Maandelijkse archieven: oktober 2024

Paniek rond- en bij zzp’ers? “De verschillen per sector zijn groot”

Het feit dat de Belastingdienst na 1 januari 2025 weer naheffingen loonbelasting kan opleggen bij werkgevers na een constatering van schijnzelfstandigheid zorgt voor de nodige tumult in de markt. Krantenartikelen, een publiekscampagne van de rijksoverheid, een fors aantal voorlichtingsbijeenkomsten en webinars, plus talrijke goedbedoelde tips op LinkedIn, zorgen ervoor dat werkgevers/opdrachtgevers in beweging komen. En niet onterecht. Mogelijke risico’s zijn stevig, waarbij het van belang blijft te constateren dat er nog flink wat mogelijkheden zijn om zzp’ers in te huren. Mits je dat wilt – en dat op de juiste manier wordt aangepakt. Dat is ook precies waar de grote verschillen zitten tussen sectoren, constateert Hugo-Jan Ruts, hoofdredacteur van ZiPconomy.

Ruts spreekt dagelijks met zowel werkgevers, intermediairs als zelfstandigen. “De paniek is soms groot, zeker ook bij zzp’ers die vrezen dat ze niet meer kunnen werken op de manier waar ze zelf voor gekozen hebben. De stap naar zelfstandigheid is vaak een flink besluit. De mogelijke impact om dat  – gedwongen – weer terug te moeten draaien, is ook groot,” aldus Ruts.

De mate van ‘paniek’ heeft ook veel te maken met het gedrag van opdrachtgevers, vindt Ruts. Maken ze een juiste afweging over wat er binnen de huidige wet- en regelgeving wel of niet kan? Zijn ze bereid daarover het gesprek aan te gaan met zzp’ers? Maar ook: willen ze eigenlijk wel met zzp’ers werken? “Dat zijn bij wijze van spreken twee assen. De mate waarin organisaties graag met zzp’ers werken of juist meer zzp-avers zijn. En de mate van beleving of het werk zo ingericht kan worden dat het geschikt is voor zzp’ers.”

Zorg

“De sector van de kinderopvang is misschien wel het duidelijkst. Een aantal grote werkgevers daar is heel expliciet: ze stoppen met de inzet van zzp’ers in het primaire proces. Ze willen het niet meer, en ze vinden dat het binnen de wettelijke kaders ook niet kan,” constateert Ruts. De ruimte om opdrachten geschikt te maken voor zzp’ers lijkt in andere publieke sectoren zoals zorg, onderwijs en overheid wat groter dan bij de kinderopvang. Maar ook daar is er sprake van een stevige zzp-averse houding.

“In een interne memo van het ministerie van Binnenlandse Zaken staat simpelweg dat er vanaf 1 januari gestopt wordt met alle vormen van zzp-inhuur bij ICT, zonder naar de specifieke omstandigheden per opdracht te kijken. Dan gebruik je de handhaving om een ander doel te bereiken: minder inhuur.” Niemand is verplicht om zzp’ers in te huren, zegt Ruts, maar hij vindt het wel een erg zwart-witbenadering. Bij lagere overheden ziet Ruts meer maatwerk en meer pragmatisme. “Daar wordt wel een beoordeling per opdracht gedaan en vaker gezocht naar wat wel kan: immers, het werk moet wel gedaan worden.”

Dat is ook de houding van veel bedrijven in de profitsector, ziet Ruts. “Bedrijven in het grootzakelijk segment hebben de slag naar voldoen aan wet- en regelgeving al veel eerder gemaakt. Ze weten wat er speelt – immers, de regels zijn niet nieuw – ze kennen de weg om een opdracht zo in te richten dat iets wel kan. Plus niet zelden hanteren ze strikte eigen richtlijnen over wat niet kan. De makers van die regels, meestal HR, hebben al langer ervaring met het balanceren tussen die strikte regels en de druk vanuit managers die simpelweg willen dat er voldoende mensen zijn om het werk uit te voeren.”

“In de zorg is dat nog anders. Er zijn flink wat zorgbestuurders die nu heel vocaal zijn over het stoppen met zzp’ers. Maar het gat tussen hen en de teamleiders op de werkvloer is groot. Er is niets dat erop wijst dat de huidige zzp’ers in de zorg massaal terug in loondienst gaan. In februari krijg je de voorjaarsvakantie, carnaval en de eerste griepgolf. Krijg dan de planning maar eens rond.”  

Recente cijfers van de Intelligence Group – waarover later meer- laten zien dat de bereidwilligheid van zzp’ers om in loondienst te gaan, afneemt. 11% van alle zzp’ers zegt graag weer in loondienst te willen. Bij verpleegkundigen en andere verzorgingsfuncties ligt dat percentage op 10%, bij (para)medische diensten op 8%. 


Lex Tabak van het platform ZZP-erindezorg vindt de beeldvorming dat de inzet van zzp’ers in de (intramurale) zorg sowieso niet kan, onterecht. “Er is een modelovereenkomst voor intramurale zorg, en er is een fiscaal kader binnen de zorg waarbinnen de inzet van zzp’ers – onder strikte voorwaarden – mogelijk zou moeten zijn. Er zijn sterke argumenten om te bepleiten dat goed gekwalificeerd zorgpersoneel per definitie niet onder gezag werkt. Ze moeten verplicht volgens landelijke protocollen werken. Dat staat dus los van het gezag van een teamleider of specialist.” Daarom kan een IC-verpleegkundige direct en zonder inwerken in elk ziekenhuis in Nederland aan de slag, aldus Tabak.

Los daarvan noemt Tabak de arbeidsrechtelijke discussie “amoreel”. “Het maatschappelijk gesprek over de toekomst van de zorg in Nederland is veel belangrijker, want er gaat daar nu heel veel mis. Kijk naar de uitstroom in de sector, kijk naar het ziekteverzuim, kijk naar de onvrede, dan kun je niet met droge ogen beweren dat de vaste baan weer de norm moet zijn.”


Pragmatisme voert de boventoon

In sectoren in het bedrijfsleven waar veel ‘praktisch geschoolden’ werken, voert het pragmatisme de boventoon. “Bij kleinere organisaties zal het kennisniveau ook lager zijn, dus worden risico’s wellicht minder snel gezien. Mogelijk is daar ook meer een houding van ‘we zien wel’. De marges zijn dun, de risico’s rond werkgeverschap hoog.” De horeca is gewend snel te schakelen. De student-zzp’er achter de bar van vandaag is morgen een uitzendkracht.

In sectoren als de bouw, media en transport zijn er – anders dan bijvoorbeeld in de zorg en overheid – zeker stappen te maken van functie naar project of van input naar output. “Dan gaat het om het ‘ontbedden’ van zzp’ers. Geen vast onderdeel meer laten zijn van een team, maar wel zelfstandig werk laten afleveren. Dat kan vaak best. Een zzp’er hoeft geen roosterdiensten te draaien op een redactie, maar kan wel 10 artikelen aanleveren. Timmerlieden die – met veel vrijheid – tuinhuisjes in elkaar zetten namens een houthandel, werden volgens een rechter toch echt als zzp’ers gezien. Er kan veel, maar je moet het wel willen.”

Dat geldt ook voor staffuncties als HR, finance en ICT: “Dat zijn typisch beroepen die zich lenen voor projectmatig werken, waarbij specifieke expertise nodig is, en waarbij iemand in hoge mate zelfstandig kan werken. “Let wel,” benadrukt Ruts, “het gaat daarbij niet om cosmetische veranderingen op papier maar echt op een andere manier je opdracht invullen. Wegblijven uit de wereld van ‘tijdelijke functies’, dat kan maar dan daar heb je ook bereidwilligheid vanuit opdrachtgevers voor nodig”. 

Interimmers werkende in financiële functies zijn hierin wat alerter dan andere, ziet Ruts. Daarbij denkt hij dat ICT’ers het soms juist wat lastiger kunnen hebben omdat bij grote IT-projecten veel gewerkt wordt met hybride teams: een mix van vast personeel, externe consultants, gedetacheerden en zzp’ers.

Interim-management is een bijzondere sector, merkt Ruts. “Daar is het percentage werkenden – maar ook bureaus – dat denkt: ‘dit gaat niet over mij’ misschien wel het grootst. Dat is te begrijpen, want het zijn vaak doorgewinterde zelfstandige professionals die al jaren interim-managementopdrachten doen, meestal vanuit een BV. Ze horen iets over zzp-criteria uit een rechtszaak van maaltijdbezorgers zoals bij Deliveroo, maar denken dat dit hen niet raakt. Toch is het feit dat je een lijnfunctie hebt, zelfs als topbestuurder, voor sommige arbeidsrechtdeskundigen het ultieme bewijs dat je ‘ingebed’ bent. Toen 16 deskundigen, de top van arbeidsrechtelijk Nederland, in opdracht van het ministerie van SZW zich bogen over 84 casussen, leverde een interim-managementopdracht de meest uiteenlopende oordelen op. De een vond het zeer duidelijk een dienstverband, een ander juist echt niet.” In de publiekscampagne van het ministerie van SZW staat het voorbeeld van een interim-manager die een zieke vervangt.

Het risico op schijnzelfstandigheid bij interim-management is dus stiekem best groot, maar de ruimte om een (verander)opdracht zo in te vullen dat deze echt past bij zelfstandigheid is ook groter dan bij andere functies, stelt Ruts. “Doen alsof dit niet over jou gaat, is ook hier niet verstandig.”

Het mag duidelijk zijn dat er spannende tijden aanbreken voor een deel van de zzp’ers. “Let wel: 60-70% van alle zzp’ers verkoopt spullen, werkt voor particulieren of heeft veel opdrachtgevers met kleine opdrachten. Die hebben allemaal niets te maken met deze discussie. Voor de rest geldt dat aanpassing nodig is. De tijd dat alles zomaar kon, is definitief voorbij. Dat vraagt om ondernemerschap en aanpassen. Van opdrachtgevers vraagt het om bewuster na te denken over waarom en hoe je externen inhuurt.” 

Arbeidsmarktdrukte

Een laatste aspect is de druk vanuit de arbeidsmarkt. In een nog steeds zeer schaarse arbeidsmarkt – en een politieke wens om arbeidsmigratie terug te dringen – is iedereen nodig, constateert Ruts. “Uit de laatste cijfers van de Intelligence Group blijkt dat de wens onder zzp’ers om over te stappen naar een baan eerder daalt dan toeneemt. 11% zegt liever een (vaste) baan te willen. Dat percentage is de afgelopen jaren vrij stabiel. Meer dan de helft zegt wil dat per se niet. Een derde antwoordt ‘misschien’. Die laatste groep is wellicht nog wel te verleiden, maar dat moet je wel inspelen op de redenen waarom ze ooit juist zelf gekozen hebben om uit loondienst te gaan. Daarin zie ik nog weinig beweging aan werkgeverskant.” 

Op functieniveau zijn de verschillen groot, zo blijkt uit het onderstaande overzicht. Onder ‘onderzoekers’ is het percentage het hoogst: een kwart wil liever een baan. Ook bij de meer praktische beroepen (bijvoorbeeld callcenters, horeca, beveiliging) ligt het percentage hoger dan gemiddeld. Maar ook daar blijven de percentages relatief laag. 

Ruts: “Wanneer je op functieniveau kijkt dan sluit de wens van zzp’ers om in loondienst te gaan niet erg aan op de wens van werkgevers in bepaalde sectoren om geen of minder zzp’ers in te huren. Zie bijvoorbeeld de zorg. Er is een hoog aantal zzp’ers. De wens om in loondienst te komen ligt onder het gemiddelde. Dat geldt ook voor andere beroepen en sectoren. Dat gaat mogelijk echt knellen en dat is het afwachten wie er het eerst met zijn ogen knippert: werkgevers die toch maar zzp’ers in blijven huren, werkende die – mogelijk tegen hun zin – terug in loondienst gaan of toch de politiek.”  

% dat terug wil in loondienst

Onderzoek/wetenschap/R&D 25
Callcenter/klantendienst 22
Horeca/Service en voedselbereiding 21
Beveiliging/Defensie/Politie/Brandweer 20
Beleid en overheid 19
Facilitaire diensten/Schoonmaak 17
Sociaal/ Maatschappelijk/ Agogisch 16
Administratief/ Secretarieel 15
Landbouw/Visserij/Tuinbouw 15
Communicatie/PR/Journalistiek 15
Consultancy 15
Cultureel/Artistiek 14
Ontwerp/grafisch ontwerp 14
Raad van bestuur/(interim) management 14
Techniek 14
Marketing 14
Handel/Verkoop 14
Transport 13
ICT/Automatisering 12
Installatie, reparatie en onderhoud 12
Persoonlijke diensten (kappers, schoonheidsspecialisten etc.) 12
Kwaliteitsbeheer/Inspectie/Procesverbetering 10
Productie 10
Verpleging/verzorging/welzijn 10
Bouw 9
Juridisch 9
Logistiek (verpakking, verzending, magazijnbeheer) 9
Onderwijs en opleiding 8
Paramedische of geneeskundige diensten (mensen of dieren) 8
Toerisme/ Recreatie/Sport 8
Inkoop 5
Personeel en organisatie/HRM 5
Financieel/ Boekhouding 4

Bron: Intelligence Group Q3-2024

 

Geplaatst in ZP en Ondernemen | Tags , , , | 25s Reacties

Wie betaalt de rekening van onbetaalde arbeid in de platformeconomie?

“Om te begrijpen wat onzekere arbeid is en hoe het ontstaat, moeten we het hebben over onbetaald werk”, zegt Valeria Pulignano. De Italiaanse socioloog werkt aan de KU Leuven en doet onderzoek naar arbeidssociologie, Europese arbeidsmarkten en ongelijkheid. “Onbetaalde arbeid kan onderdeel zijn van een duurzame, gezonde arbeidsmarkt. Maar als de arbeidsmarkt niet goed functioneert, leidt het tot ongelijkheid en armoede.”

Ondanks dat onbetaald werk een belangrijk thema is in het debat over de platformeconomie, hoor je er relatief weinig over. Om een beter beeld te krijgen ging ik voor The Gig Work Podcast van de WageIndicator Foundation naar Leuven voor een gesprek met Pulignano. We spraken over onbetaald werk, de invloed die platformen hierop hebben en oplossingen om te zorgen voor een betere balans op de arbeidsmarkt.

Beluister hieronder de podcast.

 

Wat is onbetaald werk?

Onbetaalde arbeid kun je definiëren als werk buiten een erkende arbeidsrelatie. Van oudsher is dit vooral sociaal productief werk in de privésfeer, legt Pulignano uit. Zo is het opvoeden van kinderen echt werk, maar er staat geen salaris tegenover. Hetzelfde geldt voor huishoudelijke taken, mantelzorg of vrijwilligerswerk.

Ook binnen betaalde arbeid vindt onbetaald werk plaats. Denk aan trainingen en cursussen in eigen tijd, reistijd zonder vergoeding en verplichte vergaderingen en teamactiviteiten buiten werktijd. “Het is belangrijk ook dit werk te erkennen en op waarde te schatten”, zegt Pulignano. Een paar jaar geleden begon ze namens de European Research Council een onderzoek naar de betekenis en waarde van werk, betaald en onbetaald: het Respectme-project. Want ook onbetaald werk verdient respect en erkenning, vindt ze.

Onbetaald werk als investering

Als onbetaald werk onderdeel is van betaalde arbeid, is dat normaal gesproken een investering in de toekomst. Zo moet een leraar de les voorbereiden, een marketeer volgt een cursus om zijn vaardigheden up-to-date te houden en meer klanten te kunnen bedienen. En een schrijver investeert bijvoorbeeld in een eigen website om meer klanten te trekken. Zulke investeringen in onbetaalde arbeid horen bij het werk van een zzp’er. Normaal gesproken baseren freelancers hun uurtarief mede op basis van deze kosten.


Van onbetaald naar betaald met een leefbaar tarief

Welk tarief heb je als freelancer minstens nodig om rond te komen? De Leefbaar Tarief-tool van de WageIndicator Foundation geeft antwoord op die vraag. Met deze calculator krijg je ook inzicht in onbetaalde, niet-declarabele uren zoals wacht- en administratietijd. Zo kun je berekenen wat je moet verdienen om al deze kosten te dekken en genoeg winst te maken om van te leven. In een vorige podcast en blog leer je meer over dit Leefbaar Tarief.


Als iemand in loondienst werkt, ligt het risico normaal gesproken bij de werkgever. Maar in de praktijk is dit lang niet altijd het geval, bijvoorbeeld als het gaat om werken via platformen als freelancer. Een reden dat platformen snel kunnen groeien, is dat zij bepaalde werkgeversrisico’s en -kosten verschuiven naar de platformwerker. Een voorbeeld is taxi-app Uber. Taxichauffeurs kwamen in de problemen, toen hun aanbod van werk tijdens de coronalockdowns met zo’n 80 procent afnam. Terwijl iemand in loondienst recht zou hebben op doorbetaling van zijn werkgever, waren het nu de chauffeurs die de rekening betaalden.

Onbetaald werk, platformen en onderbetaling

Dit gebeurt bij meer vormen van platformwerk en het is lang niet altijd evident. Pulignano ontdekte bijvoorbeeld dat onbetaalde arbeid bij thuiszorgwerk via apps leidt tot onderbetaling. “Werkenden nemen een klus aan via het platform, maar zodra ze bij de mensen thuis komen blijkt dat er meer van ze verwacht wordt dan in de taakomschrijving staat”, vertelt ze. “Het tarief blijkt te laag, maar ze durven de klus niet af te slaan of om meer geld te vragen. Ze willen tenslotte geen slechte reviews, want dat leidt tot minder werk in de toekomst.”

Kortom, platformwerkers hebben te weinig onderhandelingsmacht ten opzichte van het platform en de opdrachtgever. “In de kluseconomie zijn freelancers vaak niet in staat zijn om hun eigen prijzen te bepalen. Taken zijn niet specialistisch, dus er is enorm veel concurrentie. Je kunt elk moment vervangen worden door een andere taxichauffeur, schoonmaker of fietsbezorger.”

Een ander voorbeeld van onbetaald werk is de wachttijd van maaltijdbezorgers. Ze weten niet precies hoe lang ze moeten wachten op een volgende klus, ze kunnen geen ander werk doen. Deze tijd wordt niet betaald. Ook moeten ze vaak bij het restaurant zelf nog wachten tot het eten klaar is.

Open en gesloten regimes

In haar zoektocht naar oorzaken en oplossingen van onderbetaling in de platformeconomie maakt ze onderscheid tussen zogenaamde ‘open en gesloten regimes’. “Maaltijdbezorgplatformen zijn een voorbeeld van een gesloten regime”, legt ze uit. “Platformwerkers hebben weinig autonomie en controle. Ze kunnen geen eigen portfolio opbouwen en het platform bepaald de tarieven. Ze hebben wachttijd en zijn soms zelfs verplicht om kleding te kopen van het platform. Normaal gesproken zou de werkgever verantwoordelijk zijn voor de kosten en hun onbetaalde werkuren.”

Gesloten regimes hebben werkenden vaak geen specifieke kennis of vaardigheden nodig. Ze zijn daardoor makkelijk vervangbaar. In een open regime hebben de freelancers meer specifieke vaardigheden en meer autonomie. Denk hierbij aan platformen voor digitale freelancers, zoals Upwork. Ze hebben bijvoorbeeld meer controle over de manier waarop ze hun werk uitvoeren.

On(der)betaalde arbeid in open regimes

“Freelancers in open regimes hebben vaak specifiekere vaardigheden, ze zijn niet zomaar te vervangen”, vertelt Pulignano. “Dit soort platformwerkers hebben wel minder autonomie dan normale freelancers. Uit ons onderzoek blijkt dat digitale freelancers die hun diensten aanbieden via platformen minder return-on-investment van hun onbetaalde werk krijgen.”

Anders gezegd: hun investering in onbetaalde uren levert minder op dan wanneer ze buiten het platform om werken. Dat komt door de bedrijfsstrategie en de technologie van de platformen, vertelt ze. “Ratingssystemen hebben bijvoorbeeld veel invloed op tarieven van freelancers, maar ze hebben daar weinig controle over. Door automatisering staat hun vermogen om winst te maken onder druk.”

Rechtsvermoeden van werkgeverschap

In een gesloten regime zou een arbeidscontract een goede oplossing zijn, zegt ze. Ze is bijvoorbeeld enthousiast over de Europese platformrichtlijn. De richtlijn moet kwetsbare platformwerkers die aangestuurd worden via een algoritme meer bescherming geven. Zulke werkenden kunnen ervan uitgaan dat ze volgens de wet als werknemer gezien worden. Dit rechtsvermoeden van werknemerschap betekent dat het aan het platform is om te bewijzen dat iemand geen werknemer is.

Maar voor freelancers in open regimes is dit geen oplossing. Hun manier van werken past niet in een arbeidsovereenkomst. Het zou ze niet meer, maar minder autonomie geven. Er zijn dus andere manieren nodig om dit soort platformwerkers meer controle te geven.

Meer controle voor platformwerkers

Er zijn nu al voorbeelden van platformwerkers die zelf proberen meer controle te krijgen, bijvoorbeeld door een eigen platform te beginnen of een alternatief ratingssysteem te bouwen. Maar dit zijn geen structurele oplossingen. “Onderbetaalde arbeid is een sociaal en cultureel probleem”, zegt ze. “Hoe zorgen we dat er meer waardering komt voor dit soort werk? Onbetaalde arbeid kan onderdeel zijn van een duurzame, gezonde arbeidsmarkt. Maar als de arbeidsmarkt niet goed functioneert, leidt het tot ongelijkheid en armoede.”

Daarom moeten zowel de overheid als het bedrijfsleven aan de slag met oplossingen. “Onbetaald werk in de platformeconomie kan leiden tot meer armoede en ongelijkheid in de samenleving. Het is een maatschappelijk probleem waar beleidsmakers, vakbonden en brancheorganisaties mee aan de slag moeten. Platformbedrijven staan tenslotte niet op zichzelf. Ze zijn onderdeel van een sector en de arbeidsmarkt als geheel.”

Ook platformbedrijven moeten hun verantwoordelijkheid nemen, vindt ze. Bijvoorbeeld door eerlijkere systemen te bouwen en meer openheid te bieden over algoritmes en data. Als werkenden bijvoorbeeld in staat zijn hun data te downloaden en mee te nemen naar andere platformen, leidt dat tot meer controle en autonomie.

Conclusie

Het Respectme-onderzoek biedt waardevolle inzichten over de impact van platformen op onbetaald werk in verschillende sectoren. Het onderscheid tussen open en gesloten regimes maakt duidelijk dat een arbeidscontract niet altijd een goede oplossing is voor onderbetaling in de platformeconomie. Het probleem zit in de kern van de technologie, de verdienmodellen en het bestuur van platformen. Op dit moment zijn platformen zo gebouwd dat zij werken in het voordeel van het platform en de klanten. Het belang van de werkende is vaak ondergeschikt.

Meer transparantie naar freelancers over tarieven, voorwaarden en besluitvormingsprocessen kan leiden tot een eerlijkere verhouding. Pulignano schreef hier een boek over (co-auteur: Marketa Domecka) dat uitkomt in februari. In “The Politics of Unpaid Labour. How the study of unpaid labour can help address inequality in precarious work” introduceren de auteurs de theorie achter onbetaald werk om beter te leren begrijpen waarom dit leidt tot ongelijkheid in de samenleving.

Beleid en gedeelde verantwoordelijkheid

Ik ben het met Pulignano eens dat overheden en vakbonden hun verantwoordelijkheid moeten nemen. Daarnaast pleit ik ervoor werkenden een stem te geven in het beleid van platformen. In Nederland is bijvoorbeeld elk bedrijf met meer dan 50 werknemers verplicht een ondernemersraad (OR) aan te stellen. We zouden op een soortgelijke manier platformwerkers een stem kunnen geven in het beleid van het platform.

Eén ding is zeker: het is tijd voor een goed gesprek over de waarde van werk. Platformwerk staat tenslotte niet op zichzelf. Je kunt vele manieren verzinnen om platformwerk eerlijker te maken. Op een slecht georganiseerde arbeidsmarkt blijven problemen bestaan. Kortom, we hebben een gezamenlijke verantwoordelijkheid om te komen tot een arbeidsmarkt die werkt voor iedereen.

Geplaatst in Toekomst van Werk | Tags , | 2s Reacties

De MSP voor inhuur, hoe kan je die aanbesteden?

Kerntaken van een Managed Service Provider

De oorsprong van MSP-dienstverlening ligt in Amerika. Hierbij wordt de inhuurfunctie (geheel of gedeeltelijk) uitbesteed aan een gespecialiseerde inhuurdienstverlener. Een MSP houdt zich niet alleen bezig met het werven en selecteren van kandidaten, maar voert eventueel ook andere processen uit zoals screening, on- en offboarding, capaciteitsplanning, dossierbeheer, tijdregistratie en facturatie. Inhoudelijk kan MSP-dienstverlening dus van opdrachtgever tot opdrachtgever aanzienlijk verschillen. Een belangrijke rol van de MSP is het beheren en uitbreiden van het netwerk van leveranciers. Deze leveranciers beschikken over een groot netwerk met kandidaten, zoals uitzendkrachten, gedetacheerden en eventueel zzp’ers, die snel kunnen worden ingezet op inhuuraanvragen.

In een krappe arbeidsmarkt is het belangrijk om goede afspraken te maken met deze leveranciers. Een voorkeurspositie kan hierbij, voor specifieke doelgroepen, helpen. Wanneer een leverancier namelijk enige mate van exclusiviteit krijgt bij het invullen van aanvragen, is deze sneller geneigd om pro-actief te werven en meer of betere kandidaten aan te leveren. Hierdoor kan de MSP sneller resultaat boeken voor de opdrachtgever (de uiteindelijke inlener). Daarom is het opstellen van een ‘shortlist’ van voorkeursleveranciers – ook wel het ‘tier-model’ genoemd – een van de kerntaken van een MSP, zoals ook wordt benadrukt in het ZiPconomy-rapport over ‘MSP-aanbieders’. Dit model is in de private sector heel gebruikelijk: eerst krijgen de primaire leveranciers de kans om een aanvraag in te vullen, en als zij dit niet kunnen, wordt de aanvraag doorgezet naar leveranciers uit de tweede of zelfs derde laag.

Doelmatigheid tiering structuur

In het verleden was het werken met een ‘shortlist’ van voorkeursleveranciers vaak onderdeel van kostenbesparingsprogramma’s. In die tijd was het aanbod van kandidaten relatief groot waarbij leveranciers regelmatig medewerkers ‘op voorraad’ hadden. Leveranciers waren indertijd vaak bereid om hun tarieven te verlagen. Inhuuraanvragen waren schaars en er was een ruime beschikbaarheid aan kandidaten, waardoor enige mate van exclusiviteit via een voorkeurspositie waardevol was voor leveranciers.

In de huidige markt, waar kandidaten in veel sectoren juist schaars zijn, is dit voor leveranciers veel minder interessant. Leveranciers kunnen hun kandidaten nu eenvoudig ergens anders plaatsen. Bovendien is de positie van de kandidaat veranderd; zij bepalen nu vaak zelf waar ze willen werken.

Ten aanzien van doelmatigheid is een ander aandachtspunt dat het inhuurproces kan vertragen bij leveranciers die nog niet zijn aangesloten bij de MSP. Het opstellen van contracten, waarborgen van compliance en koppelen van systemen duurt langer dan bij de voorkeursleveranciers. Dit vraagt meer inspanningen van de MSP die kostenverhogend werken.

Aanbesteden van externe inhuur

Binnen de publieke sector zijn er drie manieren om inhuur aan te besteden: via voorkeursleveranciers, een dynamisch aankoopsysteem of het marktmodel. Bij de voorkeursleverancier heeft deze de vrijheid om onderaannemers te selecteren en afspraken te maken over uurtarieven en marges, wat direct invloed heeft op het winstresultaat van de voorkeursleverancier. Hierdoor heeft de voorkeursleverancier een direct belang bij welke kandidaat wordt aangeboden op inhuuraanvragen van de inlener.

Steeds meer publieke organisaties kiezen echter voor het marktmodel. Hierbij wordt één partij geselecteerd die met een brede marktbenadering, en in samenwerking met toeleveranciers en zzp’ers, de aanvragen invult.

Waarborgen voor inhuren via het marktmodel

Inhuren via het marktmodel verschilt fundamenteel van het werken met voorkeursleveranciers. Het draait hierbij om een procesvraag: vind een geschikte kandidaat voor een inhuuraanvraag tegen een marktconform tarief. De inhuurdienstverlener neemt dan vaak een deel van de inhuurprocessen van de inlener over en beheert deze. Dit model wordt vooral toegepast bij grote inhuurvolumes en een breed scala aan profielen, allemaal ondergebracht bij één partij. Maar hoe past dit binnen de aanbestedingsregels?

In maart 2024 beschreef Anke Stellingwerff (aanbestedingsadvocaat) welke waarborgen nodig zijn bij het aanbesteden van inhuur via het marktmodel. Transparantie speelt hierin een belangrijke rol, vooral over de opbouw van de inhuurketen, welke uitleners toegang hebben tot opdrachten, en hoe marges worden opgebouwd. Daarnaast moeten inhuuropdrachten openbaar worden gepubliceerd en dient de inhuurdienstverlener onafhankelijk en neutraal te handelen, zodat alle leveranciers gelijke kansen krijgen. Dit staat echter op gespannen voet met het ‘tier-model’, waarbij een MSP in overleg met de opdrachtgever bepaalde leveranciers een voorkeurspositie geeft.

Erik Plas (advocaat en universitair docent) biedt een ander perspectief. Volgens hem moet de contractering door een broker worden gezien als een privaat inkoopproces, waarbij de broker niet als aanbestedende dienst optreedt en organiseren van een mini-competitie met inachtneming van de aanbestedingsbeginselen van transparantie en gelijke behandeling niet altijd noodzakelijk is. De waarheid ligt waarschijnlijk ergens in het midden. Beide advocaten zijn het erover eens dat een MSP (of broker) een onafhankelijke tussenpersoon moet zijn die de opdrachtgever ondersteunt, de markt breed doorzoekt, en de beste oplossing biedt. Transparantie over welke partijen wel of niet betrokken zijn en waarom bepaalde keuzes worden gemaakt lijken bepalend, juist ook omdat deze inhuurcontracten vaak om vele miljoenen publiek geld gaan.

De naam doet er niet toe…

De arbeidsmarkt is voortdurend in beweging, en dit geldt ook voor de vragen van inleners en het aanbod van inhuurdienstverleners. De vraag hoe je de MSP voor inhuur kunt aanbesteden is niet eenduidig te beantwoorden, want ‘de’ MSP bestaat simpelweg niet – het is vaak een kwestie van definitie. Of je het nu een broker, MSP, intermediair of inhuurdesk noemt, dat is minder relevant. Wat telt, is dat je als opdrachtgever duidelijk omschrijft welke dienstverlening je verwacht en hoe de te contracteren partij zich beweegt op de inhuur- en arbeidsmarkt. Dit bepaalt of je als inlener kiest voor een voorkeursleverancier of het marktmodel. Bij dat laatste moet een publieke opdrachtgever wel rekening houden met de eerder genoemde waarborgen.

Geplaatst in Professioneel inhuren | Tags , | Laat een reactie achter

Prijsmodellen bij aanbestedingen blijven voer voor discussie

Dat zeker de helft van de organisaties bij het doen van een aanbesteding de hulp inroept van een inkoopadviesbureau geeft aan dat organisaties zelf niet goed weten hoe ze dit moeten aanpakken. “De kennis bij klanten (aanbestedende diensten, red.) is bedroevend beperkt”, zegt een van de inkoopadviseurs.

Gevolg: in de praktijk komt het regelmatig voor dat in een aanbesteding A wordt gevraagd (uitvraag), maar eigenlijk B wordt bedoeld (inhuurbehoefte) en vervolgens prijsmodel C wordt gehanteerd.

Prijsmodellen

Om het wat inzichtelijker te maken, dit zijn de prijsmodellen die nu in de markt worden gehanteerd:

  • Brokersfee; contracting fee met of zonder searching fee (werving en selectie)
  • MSP-fee; een fee per uur voor alles (sourcing en contracting)
  • Vrije marge o.b.v. een minicompetitie (evt. met functiehuis)
  • Maximale marge; beperkt tot x€ of x% (en/of voor een bepaalde duur)
  • Omrekenfactor; RVO hanteert bijvoorbeeld een Rekenfactor gemiddeld tarief
  • Richtlijnentarief; een bekend voorbeeld is de Labor Redimo-tarieventool (een mix van sourcing fee en na 800 uur terug naar contractmanagement fee (incl. % korting op afgegeven tarieven))

Klacht van de leveranciers is overigens dat bij de keuze voor een bepaald inkoopadviesbureau de klant (aanbestedende dienst) ook meteen het prijsmodel krijgt waar dat bureau voor kiest.

Dienstverleningsmodellen

Welke prijs voor de service van de intermediair dient te worden betaald hangt natuurlijk af van wat de dienstverlening inhoudt. Gaat het puur om contractmanagement (brokering), of ook om het werven en selecteren van kandidaten (sourcing)? Of verwacht de aanbestedende dienst van een derde partij dat die de hele organisatie van de inhuur op zich neemt, inclusief leveranciersmanagement (managed service provider (MSP)), inclusief het gebruik van een vendor management systeem (VMS)? Wat het lastig maakt is dat er steeds meer hybride vormen ontstaan; brokers die hun dienstverlening uitbreiden en zich presenteren als broker+ of MSP-light. De grote vraag voor aanbestedende diensten is: welke inhuurbehoefte is er en welk dienstverleningsmodel past het best daarbij?

Lees ook: MSP, broker, Master Vendor – wat is eigenlijk het verschil?

Gunnen op marge

Uitgangspunt bij aanbestedingen is dat de opdracht wordt gegund aan de inschrijver met de economisch meest voordelige inschrijving (EMVI), ook wel beste prijs/kwaliteit-verhouding.

Dat dit in de praktijk lang niet altijd gebeurt, blijkt bijvoorbeeld uit het feit dat de Commissie van Aanbestedingsexperts (CvAE) een klacht van Harvey Nash over een aanbesteding door de Provincie Noord-Holland twee jaar geleden gegrond heeft verklaard. Door niet naar de prijs (eindtarief ingehuurde professional) te kijken, maar uitsluitend naar de marge (van de leverancier), leidt deze manier van aanbesteden niet tot de Economisch Meest Voordelige Inschrijving (EMVI).

“De prijsmodellen zijn eigenlijk gunningsmodellen, want alleen de marge wordt uitgevraagd”, stelt Thijs Maters (Harvey Nash). “Er is in de markt veel te veel focus op de marge (van de intermediair), terwijl het gaat om de EMVI.” Hij wijst op een vergelijkbare situatie, actuele rechtszaak die nu loopt over een aanbesteding door de Gemeente Deventer. De Gemeente Deventer geeft aan niet bekend te zijn met de hoogte van de eindtarieven en vraagt daarom de marge (van brokers) uit. “

Volgens inkoopadviseurs komt dit doordat de aanbestedende diensten de arbeidsmarkt niet voldoende kunnen doorgronden, waardoor de kennis van wat een redelijk tarief is ontbreekt. Zeker als je bepaalde specialisten nodig hebt op een steeds krappere arbeidsmarkt is dat moeilijk in te schatten, stelt een inkoper van een grote energiemaatschappij. Daarbij komt bij dat gegunde aanbestedingen meerdere jaren lopen. “Je weet niet wat je nu, en vooral straks, moet betalen. Toch wil je competitie in de aanbesteding inbouwen. Dus is het logisch dat je naar de marge van leveranciers kijkt.”

Volgens Thijs Maters is selecteren op eindtarief toch beter en best mogelijk door het regelmatig (jaarlijks) benchmarken van tarieven.

Bovib-voorzitter Saskia Kapper geeft als alternatief dat een bedrijf ook per functiegroep een tabel als basis kan hanteren, waarop de inschrijvende partij een omrekenfactor kan loslaten.

Sarah Goossens (Harvey Nash) vult aan dat dat er niet alleen naar de prijs op het moment van gunning gekeken moet worden, maar ook naar het managen van de prijs gedurende de looptijd van het contract. Het herijken en benchmarken is nodig om de prijs te laten meebewegen met de markt.

Lees ook: Fee als gunningscriterium bij aanbestedingen – waarom niet?

Kwaliteit controleren?

Een juiste prijs afspreken is één ding, het leveren van kwaliteit is niet minder belangrijk. Bij de gunning wordt scherp gekeken naar prijs/kwaliteit, maar gedurende de looptijd van een contract verslapt het contractmanagement door de leverancier en de controle op kwaliteit vaak. “Hoe zorg je ervoor dat leveranciers nakomen wat is afgesproken? Dat is wat er leeft bij mijn klanten op dit moment”, zo merkt een inkoopadviseur op.

Advies van de intermediairs: spreek heldere KPI’s af en neem een leverplicht mee, bijvoorbeeld de leverancier moet 8 van de 10 kandidaten leveren tegen het afgesproken tarief. Presteert een gegunde partij niet, dan kan via de wachtkamerovereenkomst een andere leverancier (die bij de aanbesteding net buiten de boot is gevallen) ingeschakeld worden.

Volgens een aanwezige jurist die ervaring heeft met wachtkamerovereenkomsten blijkt de praktijk echter weerbarstig. Vooral overheden beginnen hier liever niet aan omdat je in een welles/nietes-discussie belandt en hen dan slecht opdrachtgeverschap wordt verweten.

Houd het simpel!

Karl van der Horst (Compliance Factory) adviseert aanbestedende diensten: focus op kwaliteit, doe eerst een duidelijke uitvraag, daarna volgt pas tariefonderhandelingen en laat de leverancier zijn prijsmodel goed onderbouwen.
Houd het dan simpel en leg het goed uit, stelt een van de intermediairs, die stelt dat juist inkoopadviesbureaus daarbij een belangrijke rol zouden moeten spelen.

Want de praktijk van aanbestedingen voor de inhuur van personeel is al lastig genoeg. Men ziet dat aanbestedende diensten niet goed weten wat ze precies moeten uitvragen en daarom maar heel veel leveranciers uitnodigen. Tegelijkertijd schrijven steeds minder leveranciers in op aanbestedingen als zij van tevoren al weten dat op de laagste marge wordt gegund. ‘Voor een marge van een € 0,25 of een paar euro kun je geen goede dienstverlening verwachten’, stelt een van de deelnemers aan het rondetafelgesprek.’ Kwaliteit kost geld!

Lees ook: Prijsmodellen bij aanbestedingen moeten eerlijker worden en recht doen aan intermediaire dienstverlening

Geplaatst in Professioneel inhuren | Tags , | Laat een reactie achter

Deeltijdwerkers langer laten werken, helpt maar een klein beetje

De aanhoudende krapte op de arbeidsmarkt is de grootste belemmering voor verdere groei, concludeerde ABN AMRO in haar sectorprognoses dit jaar. Maar als het kabinet de rem zet op arbeidsmigratie, is de vraag waar de extra arbeidskrachten dan wél vandaan moeten komen. In het debat over migratie wezen coalitiepartijen nadrukkelijk naar het onbenutte arbeidspersoneel als oplossing voor het personeelstekort. Zelfs de koning noemde parttimers langer laten werken in de Troonrede een manier “om relatief snel resultaat te boeken”. 

Onbenutte deeltijders

De arbeidsdeelname is in Nederland groot, maar het percentage deeltijders is het hoogste van alle EU-landen. In 2023 werkte slechts 52% fulltime (meer dan 35 uur). De vraag is in hoeverre zich onder die deeltijders een verborgen reservoir aan arbeidskrachten ophoudt.

Voor het eerst heeft het CBS de groep ‘onderbenutte deeltijdersin kaart gebracht. Onbenutte deeltijders zijn mensen die in deeltijd werken en aangeven dat ze meer uren willen werken en daarvoor op korte termijn beschikbaar zijn. 

In het tweede kwartaal van 2024 besloeg het totaal aan onbenut arbeidspersoneel bijna 1,2 miljoen mensen; naast werklozen omvat deze groep 517 duizend onderbenutte deeltijders. Ten opzichte van tien jaar geleden is de omvang van het onbenut arbeidspotentieel flink gedaald, toen waren het nog 2,1 miljoen mensen. De afgelopen twee jaar is de grootte nauwelijks meer veranderd.

Scholieren en studenten

Ongeveer de helft (48%) van de onderbenutte deeltijders volgt onderwijs. Ze werken vaak flexibele uren in dienstverlenende beroepen (zoals horecapersoneel en schoonmakers) en logistiek en transport (zoals vakkenvullers). Ofwel: het gaat om scholieren en studenten met een bijbaantje. De andere helft, die geen onderwijs volgt, zie je veel in creatieve en taalkundige beroepen, pedagogische beroepen en in de zorg- en welzijn, met elk 5% onderbenutte deeltijders. Maar in de afgelopen jaren is het percentage onderbenutte deeltijders daar sterk afgenomen, constateert het CBS. 

In 2023 gingen bijna 3 op de 10 onderbenutte deeltijders (29%) gemiddeld per kwartaal meer uren werken. Dat was meer dan bij de overige werkzame beroepsbevolking (7%). Toch droegen ze aanzienlijk minder bij aan de totale arbeidsduur dan de groep werklozen die aan het werk kwamen, concludeert het CBS. Er is zeker wel arbeidspotentieel, “maar het is een dynamische, relatief jonge groep met veel in- en uitstroom waardoor hun bijdrage aan de groei van de arbeidsduur beperkt is”.

Niet overschatten

In een artikel in ESB komen de auteurs tot een soortgelijke conclusie. “De inzet van onbenutte deeltijdwerkers als oplossing voor krapte moet niet worden overschat”, schrijven ze. Het onbenutte arbeidspotentieel onder deeltijdwerkers bevindt zich vooral in de zorg, het onderwijs en de handel.

De onderbenutting in de zorg becijferen de auteurs op 15.000 fte. De winst zit vooral bij beroepen als verzorgenden, sociaal werkers en fysiotherapeuten. In het onderwijs kan er tot 7.000 fte worden gewonnen bij beroepen als leerkrachten en onderwijsassistenten. Tot slot kan er in de handel tot 9.000 fte worden gewonnen aan onder andere verkoopmedewerkers, vakkenvullers en kassamedewerkers.

Maar, zo benadrukken de auteurs, in andere kraptesectoren, zoals de bouw, financiële dienstverlening en energievoorziening, werken nauwelijks onderbenutte deeltijdwerkers. Daar zal de krapte op andere manieren bestreden moeten.

Waarom meer uren werken niet altijd lukt

Veel instellingen in de zorg en onderwijs hebben de laatste jaren al geprobeerd de deeltijdfactor in hun organisatie op te schroeven. Dat lukte maar mondjesmaat. Een van de belangrijkste knelpunten is dat meer werken niet te combineren valt met zorg- en huishoudelijke taken.

Van de werknemers die wel méér willen werken, worden aanvragen niet altijd gehonoreerd, omdat werkgevers de werknemers in kleine contracten willen houden, zodat ze flexibeler kunnen roosteren, bleek uit onderzoek van FNV.

Soms is het werk aan tijd gebonden, zodat het voor werkgevers lastig is om de wens tot meer uren te realiseren. Denk aan barpersoneel, keukenhulpen en chauffeurs in het leerlingenvervoer die graag onder kantoortijd meer zouden willen werken, terwijl de arbeidsvraag zich juist buiten de kantoortijden concentreert.

Buiten dat is meer uren werken niet altijd lonend, vermeldt een SER-rapport. Als je net op een kantelpunt zit, kan het zelfs gebeuren dat je netto minder overhoudt als je bruto meer gaat verdienen. Dat wordt ook wel de deeltijdklem genoemd. Dit komt door het complexe stelsel van belastingen, heffingskortingen en toeslagen. Mensen die financieel kwetsbaar zijn, durven de berekening vaak niet eens te maken, omdat ze bang zijn iets over het hoofd te zien.

Competenties

Het gemiddelde aantal uren dat iemand per week werkt, daalt al zestig jaar. Dat dit nog zal veranderen – zeker nu ook de jongste generatie op de arbeidsmarkt vloeit – is niet erg aannemelijk, zei Ronald Dekker, arbeidsmarktonderzoeker bij TNO, eerder in FlexNieuws. Dus zul je volgens hem naar andere manieren moeten kijken om de krapte op de arbeidsmarkt te verzachten. “Niet alleen naar de cijfers, maar ook naar de kwaliteit van werk. Hoe het binnen organisaties is georganiseerd bijvoorbeeld. Het effect ervan op de arbeidsmarktproblematiek wordt een beetje onderschat.” Zo geeft 30 procent van de werkenden aan dat hun competenties niet voldoende worden benut. “Uitzenders en detacheerders kunnen in dit gat springen door meer mensen te matchen op basis van hun competenties en hun ontwikkelpotentieel.”

Lees ook:

Geplaatst in Toekomst van Werk | Tags , , , , | 2s Reacties

4e ArbeidsmarktPoort over mismatch onderwijs en arbeidsmarkt: “Hoe dichten we de kloof bij tekortberoepen?”

Maurice Limmen over onderwijsplannen uit regeerakkoord: “..visie ontbreekt volledig.”

Keiharde bezuinigingen

“In het regeerakkoord staan mooie woorden, maar tegelijkertijd keiharde bezuinigingen op het  hoger onderwijs (HBO en WO). Ook wil de regering veel  minder buitenlandse studenten toelaten” – discussieleider Hans Biesheuvel (ex-voorzitter ONL) vraagt de vertegenwoordigers uit het onderwijs dan ook of dit kabinet de urgentie van de problemen op de arbeidsmarkt wel onderkent?
Maurice Limmen (voorzitter Ver. Van Hogescholen) noemt de onderwijsplannen uit het regeerakkoord ‘zorgwekkend’. “Wat mij opvalt is een gebrek aan notie van het om- en bijscholen van de ene naar de andere sector, een visie daarop ontbreekt volledig.” Ook voorziet Limmen problemen bij het weren van buitenlandse studenten. “Door de internationalisering van de arbeidsmarkt is nu eenmaal ook behoefte aan buitenlands talent. Ik hoop wel dat de politiek die groep ‘heel’ laat”, erop wijzend slechts 8% van de HBO-studenten uit het buitenland komt.

Rosanne Hertzberger, Tweede Kamerlid NCS, relativeert dit. “Er komen inderdaad bezuinigingen voor het hoger onderwijs, maar wij willen veel minder bezuinigen dan Dijkgraaf (voormalig minister van Onderwijs, red.) heeft geïnvesteerd. We zijn genoodzaakt een been bij te trekken.”

Imago HBO

Limmen drukt de politiek en maatschappij op het hart het HBO niet over het hoofd te zien. “Er is veel aandacht voor het WO en de onderkant van de arbeidsmarkt, maar vergeet het midden niet. Als je die groep veronachtzaamd, zullen veel studenten in stilte afhaken.” Dat heeft ook te maken het imago, denkt hij. Vroeger ging 45% van de VWO-leerlingen naar het HBO, nu nog maar 5% (de rest gaat naar de universiteit). “We moeten een betere verdeling maken tussen HBO en WO. Niet een HBO-opleiding opzetten en daar een WO-variant van maken, maar afspreken: wie doet wat?

Snel aanpassen aan beroepspraktijk

Volgens Limmen speelt het HBO juist een sleutelrol bij het oplossen van de problemen op de arbeidsmarkt. “De overheid heeft zorg, onderwijs en techniek als tekortsectoren bestempeld, maar inmiddels geldt dit voor elke sector. Wij zorgen ervoor dat jongeren gemakkelijker van de ene sector naar de andere kunnen overstappen, bijvoorbeeld door techniek ook in andere opleidingen aan te bieden.”
Ook zijn er afspraken met het UWV om mensen via een HBO-opleiding de kans te geven te switchen naar technische sectoren. En dat werpt de eerste vruchten af. “Dit loopt als een tierelier, maar de aantallen (6.500) zijn nog gering. Dat zouden we graag veel meer willen doen.”
Want techniek is en blijft een uitdaging, erkent Limmen. “Er is veel vraag naar technici, terwijl de instroom van studenten in de techniek daalt. En de technologische ontwikkelingen gaan snel. De komst van AI heeft fundamentele impact op alle bedrijfstakken. Door samenwerking met regionale werkgevers spelen wij als HBO daarop in. En wij kunnen de studies snel aanpassen aan de beroepspraktijk.”

Groenpluk bij MBO

Hans Schutte (Bestuursvoorzitter ROC Mondriaan), breekt een lans voor MBO-studenten, zeker van niveau 1 en 2. “Als wij niet ons best doen voor hen, komen die jongeren niet goed op de arbeidsmarkt terecht.” En dat zijn wel degenen waar het bedrijfsleven om zit te springen. “Op dit moment klopt iedereen bij ons aan. Werkgevers willen die mensen van ons hebben. We hebben veel last van groenpluk (bedrijven jongeren overhalen vroegtijdig de school te verlaten om bij hen te komen werken (red.)).
“Dit proberen we te ondervangen door de mogelijkheid te bieden te switchen van een voltijds- naar een deeltijdopleiding, gecombineerd met werk. Dan halen zij wel hun diploma.”

Schutte erkent overigens dat werkgevers een steeds grotere gap ervaren tussen hun eisen en de wensen van de jongere generatie (met name Gen Z). “Dat proberen we op te lossen door stages, zie het als maatschappelijke dienstplicht, waarin jongeren leren wat bedrijven van hen verwachten.”

Net als in het HBO ziet Schutte mooie samenwerkingen tussen MBO’s en bedrijfsleven om jongeren klaar te stomen voor de arbeidsmarkt. Dat varieert van (technische) bedrijven die samen met een MBO mensen opleidt – niet alleen voor henzelf, maar voor de hele sector – tot een recente samenwerking met ASML voor het opleiden van duizend mensen in Zuid-Holland. En, net als binnen het HBO, stimuleert ook het MBO volgens Schutte jongeren te kiezen voor kraptesectoren als de zorg en de techniek en zetten zij in op om- en bijscholing.
Schutte vindt wel dat de politiek meer mag bijdragen, met name waar het gaat om een Leven Lang Leren. “Men zegt dat hierover nog een akkoord komt, maar daar moeten we nu al gas op geven.”

Leven Lang Leren een recht?

Daar sluit Mikal Tseggai, Tweede Kamerlid GroenLinks-PvdA, zich graag bij aan. Zij stelt zelfs de meer ideologische vraag: “Zou een Leven Lang Leren geen recht moeten zijn voor iedereen?
“Als je van een Leven Lang Leren (LLL) werk wilt maken en vindt dat de overheid daar een rol in heeft, dan moet je daar ook richting aan geven en taken beleggen.” Volgens Tseggai hangt het huidige LLO-systeem van teveel regelingen aan elkaar. En het geld daarvoor komt vooral terecht bij hoger opgeleiden, minder bij MBO’ers. En juist die MBO’ers verdienen het beste onderwijs.”
In de kabinetsplannen ziet zij dan ook een positief punt. “Ik vind de onderwijsplannen mager, maar gelukkig wordt er in ieder geval niet bezuinigd op het MBO.”
Collega-Kamerlid Daan de Kort (VVD) is het ermee eens dat het investeren in een Leven Lang Leren meer vergt dan tot nu toe is gedaan. “Met het STAP-budget is het niet goed gegaan. Mensen gingen opeens allemaal yoga- en klankschaalsessies volgen, die ook nog eens veel duurder werden en net onder het budget werden geprijsd.” Dat schiet niet op. “We moeten mensen wel echt opleiden voor de arbeidsmarkt, want daar is al veel te lang een mismatch.”

Langstudeerboete remt ambitie

Forse kritiek op het kabinet is er ook op het (in het hoofdlijnenakkoord aangekondigde) plan voor het (opnieuw) invoeren van een langstudeerdboete. Iedereen die in hun bachelor of master langer studeert dan de tijd die daarvoor staat, zou € 3.000 extra collegegeld moeten betalen per jaar dat zij langer studeren. Het idee hierachter is – naast het spekken van de staatskas – dat studenten een financiële prikkel hebben om zo snel mogelijk af te studeren zodat zij eerder de arbeidsmarkt op kunnen.
Tseggai (GroenLinks-PvdA) ziet nu als nadelige effecten hiervan. “Wij zijn heel erg tegen een langstudeerboete. MBO’ers die overwegen een bachelor te doen, zien daar nu van af. Ook zullen studenten minder snel voor moeilijke studies zoals in de techniek kiezen, terwijl daar juist behoefte aan is. Maurice Limmen vreest hetzelfde: “Een langstudeerboete schrikt af. Jongeren zullen zich dan wel een paar keer achter de oren krabben voordat zij aan een studie beginnen. Dat geldt zeker voor de 40% van de HBO’ers die eerste generatie student is. Je ontmoedigt hen dan in hun ambitie om te gaan studeren.”
Rosanne Hertzberger (NCS) pareert de kritiek door te wijzen op het feit dat in Nederland wel heel lang wordt gestudeerd in vergelijking met het buitenland. “Dat is een goede Nederlandse traditie, maar je kunt je afvragen of het wel een hoger studierendement oplevert. Is langer studeren goed voor de studenten zelf? En voor de arbeidsmarkt?”

VvDN-voorzitter Edwin van den Elst: “Geef ons de ruimte om de oplossing voor de arbeidsmarkt te zijn.”

Detacheren is geen flex!

“Het gaat over investeren in opleiding en ontwikkeling en hoe we een Leven Lang Leren mogelijk kunnen maken. Die oplossing is er al, die heet: detacheren! Detacheerders investeren veel meer dan de gemiddelde werkgever in opleiding en ontwikkeling van hun mensen”, reageert Edwin van den Elst (VvDN) vanuit de zaal. “Maar de politiek helpt niet door detacheren nog altijd als uitzenden te blijven zien. Sta ons toe de LLL-functie uit te voeren. Geef ons die ruimte om de oplossing voor de arbeidsmarkt te zijn”, zo roept Van den Elst de politici op.

Op dat moment ontstaat tussen de Kamerleden een discussie. VVD’er De Kort is het met de VvDN-voorzitter eens en hekelt de opstelling van zijn politieke tegenstanders. “Links vindt flex vies, terwijl flex heel hard nodig is op de arbeidsmarkt.” Tseggai (GroenLinks) nuanceert dat. “Bji de zorgen die wij hebben over flexwerk denk ik aan uitzenders die met busjes ’s ochtends vroeg mensen naar het Westland brengen, niet aan detacheren.” Toch is Tseggai ook kritisch als het gaat om detacheren omdat ‘jongeren behoefte hebben aan vastigheid’. Ook Hertzberger reageert op VvDN-voorzitter Van den Elst door te stellen dat zij ‘niet voor flex’ is.
Zowel Tseggai als Herzberger zijn blijkbaar in de veronderstelling dat het bij detacheren om flexcontracten gaat. “Een misvatting”, zo houdt Van den Elst hen voor. “Bij detacheren gaat het juist om een contract voor onbepaalde tijd.”

Dat het merendeel van de gedetacheerden gewoon een vast contract heeft, was blijkbaar onbekend deze politici. De boodschap ‘detacheren is geen flex’ is nog niet bij iedereen in Den Haag aangekomen. Werk aan de winkel voor VvDN dus.
Deze 4e editie van de ArbeidsmarktPoort zal dan ook niet de laatste zijn. In het voorjaar van 2025 vindt de volgende plaats. Want meer discussie en kennisuitwisselingen tussen (flex)ondernemers en politici en andere stakeholders is hard nodig om samen oplossingen te vinden voor de grote uitdagingen op de arbeidsmarkt. Wordt vervolgd…

Openingsfoto: v.l.n.r. Maurice Limmen (Ver. Van Hogescholen), Hans Schutte (ROC Mondriaan), Mikal Tseggai (GroenLinks-PvdA), Daan de Kort (VVD), Rosanne Hertzberger (NCS) en discussieleider Hans Biesheuvel (ex-voorzitter ONL).

Lees ook:

Geplaatst in Toekomst van Werk | Tags , , | Laat een reactie achter