Waarom NIS2 ook jouw organisatie raakt Geplaatst 31 juli 2026 door Bergler Cybersecurity is de afgelopen jaren verschoven van een technisch aandachtspunt naar een bestuurlijke verantwoordelijkheid. Incidenten raken allang niet meer alleen IT‑systemen, maar ook direct de continuïteit van organisaties en de maatschappij als geheel. Met de komst van de Europese NIS2‑richtlijn wordt die realiteit expliciet gemaakt. Vanuit CTO‑perspectief is NIS2 daarom minder interessant als ‘nieuwe wet’ en veel relevanter als signaal: digitale weerbaarheid wordt gezien als randvoorwaardelijk voor zaken doen. Niet alleen voor organisaties die formeel onder de richtlijn vallen, maar voor complete ketens. Wat is NIS2 en voor wie geldt het? NIS2 is de opvolger van de oorspronkelijke NIS‑richtlijn uit 2016 en heeft als doel het algemene niveau van cyberbeveiliging binnen de Europese Unie structureel te verhogen. De aanleiding is duidelijk: digitalisering, geopolitieke spanningen en een sterke toename van cyberaanvallen maken dat verstoringen steeds vaker directe maatschappelijke en economische impact hebben. Waar de eerste NIS‑richtlijn relatief beperkt van scope was, is NIS2 aanzienlijk breder. De richtlijn is van toepassing op organisaties in achttien sectoren die door de EU als (zeer) kritisch zijn aangemerkt. Denk aan energie, zorg, transport, financiële dienstverlening, digitale infrastructuur, overheid, waterbeheer en bepaalde productiesectoren. In de praktijk gaat het vooral om middelgrote en grote organisaties, maar er zijn uitzonderingen: ook kleinere organisaties kunnen onder NIS2 vallen als zij een kritieke rol vervullen binnen een sector of keten. In Nederland wordt NIS2 geïmplementeerd via de Cyberbeveiligingswet. Die treedt definitief in werking per 15 augustus. Daarmee krijgt de richtlijn juridische werking en toezicht. Belangrijk detail: NIS2 is geen IT‑norm, maar bestuurlijke wetgeving. Bestuur en directie worden expliciet verantwoordelijk gemaakt voor cyberrisico’s, risicobeheersmaatregelen en naleving. Er is een zelfscan op de website van de Rijksoverheid om te bepalen of de NIS2 richtlijn op je organisatie van toepassing is. De impact van NIS2 op organisaties Voor veel organisaties voelt NIS2 in eerste instantie als ‘meer regels’. Vanuit CTO‑perspectief is dat maar een deel van het verhaal. De echte impact zit in drie structurele verschuivingen. Ten eerste: cybersecurity wordt governance. NIS2 maakt expliciet dat cyberrisico’s onderdeel zijn van ondernemingsrisico’s. Bestuurders moeten maatregelen goedkeuren, toezicht houden op de uitvoering en aantoonbaar kennis hebben van cybersecurity. Dat betekent dat informatiebeveiliging niet langer uitsluitend bij IT- of securityteams ligt, maar structureel op de bestuursagenda thuishoort. Voor CTO’s betekent dit vaker: vertalen van technische risico’s naar bestuurbare besluitvorming. Ten tweede: aantoonbaarheid wordt belangrijker dan intentie. Veel organisaties doen al ‘iets’ aan security. NIS2 vraagt niet of je goede intenties hebt, maar of je kunt laten zien dat je risico’s structureel beheerst. Risicoanalyses, incidentprocessen, monitoring, back‑ups, leveranciersafspraken: alles moet niet alleen bestaan, maar ook aantoonbaar werken. Dit verschuift de focus van losse maatregelen naar volwassen processen. Ten derde: de keten wordt onderdeel van je risicoprofiel. Een van de meest onderschatte aspecten van NIS2 is de expliciete aandacht voor supply‑chain security. Organisaties die onder NIS2 vallen, zijn verplicht risico’s bij leveranciers en partners mee te nemen in hun eigen beveiliging. Een zwakke schakel bij een leverancier wordt daarmee automatisch jouw probleem. Voor veel CTO’s betekent dit dat vendor management, contracten en technische architectuur opnieuw tegen het licht moeten worden gehouden. Waarom NIS2 ook relevant is als je niet in scope bent Een veelgehoorde reactie is: “Wij vallen niet onder NIS2, dus dit geldt niet voor ons.” Juridisch kan dat kloppen, maar praktisch steeds minder. Organisaties die wél onder NIS2 vallen, krijgen een zorgplicht voor hun keten. Dat betekent dat zij eisen gaan stellen aan leveranciers, IT‑dienstverleners, softwarepartners en soms zelfs onderaannemers. Die eisen landen niet in wetgeving, maar in contracten, aanbestedingen, security‑assessments en audits. Voor bedrijven die zaken doen met NIS2‑plichtige organisaties ontstaat daarmee een nieuwe realiteit: je hoeft formeel niet onder de wet te vallen om ermee geconfronteerd te worden. Aantoonbare basismaatregelen op het gebied van cybersecurity worden steeds vaker een voorwaarde om überhaupt mee te mogen doen. Daar zit tegelijkertijd ook een voordeel. Organisaties die hun security-basis op orde hebben, risico’s structureel beheren en transparant kunnen uitleggen hoe zij omgaan met incidenten en leveranciers, onderscheiden zich. Niet omdat ze ‘compliant’ zijn, maar omdat ze voorspelbaar en betrouwbaar opereren in een digitale keten. NIS2 versus ISO 27001 Wie zich verdiept in NIS2 komt al snel bij ISO 27001 uit. Dat is logisch: beide gaan over informatiebeveiliging, risicobeheersing en continuïteit. Toch bedienen ze een ander doel en het is belangrijk dat onderscheid scherp te houden. ISO 27001 is een vrijwillige internationale norm voor het opzetten en onderhouden van een Information Security Management System (ISMS). Het beschrijft hoe je informatiebeveiliging structureel organiseert: risicobeoordeling, beleid, processen, controles en continue verbetering. NIS2 is wetgeving. Het schrijft niet voor hoe je cybersecurity organiseert, maar wel wat je minimaal moet bereiken. Voor organisaties die onder NIS2 vallen is naleving verplicht en afdwingbaar, inclusief toezicht en sancties. Dat juridische karakter is het fundamentele verschil. De overlap tussen NIS2 en ISO 27001 is groot. Diverse analyses komen uit op ongeveer 70 tot 80 procent inhoudelijke aansluiting. Denk aan risicomanagement, incidentafhandeling, toegangsbeveiliging, back‑ups, continuïteitsplanning en leveranciersbeheer. Voor CTO’s betekent dit: als je ISO 27001 serieus implementeert, ben je inhoudelijk al een heel eind op weg richting NIS2. ISO 27001 biedt structuur, taal en discipline om risico’s aantoonbaar te beheersen, precies wat NIS2 verwacht, maar zelf niet uitwerkt. De belangrijkste verschillen zitten niet zozeer in techniek, maar in juridische en bestuurlijke accenten. NIS2 legt expliciete verantwoordelijkheid bij bestuur en directie, inclusief mogelijke aansprakelijkheid. Daarnaast kent NIS2 harde meldtermijnen voor incidenten (bijvoorbeeld eerste melding binnen 24 uur), sectorspecifiek toezicht en een sterke nadruk op ketenverantwoordelijkheid. ISO 27001 kent deze verplichtingen niet in die vorm. Ook belangrijk: ISO 27001 is certificeerbaar, NIS2 niet. Er bestaat geen ‘NIS2‑certificaat’. NIS2‑compliance wordt beoordeeld door toezichthouders, niet door certificerende instellingen. ISO 27001-certificering niet altijd nodig Moet je ISO 27001 gecertificeerd zijn als je NIS2‑plichtig bent? Kort antwoord: nee, dat hoeft niet. NIS2 schrijft geen specifieke norm of certificering voor. Juridisch volstaan passende en aantoonbare maatregelen. Praktisch gezien kiezen veel organisaties er wél voor. ISO 27001 is een bewezen manier om structuur aan te brengen, aantoonbaarheid te organiseren en richting klanten en ketenpartners duidelijkheid te bieden. Het fungeert daarmee vaak als fundament onder NIS2‑compliance, maar het vervangt NIS2 nooit volledig. Voor organisaties die niet direct onder NIS2 vallen, maar wel leveren aan NIS2‑plichtige partijen, geldt hetzelfde principe. ISO 27001 is geen wettelijke eis, maar steeds vaker een marktverwachting. NIS2 als marktstandaard, niet als checkbox Vanuit CTO‑perspectief is de grootste valkuil om NIS2 te benaderen als een compliance‑oefening. Dat leidt vaak tot veel papier en weinig daadwerkelijke verbetering. De organisaties die hier structureel voordeel uit halen, zijn degenen die NIS2 benaderen als aanleiding om hun digitale weerbaarheid volwassen te organiseren. Dat betekent: duidelijke keuzes, heldere verantwoordelijkheden, realistische maatregelen en vooral aansluiten bij hoe de organisatie daadwerkelijk werkt. NIS2 dwingt tot nadenken over continuïteit, afhankelijkheden en vertrouwen. Precies de thema’s waar technologie en ondernemerschap elkaar raken. Of je nu formeel onder de richtlijn valt of niet: in de praktijk beweegt NIS2 zich snel richting een nieuwe ondergrens voor zakendoen in digitale ketens. Lees ook: Nieuwe Cyberbeveiligingswet: stappenplan voor leveranciers van tijdelijk personeel Over de auteur: Menno Jongerius is sinds 2015 Chief Technology Officer (CTO) van het Nederlandse ICT-dienstverleningsbedrijf Bergler. Geplaatst in Professioneel inhuren | Tags cyberbeveiligingswet, NIS2 | Laat een reactie achter
Waarom de Zelfstandigenwet ook over zzp-tarieven moet gaan Geplaatst 30 juli 2026 door Wilmar Dik De discussie over de Zelfstandigenwet gaat vooral over status. Maar voor een echte zzp’er zou dat helemaal niet zo relevant hoeven zijn. Volgens mij willen echte zzp’ers vooral hard werken en daarmee een goede boterham verdienen. Alleen: of je die goede boterham kunt verdienen, hangt nog steeds sterk af van de sector waarin je werkt. Opdrachtgevers en zzp’ers zijn niet geholpen met jarenlange onzekerheid, onduidelijke criteria en opdrachtgevers die uit angst voor handhaving stoppen met het inhuren van zelfstandigen. Of handhaving als drukmiddel gebruiken om te proberen de zzp’er weer in loondienst te krijgen. Helaas was dat de afgelopen jaren wel de realiteit. Ik krijg daarom steeds meer het idee dat de huidige situatie ook het resultaat van beleid is. Beleid wordt gevormd door belangen Er zijn veel partijen die opkomen, of zeggen op te komen, voor de belangen van zzp’ers. Er wordt ook veel geschreven over de arbeidsmarkt en hervormingen. Maar beleid ontstaat uiteindelijk niet vanzelf. Het wordt gevormd door belangen. Dat zie je ook terug in het voorstel van Vereniging Zelfstandigen Nederland (VZN) voor de nieuwe Zelfstandigenwet. Daarin staat een eigen status voor zelfstandigen centraal. Ik hoor al jaren dat de zzp’er ‘op de kaart’ moet worden gezet en in wetgeving moet worden verankerd. Maar is een status of contractvorm echt zo belangrijk om het daar jaren over te hebben? Het VZN-voorstel is naar mijn idee niet bepaald gunstig voor de zzp’er aan de onderkant. Opdrachtgevers krijgen bij bepaalde voorwaarden een safe harbour. Maar mocht daar iets misgaan, dan draagt de zzp’er de financiële risico’s. Ook pleit VZN ervoor om werken via een rooster, wat nu gewoon mag, lastiger te maken. VZN noemt dat een werkbare oplossing voor zelfstandigen en opdrachtgevers. Als beleid wordt gemaakt vanuit dit soort ideeën, is het niet heel vreemd dat we zijn beland waar we nu zijn. De trein om veel zzp’ers terug in loondienst te duwen is in volle vaart en rolt lekker door. Een status is nog geen bescherming VZN zegt de bescherming aan de onderkant te willen regelen via drie harde sporen: het uurtarief-rechtsvermoeden, sectorale regels bij aangetoond misbruik en ruimte voor collectieve afspraken. Dat klinkt stevig, maar in de praktijk biedt het weinig zekerheid aan de zelfstandige die zelfstandig wil blijven en structureel te weinig verdient. Daar schreef ik al eerder over. Het rechtsvermoeden helpt vooral de werkende die wil stellen dat hij eigenlijk werknemer is. Maar de meeste zzp’ers willen die kant helemaal niet op. Ben je een echte zzp’er aan de onderkant, dan wil je zelfstandig blijven en kunnen werken tegen voorwaarden waarvan je kunt leven. Ook de omschrijving ‘sectorale regels bij aangetoond misbruik’ klinkt minder hard dan het lijkt. Want wie bepaalt wat misbruik is en wanneer dat voldoende is aangetoond? Hoelang moeten zelfstandigen onder de kostprijs werken voordat de politiek of de polder erkent dat er iets misgaat? Bovendien: sectorale afspraken mogen al sinds 2022 gemaakt worden, en ook bij niet-aangetoond misbruik. VZN pleit daarmee voor scherpere regels dan wat nu al Europees mogelijk is. Voor wie kom je dan op? Het ontbrekende onderdeel: een financiële ondergrens Een opvallend punt aan het VZN-voorstel is dat juist het uurtarief bewust buiten de zelfstandigentoets én buiten de safe harbour wordt gehouden. Volgens VZN kan iemand ook tegen een laag tarief ondernemer zijn en zou een tariefgrens zelfstandigen ten onrechte buiten het ondernemerschap plaatsen. Een laag tarief maakt een zzp’er niet automatisch werknemer. Maar een structureel laag tarief zegt wel iets over de economische werkelijkheid waarin een zzp’er werkt. Een zelfstandige die onvoldoende kan reserveren voor pensioen, arbeidsongeschiktheid, scholing, ziekte, administratie en ondernemersrisico, is misschien formeel ondernemer, maar economisch zeer kwetsbaar. Juist dat gegeven zou je niet buiten de wet moeten houden. Zolang je geen goed berekende ondergrens hebt, wegen de belangen van partijen die profiteren van lage tarieven blijkbaar zwaarder dan het belang om echte bescherming aan de onderkant te organiseren. In de praktijk zie je dan dat mensen spaargeld of een lening gebruiken om als zzp’er te starten. Kies je een sector met een matig verdienmodel, dan is dat geld na een bepaalde tijd op en kunnen ze weer op zoek naar een baan in loondienst. Dat heeft negatieve gevolgen voor de zzp’er zelf, maar ook voor de markt: burn-outs, uitstroom en prijsconcurrentie waardoor ook andere zzp’ers het moeilijker krijgen. Ik pleit niet voor gegarandeerd hoge tarieven. Ik pleit voor een absolute ondergrens, zodat als je voldoende waarde aan je dienst kunt toevoegen en genoeg betaalde klussen krijgt als zzp’er, je ook een reële kans hebt om daarvan rond te komen. Nederland kent sinds 1969 een wettelijk minimumloon De Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag werd ingevoerd om werknemers een minimumloon en minimumvakantiebijslag te verzekeren die, gezien de algemene welvaartssituatie, als sociaal aanvaardbare tegenprestatie voor arbeid konden worden beschouwd. Blijkbaar vonden we het in 1969 al nodig om een financiële ondergrens te regelen voor mensen die werken. Waarom zouden we dan 57 jaar later nog steeds doen alsof mensen die via een andere contractvorm werken geen vergelijkbare bescherming aan de onderkant nodig hebben? Terwijl iedereen al lang weet dat zzp’ers meer dan twee keer zoveel kans hebben om in armoede te belanden als iemand in loondienst. Wie komt voor welke zzp’er op? De belangen van iedereen die over zzp’ers praat, zijn niet automatisch dezelfde. Een opdrachtgever, vakbond, platform, intermediair of belangenorganisatie kijkt vaak vanuit een andere positie naar dezelfde markt. En ook binnen de zzp-markt zijn de verschillen groot. Een goedbetaalde zelfstandige heeft andere uitdagingen dan een zzp’er in een sector waar tarieven laag zijn en opdrachtgevers veel macht hebben. Het maakt dus uit wie opkomt voor de belangen van een zzp’er. Zelfs als bijvoorbeeld FNV betrokken is om belangen te behartigen, wil dat nog niet zeggen dat er ook echt tarieven komen waar een zzp’er van rond kan komen. Vorige maand schreef ik over de Ketentafel AV/Film, waar starttarieven van €29,16 Fair Pay worden genoemd. FNV Media en Cultuur zat aan die tafel. Toch waren de belangen van de diverse partijen blijkbaar groot genoeg om nu €29,16 per uur Fair Pay te noemen. Lees hier hoe oneerlijk dat gegaan is. Onlangs schreef ik een artikel waarin ik mij verbaasde over een aantal punten van VZN rond de Zelfstandigenwet. Zo hard pleiten voor géén financiële ondergrens en werken via een rooster voor zzp’ers uitsluiten van een safe harbour, roept bij mij vooral de vraag op wiens belang hier eigenlijk vooropstaat. Een ander voorbeeld van het verschil in benadering. ZZP Nederland had deze maand als ‘Vraag van de maand’: moet mijn opdrachtgever mij €0,25 per kilometer betalen? Het antwoord is juridisch juist: nee. Als je in de overeenkomst een kilometervergoeding hebt afgesproken, bijvoorbeeld €0,23 per kilometer, dan blijft die afspraak gelden totdat je samen iets anders afspreekt. Je kunt je opdrachtgever vragen om de vergoeding te verhogen naar €0,25 per kilometer, maar je kunt dat niet eisen, tenzij het zo in de overeenkomst staat. Maar nergens in het artikel staat dat het voor een zzp’er niet handig is om richting opdrachtgevers zo weinig per kilometer te vragen. Bovendien is de €0,25 per kilometer een afspraak met de Belastingdienst en heeft betrekking op wat je van je winst mag halen. Geen afspraak met een opdrachtgever. Reistijd is voor veel zelfstandigen gewoon werktijd. Je vertrekt vaak vanuit je eigen thuiskantoor naar een opdracht. Bovendien kost rijden met een eigen auto volgens de ANWB al snel €0,40 – €0,50 per kilometer. Mijn advies aan zzp’ers zou daarom ook zijn: bereken je reistijd en je werkelijke autokosten. Of een reisuurvergoeding. Wil je helder en consequent zijn richting opdrachtgevers, werk dan met een vast bedrag per reisuur en/of een realistische kilometervergoeding. En dat bedrag heeft weinig te maken met die €0,25 per kilometer die je van de Belastingdienst mag afhalen van je winst. Toch vreemd dat een partij die zegt op te komen voor zzp’ers een antwoord geeft op een manier waar vooral opdrachtgevers blij van worden. Waarom ik hierover blijf schrijven Soms verbaast het mij dat ik als Haagse freelance beroepsfotograaf een kritische stem kan laten horen in een debat waar al jaren talloze beleidsuren, rapporten en overleggen aan zijn besteed. Dat doe ik naast mijn gewone werk, zonder vergoeding. Op termijn is dat voor mij natuurlijk niet houdbaar. Uren die ik besteed aan deze belangenbehartiging zou ik, zakelijk gezien, eigenlijk in mijn eigen acquisitie en onderneming moeten steken. Toch blijf ik dit doen, omdat echte regelgeving die de onderkant van de zzp-markt daadwerkelijk beschermt nog steeds uitblijft. Een echte ondergrens begint bij een eenvoudige rekensom Een niet-afdwingbaar en generiek tarief voor alle zelfstandigen werkt matig als bescherming. Toch is dat op dit moment via het bedrag voor het rechtsvermoeden wel het enige houvast. Mensen in loondienst krijgen bescherming via het minimumloon en cao’s. Bovendien hebben zij meestal een afgesproken aantal betaalde uren. Bij zzp’ers werkt dat anders. Zij hebben te maken met verschillende kosten, risico’s en vooral met de vraag hoeveel uren zij in hun markt daadwerkelijk kunnen declareren. Een zzp’er begint met nul uur en moet opdrachten zelf binnenhalen. Daarom is het logisch om die verschillen financieel zichtbaar te maken. Zeker in sectoren waar je niet zomaar 28 of 36 uur per week kunt declareren, is een tariefondergrens belangrijk. Sommigen vinden dat een tariefondergrens niet nodig is, omdat een zzp’er zelf zijn tarief bepaalt. In theorie klopt dat. In de praktijk worden tarieven, zeker aan de onderkant van de markt, vaak door opdrachtgevers bepaald. Een laag tarief maakt iemand niet automatisch schijnzelfstandig, maar zegt wél iets over de economische werkelijkheid waarin iemand werkt. Juist daarom is een berekende ondergrens nodig: niet als standaardtarief, maar als bodem waaronder zelfstandig werken financieel niet houdbaar is. Een berekening is geen onderhandeling Een ondergrensberekening hoeft niet ingewikkeld te zijn. Stel eerst vast welk minimaal inkomen je aan de onderkant sociaal aanvaardbaar vindt. Bijvoorbeeld een inkomen dat gelijk is aan het minimumloon voor mensen in loondienst. Bereken vervolgens welk uurtarief daarvoor nodig is als je realistische gemiddelde declarabele uren in die sector, bedrijfskosten, ziektedagen, verzekeringen, een AOV, pensioen, scholing, ondernemersrisico enzovoort meeneemt. Die ondergrens moet een berekening zijn, geen onderhandeling. En zeker geen cao-zzp-tariefvergelijking waarbij een cao-loon wordt omgerekend naar een zelfstandigentarief zonder alle relevante verschillen goed mee te nemen. Daar kan veel misgaan. Onderhandelen kan boven de ondergrens. Niet eronder. Australië laat zien dat bescherming zonder werknemerschap kan In Australië wordt al gewerkt met een benadering waar ik voor pleit. De Fair Work Commission kan minimumstandaarden vaststellen voor bepaalde groepen zelfstandige werkenden. Deze werkenden zijn volgens de Fair Work Commission zelfstandigen waarvoor juridisch afdwingbare minimumstandaarden kunnen gelden. Interessant, want ook als iemand formeel zelfstandig werkt, zijn er redenen om minimumvoorwaarden vast te leggen als het verdienmodel structureel zwak is. De Australische route is een alternatief dat in Nederland nog ontbreekt. Echte bescherming gaat niet over regels die vooral bepalen of iemand werknemer of zelfstandige is. En ook niet over een status die vooral opdrachtgevers zekerheid vooraf geeft. Echte bescherming betekent dat zelfstandigen aan de onderkant ook financieel houdbaar kunnen werken. Dus zelfstandig blijven en werken voor tarieven waar ruimte is voor pensioen, AOV en ondernemersrisico. Nederland kan kiezen voor sectorale ondergrenzen Nederland kan zo’n benadering vertalen naar sectorale ondergrenzen voor zelfstandigen, gebaseerd op objectieve berekeningen van declarabele uren, kosten en ondernemersrisico. Een financiële ondergrens wordt bovendien belangrijker naarmate de overheid meer verplichtingen bij zzp’ers neerlegt. Denk aan een verplichte AOV en de verdere afbouw van fiscale voordelen. Daarmee stijgen de vaste kosten van zelfstandig werken. Dan is het vreemd om het uurtarief buiten beeld te houden. Wie zelfstandigen extra verplichtingen oplegt, moet ook zorgen dat zelfstandig werken aan de onderkant financieel haalbaar blijft. Doe daarbij goed marktonderzoek naar declarabele uren. Het maakt enorm veel verschil of een zzp’er gemiddeld 600, 900 of 1200 uur per jaar kan declareren. Tarieven die zijn gebaseerd op verouderde gegevens of onvoldoende realistisch onderzoek, kunnen op papier redelijk lijken, maar in de praktijk geen duurzaam inkomen opleveren. Een ondergrens is geen standaardtarief De wet zou kunnen verplichten dat ondergrenzen per sector of beroep economisch worden onderbouwd. Sectoren kunnen cijfers aanleveren over gemiddelde declarabele uren en gemiddelde bedrijfskosten. Een ondergrens moet het resultaat zijn van een berekening, niet van belangen. Anders kan het zomaar gebeuren dat €29,16 een Fair Pay-tarief wordt genoemd. Sommige partijen vrezen dat een berekende ondergrens de standaard wordt. Dat risico is beperkt: een ondergrens is geen richttarief, maar uitsluitend de bodem waaronder zelfstandig werken financieel niet houdbaar is. Mensen in loondienst krijgen ook niet allemaal het minimumloon. Maar we accepteren wel dat er een wettelijke bodem is: lager dan die grens mag arbeid niet worden betaald. Waarom zouden we dan bij echte zelfstandigen aan de onderkant blijven doen alsof vrijheid ook kan betekenen dat je structureel onder je kostprijs werkt? Van papieren zekerheid naar echte bescherming Een Zelfstandigenwet die alleen vooraf duidelijk maakt wie zelfstandige mag zijn, beschermt vooral opdrachtgevers tegen risico. Een Zelfstandigenwet die ook een financiële ondergrens organiseert, beschermt zelfstandigen tegen onderbetaling. Op die manier erkennen we dat vrijheid zonder ondergrens in sommige markten vooral vrijheid voor de opdrachtgever is: vrijheid om goedkoop in te kopen, vrijheid om risico’s af te schuiven op zelfstandigen en vrijheid om tarieven te laag te houden. Als we werknemers al sinds 1969 beschermen met een wettelijke ondergrens, is het logisch om ook voor echte zelfstandigen aan de onderkant een economische bodem te organiseren. Dáár zou de Zelfstandigenwet uiteindelijk over moeten gaan. Geplaatst in ZP en Politiek | Tags minimumtarief zzp, rechtsvermoeden, schijnzelfstandigheid, VZN, zelfstandigenwet | 6s Reacties
CBS ziet aantal zzp’ers verder afnemen. Vooral minder hoogopgeleide zzp’ers. Geplaatst 30 juli 2026 door ZiPredactie Het aantal zzp’ers daalt volgens de CBS-cijfers nu al zes kwartalen op rij, na jaren van groei. In het afgelopen kwartaal waren dat er 131 duizend minder dan in het vierde kwartaal van 2024. Dat was ook het moment waarop het handhavingsmoratorium op schijnzelfstandigheid werd opgeheven. Naast een afkoelende economie is die handhaving naar alle waarschijnlijkheid de belangrijkste reden voor de dalende zzp-activiteit. Het CPB voorspelde twee jaar geleden dat het aantal zzp’ers vanwege die handhaving in 2025 en 2026 zou dalen met 130 duizend personen. Met nog een half jaar te gaan, is die voorspelling nu dus al uitgekomen. De daling is de afgelopen zes kwartalen in alle sectoren te zien, maar gaat het hardst in de sectoren zorg, onderwijs (inclusief particulier onderwijs en sport) en handel en vervoer. Het aantal zzp’ers dat eigen arbeid verricht daalt het hardst (-11% in anderhalf jaar tijd), maar ook het aantal zzp’ers dat producten verkoopt (en dus niets te maken heeft met de handhaving) daalt: -6%. De daling in het afgelopen kwartaal ligt wel iets onder de gemiddelde daling van de afgelopen zes kwartalen. Vooral minder hoogopgeleiden Uit de cijfers van het CBS blijkt dat de daling het grootst is onder zelfstandigen (met maar vooral zonder personeel) die werk doen op HBO/WO groep. Het totaal aantal gewerkte uren in die groep daalde met 10%. Het aantal zzp’ers met eenvoudig werk bleef gelijk, net als de groep MBO/HBO (beroepsniveau 3 volgens de ISCO indeling). KVK ziet wel groei Afgelopen week liet de KVK weten wel een stijging van het aantal zzp’ers te zien. Door een weer stijgend aantal starters en een dalend aantal stoppers zag de KVK het aantal zzp’ers het afgelopen kwartaal met bijna 12 duizend toenemen. De KVK meet het aantal ingeschreven zelfstandigen. Het CBS meet of die zzp’er ook het grootste deel van zijn of haar inkomen uit het zzp-schap verwerft. Dat verklaart de verschillen. Uit de KVK-cijfers is wel op te maken dat er nog steeds het nodige optimisme en enthousiasme is over het zelfstandig ondernemerschap. Bron: KVK & CBS | Bewerking: ZiPconomy Meer flexcontracten, maar minder uitzendwerk Naast 1,5 miljoen zelfstandigen (met of zonder personeel) hadden afgelopen kwartaal ruim 5,6 miljoen werknemers een vaste arbeidsrelatie. Dat zijn er 4 duizend meer dan in het eerste kwartaal. Bron: CBS Ruim 2,7 miljoen werknemers hebben een flexibele arbeidsrelatie. Het aantal flexwerknemers steeg daarmee voor het vierde kwartaal op rij. Die stijging van het aantal flexwerknemers zit niet in uitzendcontracten, want het aantal banen bij en via uitzendbureaus daalde met 13 duizend ten opzichte van een kwartaal eerder. Het totaal aantal banen (11,6 miljoen) lag sowieso wat lager (-8 duizend), na een stijging in het eerste kwartaal van dit jaar. In het afgelopen kwartaal kwamen er in het openbaar bestuur 6 duizend banen bij en in de cultuur, recreatie en overige diensten 4 duizend. In de zakelijke dienstverlening nam het aantal banen met 6 duizend af, na een toename van 10 duizend banen in het eerste kwartaal. Minder vacatures, minder werkloosheid Zowel de werkloosheid als het aantal vacatures daalde in het afgelopen kwartaal. Het werkloosheidspercentage daalde van 4,0 naar 3,9 procent. Deze lichte daling volgt op een periode waarin de werkloosheid geleidelijk toenam. In het tweede kwartaal van 2022 was nog 3,3 procent van de beroepsbevolking werkloos. In het tweede kwartaal waren 396 duizend mensen werkloos. Dat zijn 17 duizend werklozen minder dan een kwartaal eerder. Het aantal vacatures daalde in het tweede kwartaal van 2026 met 3 duizend en het aantal werklozen nam af met 17 duizend. Voor elke 100 werklozen zijn er nu 95 vacatures. Aan het einde van het tweede kwartaal stonden er 375 duizend vacatures open, 3 duizend minder dan een kwartaal eerder. De daling van het aantal vacatures zet daarmee door. De meeste vacatures zijn te vinden in de zorg, de handel en de zakelijke dienstverlening. Deze drie bedrijfstakken zijn goed voor ruim de helft van alle openstaande vacatures. Voor elke 100 werklozen zijn er nu 95 vacatures. Daarmee is de spanning op de arbeidsmarkt iets toegenomen, maar nog flink lager dan de piek van vier jaar geleden. In het tweede kwartaal van 2022 waren er nog 142 vacatures per 100 werklozen. Bron: CBS Geplaatst in ZP en Ondernemen | Tags CBS | Laat een reactie achter
Het is tijd om de ui met pensioen te sturen Geplaatst 29 juli 2026 door Jan-Willem Weijers Er is een metafoor die je al jaren hoort in HR-land en strategische personeelsplanning- overleggen, die eigenlijk niemand meer serieus zou moeten nemen: de flexibele schil. Vast personeel = de kern. Alles daaromheen = de schil. Contractors, zzp’ers, interimmers, uitzendkrachten. Netjes gelaagd, als een ui. En net als bij een ui: als je er te lang naar kijkt, gaan je ogen ervan tranen. Want wat zegt zo’n schillenmodel eigenlijk? Het zegt: er zijn medewerkers die ertoe doen en er zijn medewerkers die handig zijn. De ene groep bouwt aan de toekomst van de organisatie. De andere groep vult gaten op, vangt pieken op en vertrekt wanneer het niet meer uitkomt. Tweederangs talent, op papier althans. Met een afwijkend toegangspasje. De contractvorm bepaalt de rangorde Het merkwaardige is: niemand zou dit hardop zeggen. In geen enkele HR-strategie staat letterlijk: ‘Onze externe medewerkers zijn tweederangs’. En toch is de terminologie er volledig op ingericht. De ‘flexibele schil’ impliceert precies dat. De contractvorm bepaalt je plek in de pikorde, niet je bijdrage, niet je kennis, niet je impact. Lees ook: De inhuurparadox van 2026: professionalisering in een politiek labyrint Terwijl de realiteit al jaren anders is. Kritieke projecten worden geleid door mensen zonder vast contract. Specialistische kennis zit soms juist bij de persoon die over zes maanden weer vertrokken is. En de ‘vaste kern’ bestaat in veel organisaties uit mensen die al tien jaar hetzelfde doen, terwijl de echte vernieuwing van buiten komt. De schil innoveert. De kern beheert. Maar dat past niet in het model, dus zwijgen we erover. De kern van het probleem is dit: we denken nog steeds in contractvormen terwijl we zouden moeten denken in talent-vraagstukken. Welke capaciteit heb ik nodig? Wanneer? Met welke expertise? Of die capaciteit komt van iemand in loondienst, via een bureau, als zelfstandige of op basis van een overeenkomst van opdracht: dat is een uitvoeringsdetail. Geen rangorde. Van flexibele schil naar talentmodel Een contractneutrale arbeidsmarkt vraagt om contractneutraal denken. Beschikbaarheid van talent als vertrekpunt, niet als sluitpost. En dus: misschien is het tijd om de ui met pensioen te laten gaan. Niet omdat taal er niet toe doet, maar juist omdat het het wél doet. Zolang we blijven spreken over een ‘flexibele schil’ bouwen we onbewust verder aan een systeem waarin de contractvorm bepaalt wie meetelt. De toekomst van werk is geen schillenmodel. Het is een talentmodel. Een talent-ecosysteem, zonder kern, zonder schil. Gewoon mensen, met de juiste kennis, op het juiste moment. Geniet van je pensioen ui. Lees ook: De arbeidsmarkt is krap. Toch? Geplaatst in Professioneel inhuren | Tags Flexibele schil, talent, talentstrategy | Laat een reactie achter
Advies: sectoraal zzp-verbod, toetsingscommissie voor zzp-inhuur en modelovereenkomsten terug Geplaatst 28 juli 2026 door ZiPredactie Een onafhankelijke toetsingscommissie die bindend oordeelt of iemand als zzp’er mag worden ingehuurd. De terugkeer van modelovereenkomsten voor het werken met zzp’ers. En een afgebakende lijst van sectoren waarin het werken met zzp’ers helemaal niet is toegestaan. Dat zijn de drie concrete voorstellen die Sira Consulting doet om een einde te maken aan de onzekerheid rond het voorkomen van schijnzelfstandigheid. Het onderzoeksbureau deed de aanbevelingen in opdracht van werkgeversvereniging AWVN. Het bureau rekent de regels rond het inhuren van zzp’ers tot de slechtst werkbare verplichtingen voor werkgevers. Mix van oud en nieuw De drie voorstellen zijn een mix van bestaande of al eerdergenoemde ideeën. Een toetsingscommissie komt ook voor in de plannen voor de Zelfstandigenwet en lijkt op de Administratieve Commissie ter regeling van de arbeidsrelatie (CAR), die in België beoordeelt of een samenwerking moet worden beschouwd als arbeidsovereenkomst of zelfstandige activiteit. Een vergelijkbare voorziening draagt bij aan meer rechtszekerheid en minder regeldruk, doordat vooraf duidelijkheid ontstaat over de aard van de arbeidsrelatie, aldus Sira. Minister Aartsen liet begin juni wel weten dat hij die sectorale toetsing en de aparte toetsingscommissie vooralsnog buiten beschouwing laat, om de invoering van de Zelfstandigenwet zelf niet verder te vertragen. De modelovereenkomsten kennen we sinds de afschaffing van de VAR. Het idee was om in zo’n overeenkomst afspraken vast te leggen die vooraf door de Belastingdienst werden goedgekeurd, zodat opdrachtgever en zzp’er zekerheid hadden dat er geen sprake was van een dienstverband. Door een gebrek aan regie liep dit idee bij de uitvoering volledig uit de hand, met vele duizenden aanvragen voor goedkeuring. Daarbij werd er – zo vond de Belastingdienst – met de modelovereenkomsten eerder gekeken naar wat er op papier stond dan naar de praktijk. Mede daardoor wordt het systeem van modelovereenkomsten momenteel uitgefaseerd. Sinds september 2024 worden geen nieuwe modelovereenkomsten meer beoordeeld. Bestaande overeenkomsten blijven geldig tot en met 31 december 2029. Sira vraagt zich af of hiermee niet “het kind met het badwater” is weggegooid. Het systeem biedt immers duidelijkheid en rechtszekerheid vooraf. “Een verbeterde variant van het systeem kan mogelijk wél goed functioneren – bijvoorbeeld door middel van gerichte steekproefcontroles om te toetsen of de praktijk overeenkomt met wat op papier is vastgelegd. Werkgevers die aantoonbaar volgens de regels handelen, kunnen vervolgens het voordeel krijgen dat hun andere overeenkomsten vooraf als betrouwbaar worden beschouwd, waardoor de administratieve lasten beperkt blijven en toch rechtszekerheid wordt geboden.” Bepaalde sectoren uitsluiten voor zzp’ers, bijvoorbeeld omdat de kans op misstanden of schijnzelfstandigheid bovenmatig groot is, doet denken aan het kabinetsbesluit van begin juli om uitzendkrachten in de vleesverwerkende industrie vanaf 2028 te verbieden. “Door duidelijk te maken dat zelfstandige inzet in bepaalde situaties in beginsel niet passend is – bijvoorbeeld bij structurele werkzaamheden onder leiding en toezicht of bij kernactiviteiten in sectoren als zorg, onderwijs, openbaar vervoer en beveiliging – ontstaat vooraf meer duidelijkheid”, aldus Sira. “Door de afbakening te beperken tot duidelijke en breed gedragen categorieën blijft de uitvoerbaarheid gewaarborgd en wordt juridisering voorkomen, terwijl het beschermingsdoel effectiever wordt bereikt zonder onnodige regeldruk.” Het adviesbureau ziet het invoeren van een rechtsvermoeden van een arbeidsovereenkomst als een alternatief voor een verbod. Het bureau wijst erop dat dit in België momenteel is ingevoerd voor sectoren als de bouw, bewaking, vervoer van goederen en/of mensen, schoonmaak, land- en tuinbouw en digitaal platformwerk. Ook in Nederland wordt gewerkt aan een rechtsvermoeden van werknemerschap voor platformwerkers. Daarnaast gaat zo’n rechtsvermoeden vanaf 1 januari 2027 gelden voor wie wordt ingehuurd voor minder dan € 39 per uur. Onderdeel van een pakket van 21 aanbevelingen Deze drie voorstellen maken deel uit van een breder pakket van 21 aanbevelingen waarmee AWVN de regeldruk voor werkgevers wil terugdringen. Voor het rapport ‘Regeldrukreductie, het kan wél! Een oproep om Nederland te ontregelen’ bracht Sira Consulting voor een fictieve maar representatieve middelgrote werkgever, met 250 werknemers, actief in de industrie en internationaal opererend, alle 67 wettelijke verplichtingen in kaart die op het werkgeverschap rusten. Daarvan is volgens het onderzoek slechts 33 procent goed uitvoerbaar, is 52 procent redelijk werkbaar en scoort 15 procent als niet of slecht werkbaar. Het inhuren van zzp’ers valt in die laatste, kleinste maar meest problematische categorie, samen met onder meer het aanvragen van ouderschapsverlof, het begeleiden van niet-functionerende werknemers en de ontslagprocedure via de kantonrechter. Voor elf van de 67 verplichtingen werkte Sira in totaal 21 concrete aanbevelingen uit om de regeldrukkosten te verlagen of de werkbaarheid te verbeteren. Volgens de berekeningen van Sira, gebaseerd op het Standaardkostenmodel dat ook het ministerie van Economische Zaken eerder gebruikte, kost het vervullen van alle verplichtingen een middelgrote werkgever ruim 1,1 miljoen euro per jaar: 20 procent daarvan is interne capaciteit, bijvoorbeeld van de HR-afdeling, en 80 procent zijn externe kosten, zoals het inhuren van een deskundige of het betalen van een transitievergoeding. Voor het mkb als geheel raamt AWVN de totale regeldrukkosten op ruim 20 miljard euro per jaar. Aanleiding: rapport voor het kabinet Het onderzoek verschijnt niet toevallig nu. In het coalitieakkoord ‘Aan de slag: bouwen aan een beter Nederland’ kondigde het kabinet aan serieus werk te willen maken van het terugdringen van regeldruk, een onderwerp dat volgens AWVN al jaren in de top drie van belemmeringen voor werkgevers staat. Op maandag 6 juli 2026 overhandigde AWVN-directeur Lisette van Breugel (rechts op de foto) het onderzoeksrapport en de begeleidende brochure aan de ministers Heleen Herbert (Economische Zaken) en Thierry Aartsen (Werk en Participatie). De laatste is binnen het kabinet verantwoordelijk voor de regels rond het inhuren van zzp’ers. AWVN weet dat niet alle aanbevelingen even snel te realiseren zijn, omdat ze aanpassing van wet- en regelgeving of overleg met sociale partners vergen. Maar de voorstellen die vooral bestaande regels verduidelijken of procedures vereenvoudigen (‘laaghangend fruit’) wil AWVN meteen in gang gezet zien. De drie zzp-adviezen vallen wat de werkgeversorganisatie betreft daar nadrukkelijk onder. De onderliggende gedachte is dat regeldruk vaak niet ontstaat door het doel van een regel, maar door de uitvoering ervan. Zoals AWVN-directeur Lisette van Breugel het verwoordt: “het probleem zit in de uitvoering”, niet in de regel of de wet zelf, en die uitvoering is doorgaans eenvoudiger te veranderen dan de wet. Bronnen: Sira Consulting, ‘Regeldruk en het werkgeversklimaat’, onderzoek in opdracht van AWVN; AWVN, ‘Regeldrukreductie, het kan wél! Een oproep om Nederland te ontregelen’, juni 2026; AWVN-persbericht ‘AWVN helpt schrappen overbodige regels voor werkgevers‘ Geplaatst in Professioneel inhuren | Tags AWVN | 9s Reacties
Het AI-narratief verandert: haal de robot uit de mens Geplaatst 27 juli 2026 door Circle8 Of AI mensen of specifieke rollen gaat vervangen in de toekomst, is koffiedik kijken. Niemand heeft een glazen bol of weet in welke mate AI het werk van mensen gaat vervangen. Je kan slechts afgaan op wat er in de markt gezegd wordt en dit verifiëren met wat er daadwerkelijk gebeurt. En dat is precies waar dit artikel op ingaat. Wat is er gezegd en wat gebeurt er nu in de markt? En misschien nog belangrijker: wat betekent dit nieuws voor jou? Samengevat: je wordt niet vervangen door AI, maar AI haalt wel de robot uit je werk. Wat is er gezegd door AI-ceo’s? Het is eind mei 2025 en een opgewekte Dario Amodei, de ceo van Anthropic, vertelt met enige bezorgdheid aan CNN-host Anderson Cooper dat AI kan leiden tot hoge werkloosheid (van 10 tot 20%) en dat de helft van de entry-levelbanen de potentie heeft om te verdwijnen. Dat is nogal wat. Dario Amodei heeft de reputatie als de meest kritische en open AI-ceo en zijn bovenstaande claim getuigt daarvan. Desondanks is Amodei niet alleen in zijn standpunt van een jaar geleden. In 2023 claimde Sam Altman, ceo van OpenAI, het volgende in The Atlantic: ‘Jobs are definitely going to go away, full stop,’ en in september 2025 vertelde Altman dat 40% van de dagelijkse werktaken door de opkomst van AI komt te vervallen. Opvallend is dat beide AI-ceo’s pleiten voor betere regulering en wetgeving die AI, en feitelijk hun bedrijven en businessmodel, inkadert. Ze zien wat er in de ‘keuken’ wordt gemaakt en hoe disruptief dit kan zijn voor de arbeidsmarkt. De visie van Alex Karp, de ceo van Palantir, sluit naadloos aan op die van de anderen en gaat zelfs nog een stapje verder in een interview tijdens het World Economic Forum eerder dit jaar: ‘It will destroy humanities jobs.’ Naast zijn boude claim voegt hij eraan toe dat de praktisch geschoolde werknemer niets te vrezen heeft: ‘There will be more than enough jobs for the citizens of your nation, especially those with vocational training,’ Lees ook: AI en vergrijzing schudden zakelijke dienstverlening op De bovenstaande quotes laten aan de ene kant zien dat AI-ceo’s drastische veranderingen zagen aankomen met onomkeerbare gevolgen voor de arbeidsmarkt. Tegelijkertijd slaan sommigen alarm bij overheden om tijdig goede regulering en wetten te ontwikkelen die de gevaarlijke kanten van AI aan banden leggen. Maar ondanks wat er gezegd is door de meest prominente AI-leiders, is het van belang om te weten wat er daadwerkelijk gebeurt op de arbeidsmarkt anno nu: wat zeggen de data? Wat gebeurt er nu daadwerkelijk op de arbeidsmarkt? Er is geen sprake van massaal banenverlies. Dat is een onomstootbaar feit. Ondanks verschillende grote ontslagrondes binnen Big Tech, blijft de werkloosheidsgraad in Nederland op 4 procent tijdens het eerste kwartaal van 2026 (CBS, arbeidsmarkt). Dit is een lichte groei ten opzichte van het vierde kwartaal van 2025. In Amerika lijkt de werkloosheid in juni 2026 iets te dalen ten opzichte van mei en het U.S. Bureau of Labor Statistics rapporteert dat de werkloosheidsgraad op 4,2 procent zit. Toch is correlatie geen causaliteit. Om de situatie beter te begrijpen, moet je dieper graven in onderzoeken die gericht zijn op de impact van AI op de arbeidsmarkt. En daarvoor kijken we eerst naar The Budget Lab van Yale University. Voorbij de werkloosheidsgraad The Budget Lab analyseert langdurig de impact van AI op de arbeidsmarkt. In de meest recente update komt het lab met één heldere conclusie: er is geen bewijs dat de arbeidsmarkt disruptie ervaart door AI. Ook het gebruik van AI heeft geen verband met verandering voor de werkgelegenheid of werkloosheid in de markt. ‘Er is geen AI-gerelateerde arbeidsmarktvoetafdruk,’ zoals de onderzoekers het zeggen. De PwC’s 2026 Global AI Jobs Barometer komt met een verrassend inzicht dat de vermeende ‘job apocalypse’, zoals The Economist het in mei 2026 omschreef, in een ander daglicht zet, namelijk: ‘AI is linked to rising wages and headcount’. Dit contrasteert met de eerder genoemde claims van AI-ceo’s. De bedrijven die grote efficiëntieslagen maken met AI, combineren kostenreducties en nemen tegelijkertijd méér mensen aan, en verhogen de salarissen. Ook het onderzoek van Ramp – Revelio laat dezelfde trend zien en voegt eraan toe dat de entry-level-headcount ook stijgt bij bedrijven die juist hoog in AI investeren. Hoe wordt AI ervaren door de top van het bedrijfsleven? De EY-Parthenon CEO Outlook Survey laat zien dat ceo’s AI gebruiken om hun hr-strategieën te hervormen. In plaats van het werknemersbestand te reduceren, ligt de focus op waardecreatie. De vraag is dus hoe werknemers effectiever gaan werken met de hulp van AI, niet hoe AI hen vervangt. In hetzelfde onderzoek zegt slechts 20 procent van de ondervraagde ceo’s dat AI leidt tot een inhuurreductie. In 2024 was dit nog 45 procent. In een ander ceo-onderzoek, de PwC’s 29th Global CEO Survey, stelt de meerderheid van de ceo’s (56%) dat zij geen financiële groei of impact zien door de gemaakte investeringen in AI. Daarmee concludeert PwC dat AI nog in de kinderschoenen staat. Toch is de bovenstaande data pas interessant als je het koppelt aan het veranderende narratief van de AI-ceo’s, dat sinds enkele maanden een andere toon aanslaat. Want dat zegt minstens zoveel als de arbeidsmarkt die (nog) niet onderhevig is aan AI-disruptie. Lees ook: Kanaries in de kolenmijn? ‘AI doet aantal banen jonge werknemers verdwijnen’ Het veranderende narratief van de AI-industrie Tussen 2022 en half 2026 leek het AI-narratief, vaak geleid door AI-ceo’s, steevast dezelfde conclusie te hebben: AI heeft de potentie om grote delen van de white-collar jobs te vervangen. Uiteraard is dit nog steeds mogelijk met de razendsnelle ontwikkelingen die iedere week maar blijven verbazen. En toch is de toon van de AI-ceo’s, die dagelijks getuigen zijn van de snelle ontwikkelingen op AI-gebied, recentelijk veranderd. The Wall Street Journal kopt het als volgt: ‘Big Tech Has Suddenly Flipped on the AI Jobs Wipeout Scenario. Het is geen genuanceerde verschuiving in berichtgeving, maar het lijkt op een definitieve ommekeer. Voorheen was de strekking dat AI hele categorieën zou uitwissen en nu is het angstscenario getransformeerd in een positieve impact op de arbeidsmarkt: AI-technologie gaat mensen efficiënter maken, zonder ze te vervangen. Sam Altman, ceo van OpenAI, zei in mei dat de voorspellingen rondom AI-technologie enigszins klopten, maar dat de voorspellingen rondom sociale en economische gevolgen simpelweg niet juist waren. Altman vertelde ook aan CNBC dat de AI-industrie de rol van de mens heeft onderschat: “but I think our industry underestimated how much we’re going to be able to keep people at the center of everything in an economy that is and a world that is based on people.” Anthropic-CEO Dario Amodei heeft een verklaring voor zijn alarmerende toon van de afgelopen jaren: ‘I have warned about job displacement in interviews and essays because I want both policymakers and the private sector to have the best chance to adapt and respond, not because I am trying to be a ‘prophet of doom’. Later stelt hij dat de ‘enduring job loss’ nog steeds behoort tot de mogelijke consequenties van AI-gebruik. Mark Zuckerberg, CEO van Meta, stelt ook dat een gezond gebruik van AI in theorie juist meer banen in de toekomst genereert, niet minder. Ironisch genoeg vertelde hij dit enkele dagen na een enorme ontslagronde bij Meta zelf. Maar waarom is de toon veranderd? Dan rest de vraag waarom het narratief is veranderd. Dat is giswerk, maar daarvoor keren we naar twee professoren en hun interpretaties: David Autor, professor economie bij Massachusetts Institute of Technology, en Scott Galloway, marketingprofessor NYU Stern. Autor werd geïnterviewd door The Wall Street Journal en stelde dat AI-ceo’s en bedrijven wellicht tot de conclusie zijn gekomen dat de arbeidsmarkt, ondanks de introductie en adoptie van AI, niet verandert in het tempo dat zij voor ogen hadden. Hij vertelt dat ze ook wellicht een realisatiemoment hadden dat het huidige narratief van de AI-industrie rondom baanverlies uiteindelijk niet goed landt in de markt. Het negatieve sentiment richting AI was ook te zien tijdens diverse diploma-uitreikingen van studenten op Amerikaanse universiteiten. Een andere uitleg komt van marketingprofessor Galloway, die zegt dat het ‘AI job apocalypse’-narratief geen economische voorspelling is, maar een marketingstrategie. Het is volgens Galloway niet het einde van werk, maar de monetisatie van de angst. En vervolgens windt hij er geen doekjes om: ‘Catastrophizing is a narrative device the hyperscalers deploy to divert capital flows to them and justify their capex.’ Kortom, en volgens Galloway, was het narratief vooral bedoeld om de waarde van AI te verhogen. Het begin van een nuchtere kijk op AI? Het narratief dat AI voor grote disruptie zorgt lijkt voor nu te sneuvelen. De data spreken voor zich en de AI-ceo’s lijken de vraag uit de markt te volgen, in plaats van andersom. Wellicht geeft een blik op het verleden enige duiding op de toekomst die zich ontvouwt. De Jevons-paradox uit 1865 stelt dat technologische vooruitgang, die een hulpbron efficiënter maakt, paradoxaal genoeg leidt tot een hoger totaalverbruik in plaats van minder. Eldar Maksymov, een professor accounting bij de Arizona State University, beschrijft in zijn paper hoe de toename van computers en spreadsheets binnen het accountingvakgebied specifieke taken elimineerde, maar dat de kostenreductie van de technologie juist zorgde voor meer vraag naar accountants. Hetzelfde kan gelden voor AI. En daarmee wordt AI onderhevig aan de Jevons-paradox, wat betekent dat er meer banen ontstaan door technologische vooruitgang, niet minder. In dit scenario wordt de mens niet vervangen, maar juist in staat gesteld om efficiënter en effectiever te werk te gaan. Het is hoe Martin Westerhof, Managing Director bij Circle8 Nederland, het zegt: ‘Met AI halen we de robot uit de mens.’ Lees ook: Ontmoet je nieuwe freelancers: AI-agents klaar om aan de slag te gaan Over de auteur Robert-Jan Zwart is content marketeer bij Circle8. Hij schrijft over de ontwikkelingen in de arbeidsmarkt en de dienstverlening van Circle8, broker en MSP. Geplaatst in Toekomst van Werk | Tags AI, Circle8, toekomst van werk | Laat een reactie achter