Maandelijkse archieven: juli 2026

De Wet Platformwerk raakt niet alleen platformbedrijven

De Wet Platformwerk is de Nederlandse vertaling van de verplichte Europese Platform Work-richtlijn. Die wordt vaak geassocieerd met Uber, maaltijdbezorgers en andere platformbedrijven. Volgens platformexpert Martijn Arets is dat een te beperkte kijk. De technologie achter platformwerk wordt inmiddels veel breder ingezet om arbeid te organiseren.

Daardoor krijgen mogelijk ook intermediairs, HR-techbedrijven en werkgevers – als ze  algoritmes gebruiken voor matching, planning of beoordeling – met de wet Platformwerk te maken. Ook als ze helemaal geen platform zijn of niet met zzp’ers werken.  

Platformwerk heeft de toegang tot werk vergroot

De discussie over platformwerk gaat vaak over de schaduwkanten, maar Arets vindt dat het belangrijk is eerst te kijken wat platformen hebben opgeleverd. “Platformen verlagen op heel veel plekken de toegang tot werk. Heel veel mensen kunnen relatief eenvoudig aan het werk gaan en hebben veel flexibiliteit om te bepalen wanneer ze werken. Daardoor konden groepen die eerder werden genegeerd op de arbeidsmarkt ineens wel aan het werk.”

Tegelijkertijd plaatst hij daar direct een kanttekening bij. “We hebben ook heel duidelijk gezien dat daar een schaduwzijde aan zit. Uiteindelijk is die autonomie ook maar beperkt en afhankelijk van verschillende factoren.”

De definitie van platformwerk is steeds breder geworden

Platformwerk begon als een digitale marktplaats die vraag en aanbod in gefragmenteerde markten bij elkaar bracht. Arets: “Bijvoorbeeld voor taxichauffeurs of maaltijdbezorgers. Het platform faciliteert die transactie en bepaalt ook onder welke condities het werk wordt uitgevoerd. Maar je ziet steeds meer dat die definitie breder wordt getrokken. Het platform wordt steeds meer een mechanisme voor de organisatie van arbeid.”

Dat ziet hij op twee manieren gebeuren. Aan de ene kant breidt platformwerk zich uit naar steeds meer sectoren. Waar het eerst vooral zichtbaar was in consumentenmarkten, wordt dezelfde technologie inmiddels gebruikt voor de business markt: dagklussen, de uitzendbranche en de zorg. Aan de andere kant worden platformmechanismen ook binnen organisaties toegepast. “Je ziet bijvoorbeeld interne platformen waarbij werknemers in loondienstverband meer controle krijgen over welk werk ze doen. Maar ook platformen waarmee organisaties personeel onderling kunnen uitwisselen of regionale pools organiseren.”

Volgens Arets wordt de rol van technologie regelmatig overschat. “Technologie is uiteindelijk altijd het gevolg van keuzes die worden gemaakt door mensen. En daar zit ook de discussie: over die keuzes en over de verantwoordelijkheid daarachter.” 

Van digitaal prikbord naar marktmeester

Volgens Arets zit de grootste kritiek op platformwerk niet in de technologie zelf, maar in de machtspositie van platformen. “Platformen positioneerden zich in het begin heel erg als een prikbord. Maar uiteindelijk zie je dat een platform de informatiepositie heeft in een gefragmenteerde markt. Daardoor heeft het een informatievoordeel en datamacht.”

Daarnaast bepalen platformen steeds vaker zelf de spelregels. “Het platform bepaalt de voorwaarden van de transactie. In de meest extreme vorm zie je dat bij ‘on demand work’ zoals taxi en delivery, waar het algoritme eigenlijk alles bepaalt.” Daardoor ontstaat volgens hem een ongelijke positie tussen platform en werkende. “Het platform heeft alle data en de werkende niet. Dat zie je ook terug in rechtszaken.”

Vaak wordt platformwerk direct gekoppeld aan zzp’ers, maar dat is volgens Arets een te beperkte benadering. “Het fenomeen platformen voor het organiseren van arbeid trekt zich eigenlijk niets aan van de contractvorm.” Als voorbeeld noemt hij dataportabiliteit. “Voor de toegang tot werk maakt het niet uit of iemand freelancer is, in loondienst werkt of uitzendkracht is.”

De richtlijn gaat over veel meer dan platformwerk

Ook Hugo-Jan Ruts benadrukt dat de Europese richtlijn veel breder is dan de naam doet vermoeden. “Het is eigenlijk een slechte naam,” zegt Ruts. “Want het gaat niet alleen over platformwerk. Het gaat ook over de regulering van de technologie die eronder zit.” Denk aan systemen die kandidaten selecteren, automatisch afwijzen, een tarief of salarisindicatie bepalen of beoordelingen ondersteunen. Als zulke beslissingen grotendeels via een algoritme plaatsvinden, zonder menselijke tussenkomst, kunnen organisaties onder de nieuwe richtlijn vallen. Daardoor kunnen ook organisaties die zichzelf helemaal niet als platform zien met de nieuwe regels te maken krijgen.  

De conceptwet ligt momenteel ter internetconsultatie, waarna de politiek zich over de definitieve invulling buigt. Ruts: “Als je de richtlijn in de meest ruime zin uitlegt, hebben we het over duizenden, misschien wel 20.000, bedrijven die hier op een of andere manier mee te maken krijgen. Veel mensen denken nu nog aan Uber of Uber Eats, maar het is echt veel breder.”

Hij noemt het voorbeeld van werkgevers die medewerkers volledig via apps aansturen. “Je kunt een bezorgafdeling hebben met mensen die gewoon in loondienst zijn, maar feitelijk worden aangestuurd als een soort platform.” 

Europa gebruikte platformwerk als ingang

Volgens Arets is de Platform Work-richtlijn het resultaat van jarenlange discussies in Brussel. “Het was lange tijd spannend of die er überhaupt zou komen. De belangen zijn natuurlijk heel groot en de arbeidsmarkt is een onderwerp dat veel landen liever niet op Europees niveau bespreken. Ik heb vaak gevraagd: waarom pakken jullie niet meteen de hele arbeidsmarkt? Dan zeiden ze in Brussel: ‘Dat snappen wij ook wel, maar dat is politieke zelfmoord.’ Platformen waren een mooi haakje om voor een bepaalde groep werkenden urgentie te creëren.”

De richtlijn is inmiddels vastgesteld. Nu moeten de lidstaten die vertalen naar nationale wetgeving. “Landen hebben behoorlijk veel vrijheid gekregen, maar er zijn ook harde voorwaarden. Binnen die kaders moet ieder land de implementatie verder vormgeven.”

Twee onderdelen van de Nederlandse wet

Volgens Hugo-Jan Ruts bestaat de Nederlandse uitwerking grofweg uit twee onderdelen. Het eerste deel gaat over de arbeidsrechtelijke positie van platformwerkers en het rechtsvermoeden van werknemerschap. Dat sluit volgens hem aan bij de bredere discussie over schijnzelfstandigheid. “Dat stuk vind ik eigenlijk niet zo spannend,” zegt Ruts. “Dat gaat over een beperkt aantal platformen en sluit ook aan bij het rechtsvermoeden bij lage tarieven.”

Veel interessanter vindt hij het tweede deel van de wet. “Dat gaat over al die platformtechnologie. Over werving en selectie, tariefbepaling, ratings en algoritmes. Die gaat veel breder.” Volgens Ruts draait dat niet meer om de vraag of iemand werknemer of zelfstandige is. “Het gaat vooral over: doe je dat netjes? Ben je daar transparant over? Leg je uit wat het doel is?”

Arets waarschuwt ervoor de nieuwe verplichtingen niet te onderschatten. “Sommige dingen overlappen met andere wetgeving, zoals de AI Act en de AVG. Maar er zijn ook echt nieuwe verplichtingen.” 

Een voorbeeld is het verplichte communicatiekanaal dat in de richtlijn is opgenomen. Platformen moeten een mogelijkheid bieden waarmee werkenden met elkaar én met hun vertegenwoordigers kunnen communiceren. Volgens Arets is de gedachte daarachter eenvoudig. “Vroeger konden werkenden elkaar vinden op de werkvloer. Vertegenwoordigers konden bij de fabriekspoort gaan staan en mensen aanspreken. Nu werk steeds digitaler wordt georganiseerd, moet je die fabriekspoort eigenlijk digitaliseren.”

Ook werkgevers en intermediairs kunnen worden geraakt

Voor intermediairs, MSP’s, HR-techbedrijven en softwareleveranciers heeft Arets een duidelijk advies. “Lees de documenten van de consultatie en kijk wat de impact op jouw organisatie is.” Veel onderdelen zouden volgens hem eigenlijk al vanzelfsprekend moeten zijn. “Het gaat om basisdingen als uitlegbaarheid, accountability en risicotoetsing. Als je op een ethisch juiste manier met systemen omgaat, zou je dat eigenlijk al lang moeten doen.” Vervolgens is het zaak te kijken welke aanvullende verplichtingen gelden als een organisatie daadwerkelijk onder de wet komt te vallen.

Daarnaast ziet hij een belangrijke rol voor brancheverenigingen. Wanneer veel organisaties aan dezelfde regels moeten voldoen, kunnen gezamenlijke voorzieningen de nalevingskosten beperken. 

Hoewel de uiteindelijke Nederlandse invulling nog niet vaststaat, merkt Arets dat veel organisaties pas sinds de internetconsultatie beseffen dat de richtlijn ook voor hen gevolgen kan hebben. “Eigenlijk zit iedereen nog in een verkennende fase. Terwijl er al jaren over wordt gesproken.” Juist daarom pleit hij ervoor niet af te wachten. Die oproep geldt niet alleen voor platformbedrijven of intermediairs. Ook opdrachtgevers en werkgevers die AI of algoritmes inzetten om werk te organiseren doen er verstandig aan zich nu al in de nieuwe regels te verdiepen. “Neem het initiatief. Er is nog heel veel ruimte voor invulling. Je kunt wachten tot iedereen het doet en je daarnaar schikken, maar je kunt ook zelf de lead nemen”, besluit Arets.

Geplaatst in Professioneel inhuren | Tags , , | Laat een reactie achter

Bureau moet interimmer na goedgekeurde urenstaat uitbetalen, ondanks verdenking van spookuren

Wat gebeurt er als een opdrachtgever achteraf twijfelt aan uren die hij zelf heeft goedgekeurd? Wie draagt het bewijsrisico wanneer een bureau een factuur weigert te betalen op basis van een vermoeden? En wat te doen met de claim van de interimmer dat er eigenlijk sprake was van een arbeidsovereenkomst? Daar moest de rechtbank Amsterdam op 5 maart 2026 antwoord op geven.

De kern van de zaak

Een zzp’er werkte via zijn eenmanszaak van januari 2024 tot en met januari 2025 als interim financial controller bij een aardappelverwerkend bedrijf. Hij werd ingehuurd via een bemiddelingsbureau, waarmee hij een overeenkomst van opdracht had gesloten.

De interimmer vroeg de rechter allereerst om vast te stellen dat hij een arbeidsovereenkomst had met het bedrijf en/of het bureau, met het daaraan gekoppelde loon, vakantiegeld en een transitievergoeding van in totaal ruim 18.500 euro bruto. Mocht de rechter concluderen dat er geen arbeidsovereenkomst was, dan vorderde hij als alternatief de betaling van een openstaande factuur van 15.871,40 euro voor gewerkte uren in januari 2025. Het bureau eiste op haar beurt in een tegenvordering 78.771 euro, met als argument dat de interimmer over 2024 en januari 2025 veel meer uren had gedeclareerd dan hij daadwerkelijk had gewerkt.

Aanleiding

De interimmer diende maandelijks een urenstaat in bij zijn opdrachtgever. Die was verantwoordelijk voor de goedkeuring daarvan. Zodra dat gebeurde, stelde het bureau een factuur op namens de opdrachtgever (de zogeheten self-billing methode) en betaalde het de interimmer uit zodra de opdrachtgever had betaald.

Over januari 2025 gaf de interimmer 168 gewerkte uren door, inclusief acht uur op Nieuwjaarsdag. De opdrachtgever keurde deze urenstaat op 11 februari 2025 goed zonder opmerkingen en het bureau factureerde daarop 16.770,60 euro inclusief btw.

Toch bleef betaling uit. De opdrachtgever liet het bureau namelijk weten dat er naar aanleiding van de gedeclareerde uren op 1 januari een onderzoek was gestart naar laptopactiviteit en inloggegevens in het ERP-systeem over de voorgaande maanden. De conclusie van dat onderzoek: de interimmer zou ‘een behoorlijk aantal uren en/of dagen niet actief’ zijn geweest. Er volgde een factuur van 78.771 euro van de opdrachtgever aan het bureau voor de naar eigen zeggen ten onrechte gedeclareerde uren. Het bureau legde hetzelfde bedrag vervolgens bij de interimmer neer.

Het verweer

Zowel het bureau als de opdrachtgever legde de rechter uit dat er geen sprake kon zijn van een arbeidsovereenkomst. Volgens hen was en bleef de rechtsverhouding een overeenkomst van opdracht, waarin de man zelfstandig zijn werkzaamheden indeelde en zonder leiding of toezicht opereerde.

Tegen de vordering tot betaling van de factuur voerden zij aan dat de goedgekeurde urenstaten niet de werkelijkheid weerspiegelden. Ter onderbouwing wezen zij op laptopgebruik dat niet overeenkwam met de gedeclareerde uren en op dagen waarop de man niet was ingelogd in het ERP-systeem, terwijl dat systeem volgens hen bij vrijwel al zijn werkzaamheden nodig was.

Wel of geen arbeidsovereenkomst?

Voor de vraag of sprake was van een arbeidsovereenkomst toetste de kantonrechter aan de gezichtspunten uit het Deliveroo-arrest van de Hoge Raad. Van een gezagsverhouding met het bureau was volgens de rechter niets gebleken en ook richting de opdrachtgever hield de interimmer zijn stelling dat hij structureel instructies kreeg onvoldoende concreet. Zwaarder wogen de duidelijk projectmatige aard en beperkte duur van de opdracht, de betaling via een all-in uurtarief zonder loonheffing, het feit dat hij alleen werd betaald voor gemaakte uren en zijn LinkedIn-profiel waaruit bleek dat hij sinds 2016 voor vijftien verschillende opdrachtgevers als zelfstandige had gewerkt. Dat hij een vaste werkplek had en soms bij teamoverleg aanschoof, was in dat licht onvoldoende om toch van een arbeidsovereenkomst te spreken.

Goedgekeurde uren terugdraaien?

Over de betwiste uren oordeelde de rechter dat de door het bedrijf goedgekeurde urenstaat geldt als een document dat partijen zelf hebben opgesteld en goedgekeurd en dat daarom als bewijs telt. Zo’n goedgekeurd document moet de rechter in beginsel volgen als bewijs van de daarin vermelde uren, tenzij het tegendeel wordt aangetoond.

Het bureau kreeg de kans om dat tegenbewijs te leveren, maar slaagde daar wat de rechter betreft onvoldoende in. De verklaringen van medewerkers bij de opdrachtgever over het belang van het ERP-systeem waren volgens de rechter te weinig concreet, terwijl de interimmer met voorbeelden liet zien dat hij ook buiten dat systeem om kon werken, bijvoorbeeld in geëxporteerde Excelbestanden of bij het fysiek ophalen van vrachtbrieven. Bovendien bleef onweersproken dat hij de beoogde projectresultaten daadwerkelijk had behaald, wat volgens de rechter moeilijk te rijmen is met structurele afwezigheid. En als zelfstandige ging de interimmer er uiteindelijk zelf over hoe hij zijn resultaten bereikte.

De uitspraak

De rechter oordeelde dat er geen arbeidsovereenkomst was en wees de daaraan gekoppelde loonvordering af. Op dat punt haalde de interimmer dus bakzeil.

Anders lag dat bij de uren. De rechter bepaalde dat het bureau de openstaande factuur over januari alsnog volledig moest betalen, inclusief de betwiste uren, plus rente. De 78.771 euro die het bureau bij de interimmer had neergelegd vanwege het feit dat de opdrachtgever de uren betwistte, hoeft de interimmer niet te betalen: er is onvoldoende bewijs dat er te veel was uitbetaald en het feit dat de uren al waren goedgekeurd, woog zwaar.

Wat er is gebeurd met de claim die de opdrachtgever bij het bureau neerlegde, is onbekend. Dat was geen onderdeel van deze rechtszaak.

Bron: Rechtbank Amsterdam, 5 maart 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:2424

 

Geplaatst in Professioneel inhuren | Tags , , | Laat een reactie achter

Talentstrategie van kabinet: vier sectoren centraal. Switch van laag productieve arbeidsmigratie naar kennismigranten.

De aanleiding om met een talentstrategie te komen is de fundamentele zorg die het kabinet heeft over de toekomstige arbeidsmarkt. Door de vergrijzing moet er over meer werk verzet worden door relatief minder mensen, terwijl er nu al een groeiende mismatch bestaat tussen gevraagde en beschikbare vaardigheden en nog te veel mensen onnodig langs de kant staan.

Doel van de strategie is dat de Nederlandse economie gemiddeld 1,5 procent per jaar blijft groeien, zodat publieke voorzieningen op peil blijven. Haalt het kabinet dat groeidoel, dan is de economie over vijf jaar zo’n 92 miljard euro groter dan nu.

Vier strategische domeinen

Het kabinet kiest ervoor specifiek te investeren in vier domeinen waar voor Nederland kansen liggen om te groeien. De keuze sluit aan op adviezen van econoom Mario Draghi, oud-ASML-topman Peter Wennink en de Staatscommissie Demografische Ontwikkelingen 2050. In de Kamerbrief die vandaag naar de Tweede Kamer is gestuurd, licht het kabinet de vier domeinen als volgt toe:

  1. Digitalisering & AI. Digitalisering en AI zijn drijvende krachten achter innovatie en productiviteit. Het domein omvat hardware, zoals chips en datacenters, en software, zoals AI en cloudtechnologie. Investeren hierin versterkt onze digitale soevereiniteit en versnelt ook innovaties in andere sectoren, bijvoorbeeld door AI in te zetten voor efficiënter gebruik van het elektriciteitsnet.
  2. Veiligheid & weerbaarheid. Dit domein richt zich op innovatieve toepassingen voor defensie en veiligheid om Nederland te beschermen tegen oorlog, cyberaanvallen en geopolitieke dreigingen. Het versterkt de defensie-industrie en stimuleert technologische ontwikkelingen, zoals drones, sensoren en satellieten.
  3. Energie- & klimaattechnologie. Dit domein ondersteunt de energietransitie en het doel om in 2050 klimaatneutraal te zijn. De focus ligt op technologieën voor duurzame energie, CO₂-reductie en energiezekerheid, zoals nieuwe nucleaire energie, groene chemie en de aanpak van vervuiling zoals PFAS.
  4. Life sciences & biotechnologie. Dit domein richt zich op medische en biotechnologische innovaties voor uitdagingen als vergrijzing en voedselzekerheid. Voorbeelden zijn klimaatrobuuste gewassen en medische toepassingen van AI en robotica. Daarnaast draagt het bij aan een gezonde leefomgeving en beter beheer van water-, bodem- en luchtkwaliteit.

Naast deze vier groeidomeinen erkent het kabinet dat ook cruciale publieke voorzieningen voldoende vakmensen nodig hebben: het funderend onderwijs, de kinderopvang, het sociaal domein, de eerstelijns- en ouderenzorg en de woningbouw. Voor deze sectoren is slimmer en innovatiever werken alleen niet genoeg. Hier blijven volgens het kabinet ook extra vakmensen nodig. Zo kampt het onderwijs nu al met een tekort van circa 7.400 fte, en wordt in de kinderopvang in 2035 een tekort van ongeveer 35.000 medewerkers verwacht.

Vier actielijnen, waaronder een andere migratiestrategie

Om dit te realiseren bundelt het kabinet de krachten met medeoverheden, werkgevers, werknemers, onderwijsinstellingen en jongerenorganisaties langs vier lijnen.

  1. Het kabinet wil werk slimmer, innovatiever en productiever organiseren, onder meer door te investeren in onderzoek. De komende jaren gaat daar 428 miljoen euro extra naartoe.
  2. Er moet beter en gerichter worden opgeleid voor de cruciale domeinen, van het funderend onderwijs tot en met hbo en wo.
  3. Leren en ontwikkelen moet de norm worden, ook na de initiële opleiding, onder meer via een nieuwe regeling voor een leven lang ontwikkelen. Het kabinet zet daarbij expliciet in op een “skillsgerichte arbeidsmarkt“, waarin niet zozeer diploma’s maar vaardigheden centraal staan. Het beroept zich hierbij op een SER-rapport over dit onderwerp en op het systeem CompetentNL, dat als gemeenschappelijke taal moet gaan gelden voor wat mensen kennen en kunnen.
  4. Een strategisch aanpak van arbeids-, kennis- en studiemigratie, gericht internationaal toptalent aantrekken voor de cruciale domeinen. Samen met de Benelux-landen pleit Nederland voor een ambitieuze EU-agenda rond het verwachte Skills Portability Initiative, dat vaardigheden en beroepskwalificaties van binnen en buiten de EU makkelijker overdraagbaar moet maken. Concrete instrumenten zijn verder onder meer een herziening van de vmbo-profielenstructuur, een samenwerkingsbudget voor mbo-instellingen, de doorontwikkeling van de Netherlands Point of Entry als aanspreekpunt voor internationaal toptalent en een verkenning naar een vakkrachtenpilot. Tegenover deze gerichte werving van kennismigranten voor de vier domeinen, staat een rem op arbeidsmigratie die niet bijdraagt aan een hoogproductieve economie. Een keuze die wat het kabinet betreft in lijn is met het verschillende adviezen, zoals ‘Gematigde groei’ door de Staatscommissie Demografische Ontwikkelingen 2050 en het SER advies (2025) ‘’Arbeidsmigratie naar waarde’’

Productitiveitsagenda

Tegelijk met deze talentstrategie komt het kabinet ook met de tweede productiviteitsagenda, als vervolg op de agenda van september 2025. Aanleiding: de arbeidsproductiviteitsgroei stagneert (gemiddeld 0,3% per jaar het laatste decennium), terwijl vergrijzing het arbeidsaanbod beperkt. Zonder hogere productiviteit is de beoogde 1,5% economische groei onhaalbaar. De agenda werkt langs zes thema’s: een goed opgeleide beroepsbevolking, een goed functionerende arbeidsmarkt, digitalisering en innovatie, de interne markt, toegang tot financiering, en een slagvaardige overheid. Nieuw zijn onder meer de Nationale Investeringsinstelling, het Agentschap voor Disruptieve Innovatie en de Talentstrategie. De pas benoemde Productiviteitsraad gaat het kabinet jaarlijks adviseren.

Vervolg

De Talentstrategie – afkomstig van de minister van bewindspersonen van Onderwijs, Economische Zaken en Klimaat, Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Werk en Participatie – maakt onderdeel uit van de bredere Ministeriële Taskforce Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat. De komende maanden werkt het kabinet de plannen verder uit, onder meer via het nog te sluiten mbo-Pact “Opleiden voor de arbeidsmarkt van de toekomst”, de uitwerking die hbo en wo voorbereiden, de aanpak van een leven lang ontwikkelen en een gerichte strategie voor het aantrekken van internationaal talent.

De zelfstandigen (zonder personeel) hebben geen plekje gekregen in de talenstrategie van het kabinet.

Geplaatst in Toekomst van Werk | Tags | Laat een reactie achter

Wtta: tijdlijn richting verplichte toelating voor uitleners

Bureau Cicero heeft een tijdlijn gemaakt met de belangrijkste mijlpalen rond de invoering en implementatie van de Wet toelating terbeschikkingstelling van arbeidskrachten (Wtta). De nieuwe wet introduceert een verplicht toelatingsstelsel voor uitleners en heeft ook gevolgen voor inleners. Om organisaties houvast te bieden bij de voorbereiding, zet Bureau Cicero de belangrijkste data en deadlines overzichtelijk op een rij.

Nu – Voorbereiden

De impact van de Wet toelating terbeschikkingstelling van arbeidskrachten is groot. Daarom is het belangrijk om tijdig inzicht te krijgen in hoeverre uw organisatie voldoet aan de nieuwe toelatingseisen. De Wtta-module ondersteunt u hierbij. Meer informatie over de WTTA module vindt u hier.

1 november 2026 – Start aanmelding overgangsrecht

Vanaf deze datum kunnen uitleners die gebruik willen maken van het overgangsrecht zich aanmelden bij het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Deze aanmelding is mogelijk tot 1 januari 2027. Gedurende deze periode kunnen uitleners, onder voorwaarden, hun activiteiten voortzetten terwijl hun toelatingsaanvraag in behandeling is.

1 januari 2027 – Inwerkingtreding Wtta en start aanvraag toelating

Per deze datum treedt de Wtta officieel in werking. Vanaf dit moment kunnen uitleners formeel een toelating aanvragen bij het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid om hun werkzaamheden voort te zetten binnen het nieuwe wettelijke kader.

Uiterlijk 1 juli 2027 – Deadline indienen toelatingsaanvraag

Alle uitleners dienen uiterlijk op deze datum hun aanvraag voor toelating te hebben ingediend. Tijdige indiening is het noodzakelijk om te blijven voldoen aan de wettelijke vereisten en om continuïteit van de dienstverlening te waarborgen.

1 januari 2028 – Start handhaving

Vanaf deze datum start de Nederlandse Arbeidsinspectie met actieve handhaving. Uitleners zonder geldige toelating riskeren bestuurlijke boetes. Dit geldt tevens voor inleners die gebruikmaken van diensten van niet-toegelaten uitzendorganisaties.

Bureau Cicero benadrukt het belang van tijdige voorbereiding op deze overgang en volgt de verdere implementatie van de wetgeving nauwgezet.

Geplaatst in Professioneel inhuren | Tags , | 1 Reactie

Een zzp-status zonder tariefgrens: wie wordt daar eigenlijk mee beschermd?

Onlangs presenteerde de Vereniging Zelfstandigen Nederland (VZN) een voorstel voor de Zelfstandigenwet. De kern: geef zelfstandigen vooraf een eigen status, in plaats van pas achteraf te beoordelen of sprake was van loondienst.

VZN wil daarmee vooraf duidelijkheid bieden aan zelfstandigen én opdrachtgevers. Zelfstandigen kunnen hun ondernemerschap aantonen en opdrachtgevers krijgen minder onzekerheid over naheffingen, premies en de kwalificatie van de arbeidsrelatie. Helemaal prima.

Daarnaast wil VZN kwetsbare werkenden beschermen via drie harde sporen: het rechtsvermoeden, sectorale regels bij misbruik en ruimte voor collectieve afspraken. Waarom ze dat hard noemen is mij niet duidelijk, want juist de voorgestelde sporen zijn best zacht.

De safe harbour

Een onderdeel van het voorstel is de safe harbour. Die houdt in dat een opdrachtgever vooraf controleert of iemand een zelfstandigenstatus heeft. Voldoet de opdrachtgever daarnaast aan een aantal voorwaarden, bijvoorbeeld geen exclusiviteit, geen vast werknemersrooster en geen directe overstap vanuit hetzelfde werk in loondienst, dan krijgt hij vrijwaring voor loonheffingen en premies.

Dit is zo omschreven: ‘Wordt een voorwaarde niet nageleefd, dan vervalt de safe harbour voor die opdracht en kan worden gehandhaafd. Dat geldt aan beide kanten: de opdrachtgever via de safe harbour en de erkende zelfstandige via zijn status die bij onterechte verkrijging of misbruik kan vervallen. Heeft de opdrachtgever te goeder trouw de status gecontroleerd, dan liggen de gevolgen van onjuiste opgave bij de zelfstandige.’

De bedoeling is duidelijk: een opdrachtgever moet vooraf weten waar hij aan toe is. Maar de bescherming ligt daarmee vooral bij de opdrachtgever. Voldoet die niet aan de voorwaarden, dan vervalt de safe harbour voor die opdracht en kan alsnog worden gehandhaafd. Heeft de opdrachtgever de status te goeder trouw gecontroleerd en blijkt die achteraf onjuist of misbruikt, dan wil VZN de gevolgen bij de zelfstandige leggen.

De zzp’er kan zijn status verliezen en de gevolgen dragen, terwijl het voorstel geen bescherming biedt tegen een te laag tarief of een economisch onhoudbare opdracht.

Geen vast werknemersrooster?

VZN wil geen safe harbour geven wanneer een zzp’er werkt volgens een vast, vooraf opgelegd rooster zoals bij een werknemer. In sectoren als zorg, beveiliging, evenementen, productie en media is een rooster vaak gewoon nodig om het werk te organiseren.

Als een zzp’er nu aannemelijk kan maken dat hij of zij een echte zelfstandige is, mag die wel via een rooster werken. Dit voorstel voor de Zelfstandigenwet is daarmee nou niet bepaald gunstig voor zzp’ers die in de praktijk binnen roosters werken. Waar komt deze wens van VZN vandaan? En waarom komt een organisatie die zegt op te komen voor zzp’ers met een voorstel dat voor een behoorlijke groep zzp’ers mogelijk het einde van opdrachten kan betekenen?

Door een vast rooster buiten de safe harbour te plaatsen, ontstaat het risico dat opdrachtgevers niet meer met zelfstandigen willen werken. Niet omdat die zelfstandigen geen ondernemer zijn, maar omdat de opdrachtgever geen voorafgaande zekerheid meer krijgt. Zo kan een regel die misbruik moet voorkomen in de praktijk zorgen voor meer druk om als zzp’er weer richting loondienst te gaan.

Het tarief bewust buiten beeld

In het voorstel voor de Zelfstandigenwet maakt VZN een andere opvallende keuze. Het uurtarief wordt bewust niet opgenomen als voorwaarde voor de zelfstandigentoets of de safe harbour: ‘Het uurtarief nemen we bewust ook niet op als voorwaarde, niet voor de status en niet voor de safe harbour. De status staat los van het tarief: ook wie tegen een laag tarief werkt, kan immers ondernemer zijn. Een tariefgrens als voorwaarde zou die zelfstandigen ten onrechte buiten het ondernemerschap plaatsen.’

Juridisch is dat juist. Een laag tarief maakt iemand niet automatisch werknemer. Iemand kan ook bij een laag tarief ondernemer zijn. Maar daaruit volgt niet dat het tarief geen rol zou mogen spelen in een wet die echte zelfstandigheid zou moeten beschermen.

Juist een tarief zegt veel en is voor een zzp’er erg belangrijk. Hoe lager een tarief is, hoe belangrijker die vergoeding wordt. Uiteindelijk wil iedere zzp’er op fulltime basis van dat tarief kunnen leven. Door het uurtarief uit alle voorwaarden te houden, blijven opdrachtgevers de mogelijkheid houden om zzp’ers in te huren voor tarieven waar zij niet van kunnen rondkomen. Voor wie is dat gunstig?

Juridisch zelfstandig, maar economisch klem

Iemand kan juridisch echt zelfstandig zijn en toch werken in een markt waar de tarieven te laag zijn om zelfstandig van te leven. Dat komt niet doordat een zelfstandige bewust kiest voor een onhoudbaar verdienmodel.

In sommige sectoren is de onderhandelingsruimte klein en worden tarieven feitelijk bepaald door grote inkopers, platforms of bemiddelaars. Dan is iemand formeel ondernemer, maar economisch nauwelijks in staat om als ondernemer te functioneren.

Een laag tarief is meestal geen vrije keuze

Een zelfstandige kan tijdelijk besluiten om een lager tarief te accepteren. Bijvoorbeeld om ervaring op te doen of een nieuwe klant binnen te halen. Tijdelijk voor €85 per uur werken in plaats van €110 is prima. Maar structureel werken voor €30 in plaats van €45 is dat niet. Dan bestaat het risico dat de opbrengsten niet voldoende zijn om van rond te komen.

Als een zelfstandige bij een normale inzet niet kan rondkomen, is het moeilijk om nog te spreken van echte tariefvrijheid. Een ondernemer hoort zelf over zijn tarief te gaan. Maar als iemand nauwelijks onderhandelingsmacht heeft en de markt hogere tarieven structureel niet toelaat, is die vrijheid er eigenlijk niet.

Bij werknemers accepteren we ook niet dat iemand structureel onder het minimumloon werkt omdat hij daar zelf mee akkoord zou zijn gegaan. Waarom zouden we bij zelfstandigen dan accepteren dat sommige sectoren afhankelijk zijn van mensen die alle risico’s dragen, maar daar niet duurzaam van kunnen leven?

Bescherming aan de onderkant: drie harde sporen?

VZN schrijft daarover: ‘De zorg over kwetsbare werkenden delen we. Maar de werkrelatietoets is daar een slecht middel voor: die is onwerkbaar en raakt alle zelfstandigen in plaats van de groep die echt klem zit. We stellen drie harde sporen voor.’

Dat klinkt goed. Maar wie kijkt naar de concrete invulling ziet dat deze drie harde sporen niet al te hard zijn.

Spoor 1: het uurtarief rechtsvermoeden

Onder €38 per uur geldt een rechtsvermoeden van werknemerschap met een eigen indexatie in de wet. Dit spoor kan helpen voor iemand die mogelijk eigenlijk werknemer is. De werkende kan een beroep doen op het rechtsvermoeden en werknemersrechten opeisen. Maar juist de onderkant van de zzp’ers vormt een blinde vlek. Een echte zzp’er kan en wil geen werknemersrechten opeisen.

Voor een zzp’er die juridisch echt zelfstandig werkt, biedt dit spoor dus weinig bescherming. Die kan nog steeds ver onder de grens van het rechtsvermoeden blijven werken. Het rechtsvermoeden pakt bovendien niet rechtstreeks de economische prikkel aan om werk goedkoop buiten loondienst in te kopen.

Spoor 2: harde sectorale regels voor sectoren met aangetoond misbruik

VZN noemt ‘harde sectorale regels voor sectoren met aangetoond misbruik’: verplichte contractelementen, meldplicht bij grote inhuurvolumes en ketenaansprakelijkheid. Via een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) kunnen die worden ingezet waar het misgaat. Een wettelijk minimumtarief wordt bewust niet opgenomen. Wil een sector tot tariefafspraken komen, dan kan dat via de collectieve route van spoor 3.

Geen van deze maatregelen voorkomt dat een echte zelfstandige voor een te laag tarief kan blijven werken. Een opdrachtgever kan alle contractregels naleven, een meldplicht correct uitvoeren en aansprakelijkheid goed organiseren, terwijl de zzp’er nog steeds voor €25 of €30 per uur kan werken.

Voor zzp’ers aan de onderkant gaat spoor 2 vooral over de manier waarop zij worden ingehuurd, niet over de vraag of zij een economisch houdbaar tarief ontvangen. Bovendien moet misbruik eerst worden aangetoond voordat deze regels via een AMvB kunnen worden ingezet. Dat maakt bescherming afhankelijk van politieke keuzes, bewijsvoering en uitvoering achteraf. Krijgen we dan eerst een discussie over wat misbruik is?

De kortste weg naar bescherming aan de onderkant is simpelweg een goede berekening van een ondergrens. En juist dat wil VZN niet.

Spoor 3: ruimte voor collectieve afspraken voor zelfstandigen in een zwakke onderhandelingspositie

Collectieve afspraken zijn al sinds 2022 Europees toegestaan. VZN wil die ruimte bevestigen in de Zelfstandigenwet en presenteert dat als spoor 3. Maar daarmee kiest VZN aan de onderkant niet voor goed berekende, afdwingbare tarieven per sector, maar voor overleg over tarieven.

Dat is een zwakke vorm van bescherming. Zelfstandigen met weinig onderhandelingsmacht blijven afhankelijk van collectief overleg met partijen die vaak ook belang hebben bij lage tarieven. Opdrachtgevers hoeven niet mee te doen, sectoren hoeven geen afspraken te maken en er is geen garantie dat een eventueel bedrag hoog genoeg is of wordt gehandhaafd.

Bovendien bestaat deze mogelijkheid al vier jaar. Dat heeft voor zzp’ers aan de onderkant nog niet gezorgd voor minder armoede of betere, breed gedragen verplichte tariefafspraken.

Juist waar opdrachtgevers veel marktmacht hebben en zzp’ers versnipperd zijn, kan zo’n sectortafel uitblijven of eindigen met een bedrag dat nog steeds te laag is. Als je onderbetaling echt wil voorkomen, ga je dan gewoon een goede ondergrens berekenen of ga je overleggen over de mogelijkheid die al sinds 2022 bestaat?

Wie krijgt welke zekerheid?

De drie sporen geven geen harde economische ondergrens. Het rechtsvermoeden helpt alleen als iemand mogelijk werknemer is. Sectorale regels gaan vooral over contracten en toezicht. Collectieve afspraken blijven afhankelijk van onderhandeling.

Tegelijkertijd krijgt de opdrachtgever via de zelfstandigenstatus en safe harbour wel vooraf zekerheid. Die kan controleren of een zzp’er een status heeft en, binnen een beperkte set voorwaarden, de inhuur voortzetten zonder risico op naheffingen en premies.

De zelfstandige krijgt een status dat die zzp’er is, terwijl die dat altijd al was. De opdrachtgever behoudt de mogelijkheid om goedkoop in te huren. En mocht dat toch ergens misgaan, dan is de zzp’er de klos en niet de opdrachtgever. Want: ‘Heeft de opdrachtgever te goeder trouw de status gecontroleerd, dan liggen de gevolgen van onjuiste opgave bij de zelfstandige.’

Bescherm niet alleen de status, maar ook de werkelijkheid

Een Zelfstandigenwet zou niet alleen moeten bepalen wanneer iemand juridisch zzp’er is, maar ook voorkomen dat zelfstandig werk structureel onder een houdbare ondergrens wordt betaald.

Vooraf duidelijkheid voor echte zelfstandigen en opdrachtgevers is nodig. Maar het is vreemd om tegelijk een tariefondergrens uit te sluiten en een extra voorwaarde toe te voegen die zzp’ers bij werk via een rooster kan uitsluiten van safe harbour. Dan krijgt de opdrachtgever zekerheid vooraf, terwijl de zzp’er vooral de zekerheid krijgt dat hij of zij ook voor een onleefbaar tarief ondernemer mag blijven.

Wie echt ondernemer is, moet boven een eerlijke ondergrens ruimte houden om zelf te onderhandelen, risico te nemen en eigen keuzes te maken. Een tariefbodem beperkt ondernemerschap niet, maar voorkomt dat markten worden ingericht op tarieven waar niemand duurzaam van kan bestaan.

Een voorstel dat lage tarieven ongemoeid laat en tegelijk geroosterd werk risicovoller maakt voor opdrachtgevers, helpt zzp’ers niet vooruit. Vreemd dat een partij die zegt voor zzp’ers op te komen, juist daarvoor pleit.

Geplaatst in ZP en Ondernemen | Tags , , , , , , | 6s Reacties

Wet platformwerk en waarom die (veel) meer organisaties raakt dan je denkt

Nieuwe regels rondom platformwerk zijn op dit moment in internetconsultatie. Op het eerste gezicht lijken deze vooral bedoeld voor bedrijven als Uber en maaltijdbezorgplatformen. Maar de impact reikt veel verder. Ook HR-techbedrijven, intermediairs, uitzenders, MSP’s en werkgevers kunnen ermee te maken krijgen zodra technologie, algoritmes of AI een rol spelen in het organiseren van werk.

In deze aflevering van ZiPtalk bespreken we met platformexpert Martijn Arets wat de Europese platformwerkrichtlijn en de afgeleide Nederlandse Wet platformwerk betekent voor de Nederlandse arbeidsmarkt. Wat valt eigenlijk onder platformwerk? Wanneer wordt technologie gezien als algoritmisch management? Waarom moeten ook sommige bedrijven die geen platform zijn zich toch gaan houden aan deze wet? En welke nieuwe verplichtingen ontstaan rondom transparantie, communicatie en controle?

Deze podcast is ook te beluisteren op Spotify 

 

Geplaatst in Toekomst van Werk | Tags | Laat een reactie achter