Maandelijkse archieven: april 2026

Interim HR-professional nog steeds matig gestemd over de markt, maar verwacht verbetering. ‘De markt vraagt om interim van hogere kwaliteit’

Interim HR-professionals zijn licht positiever over de markt dan een jaar geleden. Het rapportcijfer stijgt van een 6,2 naar een 6,4. Ondanks bezuinigingen, strengere handhaving op schijnzelfstandigheid en economische onzekerheid, blijft de vraag naar flexibele HR-experts groeien. Dat blijkt uit de nieuwste enquête van HRMorgen en Compagnon onder zelfstandig HR-professionals.

Positief sentiment stijgt

Hoewel het sentiment gemiddeld bescheiden is gestegen, neemt vooral het aantal interim-professionals dat de markt als ‘goed’ beoordeelt toe. Het percentage dat de markt als ‘slecht’ (onder de 5,5) beoordeelt, is gelijk gebleven.

HR-interim-professionals zijn dan ook hoopvol over de komende 12 maanden. Maar liefst 30% rekent op verbetering en 12% verwacht zelfs een ‘aanzienlijke’ verbetering. Bijna 40% van de respondenten verwacht dat de markt de komende tijd stabiel blijft.

Herkenbaar, zegt senior consultant Monique van den Hoogen van HR-recruitmentspecialist Compagnon. “Wij zien nog steeds een groei in het aantal ingezette interimmers.”

Zij merkt vooral dat de aard van de opdrachten verandert. “Opdrachtgevers zoeken hogere kwaliteit”, zegt ze. “Een interim-professional moet echt meer doen dan een functie vervullen.”

Geen vraag naar generalist, maar specialist

Opdrachtgevers zoeken specifiek mensen die waarde toevoegen aan de organisatie, legt ze uit. “Niet zomaar een HR-businesspartner, maar iemand die zichtbaar kan aantonen dat hij ervaring heeft met het oplossen van een specifiek probleem, bijvoorbeeld ziekteverzuim.”

Dat heeft twee oorzaken. Ten eerste weten opdrachtgevers beter wat ze nodig hebben, zegt Van den Hoogen. “Ze definiëren opdrachten scherper en dat is alleen maar fijn. Zo vinden ze kandidaten die echt goed passen. Ik zie bijvoorbeeld ook dat ervaring in een specifieke branche vaker doorslaggevend is dan een jaar geleden.”

Impact van handhaving op schijnzelfstandigheid

De tweede reden dat opdrachtgevers specialisten zoeken, is de handhaving op schijnzelfstandigheid. “De tijd dat je als generieke interim HR-adviseur op uurbasis een gat in de bezetting opvult, is voorbij”, zegt ze. “Daarmee loop je nu eenmaal risico op schijnzelfstandigheid. Opdrachtgevers zijn zich daar meer van bewust en daarom scherper en terughoudender in hun besluitvorming over inhuur.”

Uit de enquête blijkt verder dat interimmers de gevolgen merken van strengere handhaving op schijnconstructies. Zo’n twee derde (67%) van de interimmers voelt de impact. Hoewel dit nog steeds een ruime meerderheid is, is het een daling ten opzichte van vorig jaar (76%).

Zorg, onderwijs en overheid: meer vraag naar detachering

Volgens Van den Hoogen verschillen de gevolgen per branche. “In de zorg, de overheid en het onderwijs worden zzp’ers nauwelijks meer ingehuurd”, zegt ze. “Hier stijgt het aantal gedetacheerden. Wil je dus in die sectoren aan de slag, dan moet je als interimmer flexibel zijn in je contractvorm. Je kunt je bijvoorbeeld laten detacheren op basis van de opdracht.”

Ze merkt dat interimmers vaker bereid zijn om op detacheringsbasis te werken als organisaties geen zzp-constructies meer accepteren. “Dat lijkt me verstandig”, zegt ze. “Uiteindelijk gaat het interimmers om de vrijheid in uren en de inhoud van de opdracht. Dat kan ook via detachering.”

Geopolitiek en bezuinigingen

Naast de handhaving op schijnzelfstandigheid, zien interim HR-professionals de markt ook door externe factoren veranderen. Terwijl vorig jaar nog 30% de invloed van economische en geopolitieke ontwikkelingen merkte, is dat inmiddels gestegen naar 45%. Daarnaast heeft 44% te maken met bezuinigingen in de branche.

Ondanks al deze ontwikkelingen, blijft het zzp-schap populair. De vrijheid om zelf opdrachten te kiezen en de eigen tijd in te delen, weegt voor velen zwaarder dan de onzekerheid. Maar liefst 77% is tevreden over werken als zelfstandige.

Opleiding en ontwikkeling

Ook dat herkent Van den Hoogen. “Als ik interimmers vraag naar de plannen voor het komend jaar, zeggen mensen nog steeds dat ze het zzp-schap overwegen, of zelfs stelliger: ‘Ik ga na deze opdracht weer als zzp’er aan het werk.”

Daarbij weten ze hoe belangrijk profilering en expertise zijn. Respondenten geven bijvoorbeeld aan dat ze een opleiding willen volgen, hun netwerk willen verbreden of actief aan de slag gaan met groei en uitbreiding. Van den Hoogen: “Verstandig, want er liggen prachtige kansen in de markt voor interimmers die zich ontwikkelen en specialiseren.”

Geplaatst in ZP en Ondernemen | Tags , , , | Laat een reactie achter

‘Meer regels voor zzp’ers, maar het echte probleem blijft liggen’

Op woensdag 15 april debatteert de Tweede Kamer over het wetvoorstel Rechtsvermoeden bij laag tarief. Die wet en andere bijbehorende zzp-wetgeving zouden moeten zorgen voor een transparantere arbeidsmarkt. Schijnzelfstandigheid moet worden teruggedrongen en kwetsbare werkenden moeten beter worden beschermd. Ook zou meer duidelijkheid moeten ontstaan voor zowel zelfstandigen als opdrachtgevers. En die duidelijkheid geef je het liefst vooraf.

In de praktijk dreigt het tegenovergestelde te gebeuren. Het voorgestelde rechtsvermoeden biedt pas duidelijkheid als er al een conflict is ontstaan en een rechter moet oordelen. Daarmee verschuift de onzekerheid vooral naar achteraf.

Nieuwe verplichtingen, zonder oplossing van het probleem

Minister Thierry Aartsen heeft meermaals gezegd: “Je krijgt de vrijheid om te ondernemen, maar daar staan wel verplichtingen tegenover, zoals een AOV.”

De vrijheid om te ondernemen bestaat al lang; een verplichte AOV is nieuw. Daar ben ik overigens voorstander van. Maar als verplichtingen toenemen terwijl de onderliggende problemen blijven bestaan, ontstaan extra kosten waar in lage-tariefsectoren vaak geen ruimte voor is. Juist daarom is betere bescherming aan de onderkant nodig.

Rechtsvermoeden: bescherming op papier, onzekerheid in de praktijk

Een belangrijk instrument in het huidige beleid is het rechtsvermoeden van werknemerschap onder een bepaalde tariefgrens, dat als aparte maatregel wordt voorgesteld. Op papier lijkt dat bescherming te bieden, maar in de praktijk is die beperkt. De Raad van State plaatste eind 2024 vraagtekens bij de effectiviteit en praktische betekenis van dit instrument. Ook na de aanpassingen blijft die kritiek grotendeels overeind: het rechtsvermoeden vereist dat een zzp’er zelf naar de rechter stapt.

Bescherming ontstaat daarmee pas achteraf, terwijl juist vooraf duidelijkheid nodig is. Bovendien geldt het niet voor iedereen: als een rechter oordeelt dat er sprake is van echt ondernemerschap, vervalt de bescherming. De stap naar de rechter brengt bovendien onzekerheid en stress met zich mee en kan de relatie met een opdrachtgever onder druk zetten, met het risico op verlies van toekomstige opdrachten.

Handhaving wordt steeds complexer

Recente jurisprudentie, zoals het Uber-arrest, laat zien dat de beoordeling van arbeidsrelaties steeds meer afhankelijk wordt van individuele omstandigheden. Zelfs bij hetzelfde werk voor dezelfde opdrachtgever kan de uitkomst verschillen.

Dat betekent dat handhaving steeds vaker per individu moet plaatsvinden. Voor de Belastingdienst maakt dat controle complex, tijdrovend en nauwelijks schaalbaar. Is het dan nog wel werkbaar? Zou het niet logischer zijn om te werken met verplichte minimumtarieven per sector, met handhaving door de Arbeidsinspectie? Dat geeft vooraf duidelijkheid en maakt controle eenvoudiger.

Het echte probleem: een economische prikkel

De discussie over schijnzelfstandigheid wordt vaak juridisch gevoerd, met begrippen als gezag, inbedding en contractvormen. Maar in veel sectoren zit het echte probleem in de economische prikkel: hoe werk zo goedkoop mogelijk kan worden georganiseerd.

Zolang een zelfstandige goedkoper kan worden ingezet dan een werknemer in loondienst, blijft de prikkel bestaan om met contractvormen te schuiven. In sommige sectoren zijn tarieven voor zzp’ers zo laag dat er nauwelijks ruimte is voor buffers, verzekeringen of pensioenopbouw. Zolang dat niet verandert, blijft het probleem bestaan, ongeacht hoe het juridisch wordt ingericht.

Voorkomen van armoede vraagt meer dan regels

De Tweede Kamer nam unaniem de motie-Bikker aan: de armoede moet afnemen in plaats van toenemen. Extra eisen die geld kosten dragen daar niet aan bij als de onderkant onvoldoende wordt beschermd. Zzp’ers hebben al meer dan twee keer zoveel kans op armoede. Zonder effectieve bescherming kan dat probleem juist groter worden.

Er wordt soms gezegd dat minimumtarieven in de praktijk ook als maximumtarief gaan functioneren. Als dat gebeurt, zegt dat vooral iets over de onderliggende markt. In sectoren waar tarieven structureel op het minimum blijven hangen, lagen ze daarvoor vaak nog lager. In die zin kan een ondergrens juist een eerste stap zijn naar een gezondere markt, niet het eindpunt.

Een alternatief: duidelijkheid vooraf

Het doel van het zzp-beleid is helder: meer zekerheid, aanpak van schijnzelfstandigheid, betere bescherming aan de onderkant en een eerlijke arbeidsmarkt. Maar de huidige aanpak biedt geen echte zekerheid. De Belastingdienst moet steeds individueler controleren en het rechtsvermoeden werkt pas als een zzp’er zelf in actie komt. Dan dreigen we van schijnzelfstandigheid naar schijnzekerheid te gaan.

Als het doel is om zzp’ers beter te beschermen, ligt het voor de hand om die bescherming vooraf te organiseren, niet pas via de rechter. Sectorale minimumtarieven kunnen daarbij helpen. Een ondergrens voorkomt dat er structureel onder kostprijs wordt gewerkt en geeft vooraf duidelijkheid voor zowel zelfstandigen als opdrachtgevers. De uitwerking van dit idee beschrijf ik al eerder op Zipconomy.

Aansluiting kan worden gezocht bij bestaande sectorindelingen, zoals cao’s en SBI-codes. Belangrijk is dat tarieven passen bij wat binnen een sector realistisch te verdienen is. Natuurlijk spelen individuele verschillen een rol. De ene zzp’er declareert meer uren dan de ander. Maar voor beleid kun je daar niet van uitgaan. Het is logischer om te kijken naar wat binnen een sector gemiddeld haalbaar is. Dat geeft een realistischer beeld van hoe de markt feitelijk functioneert. Als die basis goed wordt vastgelegd, verdwijnt de prikkel om op prijs te concurreren met loondienst.

Bescherming waar het nodig is, rust waar het kan

Tegelijkertijd kan deze aanpak het grootste deel van de zzp’ers juist met rust laten. In veel sectoren functioneren tarieven goed en is van structurele onderbetaling geen sprake. Juist door gericht te kijken waar het wél misgaat, voorkom je onnodige regels voor de rest van de markt. Handhaving kan vervolgens, net als bij loondienst, bij de Arbeidsinspectie worden belegd. In het volgende interview ga ik verder in op de praktische uitwerking en achterliggende gedachte:

Wie vooraf duidelijkheid wil, zal het probleem ook daar moeten oplossen.

Geplaatst in ZP en Politiek | Tags , | Laat een reactie achter

Stapel arbeidsmarktwetten op weg naar de Kamer: ‘De wereld ziet er anders uit dan toen deze wetten bedacht werden’

De Nederlandse arbeidsmarkt staat aan de vooravond van de invoering van een aantal wetswijzigingen die stevig ingrijpen. 10 april werd de Wet meer zekerheid flexwerkers besproken, op 15 april volgt de behandeling Rechtsvermoeden bij laag tarief en dan volgt op 28 mei nog een overleg over het bredere arbeidsmarktbeleid. Dan komt bijvoorbeeld de Zelfstandigenwet ter sprake, de wet waar minister van Werk en Participatie Thierry Aartsen (VVD) en minister van Sociale Zaken Hans Vijlbrief (D66) zelf het initiatief toe namen.

Er is veel in beweging, de wetten hangen ook nauw met elkaar samen en de politieke puzzel is best complex, zo blijkt uit het gesprek dat ZiPconomy hoofdredacteur Jan-Willem Weijers en ZiPTalk host Narada Bouwland hadden met Margreet Drijvers en Hugo-Jan Ruts.

  • De hele podcast is hier te bekijken of op Spotify terug te luisteren 

Wetgeving uit een andere tijd

Hugo-Jan Ruts benoemt direct een pijnpunt bij het totale pakket aan wetgeving: “Het is altijd bijzonder dat je nu wetgeving gaat behandelen die twee kabinetten terug in gang is gezet, naar aanleiding van een rapport van drie kabinetten geleden. De wereld ziet er anders uit dan toen deze wetten bedacht werden,” stelt hij. Hij doelt op het feit dat veel van de huidige voorstellen hun oorsprong vinden in de commissie-Borstlap, uit een tijd waarin de arbeidsmarkt er toch fundamenteel anders uitzag. Ruts hoopt dat Kamerleden daar afstand van nemen en breed kijken naar wat de arbeidsmarkt nú nodig heeft.

Drijvers deelt die zorg. Zij waarschuwt voor een reflex naar steeds meer regels. “De ervaring leert dat meer regulering niet per se beter is. Er is al heel veel regulering en eigenlijk zouden we die veel meer moeten gaan handhaven, in plaats van dat we steeds maar weer denken: oh, het gaat hier mis, er moet weer een nieuw regeltje komen.”

De VBAR wordt geknipt

Een van de belangrijkste ontwikkelingen is dat het nieuwe kabinet ervoor gekozen heeft om de Wet Verduidelijking Beoordeling Arbeidsrelaties en Rechtsvermoeden (VBAR) te splitsen. Het VBA-deel (de verduidelijking van wanneer iemand als zelfstandige of werknemer werkt) gaat definitief niet door. Daarvoor in de plaats wordt gewerkt aan de Zelfstandigenwet, een initiatiefwet die Aartsen en Vijlbrief zelf als Kamerleden hebben opgestart. 

Wat wél doorgaat is het R-deel: het rechtsvermoeden van werknemerschap bij een laag tarief. Ruts legt uit: “De VBAR wordt geknipt. Het verduidelijkingsdeel gaat niet door, het rechtsvermoeden gaat wel door. Dat is geen minimumtarief: het is niet verboden om onder dat tarief te werken, het is alleen maar een extra recht die de werkende zelf kan gebruiken.” 

De tariefgrens ligt momenteel rond de 38 euro en zal door stijging van het minimumloon snel richting de 41 euro gaan. Een belangrijk detail is dat het kabinet dit als een civielrechtelijk instrument ziet: alleen de werkende zelf kan er gebruik van maken, niet de Belastingdienst. Partijen als GroenLinks-PvdA zouden juist graag zien dat het rechtsvermoeden ook bij de handhaving ingezet kan worden.

Drijvers steunt de splitsing, waarvoor de ABU samen met andere brancheorganisaties heeft gepleit. Over het rechtsvermoeden is ze genuanceerd positief. “Het rechtsvermoeden is een goede stap om kwetsbare werkenden een betere positie te geven. We vinden het alleen jammer dat het geen publiekrechtelijk rechtsvermoeden is. Als de Belastingdienst of het UWV daar ook een beroep op kan doen, verwachten we een betere preventieve werking.” Zij wijst erop dat in het SER MLT-advies, een sociaal akkoord tussen werkgevers en werknemersorganisaties, nadrukkelijk om een publiekrechtelijk rechtsvermoeden werd gevraagd.

Drijvers en Ruts verwachten niet dat kwetsbare werkenden massaal naar de rechter zullen stappen. Wel voorzien ze een preventieve werking aan de opdrachtgeverskant: organisaties zullen kritischer kijken of een opdracht met lage tarieven zich werkelijk leent voor een zelfstandige. Het kabinet streeft ernaar dat deze wet al per 1 januari 2027 in gaat. 


Na de opname van deze podcast werd bekend dat het wetsvoorstel Rechtsvermoeden al op 15 april wordt behandeld in de Tweede Kamer. Lees voor meer informatie over de inhoud van die wet dit artikel. In dit artikel meer over de omvang en beroepsgroepen.


Domino-effect voor intermediairs

Een bijzonder risico schuilt in de samenloop van wetgeving. Ruts schetst het domino-effect: als via het rechtsvermoeden wordt vastgesteld dat een zzp’er bij een intermediair eigenlijk in dienst is, valt die relatie onder de uitzend-cao (WAADI). En wie onder de WAADI valt, valt ook onder de Wet toelating terbeschikkingstelling van arbeidskrachten (WTTA, deze wet is al aangenomen). Een bureau dat dacht geen WTTA-toelating nodig te hebben omdat het alleen met zzp’ers werkt, kan zo met terugwerkende kracht in de problemen komen.

Drijvers nuanceert: “Dat hoeft niet eens kwade wil te zijn. Je kunt ervan overtuigd zijn dat een opdracht zich leent voor een zzp’er, maar een beoordeling door de Belastingdienst kan altijd anders uitvallen.”

De Zelfstandigenwet: hoop en onzekerheid

De Zelfstandigenwet moet het alternatief worden voor het geschrapte VBA-deel. Het voorstel draait de benadering om: in plaats van te toetsen of iemand géén werknemer is, wordt eerst gekeken naar ondernemerscriteria. Pas daarna volgt de beoordeling van de arbeidsrelatie. “De charme is dat de zelfstandige een veel duidelijkere positie krijgt,” zegt Drijvers. “Waar we jaren om hebben gevraagd: laat zien wat het ondernemerschap moet zijn. En daar begint deze wet mee.”

Maar er is nog veel onduidelijk. Het wetsvoorstel heeft een internetconsultatie doorlopen waar stevige kritiek uit kwam, en er moet juridisch nog veel aan gesleuteld worden. Ruts: “Er is de nodige sympathie voor de opzet van de wet. Maar er is ook nog veel onduidelijk. Ook over de status en de planning van de wet. Interessant is natuurlijk wel dat twee van de initiatiefnemers, Aartsen en Vijlbrief, nu samen op hetzelfde ministerie zitten.” Minister Aartsen heeft aangegeven er vaart achter te willen zetten, maar Ruts tempert de verwachtingen: wetgevingstrajecten duren nu eenmaal lang.

Drijvers kaart daarnaast een blinde vlek aan. “De intermediairs worden niet genoemd in deze wet, terwijl ze natuurlijk wel een belangrijke rol spelen in het bemiddelen van zelfstandigen.” Zij benadrukt dat een zelfstandige niet slechter af mag zijn wanneer hij via een intermediair werkt. “Ze zijn vaak afhankelijk van intermediairs, omdat die preferred suppliers zijn van overheidsorganisaties en grotere bedrijven. Je ontkomt er niet aan.”

BAZ: wet komt er snel, uitvoering niet

Dan de BAZ, de basisverzekering arbeidsongeschiktheid voor zelfstandigen. Ook die wil het kabinet snel aangenomen hebben, terwijl dit een complexe operatie is. 

De verplichte AOV keert pas uit na twee jaar arbeidsongeschiktheid, op maximaal minimumloonniveau, en kost maximaal 171 euro per maand. Ruts snapt de kritiek van zzp’ers die zeggen er weinig aan te hebben, maar wijst ook op het solidariteitsargument: “Er zijn ook best veel zelfstandigen die zich helemaal niet kunnen verzekeren of tegen veel hogere kosten, die hebben baat bij zo’n publiek stelsel.” 

Het is mogelijk dat de wet inderdaad snel door de Kamers komt, maar dat wil nog niet zeggen dat hij ook meteen uitgevoerd kan worden. Zowel het UWV als de Belastingdienst hebben nog wel een paar jaar de tijd nodig voor de implementatie. 

Lees ook: 13 vragen en antwoorden over de verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zzp’ers en andere zelfstandigen.

De Wet meer zekerheid flexwerkers

En dan is er nog de Wet meer zekerheid flexwerkers. Die beperkt externe flex via verkorting van de uitzendduur, maakt uitzendarbeid duurder door de gelijkwaardige beloning en beperkt interne flex door de afschaffing van nul-urencontracten. Ruts verwacht dat hier in de Kamer brede steun voor is (de wet is op 10 april behandeld in de Kamer). Veel van deze maatregelen zijn overigens al opgenomen in de uitzend-cao, al lobbyen de grote vakbonden voor verdere aanscherping van de wet. 

Het politieke schaakspel

De grote vraag die boven alles hangt: krijgt dit minderheidskabinet de benodigde meerderheden bij elkaar? Ruts: “Als je alles los van elkaar ziet, is er voor elke wet wel een meerderheid te halen. Maar dingen hangen ook met elkaar samen. Het is een minderheidskabinet: ze moeten of over rechts of over links een meerderheid halen.”

Links wil een rechtsvermoeden met publiekrechtelijke handhaving. Rechts verzet zich tegen meer regels en tegen verplichting voor zelfstandigen zoals die in de BAZ en de Zelfstandigenwet staan. De coalitie zal moeten zoeken naar meerderheden, en de vraag is in hoeverre Kamerleden de wetten in samenhang of juist los van elkaar gaan behandelen. “Wordt dat een onderhandelingsspel?” vraagt Ruts zich af. De Eerste en Tweede Kamer kennen verschillende verhoudingen, wat de puzzel nog complexer maakt.

Wat betekent dit voor de praktijk?

Voor de korte termijn is het beeld helder: de huidige regels, gebaseerd op de jurisprudentie uit het Deliveroo-arrest en de Uber-uitspraak, zijn leidend. Ook bij de handhaving door de Belastingdienst. Drijvers maakt zich wel zorgen over hoe die handhaving in de praktijk wordt uitgevoerd. “We horen uit de markt dat ze een voorschot hebben genomen op de VBAR. En dat ze ook de Uber uitspraak, waarin duidelijk wordt dat elk individueel geval apart moet worden beoordeeld, niet altijd lijken te volgen”

Veel zelfstandige professionals, met vaak duidelijke projecten en een goed tarief, hebben hun hoop gevestigd op duidelijkere regels in de Zelfstandigenwet, maar die laat nog op zich wachten. Ruts: “Voor het professionalssegment is de hoop gevestigd op de Zelfstandigenwet, maar dat gaat nog wel een paar jaar duren. We zitten gewoon met de huidige handhaving, de huidige regels en het Deliveroo-arrest. En daar moet je toch nog wel een paar jaar mee door.”

De boodschap van Drijvers is duidelijk: bereid je voor op basis van de huidige regels, houd de politieke ontwikkelingen in de gaten, en wacht niet af. Of zoals ze het kernachtig samenvat met een vergelijking: als je door rood licht rijdt en je wordt nooit gecheckt, ontslaat je dat niet van de verplichting om te stoppen voor het stoplicht.

Geplaatst in Professioneel inhuren | Tags | 6s Reacties

Veel steun voor wetgeving zzp met laag tarief. Maar niet onder zzp’ers over wie het gaat.

Veel steun bij zzp’ers voor wetsvoorstel bescherming bij laag tarief. Maar die steun is een stuk kleiner onder de groep waar het over gaat.

Woensdag behandelt de Tweede Kamer de Wet Rechtsvermoeden bij laag tarief. Een opvallend gegeven: de wet geniet brede steun onder zzp’ers — maar juist onder de groep voor wie hij bedoeld is, is het enthousiasme het kleinst.

Wat houdt het wetsvoorstel in?

Zelfstandigen met een uurtarief onder de 38 à 39 euro kunnen straks eenvoudig bij de rechter claimen dat zij werknemer zijn en daarmee recht hebben op werknemersbescherming. Denk aan ontslagbescherming, loondoorbetaling bij ziekte en pensioenopbouw. Is de opdrachtgever het er niet mee eens, dan moet hij bewijzen dat er toch sprake is van zelfstandig ondernemerschap — de bewijslast wordt omgedraaid.

Dat is de kern van een wetsvoorstel dat minister Aartsen in rap tempo door de Tweede en Eerste Kamer wil krijgen.

Belangrijk: het rechtsvermoeden is een facultatief instrument. De werkende mag er gebruik van maken, maar dat hoeft niet. Het drempeltarief is geen minimumtarief. Ook is het nadrukkelijk geen verbod om onder dat tarief te werken. Alleen de werkenden zelf — niet de Belastingdienst of de Arbeidsinspectie — kunnen er een beroep op doen.

De tariefgrens is afgeleid van het minimumloon en stijgt automatisch mee als het minimumloon omhooggaat.

Breed draagvlak — maar niet bij de doelgroep

Uit het grootschalige ZZPKiest-verkiezingsonderzoek van ZiPconomy (2025) blijkt iets opvallends. De steun onder zzp’ers voor dit voorstel is vrij groot. Maar die steun neemt flink af naarmate het inkomen daalt. Oftewel: zzp’ers met hogere tarieven steunen het voorstel. Maar juist de groep voor wie de wet is bedoeld — de laagverdieners — zit er minder op te wachten.

Zzp’ers met een jaarinkomen van boven de 80 duizend euro is 69% het eens met de wet; onder zzp’ers met een inkomen van onder de 40 duizend euro is 44% voor. Dat is wel meer dan het percentage dat het ‘oneens’ is (28%), maar toch een belangrijk verschil.

Mogelijk zijn zij bang dat opdrachtgevers zzp’ers met lage tarieven niet meer inhuren, omdat zij het juridische en financiële risico te groot vinden.

Ook onder zzp’ers met een laag inkomen en tarief wil het merendeel graag zzp’er blijven.

Politieke verdeeldheid

In de politiek hebben zowel links als rechts bezwaren. GroenLinks-PvdA vreest dat de wet een papieren tijger wordt zonder publiekrechtelijke handhaving — de Belastingdienst en Arbeidsinspectie kunnen er immers niets mee.

Partijen als JA21 en BBB worstelen met het feit dat de wet een inbreuk op de markt kan betekenen, ook al is het formeel geen minimumtarief.

Ook bij zzp’ers is deze verdeeldheid te zien, zoals blijkt uit de onderstaande tabel. JA21 stemmers onder zzp’ers zijn in meerderheid wel voor het voorstel, maar de meerderheid is minder groot dan bij de drie coalitiepartijen en GroenLinks/PvdA. Onder PVV stemmers zijn is de tegenstand voor dit voorstel het grootst.

Minister Aartsen hoopt de wet nog dit jaar door de Kamer te loodsen, zodat deze begin 2027 in werking kan treden.

Meer over dit wetsvoorstel:

  • Meer informatie over de inhoud van die wet dit artikel.
  • In dit artikel meer over de omvang en beroepsgroepen die werken onder de 40 euro.
  • Hoe het Rechtsvermoeden werkt bij stuksprijs, lees je hier
  • Kritische kanttekeningen bij zowel de aanleiding als het verwachte effect, in deze analyse door Joost van Ladesteijn
  • Uitleg over de berekening van het uurtarief:

Minister Aartsen (Werk & Participatie) maakt tempo met nieuwe zzp-wet: rechtsvermoeden werknemerschap bij tarief onder de 38 euro – ZiPconomy

Geplaatst in ZP en Politiek | Tags | 1 Reactie

KVK ziet aantal zzp’ers weer licht groeien

Nederland telde eind maart 2026 precies 1.793.380 geregistreerde zzp’ers, blijkt uit de nieuwste KVK-zzp-monitor. Dat zijn er ruim 5.000 – oftewel 0,3% – meer dan eind december 2025.

De bescheiden groei lijkt in lijn met de cijfers over heel 2025. Ook toen nam het aantal zzp’ers, na jaren van flinke groei, nauwelijks toe. Maar het aantal daalt dus ook niet, terwijl dat vanwege de handhaving op schijnzelfstandigheid mogelijk wel de verwachting is.

Stevige sectorverschillen

Op sectorniveau is het effect van die handhaving wel wat meer te zien. Zo blijft het aantal zzp’ers in de zorgsector dalen. In het eerste kwartaal waren dat er 2.413 minder, een krimp van 1,2%. Deze sector liet ook in 2025 al een duidelijke daling zien: toen daalde het aantal zorg-zzp’ers met ruim 6.100. Opvallend is wel dat in de zorgsector zowel het aantal starters daalde (ten opzichte van het eerste kwartaal van 2025), als het aantal stoppers (14% minder stoppers ten opzichte van Q1 2025).

In de bouw, ook een sector waarin de discussie over het inzetten van zzp’ers actueel is, is een kleine daling van het aantal zzp’ers te zien (-0,1%). Ook hier zien we dat het aantal stoppers ten opzichte van een jaar eerder daalt (-13%) en het aantal starters flink groeit (+13%).

Het aantal ‘stoppers’ ligt overigens in vrijwel alle sectoren flink lager dan een jaar eerder. In totaal waren er in het eerste kwartaal van 2026 11% minder stoppers dan in het eerste kwartaal van 2025.

Het aantal starters nam met bijna 4% toe: in het eerste kwartaal werden 48.738 startende zzp’ers ingeschreven.

In absolute aantallen deed de sterkste groei van het aantal ingeschreven zzp’ers zich voor in de ICT-sector. Daar steeg het aantal zzp’ers in één kwartaal van 77.669 naar 79.135 (plus 1,9%). De sector specialistische zakelijke dienstverlening — met ruim 381.000 zzp’ers verreweg de grootste sector — groeide met zo’n 2.000 zzp’ers.

Relevant hierbij is ook om te wijzen op CBS-cijfers. Die laten over 2025 een duidelijkere daling zien in het aantal werkenden dat als zzp’er actief is. Dat is een andere manier van registreren.

Geplaatst in ZP en Ondernemen | Tags | Laat een reactie achter

“9 op de 10 zzp’ers voldoet aan ondernemerschapscriteria”

De politieke discussie over zzp-wetgeving zorgt voor onrust op de arbeidsmarkt. De cijfers lijken dat te bevestigen: in 2025 registreerde het CBS voor het eerst in jaren een daling, met maar liefst 62.000 zzp’ers (bron: CBS, maart 2026). Veel mensen trekken daar de conclusie uit dat zelfstandigen ‘wegvluchten’ naar loondienst.

Maar als ik kijk naar wat wij bij SharePeople zien in de zelfstandigentoetsen die we afnemen, ontstaat een ander beeld. Op basis van meer dan 1.600 ingevulde toetsen blijkt dat de grote meerderheid van de zzp’ers gewoon goed zit. Meer dan 90 procent draagt structureel ondernemersrisico, investeert in de eigen onderneming en voert een sluitende administratie. Toch voelen veel zelfstandigen zich allesbehalve zeker. De onrust is in veel gevallen groter dan het werkelijke risico. Zonder toets weten zij dat zelf vaak niet.

Wat me tegelijkertijd zorgen baart: 34 procent van de zelfstandigen die onze toets invullen, heeft nog geen enkele voorziening voor arbeidsongeschiktheid. Met de naderende verplichte AOV wordt dat risico steeds urgenter. Juridische onzekerheid en financiële kwetsbaarheid komen zo gevaarlijk dicht bij elkaar.

Toetsdata

De toetsdata van SharePeople laten een consistent beeld zien van actief ondernemerschap. De deelnemers aan onze zelfstandigentoets laten onder meer het volgende zien:

  • 99,5% staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel;
  • 99,7% beschikt over een actief btw-identificatienummer;
  • 92,7% haalt het inkomen uit bedrijfswinst;
  • 93,9% loopt financieel risico als opdrachtgevers niet betalen;
  • 94,6% ontvangt geen loondoorbetaling bij ziekte;
  • 94,9% investeert zelf in materialen, apparatuur of opleiding;
  • 99% voert een actuele financiële administratie;
  • 78,7% werkt voor meerdere opdrachtgevers binnen een jaar.

Als ik naar deze cijfers kijk, zie ik ondernemers. Mensen die risico lopen, investeren, meerdere opdrachtgevers hebben en hun administratie op orde hebben. Dus als ik hoor dat zelfstandigen ‘maar beter in loondienst kunnen gaan’ omdat alles straks ‘toch verboden wordt’, dan schuurt dat met wat ik in de praktijk zie.

Lees ook: Professioneel inhuren en zzp: 8 voorspellingen voor 2026

Het CBS registreerde een daling van het aantal zelfstandigen. Maar een deel van die uitstroom betreft echte schijnzelfstandigen: mensen die juridisch eigenlijk werknemer zijn. Het Centraal Planbureau schat dat circa 260.000 zzp’ers juridisch als werknemer beschouwd zouden moeten worden (bron: CPB, 2025). Dat moet worden opgelost. Tegelijkertijd vind ik het belangrijk om te benadrukken: voor de echte ondernemer, die structureel risico draagt en investeert, is de huidige onrust grotendeels onterecht.

De zelfstandigentoets maakt dat aantoonbaar voor henzelf en voor hun opdrachtgevers. Ik zie keer op keer dat een zzp’er na het invullen opgelucht zegt: “O, ik zit dus eigenlijk gewoon goed.” Dat is geen gevoel, dat is op feiten gebaseerd.

Grip in onzekere tijden

Zolang de Zelfstandigenwet nog in uitwerking is, zie ik een duidelijke behoefte aan houvast. Zelfstandigen willen weten waar ze aan toe zijn. Opdrachtgevers willen zeker weten dat de samenwerking klopt met de regels. De politiek kan die rust op dit moment nog niet bieden. Een gedocumenteerde toets kan dat wél, in ieder geval gedeeltelijk.

De uitkomsten van onze zelfstandigentoets laten zien dat veel ondernemers in de praktijk nu al voldoen aan de criteria voor zelfstandig ondernemerschap. Met zo’n toets kun je aantonen dat de manier waarop je samenwerkt voldoet aan de regels, zowel richting opdrachtgever als richting eventuele controle achteraf. Het is geen wondermiddel, maar het is wel concreet, objectief en te onderbouwen.

Een aandachtspunt springt er voor mij elke keer uit: 34 procent van de deelnemers heeft nog geen voorziening voor arbeidsongeschiktheid. Dat betekent dat ruim een derde van de mensen die ik spreek wel risico loopt als ondernemer, maar zichzelf niet beschermt als het misgaat met hun gezondheid. Met de naderende verplichte AOV wordt dat risico steeds urgenter. Zowel de juridische als de financiële kant van zelfstandig werken vragen dus aandacht en beide zijn te organiseren zonder de vrijheid van ondernemerschap op te geven.

Bescherming en ondernemerschap

Met SharePeople hebben we een model ontwikkeld waarbij zelfstandigen elkaar in de eerste twee ziektejaren volledig ondersteunen via donaties. Daarna bieden we een AOV met een wachttijd van twee jaar, die kan worden aangevuld met donaties tot een maximum van 5.000 euro per maand. Daarmee zorgen we ervoor dat deelnemers al na twee maanden ondersteuning kunnen ontvangen, persoonlijke begeleiding krijgen vanaf de eerste ziektedag en in veel gevallen een lagere premie betalen dan veel zzp’ers verwachten bij de verplichte AOV.

Lees ook: Wet BAZ: feiten en fabels rond de verplichte AOV voor zzp’ers

Ik geloof sterk dat bescherming en ondernemerschap elkaar niet hoeven uit te sluiten. Zekerheid organiseer je als zelfstandige niet per se door in loondienst te gaan, maar door twee dingen goed te regelen:

  1. Weten dat je juridisch goed zit als ondernemer;
  2. Je inkomen beschermen als je ziek wordt.

De wetgevingsonrust van de afgelopen jaren heeft z’n tol geëist. Opdrachtgevers durven minder en zelfstandigen twijfelen aan hun eigen positie, terwijl de cijfers laten zien dat de meeste gewoon goed ondernemen. Wat mij betreft verdient dat erkenning, geen extra onzekerheid.

Aan iedere zzp’er die twijfelt over de eigen positie zou ik willen meegeven: zorg dat je het weet. Laat je situatie toetsen en zorg voor een vangnet bij ziekte. De politiek is nog bezig met de regels. Jij kunt vandaag al zorgen voor rust, niet alleen met gevoel, maar met feiten.

Geplaatst in ZP en Ondernemen | Tags | 3s Reacties