"Exploring the future of work & the freelance economy"
SLUIT MENU

‘Sectorale minimumtarieven voor zzp’ers kunnen schijnzelfstandigheid oplossen’

Fotograaf en belangenbehartiger Wilmar Dik ziet zzp’ers al jaren struggelen met te lage tarieven. Hij pleit voor sectorspecifieke minimumtarieven om armoede onder zelfstandigen te voorkomen en tegelijk schijnzelfstandigheid terug te dringen. Oifik Youssefi van HeadFirst Group ging hier met hem over in gesprek.

Public Affairs-collega’s Sem Overduin en Oifik Youssefi van HeadFirst schreven samen het boek De ZZPuzzel, een feitelijke uiteenzetting van het zzp-dossier. Het boek kwam tot stand na vele gesprekken met arbeidsmarktexperts uit de wetenschap, politiek en het maatschappelijk middenveld. Hardnekkige misinformatie, eenzijdige beeldvorming, gebrek aan politieke daadkracht en de complexiteit van het arbeidsrecht maken het dossier een ingewikkelde puzzel. In deze artikelenreeks gaan de auteurs in gesprek met betrokkenen die een aanvullend puzzelstuk aandragen.

Praktijkervaring als vertrekpunt

Wilmar Dik is sinds 2008 werkzaam als beroepsfotograaf en zet zich de afgelopen jaren nadrukkelijk in voor de belangen van zelfstandigen, met name aan de basis van de markt. Vanuit zijn praktijkervaring zag hij hoe lage tarieven, beperkte onderhandelingsruimte en gebrekkige bescherming samenkomen bij kwetsbare groepen zzp’ers. Hij is onder meer actief als belangenbehartiger bij de Nederlandse Vereniging van Journalisten (NVJ) en aangesloten bij de Ketentafel Fotografie.

Vanuit zijn ervaring als zzp’er ontwikkelde hij een voorstel voor sectorspecifieke minimumtarieven. Zijn uitgangspunt is helder: wie bescherming wil organiseren, moet beginnen bij een reële ondergrens die aansluit bij de economische realiteit van een sector. In gesprek met Oifik vertelt Wilmar waarom zijn voorstel juist nu politieke aandacht verdient.

In hoeverre is het zzp-dossier volgens jou een puzzel?

“Voor mij is het dossier jarenlang een puzzel geweest. Sinds de invoering van de Wet DBA blijven we kauwen op hetzelfde probleem: de arbeidsrelatietoets. Dat komt deels door een zwakke belangenbehartiging van zelfstandigen en deels door een sterke lobby vanuit het bedrijfsleven. Dat maakt het moeilijk om tot een evenwichtige oplossing te komen. De roep om meer duidelijkheid over de arbeidsrelatie klinkt al jaren, maar de basis van de zzp-populatie blijft vaak buiten beeld.

Ik ben zelf lang bezig geweest met de vraag wat eerlijk is voor zzp’ers. Voor mij ligt de oplossing in sectorspecifieke minimumtarieven, wettelijk verankerd. Daarmee pak je de kern van het probleem aan.”

In het boek wordt het dossier uiteengezet langs lijnen als misinformatie, beeldvorming en politieke daadkracht. Welk puzzelstuk is volgens jou doorslaggevend? 

“Politieke daadkracht. We weten al jaren dat er een probleem is, vooral aan de basis van de markt. Mensen die structureel moeite hebben om rond te komen omdat tarieven onder druk staan. Zonder politieke wil verandert er niets. Je kunt eindeloos discussiëren over gezag en ondernemerschap, maar zolang je niets doet aan de inkomenspositie van kwetsbare zelfstandigen, blijft het probleem bestaan.”

Welk puzzelstuk zou jij toevoegen aan De ZZPuzzel?

“Ik los de puzzel liever op. Met sectorspecifieke minimumtarieven kom je al een heel eind. Niet één generieke grens, maar per sector berekende ondergrenzen die aansluiten bij het gemiddelde aantal declarabele uren en de kostenstructuur.

Belangrijk is dat die tarieven niet vrijblijvend zijn. Je kunt ze wettelijk verplichten, of koppelen aan toegang tot aanvullende sociale zekerheid. Zo creëer je een prikkel om binnen fatsoenlijke marges te opereren. Handhaving zou bijvoorbeeld bij de Arbeidsinspectie kunnen worden belegd.”

Je pleit in een artikel op ZiPconomy voor sectorale minimumtarieven voor zzp’ers. Wat is het kernprobleem dat je daarmee wilt oplossen?

“Een minimumtarief is geen standaardprijs, maar een ondergrens, vergelijkbaar met het minimumloon in loondienst. Onder dat niveau is het economisch niet reëel om duurzaam als zelfstandige te opereren. In de praktijk werken zelfstandigen soms tegen tarieven die niet houdbaar zijn, door concurrentiedruk of een zwakke onderhandelingspositie.

Mijn voorstel adresseert meerdere problemen tegelijk: concurrentie tussen werknemers en zelfstandigen, schijnzelfstandigheid, gebrek aan ruimte voor pensioen en arbeidsongeschiktheid, en armoede onder zzp’ers.

Veel mensen kijken alleen naar het uurtarief, maar vergeten dat zelfstandigen niet al hun uren kunnen declareren. Als een redacteur 37 uur werkt waarvan gemiddeld 23 uur declarabel is, moet het tarief zo worden berekend dat diegene, na aftrek van niet-declarabele uren en kosten, minstens op het niveau van het minimumloon uitkomt. Dat vraagt om een berekening per sector, niet om één generieke grens.”

Wouter Koolmees probeerde als minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in het verleden ook een minimumtarief in te voeren, maar dat voorstel sneuvelde. Waarom zou jouw idee wel kunnen werken?

“Het voorstel van Koolmees ging uit van één vast tarief. Mijn voorstel werkt met schijven, gebaseerd op declarabele uren per beroepsgroep. Daarmee sluit je aan bij de realiteit van een sector. Een vaste grens, zoals 16 euro destijds voorgesteld, doet geen recht aan verschillen tussen bijvoorbeeld media, cultuur of techniek en slaat de boel plat. Als je geen rekening houdt met die verschillen, is het niet gek dat zo’n voorstel het niet haalt.”

Critici stellen dat een minimumtarief de onderhandelingsruimte verkleint. Wat is jouw reactie daarop?

“Die ruimte wordt inderdaad kleiner. Maar nu is die ruimte zó groot dat het in sommige markten asociale proporties aanneemt. Het enige dat niet meer onderhandelbaar is, is een prijsniveau dat hard aanstuurt op armoede en het onmogelijk maakt om sociale zekerheid op te bouwen. Alles daarboven blijft gewoon onderhandelbaar. Nu liggen de risico’s volledig bij zelfstandigen, terwijl opdrachtgevers profiteren van lage tarieven.

Een ondergrens maakt de markt socialer. Een recente motie van onder meer Mirjam Bikker (ChristenUnie), waarin het kabinet wordt opgeroepen te waarborgen dat de armoedecijfers tijdens deze kabinetsperiode niet stijgen, is door de hele Tweede Kamer gesteund. Ook alle coalitiepartijen stemden voor.

Net zoals werknemers niet onder het minimumloon kunnen worden betaald, zou ook een zelfstandige een minimale inkomensbasis moeten hebben. Als je het gemiddeld aantal declarabele uren vermenigvuldigt met gangbare tarieven, kom je in sommige sectoren uit op een jaarinkomen ver onder het minimum.”

Hoe verhoudt jouw idee voor sectorale minimumtarieven zich tot het rechtsvermoeden van werknemerschap, zoals voorgesteld in het wetsvoorstel Verduidelijking Beoordeling Arbeidsrelaties en Rechtsvermoeden?

“Het rechtsvermoeden is gebaseerd op een uurtarief van 38 euro in 2026, opgebouwd uit minimumloon, pensioen, AOV en correctie voor niet-declarabele uren. Maar de gehanteerde percentages zijn vast, terwijl die in de praktijk variëren per sector.

Een deel van de zelfstandigen zal baat hebben bij zo’n rechtsvermoeden. Maar die vaste grens is te generiek. Er zijn sectoren waarin mensen onder de 38 euro werken en toch duidelijk ondernemer zijn. Tegelijkertijd zijn er beroepen waarin 38 euro onvoldoende is om, gezien het beperkte aantal declarabele uren per jaar, boven het minimumloon uit te komen. Sommige beroepen kennen slechts 700 tot 1.000 declarabele uren per jaar. Dan zegt 38 euro weinig. Je moet dus kijken naar de economische realiteit van een sector, en die is divers.”

Hoe kijk je naar het wetsvoorstel Zelfstandigenwet, waar het nieuwe kabinet op inzet?

“Verduidelijking van de arbeidsrelatie is positief. Maar als je tegelijkertijd verplichtingen invoert voor arbeidsongeschiktheid en pensioen, zonder iets te doen aan lage tarieven, leg je de rekening bij de kwetsbaarste groep. Dat is een blinde vlek. Als je de ondergrens goed berekent, zijn zelfstandigen per definitie duurder dan werknemers en vervalt de concurrentie op prijs. Dan wordt de contractvorm minder doorslaggevend.”

Welk advies geef je aan de politiek?

“Neem sectorspecifieke minimumtarieven serieus. Kijk per markt wat nodig is om zelfstandigen minimaal op het niveau van het minimumloon te laten verdienen. Daarmee pak je schijnzelfstandigheid aan en voorkom je concurrentie op prijs tussen zzp’ers en werknemers. Bovendien ontstaat er financiële ruimte voor een arbeidsongeschiktheidsverzekering en pensioensopbouw.

Daarnaast geldt dat met technologische ontwikkelingen zoals AI de druk op tarieven alleen maar zal toenemen. Zonder ondergrens groeit de armoede onder zelfstandigen verder. Politiek is al uitgesproken dat dit niet mag gebeuren. Nu is het tijd voor de uitvoering.”

HeadFirst Group is marktleider in de Benelux op het gebied van het professioneel organiseren van externe inhuur. De organisatie biedt een diversiteit aan flexoplossingen, waaronder contracting, matchmaking, managed service providing (msp) en business consultancy. Er werken dagelijks ongeveer 15.000 professionals bij ruim vierhonderd opdrachtgevers in Europa, waarmee HeadFirst Group een jaaromzet realiseert van ongeveer 1,5 miljard euro. De bekendste merken van HeadFirst Group zijn de intermediairs HeadFirst, Between en Myler en MSP-dienstverlener Staffing Management Services. Door de unieke samenstelling van bedrijven – met ieder zijn eigen specialistische diensten - heeft HeadFirst Group een oplossing voor ieder inhuurvraagstuk. Zorgeloos inhuren, dat is onze belofte. Bekijk alle berichten van HeadFirst Group

2 reacties op dit bericht

  1. Inderdaad goed om de nuance aan te brengen dat 1 universeel minimumtarief niet afdoende is, maar dat je bijvoorbeeld sectoraal moet kijken. Jij (Wilmar) kijkt hierbij naar declarabiliteit, maar ik zou dan voorstellen om ook beroepsgerelateerde kosten (zoals apparatuur, computer, etc.) mee te nemen. Dit zie je overigens ook al terug in de NVJ Tarievencalculator: https://nvj.nl/diensten/ondernemerschap/tools/tarievencalculator

    Anderzijds snap ik ook wel de eenzijdige benadering van 1 tarief, aangezien bij verschillende tarieven er weer, net als net cao’s, discussie zal ontstaan wie in welk vakje past. Alternatief zou dan zijn een basistarief voor alle beroepen en dan per beroepsgroep een opslag voor wat mbt declarabiliteit, beroepsgerelateerde kosten, etc. betreft. Dat is overigens ook de denkwijze achter het Leefbaar Tarief (Living Tariff), wat is gebaseerd op het Living Wage: https://wageindicator.org/nl-nl/werk-in-nederland/leefbaar-tarief

  2. Bedankt voor je reactie Martijn. Bedrijfskosten zijn zeker relevant, maar bij het berekenen van een realistisch minimumuurtarief zijn het aantal declarabele uren per jaar uiteindelijk van veel groter belang. Juist daar zitten tussen sectoren en beroepen vaak de grootste verschillen.

    Veel beroepsgroepen hebben bovendien grofweg vergelijkbare bedrijfskosten en die kosten worden ook nog eens over veel jaren afgeschreven. Een journalist heeft vaak vergelijkbare kosten als een andere journalist. Het maakt voor het uiteindelijke tarief veel meer uit of je gemiddeld 17, 23 of 28 uur per week declarabel kunt werken. Daarom is declarabiliteit meer van belang dan de gemiddelde bedrijfskosten in een sector.

    Overigens gaat mijn idee ook uit van 1 basistarief (minimumloon) + opslagen die sectorspecifiek zijn. Uiteindelijk gaat het er om dat er een goed tarief is dat aansluit bij sectoren/beroepen.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *



×