzendbureau. Ook opdrachtgevers doen dat regelmatig. Maar voor opdracht geldt hetzelfde: Een zzp’er inhuren via een uitzendbureau is niet zonder risico. Hoe verloopt de inhuur? Als opdrachtgever sluit je meestal een contract met het uitzend- of bemiddelingsbureau. Jij betaalt de factuur aan het bureau, en zij regelen de uitbetaling naar de zzp’er. Het bureau bepaalt vaak het tarief, of legt in elk geval de voorwaarden vast. Voor jou als opdrachtgever voelt het daardoor soms alsof je gewoon via een uitzendbureau personeel inhuurt, terwijl er eigenlijk een zelfstandige achter zit. Wat kost het? Een groot deel van de kosten zit in de marge van het bureau. Die marge kan oplopen van 20% tot 30%, en in sommige gevallen zelfs hoger. Dat betekent concreet: betaal jij € 70 per uur, dan kan de zzp’er die het werk uitvoert daar misschien maar € 50 van overhouden. Het verschil gaat naar het bureau. Risico’s voor opdrachtgevers De grootste valkuil is schijnzelfstandigheid. Als een zzp’er via jouw bureau in de praktijk als werknemer werkt (vaste werktijden, leiding en toezicht, geen vrije vervanging mogelijk) dan kan de Belastingdienst concluderen dat er sprake is van loondienst, en dat jij eigenlijk werkgever bent in plaats van opdrachtgever. Gevolg: jij als opdrachtgever kunt naheffingen en extra werkgeverslasten opgelegd krijgen. Daarom is het belangrijk dat je: vooraf duidelijk afspreekt of het gaat om uitzenden (loondienst) of bemiddeling (zzp). weet welk deel van het tarief het bureau inhoudt. controleert of de zelfstandige écht als ondernemer werkt. Op die manier voorkom je dat je onbewust te veel betaalt én juridische risico’s loopt. Alternatieven voor het uitzendbureau Een uitzendbureau is niet de enige manier om als opdrachtgever of zzp’er met elkaar in contact te komen. Sterker nog: er zijn vaak betere en transparantere opties. Freelance platforms Via platforms zoals Freelance.nl vind je direct zzp’ers of opdrachten zonder dure tussenpartij. Je betaalt ook geen commissie over het uurtarief. Het platform regelt alleen de match, en de samenwerking is vrij voor de opdrachtgever en zzp’er om vorm te geven. Voor freelancers betekent dat meer grip op hun ondernemerschap, voor opdrachtgevers lagere kosten en sneller contact. Bemiddelingsbureaus en brokers Een bemiddelingsbureau brengt vraag en aanbod samen, maar laat contract en facturatie rechtstreeks lopen tussen opdrachtgever en zzp’er. Brokers doen vaak hetzelfde, maar met een groter netwerk en meer focus op administratieve ontzorging. De kosten zijn doorgaans lager en transparanter dan bij uitzenden. Payrollbedrijven en MSP’s Bij payrolling neemt een bedrijf formeel het werkgeverschap over. Handig als je flexibiliteit wilt, maar voor de zzp’er betekent het: geen ondernemerschap. MSP’s (Managed Service Providers) richten zich vooral op grote organisaties en nemen het volledige proces van inhuur en contractbeheer over. Veelgestelde vragen over zzp’en via een uitzendbureau Mag je als zzp’er via een uitzendbureau werken? Alleen bij bemiddeling. Bij uitzenden of detacheren werk je in loondienst en ben je dus geen zelfstandige. Wat kost werken via een uitzendbureau als zzp’er? Een bureau rekent vaak 20–30% marge. Jij houdt dus minder over van het tarief dat de opdrachtgever betaalt. Wanneer is er sprake van schijnzelfstandigheid? Als je werkt als werknemer: vaste tijden, leiding en toezicht, geen vervanging mogelijk en geen ondernemersvrijheid. Wat zijn alternatieven voor een uitzendbureau? Freelance platforms, bemiddelingsbureaus, brokers, payrollbedrijven en MSP’s. Platforms zijn vaak transparanter en goedkoper. Wat zijn de risico’s voor opdrachtgevers? Naheffingen en fiscale gevolgen als een zzp’er feitelijk in loondienst werkt. Ook betaal je vaak onnodig hoge marges aan het bureau. Geplaatst in ZP en Ondernemen | Tags Freelance.nl, schijnzelfstandigheid, uitzendbureau, wet dba, zzp'er | 1 Reactie
Voor de rechter: zzp-platform claimt ruim half miljoen euro schade door falende app Geplaatst 16 oktober 2025 door Annet Maseland Eind 2023 krijgt een softwarebouwer van een zzp-platform de opdracht om een applicatie te bouwen. Het gaat om een app en een werknemersportaal. In deze applicatie kunnen zzp’ers onder meer opdrachten accepteren, uren registreren en facturen versturen. De ontwikkelaar mag voor deze opdracht € 8000 exclusief btw factureren. De verwachting is dat de opdracht één tot drie maanden gaat duren. Eind maart 2024 hebben partijen contact over de lanceerdatum van de applicatie. Volgens de ontwikkelaar kan de lancering dan binnen een week plaatsvinden. In mei constateert de intermediair dat de applicatie nog steeds niet klaar is en bovendien vol bugs zit. Wat niet naar behoren werkt, zijn onder meer het automatisch updaten en refreshen, de notificaties voor berichten en het kunnen meelezen in de gebruikerschats. Nadat de applicatie beschikbaar is in de App Store en Play Store, blijven er diverse bugs bestaan. Zo werkt het opmaken en verzenden van facturen niet goed, en ook het opnieuw aanvragen van een wachtwoord geeft problemen. Verder worden gebruikers van de applicatie telkens uitgelogd. Kort daarna lanceert de applicatiebouwer zelf een soortgelijke app onder de naam Floes, een alles-in-één administratieve app speciaal ontworpen voor zzp’ers. De eis: ruim een half miljoen euro schadevergoeding Als de softwarebouwer een week later de bugs nog niet heeft opgelost, ontbindt de intermediair de overeenkomst. Hij vraagt € 21.295,99 terug, het bedrag dat tot dan toe in rekening is gebracht. Daarnaast zou de ontwikkelaar de overeenkomst hebben geschonden door zelf een soortgelijke applicatie te ontwikkelen. Hiervoor vraagt de intermediair een schadevergoeding van € 2000. Tot slot voert de intermediair nog een extra kostenpost op. Hij constateert dat grote opdrachtgevers zijn afgehaakt, omdat er geen goed werkende applicatie is opgeleverd. Vervolgens zijn ook de zzp’ers afgehaakt, omdat er (vrijwel) geen opdrachten meer waren. Hierdoor zegt de intermediair vier maanden winst te zijn misgelopen, wat hij begroot op € 540.595,60. De totale schade wordt becijferd op € 571.039,31. Tot slot sommeert hij de Floes-applicatie uit de App Store en Play Store te verwijderen en alle data van de intermediair over te dragen. De appbouwer wijst alle vorderingen af. Volgens hem heeft het ontwikkelen van de app langer geduurd vanwege aanvullende wensen van de klant. Hij betwist dat hij de overeenkomst niet is nagekomen. Wat de app betreft, stelt hij dat er geen sprake is van een concurrerende applicatie, omdat Floes uitsluitend een administratieve applicatie voor zzp’ers is. Het oordeel van de rechter De rechtbank oordeelt dat er sprake is van tekortkoming, aangezien de applicatie niet werkt. De appbouwer moet € 21.295,99 terugbetalen. De vordering tot betaling van de schadevergoeding wegens misgelopen winst wijst de rechtbank echter af. Die heeft de intermediair onvoldoende onderbouwd. Tijdens de ontwikkeling van de app en ook daarna was er namelijk wel winst geboekt. Bovendien is onvoldoende gebleken dat potentiële opdrachtgevers afhaakten vanwege de haperende app. Tot slot gaat de rechter ook niet mee in de gestelde schade door de vermeend concurrerende app. De vertrouwelijkheidsverklaring uit de overeenkomst bepaalt dat alle zakelijke informatie, ideeën en andere vertrouwelijke gegevens van de intermediair strikt vertrouwelijk zijn. Maar dat betekent niet dat de ontwikkelaar geen soortgelijke applicaties meer zou mogen ontwikkelen. De rechtbank constateert dat de ontwikkelaar eerder applicaties heeft ontwikkeld voor zzp’ers en dat hij daarbij telkens voortbouwt op de door hem ontwikkelde broncode. De Floes-applicatie is bovendien geen concurrerende applicatie, naar het oordeel van de rechtbank. Lees hier de uitspraak van de Rechtbank Den Haag. Lees ook: Rechter zet streep door concurrentiebeding uitzendbureau Truc om uitzendkrachten gratis over te nemen, strandt in de rechtbank Geplaatst in Professioneel inhuren | Tags app-ontwikkeling, jurisprudentie, zzp-platform | 1 Reactie
Van schijnbeweging naar stevigheid: tijd voor een echt pluriform, wendbaar en weerbaar arbeidsbestel Geplaatst 15 oktober 2025 door Joost van Ladesteijn Het dossier schijnzelfstandigheid komt er in alle verkiezingsprogramma’s bekaaid van af. De BBB wil geen nieuwe ZZP-wetten, maar een VAR-light. De VVD is uitgesproken voorstander van de Zelfstandigenwet; NSC en de ChristenUnie van de Wet VBAR. NSC en ChristenUnie staan samen op enkele zetels in de voorlopige peilingen. Het demissionaire VVD/BBB-kabinet dient ondertussen het concept-besluit VBA in ter internetconsultatie. Aangenomen mag worden dat de mede-initiatiefnemers van de Zelfstandigenwet, D66, SGP en CDA, onverminderd voorstander zijn van de Zelfstandigenwet, ook al volgt dat niet direct uit hun verkiezingsprogramma’s. JA21 wil een “Wet VBAR naar Belgisch model”, maar blinkt vooral uit in vaagheid, net als Volt en DENK, die kool en geit lijken te willen sparen. Voor PvdA-GroenLinks gaat de Wet VBAR niet ver genoeg. Zij ziet enkel plek voor ZZP’ers bij “werk dat geen onderdeel is van de organisatie, werk dat niet behoort tot de reguliere werkzaamheden van een organisatie, of werk dat wel behoort tot de reguliere bedrijfsactiviteiten maar waarvoor bijzondere kennis nodig is”. De SP wil “het aantal ZZP’ers terugdringen en stoppen met tijdelijke en/of korte arbeidscontracten”. De PVV laat het onderwerp geheel links liggen. Lees meer op zzpkiest.nl: ‘Op 29 oktober valt er echt iets te kiezen voor de zzp’er’ Wat wel/niet te doen? Hoe nu verder? De Wet VBAR invoeren? De Zelfstandigenwet of toch maar een VAR-light? De voorliggende voorstellen veronderstellen dat het geldende toetsingskader onvoldoende duidelijk is. Dat moet worden bevraagd. Bestaat die onduidelijkheid niet door een langdurig gebrek aan effectieve handhaving, door “zelfdoktoren” bij weinig vertrouwen in de overheid, en door “bijbeunen” door “schijnspecialisten”? Dat reeds de Wet VBAR een codificatie van bestaande rechtspraak zou betreffen, is een contra-indicatie voor de aanname dat de oorzaak van de onduidelijkheid ligt in het geldende toetsingskader. Toonaangevende specialisten geven aan dat de “nut en noodzaak” voor nieuwe wet- en regelgeving in dit verband ontbreekt. Zij baseren zich daarbij op de praktijk, parlementaire geschiedenis en jurisprudentie. Er wordt gezegd dat in 95% van de gevallen duidelijk is of er sprake is van een werknemer of een opdrachtnemer. Volgens hen had de Hoge Raad niet duidelijker kunnen zijn. Holistische toets Kortweg geldt bij het beoordelen van een overeenkomst tot het verrichten van werk tegen betaling een volgordelijke tweefasenleer: een uitlegfase, gevolgd door een kwalificatiefase. Daarbij geldt een holistische toets.In de uitlegfase wordt op basis van het algemene vermogensrecht (boek 3 en boek 6 BW, alsmede Haviltex) de overeengekomen rechten en verplichtingen vastgesteld. In de kwalificatiefase gaan de vastgestelde omstandigheden in de mal van de dwingendrechtelijke definities van de drie hier relevante bijzondere overeenkomsten: de arbeidsovereenkomst, de overeenkomst van opdracht en aanneming van werk (boek 7 BW). Alle omstandigheden van het geval in onderling verband bezien, zijn daarbij relevant: de zogenaamde “holistische toets”. Willekeurige inzet van onduidelijkheid Wordt het kabinetsargument van “kenbaarheid en hanteerbaarheid” voor wijziging van artikel 7:610 BW consistent en coherent toegepast, dan lijkt het hek van de dam. Artikel 7:610 lid 1 BW is één van de eenvoudigste en meest bekende wetsartikelen van duizenden definities van het Nederlandse recht. Rechtssystemen gebaseerd op kortweg loon-arbeid-gezag zijn historisch en internationaal regel. Uitleg en kwalificatie is juridisch een alledaagse bezigheid. Daarom kan de Hoge Raad ook in Deliveroo verwijzen naar de uitleg en kwalificatie van een pachtovereenkomst. Holistische toetsen zijn juridisch doodgewoon. Ook vaste Europese rechtspraak sluit hierbij aan: de kwalificatie als arbeidsverhouding dient van geval tot geval te worden beoordeeld aan de hand van alle feiten en omstandigheden die de verhouding tussen de partijen kenmerken (Agegate en Yodel Delivery). Lees ook dit artikel van Joost van Ladesteijn: de rol van wet- en regelgeving bij de kwalificatie van arbeidsrelaties in de zorg Belang van context: geen onrechtvaardige rechtszekerheid Meer fundamenteel: elk (wets)voorstel raakt de kern van de aard van de holistische toets als methode van beoordeling van een overeenkomst tot het verrichten van werk tegen betaling. Deze toets is naar haar aard ongelimiteerd, juist om betekenis toe te kennen aan de bijzondere omstandigheden van elk geval. Daarom is organisatorische inbedding niet doorslaggevend (Deliveroo), is extern ondernemerschap niet van ondergeschikte betekenis (Uber) en kunnen ook ander gezichtspunten gelden dan die van Deliveroo (Helpling). De holistische toets staat op gespannen voet met fixeringen, waaronder pogingen om de toetsing van het element “werken in dienst van” te reduceren tot enkele (hoofd)elementen. Rechtszekerheid is dan geen toereikende rechtvaardiging, zo zou men kunnen stellen, analoog de Hoge Raad overwoog dat de XYZ-formule bij kennelijk onredelijk ontslag geen toepassing kon vinden. De rechtszekerheid neemt juist ook toe, naarmate de rechter vollediger inzicht geeft in de gedachtegang die tot zijn beslissing heeft geleid. De rechtspraktijk bevestigt dit ondubbelzinnig met alle post-Deliveroo-uitspraken. Alternatieven voor hanteerbaarheid en kenbaarheid toetsingskader Alternatieven liggen voor de hand voor het vergroten van de hanteerbaarheid en kenbaarheid van het toetsingskader voor werkenden, werkgevenden en uitvoeringsorganisaties, zoals het Adviescollege Toetsing Regeldruk in haar recente adviesover het besluit VBA ook aangeeft. In aanvulling daarop is een logische stap bijvoorbeeld een wezenlijke upgrade van de Webmodule Beoordeling Arbeidsrelatie met gebruikmaking van AI en het centraal publiceren van door de Belastingdienst/SZW beoordeelde casussen die brancheorganisatie hebben ingediend. Commissie Borstlap zegt meer Daarbij komt dat de geschiedenis van werk laat zien dat wetgeving als arbeidsmarktinstrument weinig succesvol en zelfs averechts heeft gewerkt, mede in combinatie met de “vlucht uit vast” in verband met de overregulering van de arbeidsovereenkomst. Ook dat volgt nu juist uit het rapport van de Commissie Borstlap, waarvan het kabinet de aanbevelingen grotendeels heeft genegeerd, anders dan men wellicht de indruk kan krijgen. Oplossingsrichting De oplossing is niet zo ingewikkeld als wel wordt voorgedaan, wanneer uit het doodlopende hogesnelheidslijn-spoor wordt gestapt. Gedacht kan worden aan de volgende vijf contouren als startpunt. De Nederlandse arbeidsmarkt dient met woord én daad ruimte te bieden om zowel als werknemer of als zelfstandige te kunnen werken, dan wel als werkgevende werk door werknemers of zelfstandigen te kunnen laten uitvoeren. Ondernemers ondernemen. Vrijheden gaan daarbij hand in hand met risico’s. Dit betekent ook dat volledige duidelijkheid niet bestaat. Dat geldt ook voor de oprichtingsakte van een notaris, algemene voorwaarden of verzekeringen. Ervaring leert dat opdrachtgevers en opdrachtnemers geregeld te passief (“dit waait wel weer over”) en/of te normatief (“zo werkt de praktijk altijd en dat zou moeten kunnen”) reageren, in plaats van dat acties proactief worden ondernomen op basis van hoe de feiten zijn, na adequaat onderzoek. Er is onverminderd nodige mogelijk, maar dat gaat niet vanzelf. Zo kunnen opdrachtgevers bijvoorbeeld nadenken over zaken als “regionaal opdrachtgeverschap” als tegenhanger van regionaal werkgeverschap. De politiek dient de risico-regel-reflex te onderdrukken. Het privaatrechtelijke karakter van de arbeidsovereenkomst is ondergesneeuwd geraakt doordat zij de arbeidsovereenkomst heeft gebruikt voor het realiseren van allerhande overheidsdoelstellingen. Het micro-managen moet zogezegd stoppen, ook in verband met alle effecten op cultuur, vertrouwen en draagvlak. De fiscaliteit en de sociale zekerheid drukken zwaar op het arbeidsrecht. Juist die omstandigheid is al voldoende reden voor zorgvuldig onderzoek naar het splitsen van de civiele arbeidsovereenkomst van de inhoudingsplichtige arbeidsrelatie. Een ontwarring van de arbeidsovereenkomst van de sociale zekerheid past hierbij verder. Juist het schrappen van regels is onderdeel van het antwoord op de opgave. Schaf de internationaal unieke preventieve ontslagtoets af om vast ook minder vast te maken en waterbedden te voorkomen. Minder aan de voorkant, maar geen concessies aan de achterkant. Elk systeem staat of valt met effectieve handhaving en toezicht. Dat mag de minimale les zijn van het jarenlange handhavingsmoratorium. Denk na over wat diversiteit en pluriformiteit echt betekent in het verlengde van ook alle SCP-rapporten en maak dus ook niet gelijk wat niet gelijk is. Anders loopt een “liquid society” muurvast. Een ZZP’er is geen werknemer. En DE ZZP’er bestaat niet, net zoals DE werknemer. De ondervertegenwoordiging van de sociale partners is de roze olifant in de kamer. De polder is niet divers en inclusief. CAO’s van geregeld meer dan 150 pagina’s bevatten daarbij meer verplichtingen dan in de relevante titels van het burgerlijk wetboek. CAO’s zouden enkel moeten zien op de zogenaamde “harde kern van arbeidsvoorwaarden” (loon, arbeidstijden, vakantiedagen, arbeidsomstandigheden en gelijke behandeling) en maximaal 25 pagina’s dienen te bedragen. Het geldende toetsingskader kan prima worden toegepast op zaken als algoritmemanagement bij moderne rechtsverhoudingen, zoals aanhoudend concreet en ondubbelzinnig is gebleken in jurisprudentie. Het zijn echter de sociale partners die letterlijk en figuurlijk vergrijzen. De SER lijkt toenemend op een FNV zonder misstanden. De media en brancheorganisaties moeten een kwaliteitsslag maken in hun taak van informatievoorziening. Frequent ontspoort de berichtgeving al in de basis, bijvoorbeeld bij berichten over de vermeende “strengere handhaving op de Wet DBA”. De wetenschap moet zich daadwerkelijk onafhankelijk gedragen; te vaak is zij met een andere pet partij in het maatschappelijk debat, zonder dit expliciet te vermelden. Gooit het Nederlandse Herstel- en Veerkrachtplan (HVP) nog roet in het eten? Het HVP zet het kabinet in dit kader geregeld te pas en onpas in. Zo gaf het kabinet nog onlangs te kennen geen verlenging van de zachte landing te wensen, mede met referte aan dit plan. Het zou volgens het kabinet kunnen leiden tot een korting omdat het opheffen van het handhavingsmoratorium per 1 januari 2025 als mijlpaal in het HVP is opgenomen. Dit argument van het kabinet overtuigt niet. Er geldt immers reeds een zachte landing, haaks op de mijlpaal en er is niet gekort. Bovendien zou eenvoudig kunnen worden betoogd dat het kabinet diverse onderdelen van mijlpalen niet heeft behaald. Leg de vereisten van maatregel 4.1.H.4 van het HVP: aanpak schijnzelfstandigheid, maar eens kritisch langs de lat. Kennelijk hechtte het kabinet eerder niet dezelfde waarde hieraan toe. Vergeet zetelverdelingen en peilingen; het heeft er alle schijn van dat de politieke realiteit is dat het HVP feitelijk fungeert als regeerakkoord. De regeermarge lijkt geregeld een muizengaatje. Het kabinet heeft zichzelf gecommitteerd aan onder andere nieuwe wetten op verschillende terreinen. Zij lijkt niet bereid tot enig compromis daarop met zelfs stelselmatig in de wind slaan van vergaande adviezen van onafhankelijke organen. Ook is zij weigerachtig beroep te doen op enige exceptie van het HVP, ook al is het HVP van 7 oktober 2022 (en dus vóór Deliveroo, Uber en Helpling) reeds met de tijd ingehaald. Pragmatiek voor een eerste win-win Om uit impassen te geraken, verdient overweging om in het verlengde van vorenstaande contouren als startpunt, alsook de impliciete stelling van het kabinet dat zij tot op heden conform het HVP heeft gehandeld, het volgende lid 2 en lid 3 aan artikel 7:610 BW toe te voegen: Lid 2: “Of een overeenkomst als arbeidsovereenkomst moet worden aangemerkt, hangt af van alle omstandigheden van het geval in onderling verband bezien. Daarbij wordt aan de hand van de Haviltex-maatstaf vastgesteld welke rechten en verplichtingen partijen zijn overeengekomen. Indien deze rechten en verplichtingen voldoen aan de omschrijving van lid 1, wordt de overeenkomst als arbeidsovereenkomst aangemerkt, ongeacht de bedoeling van partijen. Bij de beoordeling kunnen onder meer van belang zijn: de aard en duur van de werkzaamheden, de wijze waarop werkzaamheden en werktijden worden bepaald, de inbedding van het werk en de werkende in de organisatie van degene voor wie wordt gewerkt, het bestaan van een verplichting tot persoonlijke arbeidsverrichting, de totstandkoming en inrichting van de contractuele verhouding, de wijze waarop de beloning wordt vastgesteld en uitgekeerd en de hoogte daarvan, het lopen van commercieel risico, alsmede de vraag of de werkende zich in het economisch verkeer als ondernemer gedraagt of kan gedragen. Tussen deze gezichtspunten bestaat geen rangorde; ook andere gezichtspunten kunnen gelden. De beoordeling kan mede betrekking hebben op omstandigheden die zich voordoen buiten de door de te kwalificeren overeenkomst beheerste verhouding of binnen een driehoeksverhouding. Het gewicht van een contractueel beding hangt mede af van de daadwerkelijke betekenis ervan voor de werkende.” Lid 3: “Indien na toepassing van het tweede lid niet voldoende duidelijk is hoe de overeenkomst moet worden aangemerkt, wordt deze als een arbeidsovereenkomst aangemerkt”. Met voorgestelde aanvullingen van artikel 7:610 BW kan de ingezette handhavingskoers worden vervolgd en het kabinet zal dan moeten menen dat zij aan het HVP voldoet. Verder wordt zo de schone schijn doorbroken: geen nieuwe muur van regels, maar een raam in het bestaande bouwwerk. Vanuit daar kan worden gestart met de eigenlijke opgave naar de rol en positie van het arbeidsrecht ten opzichte van het collectieve arbeidsrecht, de fiscaliteit, het pensioenrecht en de sociale zekerheid. De holistische toets vraagt echter geen nieuw begin, maar meer inzicht en een consequente toepassing van wat reeds recht is. Misschien is het tijd dat we opnieuw leren wat vrijheid betekent en waarom zij het waard is om te koesteren. Vrijheid vraagt dat we niet alles willen vastleggen of voorkomen, maar durven leven in alle volheid — ook met onzekerheid, want juist daar ligt haar betekenis. 10 tips voor ZZP’ers, intermediairs en opdrachtgevers Borg de kwaliteit van dataverzameling. Er bestaan nogal wat misverstanden. Mijd schijn-specialisten die spreken over “DBA-proof” en “verscherpt toezicht”. Lees zelf primaire bronnen, zoals rechtsoverweging 3.2.1-3.2.5 van Deliveroo en het antwoord op de eerste drie prejudiciële vragen van Uber (rechtsoverweging 3.3-3.6). Het toetsingskader is effectief voor de praktijk een A-4-tje en sinds jaar en dag hetzelfde, ook in 2016, ook in 1997. Zorg dat het “hoofdkantoor” praat met de “operatie”. Zogezegd geldt een haalplicht voor besturen. Maak procedure-afspraken voor adequate procesdoorlopp. Besef dat ondernemen vrijheid en risico’s meebrengen en dus volledige duidelijkheid niet bestaat. Gebruik goedgekeurde modelovereenkomsten van de Belastingdienst en leef die gedocumenteerd na. De eerdere goedkeuring van de Belastingdienst bij een onveranderd toetsingskader heeft waarde. Ontwikkel een beheersingsmodel ter voorkoming van schijnzelfstandigheid en leef dat strikt na. Dat sluit ook aan bij het Handhavingsplan van de Belastingdienst. Bouw zorgvuldig dossier op bijvoorbeeld met betrekking tot tariefonderhandeling, debiteurenrisico, aansprakelijkstellingen, daadwerkelijke vervanging, verwerken van (investerings)kosten in de administratie, ontwikkel ondernemersprofiel en netwerk via onder andere social media. Wijs brancheorganisaties op hun verantwoordelijkheid. Zo kan het indienen van een mager onderbouwde casus bij VWS vergaande neveneffecten hebben voor de sector als geheel. Verricht een risicoanalyse. Inventariseer alle relevante feiten en omstandigheden door bijvoorbeeld een dag door te lopen. Kom je tot 20-30 omstandigheden, dan is het verkeerd gegaan. De praktijk werkt standaard met meer dan 100 omstandigheden. Toets vervolgens de verzamelde data, behalve aan het geldende toetsingskader, ook aan de Webmodule Beoordeling Arbeidsrelatie en de beoordelingen van de Belastingdienst/SZW van ingediende zorgcasussen en beoordeel wat jij als ZZP’er en/of opdrachtgever kan verbeteren voor gewenste uitkomsten. Zet dus de holistische toets naar je hand: op papier en in de feitelijke uitvoering. Het zou goed mogelijk moeten zijn in elk geval met betrekking tot Deliveroo-gezichtspunten 2 (totstandkoming werkzaamheden en werktijden), 3 (inbedding ten aanzien van de werkende, 4 (vrije vervanging), 5 (totstandkoming overeenkomst), 6 (totstandkoming en uitkering beloning), 7 (hoogte beloning), 8 (commercieel risico) en 9 (extern ondernemerschap) goed te scoren, ook in het besef dat geen “10” per gezichtspunt hoeft te worden gehaald. Het toetsingskader brengt mee dat eerst wordt uitgelegd (datacollectie) dan gekwalificeerd. Let dus op dat er tijdens vooroverleggen, bedrijfsbezoeken of boekenonderzoeken dat er niet wordt voorgesorteerd op de kwalificatiefase met opmerkingen als “dat kan bij een arbeidsovereenkomst ook”. Doorloop toets van links naar rechts: start niet met inbedding, zij-aan-zij werken of andersom extern ondernemerschap. Dat zorgt louter voor vertekeningen. Denk na over regionaal opdrachtgeverschap als tegenhanger van regionaal werkgeverschap. Besef dat er serieuze risico’s zijn verbonden aan uitzending en het stopzetten van samenwerkingen met ZZP’ers. Voorkomen dient te worden van de regen in de drup te belanden. Geplaatst in ZP en Politiek | Tags Verkiezingen 2025, Wet VBAR, zelfstandigenwet, zzp | 9s Reacties
Tweede Kamer gestart met behandeling Wet VBAR: steun en twijfels Geplaatst 14 oktober 2025 door ZiPredactie Zoals gebruikelijk bestaat die eerste stap uit het indienen van schriftelijke vragen. Een verslag van die vragen laat ook zien dat partijen als de VVD, PVV en JA21 niet hebben meegedaan aan deze eerste ronde. De politieke situatie rond de VBAR is ook bijzonder. De wet is, gedurende kabinet-Rutte IV, voorbereid door voormalig minister Van Gennip (CDA). In het coalitieakkoord van het kabinet-Schoof I is afgesproken om verder te gaan met de wet, iets wat voormalig minister Van Hijum (NSC) ook heeft gedaan. De huidige minister Paul (VVD) gaat daarmee door, terwijl haar eigen partij samen met D66, CDA en SGP aan een alternatieve wet werkt. De andere overgebleven regeringspartij, de BBB, schrijft in haar verkiezingsprogramma tegen zowel die alternatieve wet (beter bekend als de Zelfstandigenwet) als de VBAR te zijn. Steun voor rechtsvermoeden bij laag tarief Uit de ingediende vragen van GroenLinks-PvdA, NSC, D66, BBB, CDA, SGP, SP en ChristenUnie blijkt dat er onder deze partijen brede steun is voor het R-deel van de VBAR. Wie wordt ingehuurd met een tarief onder een bepaald niveau (dat ligt bij het huidige minimumloonniveau op €36 per uur) kan met de VBAR via de rechter sneller rechten opeisen die horen bij een werknemer. Er ontstaat dan een rechtsvermoeden van werknemerschap, waarbij de bewijslast wordt omgedraaid: het is dan aan de opdrachtgever om aan te tonen dat iemand wél degelijk als zelfstandige moet worden gezien. Volgens onder meer NSC, D66 en GroenLinks-PvdA helpt dit kwetsbare werkenden om hun rechten op loon, verlof en zekerheid makkelijker te claimen. Wel stellen de partijen tal van vragen over de praktische werking. Gaat de grens van €36 niet leiden tot een “nieuwe bodem”, waar opdrachtgevers net boven gaan zitten? Waarom is gekozen voor dit bedrag en niet voor een geïndexeerde variant? En zullen zelfstandigen het rechtsvermoeden daadwerkelijk durven inroepen, gezien de stap naar de rechter? De SP en SGP vragen daarnaast of uitzonderingen mogelijk zijn voor kortdurende opdrachten of bijverdieners. GroenLinks-PvdA pleit ervoor dat de tariefgrens ook gebruikt kan worden door bijvoorbeeld de Belastingdienst of de Arbeidsinspectie. Zo’n publiekrechtelijke handhaving zit nu niet in de wet. Ook NSC en D66 vrezen dat de stap naar de rechter voor veel werkenden te groot is. Twijfels over codificatie van jurisprudentie Over het tweede deel van de wet — het vastleggen in de wet van bestaande rechtspraak over wanneer iemand nu werknemer is of zzp’er — bestaat veel scepsis. CDA, D66, NSC en SGP vragen zich af of dit daadwerkelijk meer duidelijkheid oplevert. Volgens deze fracties dreigt het wetsvoorstel juist nieuwe onduidelijkheid te creëren, omdat rechtspraak zich blijft ontwikkelen en de beoogde criteria geen duidelijke rangorde of weging kennen. Een groot bezwaar: het ontbreken van een duidelijke weging van de toetsingscriteria. D66, NSC en SGP vrezen dat het nieuwe kader in de praktijk niet eenvoudiger is dan de bestaande holistische benadering (de Deliveroo-criteria), waarin geen enkel criterium doorslaggevend is. Zowel GroenLinks-PvdA als D66 signaleert dat veel zogeheten Z-indicaties (indicaties die wijzen op zelfstandig ondernemerschap, zoals meerdere opdrachtgevers of investeringen) zich buiten het zicht van de opdrachtgever afspelen. Hoe reëel is het om opdrachtgevers daarop te laten toetsen zonder disproportionele regeldruk of schijnzekerheid? Zorgsector als zorgenkind Vooral in de zorg worden grote gevolgen voorzien. D66, CDA en SGP waarschuwen dat het wetsvoorstel kan botsen met de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz), die juist ruimte laat voor zzp’ers. De vrees is dat zorginstellingen straks nauwelijks nog zelfstandigen kunnen inzetten, met gevolgen voor personeelstekorten en continuïteit. De fracties vragen hoe de regering uitvoering geeft aan de door de Kamer aangenomen motie-Flach, die juist oproept de flexibele schil in de zorg te behouden. Cijfers en uitvoering Een ander kritiekpunt: er zijn geen harde cijfers over het aantal schijnzelfstandigen. Het Adviescollege Toetsing Regeldruk (ATR) noemt de nut en noodzaak van de wet daardoor onvoldoende onderbouwd. Meerdere fracties vragen om nader onderzoek en nulmetingen. Daarnaast wordt gewaarschuwd voor uitvoeringsproblemen bij de Belastingdienst. De dienst noemt in haar uitvoeringstoets een herhaling van de DBA-problematiek als grootste risico. D66 vraagt waarom geen praktijkproef is gedaan, zoals het ATR adviseerde, en waarom de Raad voor de rechtspraak niet opnieuw is geraadpleegd. Vervolg De volgende stap in de behandeling van de VBAR is de beantwoording door het (demissionaire) kabinet. Daarna volgt mogelijk nog een tweede schriftelijke ronde voordat er een mondelinge behandeling plaatsvindt. Ondertussen zijn er natuurlijk ook de verkiezingen en begint daarna de formatie. Uit een analyse van de verkiezingsprogramma’s blijkt dat maar weinig partijen de VBAR expliciet ondersteunen, terwijl ook de Zelfstandigenwet nog geen meerderheid heeft. Het huidige kabinet houdt voorlopig vast aan een invoeringsdatum van de VBAR van 1 juli 2026. Lees ook: nadere invulling wet VBAR moet extra duidelijkheid brengen, maar ‘toetsingskader is geen afvinklijst’ Geplaatst in ZP en Politiek | Tags VBAR, zelfstandigenwet | Laat een reactie achter