Maandelijkse archieven: oktober 2022

Verplichte certificering uitzendbedrijven; voor wie? hoe werkt het? en gaat het helpen?

Het begint natuurlijk met de vraag waarom minister Van Gennip (Sociale Zaken en Werkgelegenheid) wil dat er een verplichte certificering komt. Kort gezegd; om malafide uitzenders aan te pakken en misstanden zoals onderbetaling en slechte huisvesting (van arbeidsmigranten) tegen te gaan.

Volgens Van Gennip is de situatie in de uitzendmarkt ‘inmiddels onhoudbaar’. “De overheid heeft het te lang aan de markt overgelaten. We hebben een meer aanwezige overheid nodig”, zo zei de minister onlangs op het ABU-congres. Daarom volgt zij de aanbeveling van de Commissie Roemer (Aanjaagteam Bescherming Arbeidsmigranten) op om certificering van uitzendbureaus verplicht te stellen.

Bestaande SNA-normen als basis

De politieke conclusie is dus dat zelfregulering onvoldoende heeft gewerkt. Maar dat wil niet zeggen dat het kabinet de bestaande keurmerken overboord gooit. In tegendeel, zo legt Heinrichs in zijn presentatie uit; er komt een raamwerk voor publiek-private samenwerking. Hierbij zal het ministerie van SZW het bestaande, vrijwillige SNA-keurmerk als vertrekpunt nemen. (Het SNA-keurmerk geldt voor alle ondernemingen die arbeid ter beschikking stellen zoals uitzendondernemingen, detacherings-en payrollbedrijven en voor (onder)aannemers van werk.)

Het verwachte nieuwe normenkader zal grotendeels aansluiten bij het bestaande SNA-normenkader (NEN-4400-1 en NEN-4400-2). Dat is een groot voordeel voor uitzenders/intermediairs. Die zijn namelijk al gewend te werken volgens de huidige NEN-4400 certificering.

Het SNA-keurmerk zal waarschijnlijk worden uitgebreid met enkele onderdelen, zoals aanvullingen op het gebied van betaling van het juiste loon op grond van de loonverhoudingsnorm (inlenersbeloning), goed informeren over arbeidsvoorwaarden, een verklaring omtrent gedrag en een bankgarantie (waarborgsom).

Het grote verschil met voorheen zal zijn dat de overheid meer invloed uitoefent; het ministerie bepaalt het normenkader en de Certificerende instantie (CI) wordt een ZBO (zelfstandig bestuursorgaan). De Arbeidsinspectie blijft verantwoordelijk voor handhaving en private inspectie-instellingen voeren de inspecties uit.

Heinrichs vat het als volgt samen: “De verplichte certificering kun je zien als een totaalpakket. Naast SNA zitten daar ook de elementen van de andere bestaande, vrijwillige certificeringen in, zoals SNF (huisvesting), PayOK (beloning, arbeidsvoorwaarden) en VCU (veiligheid). Het grote verschil is dat alles in één certificering komt. En het wordt dus verplicht.”

Voor wie gaat certificering gelden?

De kern van het verplichte certificeringssysteem is:

  1. dat alle uitleners (ondernemingen of rechtspersonen die arbeidskrachten ter beschikking stellen (TBA)) zich moeten laten certificeren als zij arbeidskrachten ter beschikking willen stellen; en
  2. dat alle ondernemingen of rechtspersonen die gebruik willen maken van ter beschikking gestelde arbeidskrachten uitsluitend mogen inlenen van gecertificeerde uitleners. Dit geldt dus ook voor doorleensituaties.

Deze certificering gaat dus gelden voor alle bedrijven die arbeidskrachten ter beschikking stellen conform de WAADI (Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs). Hieronder vallen:

  • uitzenders
  • payrollers
  • detacheerders
  • doorleners
  • schijnconstructies, zoals zzp onder leiding en toezicht van klant

Deze bedrijven mogen zonder certificering vanaf 2025 geen arbeidskrachten plaatsen bij opdrachtgevers. En opdrachtgevers mogen geen zaken meer doen met niet-gecertificeerde bedrijven voor de inhuur van personeel.

Lees ook: Opgelet: val je onder de Waadi? Dan geldt ook voor jou binnenkort certificeringsplicht

Ook detacheerders dus

Detacheerders vallen door de driehoeksarbeidsrelatie opdrachtgever-werknemer-werkgever onder de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (WAADI) en worden daardoor als uitzenders gezien. Dat is detacheerders al jaren een doorn in het oog, want detachering is natuurlijk geen uitzenden. Nu er verplichte certificering komt voor alle bedrijven die onder de WAADI vallen, is het voor detacheerders nog meer van belang zich te onderscheiden, weet ook Heinrichs. “Jarenlang heeft de overheid de praktijk gedoogd, maar nu gaan we naar een andere situatie.”

De striktere scheiding wordt:

  1. Of je werkt volgens een overeenkomst van opdracht, waarbij de detacheerder de werkgeversrisico’s draagt en de gedetacheerde in (vaste) dienst is bij detacheerder
  2. Of de gedetacheerde werkt onder leiding en toezicht van de opdrachtgever (inlener). Dan is er dus sprake van ter beschikking stelling (TBA) conform de WAADI. En dan geldt verplichte certificering

Tip van Heinrichs voor detacheerders: “zorg dat de bouwstenen waaruit de overeenkomst van opdracht is opgebouwd duidelijk zijn.” Dan moet je denken aan resultaatgerichte afspraken in de overeenkomst van opdracht (in plaats van inspanningsverplichting). Maar ook een (vast) contract en investeren in opleiding en ontwikkeling van de gedetacheerden. Oftewel, ‘zorg dat jouw dienstverlening helder is en maak duidelijke afspraken’.

Discussie over de gezagsrelatie

Uiteindelijk gaat het dus (weer) om de discussie over de gezagsrelatie; werkt iemand onder toezicht en leiding van de opdrachtgever of niet? Minister Van Gennip heeft toegezegd met een toelichting (of definitie) hiervan te komen. Hopelijk schept dat meer duidelijkheid. Vooralsnog moeten detacheerders en hun opdrachtgevers afgaan op de jurisprudentie hierover.

De actuele zaak tussen externe juristen van USG en USG/RVO (Rijksdienst voor Ondernemend Nederland) over de vraag of er sprake is van contracting of uitzenden/detachering, laat zien dat dit een lastige kwestie blijft. Net als de rechter in deze zaak stelt Heinrichs dat de praktijk bepalend is. “Je kunt wel van alles op papier zetten, maar wat er in de praktijk gebeurt is echt van belang.”

Zijn advies: “bereid je alvast voor op de wetgeving die komt. Maak duidelijke afspraken, ook met jouw opdrachtgevers. Want die krijgen straks ook de verplichting om te checken of je aan de wet- en regelgeving voldoet.”

Waarborgsom houdt starters tegen

Een van de eisen voor certificering is een waarborgsom. Bestaande uitzendbureaus moeten 100.000 euro als bankgarantie geven (voor starters wordt die 50.000 euro). Hoewel er overgangsrecht zal komen, krijgen alle flexbedrijven hiermee te maken. Heinrichs: “Dat zal invloed hebben op de cash flow. Daar moeten bedrijven wel rekening mee houden.” Zelf is Heinrichs geen voorstander van zo’n waarborgsom. “Ik zie niet het nut hiervan, zeker omdat er al als voorwaarde een G-rekening geldt.”

Han Mesters, die als sectorbankier van ABN AMRO zijn visie geeft tijdens het webinar, is het daarmee eens. “Je moet kunnen uitgaan van een goed businessplan, daarin wordt de financiering ook meegenomen.”

Han Mesters

Beiden vrezen daarnaast dat deze toetredingsdrempel starters zal tegenhouden. Mesters: “Het zou triest zijn als zo’n waarborgsom vernieuwing en innovatie remt.” Hun conclusie: een waarborgsom schiet zijn doel voorbij.

Certificering werkt door in hele keten

Grote vraag is natuurlijk ‘gaat verplichte certificering helpen?’ Paul Heinrichs: “ik wíl het vertrouwen hebben dat dit gaat werken. Er gaan nu dingen op de arbeidsmarkt echt niet goed.” Een raamwerk met de driehoek van instellingen uit de overheid/sector/privaat moet in staat zijn hier iets tegen te doen. Zeker omdat verschillende normen nu worden gekoppeld en onder één systeem gaan vallen. “Voorheen kon een uitzender wel NEN-gecertificeerd zijn terwijl hij de huisvesting van flexkrachten (arbeidsmigranten) niet goed had geregeld. Dat kan straks niet meer.”

Het staat of valt volgens Heinrichs met de handhaving. “Er zullen malafide uitzenders en opdrachtgevers blijven. Handhaving door de Inspectie SWZ zal cruciaal zijn. Helaas hebben zij niet zo’n goede track record.”

Han Mesters ziet de verplichte certificering doorwerken in de hele keten. “Ook de inleners moeten hun verantwoordelijkheid gaan nemen. Denk aan de bagageafhandelaars op Schiphol. Bedrijven moeten correcte inhuur van personeel in hun rapportage gaan meenemen, inclusief juiste beloning, goede huisvesting, et cetera.”

Mesters stelt dat het net zich meer zal sluiten en ook zijn eigen bank strenger zal gaan worden. “Wij zullen in onze risicoanalyse hier rekening mee houden, de compliance-afdeling zal hier zeker op letten. En ik kan mij voorstellen dat onze accountmanagers zelf ook controles gaan doen, bijvoorbeeld als het gaat om huisvesting. Je wilt niet geassocieerd worden met malafide uitzenders. Naast het imago-aspect, is dat ook een kwestie van maatschappelijke relevantie.”


De verplichte certificering komt er (pas) in 2025. Wat kunnen/ moeten uitzendbureaus en hun opdrachtgevers nu al doen? Paul Heinrichs geeft het volgende advies:

Uitzendbureau: oriënteer je alvast; kijk naar de regels die er nu al zijn voor bijvoorbeeld SNA-, PayOK en SNF-certificering. En digitaliseer. (Er zijn softwarepakketten waarin actuele wet- en regelgeving is opgenomen zodat je altijd compliant bent.)

Opdrachtgever; realiseer je welke risico’s je loopt bij de inhuur van personeel. Ga na of een externe kracht wel of niet onder jouw leiding en toezicht werkt.

Zelfstandige: toon aan dat je echt een zelfstandige bent. Doe de ondernemerscheck.

Lees ook: Verplichte certificatie voor uitzendbureaus, wat betekent dat voor uitleners en opdrachtgevers?


 

Geplaatst in Professioneel inhuren | Tags , , , , , , , | Laat een reactie achter

Mythe 3: Handhaven van de grenzen tussen werknemer en zzp’er is onmogelijk

“Handhaven van de grenzen tussen werknemer en zzp’er is onmogelijk.” Dit mantra komt niet uit de lucht vallen. De toenmalige staatssecretaris van financiën Wiebes was destijds verantwoordelijk voor (misschien wel de drijvende kracht achter) de wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelaties (DBA). Volgens Wiebes was de met de komst van de wet DBA af te schaffen Verklaring Arbeids Relatie (VAR) “niet te handhaven”. De VAR voldeed niet en afschaffing zou een ‘no regret option’ zijn, of in normale mensenwoorden, alleen maar goed nieuws zijn. Met andere woorden: met de wet DBA zou het gemakkelijker worden voor de Belastingdienst om te controleren en handhaven op schijnzelfstandigheid.

Serie mythes over flexibele arbeidsmarkt ontkracht
In deze blogserie rekent arbeidsjurist Joop der Weduwen af met hardnekkige mythes over het werken in een steeds flexibeler arbeidsmarkt.
“Mijn definitie van een mythe is ‘een verhaal gebaseerd op hele en halve waarheden, dat een eigen leven is gaan leiden in de publieke opinie en debat’. De afgelopen jaren heb ik heel wat van deze mythes voorbij zien komen. Ze worden soms gebruikt om de werkelijkheid te simplificeren, soms om ontwikkelingen te duiden maar soms ook om de werkelijkheid te kleuren in een (politiek) gewenste richting, waarbij ook wel groepen van werkenden ‘weggezet’ worden.”
De mythes die ik belicht, schuren allemaal aan het juridische kader. De blogs gaan niet uitputtend in op alle juridische achtergronden (wet, regelgeving en jurisprudentie). Ze schetsen een algemeen beeld of tendens en proberen aan te geven wat er wel en niet klopt aan zo’n mythe.
Alvast een disclaimer: Bij alle mythes geldt: ze bevatten altijd een kern van waarheid, maar het is zelden de gehele waarheid! De context bij of rond de mythe is altijd goed om te bezien. Zoals de Hoge Raad dat aangeeft: je moet het ‘holistisch’ bekijken.”

Handhaving na de wet DBA

We weten hoe het is gelopen na de invoering van de wet DBA (ofwel de afschaffing van de VAR in 2016). Er heeft vanaf toen, tot heden, geen handhaving door de Belastingdienst meer plaatsgevonden! Als klap op de vuurpijl gaf de huidige staatssecretaris van financiën, Van Rij, dit jaar aan dat “handhaving zonder nieuwe (arbeids)wetgeving, als boksen met één hand op de rug was”. Met andere woorden: handhaven na de wet DBA was er niet makkelijker op geworden en gaat voorlopig ook niet gebeuren. Laatste vooruitzicht zou zijn dat de handhaving in 2025 opgepakt zou gaan worden (al dan niet na ingrepen in de wetgeving).

Kortom, volgens beide staatssecretarissen, ongetwijfeld ingefluisterd door medewerkers van hun ministerie en uitvoerende instantie (Belastingdienst), is handhaving zowel onder het regiem van de VAR als nu zonder de VAR geen optie. Kortom: handhaven moet haast wel onmogelijk zijn!

Drie wetgevingscomplexen

Om dit op zich, van buiten gezien, ingewikkelde onderwerp van handhaving in beeld te brengen, is het goed om het handhavingsinstrumentarium langs te lopen. Goed om te weten dat we in feite met drie wetgevingscomplexen te maken hebben om te oordelen over de grens tussen wel of niet zijn van werknemer of van een werkende. Die drie wetgevingscomplexen zijn het arbeidsrecht, de werknemersverzekeringen en de fiscale wetgeving.

Arbeidsrecht

Hierbij is het goed om je te realiseren dat de arbeidswetgeving primair bedoeld is om de (arbeids)verhouding tussen een werkgever en een werknemer te reguleren. De ‘handhaving’ van arbeidswetgeving ligt primair bij de betrokken partners, de werkgevers en werknemers. Er wordt wel toezicht gehouden op de uitvoering ervan. Zo ziet de Nederlandse Arbeidsinspectie bijvoorbeeld toe op de naleving van beschermende wetgeving voor werknemers zoals Arbo-wetgeving. De Belastingdienst controleert op afdracht van premies en belasting. Maar het zich houden aan de regels van het arbeidsrecht is iets tussen partijen.

Deze partijen kunnen zich wel laten vertegenwoordigen bij een conflict (of misstand), zoals bijvoorbeeld de laatste tijd vaker gebeurt voor de (mogelijke) werknemers door organisaties als de FNV, maar zonder conflict is er geen aanleiding voor iets dergelijks. Het handhaven van de grenzen binnen het arbeidsrecht is primair niet een overheidstaak.

Fiscale wetgeving

Anders is dat voor de werknemersverzekeringen en de fiscale wetgeving. Daar is de handhavende instantie duidelijk: dat is de Belastingdienst. De Belastingdienst dient op basis van die wetgevingscomplexen te bepalen wie als werknemer aangemerkt moet worden en wie dan ook als zodanig behandeld moet worden door zijn werkgevende (afdracht premies en afdracht loonheffing). Maar de Belastingdienst moet ook bepalen wie dan als werkende wel of niet valt in het regiem voor ondernemers. Daarbij hoeven er geen premies voor werknemersverzekeringen afgedragen te worden en dienen er andere fiscale heffingen te worden toegepast.

Daarvoor staan voor de Belastingdienst dus twee routes open. Een via de fiscale wetgeving – via de Wet op de Loonbelasting 1964 – en de daarbij behorende handhaving; en de andere, minder bekende, via de werknemersverzekeringen – via de Wet financiering sociale verzekeringen.

Geen beoordeling van arbeidsrelaties

Ik zeg daarbij dat de Belastingdienst dat dient te doen, maar feitelijk gaat het anders. Namelijk een werkgevende moet zelf in eerste instantie bepalen of er sprake is van een werknemer of niet. Indien de werkgevende meent dat dat wel zo is, dan dient hij daartoe de nodige acties te ondernemen en natuurlijk ook de afdracht te doen, zowel van premie als belasting.

Meent de werkgevende dat er geen sprake is van een werknemer, dan hoeft hij verder geen actie te ondernemen, behoudens de fiscale behandeling van de declaraties van de werkende (btw). De werkende dient zelf verder zijn eigen belastingafdrachten te doen (inkomsten en btw). Hij is dan zelf ook verantwoordelijk voor het regelen van eventuele verzekeringen.

De Belastingdienst doet in feite controle op de aangiftes (zowel van werkenden als werkgevenden) en slechts steekproefsgewijs op de beoordeling van arbeidsrelaties.

Werkgevende en werkende bepalen in feite samen in alle vrijheid of er sprake is van een (arbeids)relatie die valt aan te merken als een arbeidsovereenkomst.

Hier wringt het systeem een beetje, omdat werkgevende en werkende gezamenlijk in feite in alle vrijheid kunnen en ook moeten bepalen of er sprake is van een (arbeids)relatie die valt aan te merken als een arbeidsovereenkomst tussen een werkgever en werknemer. In dit geval is er geen sprake van een onafhankelijk oordeel, voorafgaand aan het gaan werken, door (modern aangeduid) een marktmeester, die de (arbeids)relatie kwalificeert of, wat ruimer geformuleerd, daarvoor duidelijke regels/kaders heeft gesteld.

Dit vaststellende, hoe zit het dan met de handhaving waar de staatssecretarissen het over hebben? Eerst moet gezegd dat handhaving plaatsvindt op twee momenten: vooraf (dat wil zeggen bij het aangaan van de relatie) en achteraf (dus tijdens of zelfs na afloop van de relatie). Hoe was dat onder de VAR en hoe zit het nu dan in elkaar?

Werking van de VAR

In de tijd van de VAR was het zo dat de werkende, voor het gaan werken als zelfstandige, een VAR aanvroeg bij de Belastingdienst. Op basis van een (geautomatiseerde) beoordeling kreeg hij dan van de Belastingdienst een verklaring. Daarin stond of de arbeidsrelatie die daarna aangegaan zou worden, was aan te merken als werknemer (VAR Loon) of als zelfstandige (VAR Winst Uit Onderneming of WUO). Voor het gemak is de optie VAR Resultaat uit overige werkzaamheden (ROW) hier buiten beschouwing gelaten.

Had de werkende zo’n VAR WUO-verklaring, dan kon de werkende daarmee aan de slag als niet-werknemer bij werkgevenden. De werkgevenden waren dan gevrijwaard voor afdracht van heffingen (premie en fiscaal). Als achteraf bij controle door de Belastingdienst bleek dat de werkende toch een werknemer was, dan kon de Belastingdienst de werkende daarop aanspreken (terugdraaien fiscale behandeling als niet-werknemer). De Belastingdienst kon de werkgevende in het algemeen echter niet met terugwerkende kracht aanspreken op afdrachten. Naar de toekomst diende hij zich daar natuurlijk wel aan te houden.

Hiaat in controle VAR

Het gat in de handhaving (vrije vertaling) binnen de systematiek van de VAR zat in twee punten: enerzijds bij de afgifte van de VAR en anderzijds in het niet (kunnen) aanspreken van werkgevenden door de vrijwaringssystematiek na de verkrijging van de VAR.

Ten aanzien van het eerste punt – aanvraag en afgifte – was het zo, dat de controle bij afgifte grotendeels afwezig was. Bij een juist invullen van de aanvraag, kreeg men een VAR (WUO). Dat wil zeggen dat er een loopje genomen kon worden met het invullen.

Dat was overigens een ingecalculeerd risico voor bijvoorbeeld startende (zelfstandig) werkenden, omdat niet alles bij invullen van de aanvraag al bekend was of kon zijn. Het idee was dat dit risico beperkt zou worden door controle achteraf. De keerzijde hiervan zat ook bij werkgevenden, die mogelijk gebruik konden maken van dit hiaat in controle bij de VAR. Deze zouden kunnen profiteren en ten onrechte geen afdracht doen. Hoe groot deze risico’s waren, is niet geheel duidelijk, maar deze hebben wel (mede) geleid tot afschaffing van de VAR.

Handhaven van VAR onmogelijk?

Was handhaven tijdens de VAR dan lastig? Kijken we naar jurisprudentie, dan was omzetten van een eerder afgegeven VAR WUO naar een VAR Loon in feite goed mogelijk. Dat blijkt uit allerlei uitspraken van na het afschaffen van de VAR, zoals ECLI:NL:GHDHA:2017:2415; ECLI:NL:HR:2018:343; ECLI:NL:RBNHO:2018:4372. Hierbij moest natuurlijk wel behoorlijk ‘gerechercheerd’ worden, maar indien dat zo was, dan werd dat door de rechter ook wel degelijk goedgekeurd. Kortom, onmogelijk was het niet.

Met andere woorden de ‘no regret’-optie, het afschaffen van de VAR, kon en kan niet onderbouwd worden door het niet kunnen handhaven van de VAR. Dus toentertijd was het niet kunnen handhaven in feite niet correct.

In feite is er met het verdwijnen van de VAR een handhavingsinstrument weggevallen.

Handhaven na afschaffing VAR

Hoe is het dan na het afschaffen van de VAR? In feite is er met het verdwijnen van de VAR een handhavingsinstrument weggevallen. De andere handhavingsinstrumenten (namelijk de fiscale en sociale wetgeving) en de arbeidswetgeving zijn echter niet veranderd na het verdwijnen van de VAR. Nog steeds is de basis voor de beoordeling voor het al of niet aanwezig zijn van werkgeverschap en werknemerschap in feite onveranderd. Zowel voor invoeren van de VAR als tijdens de VAR als nu na de VAR is de wijze van beoordeling niet veranderd. Ook onder de VAR diende getoetst te worden aan dezelfde criteria. Hooguit zou je kunnen zeggen dat er, door het wegvallen van de VAR, een extra sturings-, coachings- en handhavingsinstrument is weggevallen. Misschien dus wel de instrumenten van een marktmeester…

Dat houdt niet in dat er niet gehandhaafd kan worden. Sterker nog, de basis voor de handhaving is dezelfde gebleven. Sta je dan nu bij de handhaving met 1-0 achter? Of doe je dat met één hand op de rug? Ook dat waag ik te betwijfelen, omdat de VAR ook nadelen bood (zie hiervoor) en, belangrijker, omdat de VAR niet wezenlijk ingreep in de wetgevende complexen, laat staan in het arbeidsrecht.

Afschaffen VAR een ‘regret option’

Kortom handhaven is (nog steeds) mogelijk. Dat moet dan wel gedaan worden en daar ontbreekt het aan. Het instrumentarium is er, maar de uitvoering blijft achter. Wat je wel kunt zeggen is dat er onder de VAR eerder gekeken werd naar de handhaving (maar dan met name bij de werkende). De wetgever heeft de VAR echter juist afgeschaft, dus als het handhaven nu moeilijker is, dan kan de wetgever dat alleen maar zichzelf aanrekenen (een ‘regret option’).

Op de keper beschouwd, heeft dit allemaal minder te maken met de wetgevende onderliggende complexen, dan wel met de handhaver zelf, die handhaving op dit terrein misschien niet zo ‘in de vingers’ heeft. In dit verband is het frappant dat ik weinig (lees: geen) jurisprudentie ben tegengekomen waarbij de Belastingdienst op basis van de Wet financiering sociale verzekeringen ambtshalve een beslissing heeft afgegeven (aan de werkgever) over het verzekerd zijn op grond van de werknemersverzekeringen.

Bij de werknemersverzekeringen is het overigens zo, dat een werknemer, als er sprake is van een arbeidsrelatie op basis van het arbeidsrecht, van rechtswege verzekerd is voor de werknemersverzekeringen. Dan is er dus (in feite) een plicht tot heffen van premie oftewel een plicht tot handhaven.


Lees ook in deze serie:

Geplaatst in ZP en Politiek | Tags , , | 2s Reacties

Oppositie blijft hameren op meer aandacht voor pensioen zzp’ers. Minister Schouten beweegt mee.

GroenLinks en de PvdA houden vast aan hun wens dat er extra maatregelen moeten komen, zodat meer zzp’ers pensioen gaan opbouwen. Dat bleek in de tweede dag van de behandeling van de nieuwe Pensioenwet. Het kabinet heeft steun van de twee linkse partijen nodig om de wet door de Eerste Kamer te krijgen.

Aangesloten blijven bij pensioenfonds

De minister vindt een pensioenplicht voor zzp’ers te ver gaan. Op andere punten beweegt ze wel richting GroenLinks en de PvdA. Zo gaat de minister onderzoeken in hoeverre zelfstandigen die uit loondienst komen standaard verbonden blijven aan het pensioenfonds waarbij ze aangesloten zijn. Ze krijgen dan wel de optie om er zelf uit te stappen.

Op dit moment bouwt 6% van alle zzp’ers pensioen op via een pensioenfonds. Vaak is aangesloten blijven bij een pensioenfonds ook niet mogelijk. De minister ziet nog wel de nodige knelpunten bij dit PvdA-voorstel, omdat het mogelijk oneigenlijke concurrentie is richting commerciële aanbieders.

Experimenten rond zzp-pensioen

Minister Schouten kondigde eerder al aan (zie hier) meer ruimte te willen creëren voor experimenten rond het zzp-pensioen. De ontwerpregeling daarvoor is nu bekend gemaakt (zie hier). De complexiteit van die regeling lijkt het enthousiasme bij de pensioenfondsen om ook daadwerkelijk te gaan experimenteren flink te temperen.

De passiviteit onder sociale partners om via arbeidsvoorwaarden zelf afspraken te maken over pensioenvoorzieningen voor zelfstandigen, baart de PvdA en GroenLinks zorgen. De minister wil de uitwerking toch bij die sociale partners laten liggen, maar zegt wel toe een ’nogal dringende oproep’ te doen actiever te worden.

Invoeringsdatum Pensioenwet

Overigens is de invoeringsdatum van een nieuwe Pensioenwet uitgesteld tot op zijn vroegst 1 juli 2023. Belangenbehartigers van zelfstandigen pleiten dan ook te wachten met de afschaffing van de FOR (zie hier). Wanneer de Pensioenwet inderdaad op 1 juli 2023 ingaat, zal de fiscale ruimte voor zelfstandigen – die groter wordt – ook gelden vanaf 1 januari 2023. Dat heeft de minister in reactie daarop toegezegd.

Geplaatst in ZP en Ondernemen | Tags , | 1 Reactie

Herstel omzet, minder daling uitzenduren: uitzendbranche klimt uit dal

In de periode van 15 augustus tot en met 11 september 2022 daalde het aantal uitzenduren met 7% en steeg de omzet met 1% in vergelijking met dezelfde periode vorig jaar. Dat blijkt uit de recentste cijfers van de ABU-Marktmonitor.

De dalende trend van het aantal uitzenduren is al enige tijd geleden ingezet, zo blijkt uit de cijfers, en ook de omzetcijfers kenden een flinke dip.

Overzicht uitzenduren ABU Marktmonitor periode 9

 

In periode 8 van 18 juli t/m 14 augustus, daalde het aantal uren met 9% en bleef de omzet gelijk in vergelijking met dezelfde periode vorig jaar.

De daling was nog sterker bij de vorige meting, in de periode van 20 juni tot en met 17 juli. Toen daalde het aantal uitzenduren met 10% en daalde de omzet met 1% in vergelijking met dezelfde periode van het vorige jaar.

Overzicht omzet ABU Marktmonitor periode 9

 

Het dieptepunt lag in de maand mei, toen de uitzendsector na een lange periode van groeicijfers een flinke daling liet zien. Tussen 25 april en 22 mei daalde het aantal uren toen met 11 procent en de omzet met 4 procent.

Herstel van omzet, daling uren minder fors

In de periode van 15 augustus tot en met 11 september lijkt er dus enig herstel. De uitzenduren daalden minder fors en de gemiddelde omzet liet weer een voorzichtige stijging zien van 1 procent. De omzetstijging is vooral te danken aan de industriële sector; in de administratieve en technische sector daalde de omzet ook in deze periode.

De ontwikkelingen per sector zijn als volgt:

  • Administratieve sector: Het aantal uren daalde met 18% en de omzet is gedaald met 6% ten opzichte van dezelfde periode vorig jaar.
  • Industriële sector: Het aantal uren bleef gelijk en de omzet steeg met 9% ten opzichte van dezelfde periode vorig jaar.
  • Technische sector: Het aantal uren daalde met 13% en de omzet daalde met 3% in vergelijking met dezelfde periode vorig jaar.
Geplaatst in Professioneel inhuren | Tags , , | Laat een reactie achter

Alle economische seinen staan op rood. Gaat de arbeidsmarkt op slot?

Vertrouwen neemt af

In september werd voor de vijfde keer in zes maanden een negatief record neergezet. Aan de kant van de werkgevers zien we nu dat het vertrouwen ook serieus afneemt. Het producentenvertrouwen is weliswaar nog net positief, maar de index daalt de laatste maanden snel. Bovendien was voor het eerst in bijna twee jaar tijd het oordeel over de verwachte bedrijvigheid negatief. De inkoopmanagersindex – doorgaans een sterke voorspeller van de economische groei – daalde flink in september en zakte bovendien door de 50-puntengrens. Dat impliceert een afname van de industriële productie en doorgaans ook een daling van de economische groei.

Beurs

De beurs kende in september een zeer slechte maand. De Amsterdamse graadmeter daalde met ongeveer 8% in een maand tijd. De fluctuaties zijn de laatste tijd sowieso groot. De beurs daalt zomaar enkele procenten bij negatief nieuws. Het omgekeerde gebeurt echter ook regelmatig bij positieve berichten. Niettemin is de trend duidelijk dalend in de afgelopen maanden.

Uitzenduren

Het aantal uitzenduren daalde de afgelopen periode met 7,3% t.o.v. dezelfde periode vorig jaar. Voor de zevende keer op rij was er sprake van een daling. De afname wordt wel steeds iets kleiner. Vlak voor en aan het begin van de zomer liep de daling nog in de dubbele cijfers. Conjuncturele ontwikkelingen worden doorgaans als eerste gevoeld in de uitzendbranche (‘vroegcyclisch’). De afname van de uitzenduren zou kunnen duiden op een afname van de economische groei. Echter speelt natuurlijk ook de extreem krappe arbeidsmarkt een rol. Uitzenders hebben zelf ook moeite met het vinden van geschikt personeel. Daarnaast nemen werkgevers meer mensen direct in vaste dienst aan.

Faillissementen

Aanvullend op deze cijfers laat het nieuwste KVK Trendrapport Bedrijfsleven zien dat het aantal faillissementen van economisch actieve ondernemingen is in september een stuk hoger dan het maandgemiddelde vanaf januari 2021. Dat gemiddelde ligt op 132, terwijl in de afgelopen maand 176 ondernemingen failliet gingen, het hoogste aantal sinds oktober 2020 (192).

Arbeidsmarkt op slot?

Op de arbeidsmarkt is er van de naderende recessie vooralsnog weinig merkbaar. Sterker nog, in het derde kwartaal werd de krapte nog groter. Het aantal vacatures bleef onverminderd hoog en het aanbod laag. De werkloosheid is dan wel opgelopen de laatste maanden, maar is met 3,8% nog steeds erg laag. Aan de aanbodkant zien we bovendien dat nog minder mensen actief op zoek zijn naar ander/nieuw werk, zie ook het volgende artikel.

Aan de ene kant is er zoveel werk en de noodzaak om actief te zoeken laag dat werknemers ‘achterover kunnen leunen’. Daar komt bij dat werknemers steeds vaker benaderd worden door werkgevers/recruiters voor een baan. In het derde kwartaal bereikte de ‘sourcingsdruk’ opnieuw een record. Daarnaast maakt alle onzekerheid en het lage vertrouwen het misschien ook wel minder aantrekkelijk om van baan te wisselen. Werkgevers moeten dus nog meer moeite doen om geschikte kandidaten te vinden.

Geplaatst in Professioneel inhuren | Tags | Laat een reactie achter

“Trek datum afschaffing FOR zelfstandigen gelijk met invoerdatum Wet Toekomst Pensioenen”

Op 6 oktober jl. maakte minister Schouten bekend dat zij de invoering van de Wet Toekomst Pensioenen uitstelt. De deadline van 1 januari a.s. wordt niet gehaald. Per die datum wil het kabinet echter wel de Fiscale OudedagsReserve (FOR) afschaffen. Hierdoor ontstaat er voor zelfstandigen een gat in de mogelijkheid voor pensioenopbouw. Cristel van de Ven, voorzitter van het Netwerk Zelfstandig Ondernemers en VZN: “Dit is een onwenselijke situatie. Daarom trekken we nu direct aan de bel ”.

Derde zelfstandigen maakt gebruik FOR

Met de fiscale oudedagsreserve (FOR) kunnen zelfstandigen een oudedagsvoorziening opbouwen door een percentage van de winst opzij te zetten voor later. Op Prinsjesdag kondigde het kabinet aan dat deze fiscale regeling per 1 januari 2023 wordt afgeschaft. Het financiële voordeel van deze afschaffing wil men gebruiken voor verhoging van de AOW. Argument voor de afschaffing is onder meer dat er voldoende mogelijkheden zijn voor pensioenopbouw voor zelfstandigen o.a. door verhoging van de jaarruimte voor lijfrenten, geregeld in de Wet Toekomst Pensioenen (WTP). Die jaarruimte staat nu nog op 13,3% van de premiegrondslag (inkomen minus franchise). Deze jaarruimte gaat bij invoering van de WTP naar 30%.

Ongeveer 10% van de zelfstandigen maakt momenteel gebruik van de lijfrente voor hun pensioenopbouw. Dit blijkt uit een onderzoek van Deloitte uit 2020. Onderzoek van Bright Pensioen uit 2021 (zie hier) toont aan dat 34 % van de zelfstandig ondernemers gebruik maakt van de FOR. Van de Ven: “Het is enorm belangrijk voor zelfstandigen dat zij in 2023 toch de ruimere fiscale ruimte al hebben. Want anders zullen de zelfstandigen die nu nog gebruik maken van de oudedagsreserve, daardoor in 2023 niet of nauwelijks iets in hun oudedagsvoorziening kunnen stoppen”. De berekeningen voor de jaarruimte voor lijfrentes gebeuren namelijk op basis van het voorgaande jaar, terwijl bij de oudedagsreserve het inkomen van het huidige jaar als grondslag wordt gehanteerd. Mensen die in 2022 gebruik maken van de FOR hebben hun jaarruimte (van 13,3%) voor 2023 dan dus al bijna volledig verbruikt.

Het dringende verzoek vanuit het Netwerk Zelfstandig Ondernemers aan de Minister is om dit probleem te voorkomen. Dit zou bijvoorbeeld kunnen door de afschaffing van de FOR gelijk te trekken met de ingangsdatum van de Wet Toekomst Pensioenen. Of om de verruiming van de jaarruimte van lijfrenten al wel per 1 januari 2023 in te laten gaan, gelijktijdig met de afschaffing van de FOR.

Geplaatst in ZP en Ondernemen | Tags , | Laat een reactie achter