Maandelijkse archieven: oktober 2019

Koolmees is halverwege. Hoe staat het met de beloftes uit het regeerakkoord?

Klimaat en de arbeidsmarkt. Dat zijn de twee grote dossiers van Rutte III. Je krijgt soms de indruk dat de rest van de bewindslieden er een beetje voor spek en bonen bij zit. Minister Koolmees van Sociale Zaken heeft het ondertussen flink druk. Het pensioenakkoord geldt als een van zijn successen, al kan de nadere invulling nog lastig worden. Verder is de Wet Arbeidsmarkt in Balans aangenomen. De nieuwe concept wet rond de inhuur van zzp’ers is zo goed als gereed.

Vanmiddag praten Koolmees en staatssecretarissen Menno Snel (Financiën) en Mona Keijzer (Economische Zaken) het ‘werkveld’ bij over de positie van de zelfstandigen. Een mooi moment om de balans op te maken. Wat stond er ook al weer in het regeerakkoord en wat is daar van terecht gekomen?

We nemen een aantal letterlijke citaten uit het regeerakkoord (steeds cursief) en kijken hoe het daar mee staat.

Doelstelling: vast minder vast, flex minder flex

Eerst de inzet van het kabinet:

 “Een flexibele arbeidsmarkt is een groot goed, maar kan ook doorschieten. Te vrijblijvende arbeidsrelaties leiden tot onzekerheid bij werknemers, verlies aan ervaring bij bedrijven en te weinig investeringen in kennis en opleiding. Wij willen een nieuwe balans tussen flex en vast. Voor werkgevers moet het financieel aantrekkelijker en minder risicovol worden om mensen een gewoon arbeidscontract aan te bieden. Wie bewust kiest voor het zelfstandig ondernemerschap leggen we niets in de weg. Tegelijkertijd beschermen we mensen die vaak onverzekerd en zonder alternatief zijn aangewezen op het ZZP-schap (,,,) Vaste werknemers, flexwerkers en zzp-ers zijn onbedoeld concurrenten van elkaar geworden. De sleutel naar een eerlijker arbeidsmarkt ligt in de gelijktijdige beweging: vast werk minder vast maken en flexwerk minder flex. Het is de ambitie van dit kabinet dat meer mensen aan het werk kunnen gaan in contracten voor onbepaalde tijd. Zelfstandigen moeten de ruimte krijgen om te ondernemen. Schijnzelfstandigheid wordt aangepakt.”

Om deze doelstellingen te halen, zet Koolmees in op twee grote wetten: De Wet Arbeidsmarkt in Balans (WAB) en de Wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelaties (DBA). Daarbij gaat de WAB over arbeidscontracten en flexcontracten (van oproep tot uitzend en payroll). De Wet DBA regelt alles rond de inhuur van zzp’ers.

Wet Arbeidsmarkt in Balans

Het is Minister Koolmees gelukt de WAB door de Tweede en Eerste Kamer te krijgen. Dat kan hij van zijn ‘to do’ lijstje afhalen.

De WAB gaat in op 1 januari 2020. Vooral payroll staat door deze nieuwe wet flink onder druk. Payroll wordt duurder. Maar of de WAB inderdaad het werkgeverschap aantrekkelijker maakt en zorgt dat ‘vast’ minder vast wordt, moet in de praktijk blijken. De WAB is omstreden en men twijfelt of de doelstellingen behaald worden.

De afgelopen kwartalen stijgt ondertussen het aantal vaste contracten en dalen de tijdelijke aanstellingen. Belangrijke oorzaken zijn de economische groei en schaarste op de arbeidsmarkt.

Nieuwe inhuur regels zzp

Je zou het bijna vergeten, maar de laatste periode van het kabinet Rutte II stond in het teken van het Wet DBA-debacle. Een wet die zo veel ongewenste effecten leek te hebben dat de handhaving werd opgeschort.

Een belangrijke missie voor Koolmees is dus die wet repareren: “De Wet DBA wordt (…) vervangen. De nieuwe wet moet enerzijds (de inhuurder van) echte zelfstandigen zekerheid bieden dat er geen sprake is van een dienstbetrekking en anderzijds schijnzelfstandigheid (vooral aan de onderkant) voorkomen” stond het te lezen. Daar wordt hard aan gewerkt. Het doel was deze nieuwe wetgeving gelijk in te laten gaan met de WAB. Dat is niet gelukt. “Het is een ingewikkeld dossier”, verzucht de minister met enige regelmaat.

Om opdrachtgevers en opdrachtnemers duidelijkheid vooraf te geven over hun arbeidsrelatie, zijn er aparte middelen voor drie groepen. (zie dit ZiPconomy-whitepaper LINK met de gehele uitleg):

  • Een opt-out door de bovenkant van de markt
  • een minimumtarief voor de onderkant en
  • een webmodule voor iedereen daartussen.

Let wel, gebruik maken van de webmodule is niet verplicht. Net zoals werken met de modelovereenkomsten (Wet DBA) dat niet was.

Minimumtarief

“Voor zzp’ers wordt bepaald dat altijd sprake is van een arbeidsovereenkomst bij een laag tarief in combinatie met een langere duur van de overeenkomst of een laag tarief in combinatie met het verrichten van reguliere bedrijfsactiviteiten.”

Dit bleek niet haalbaar, maar het kabinet wil nog steeds een minimumtarief invoeren. Dat tarief is voorlopig vastgesteld op 16 euro per uur. Dit tarief gaat ook gelden voor particulieren die een zzp’er inhuren (zie hier). Wetgeving hierover is zo goed als af en wordt binnenkort gepresenteerd. De eerste stap is de internetconsultatie, zodat marktpartijen en experts hun mening kunnen geven. Daarna wordt erover gestemd in de kamer. De linkse oppositie pleit voor een hoger minimumtarief, maar volgens Koolmees mag dat niet volgens Europese regels.

Mocht de wet worden aangenomen, dan wordt dit deel uit het regeerakkoord, iets aangepast en een jaartje te laat, dus uitgevoerd.

Opt-out boven 75 euro per uur

Terwijl de ‘onderkant’ van de markt bescherming krijgt, komt er voor de ‘bovenkant’ juist meer vrijheid en ruimte om te ondernemen, beloofde het kabinet:

“Aan de bovenkant van de markt wordt voor zelfstandig ondernemers een ‘opt out’ voor de loonbelasting en de werknemersverzekeringen ingevoerd, indien er sprake is van een hoog tarief in combinatie met een kortere duur van de overeenkomst of een hoog tarief in combinatie met het niet verrichten van reguliere bedrijfsactiviteiten. Bij een ‘hoog tarief’ denkt het kabinet aan een tarief boven de 75 euro per uur. Een kortere duur wordt gedefinieerd als korter dan een jaar.”

De wetgeving die hierbij hoort gaat binnenkort tegelijkertijd met de regels voor het minimumtarief naar de Tweede Kamer. Eveneens een jaartje te laat, maar in essentie doet het kabinet wat in het regeerakkoord staat. Bij een uurtarief van 75 euro of hoger kunnen opdrachtgever en zelfstandige een ‘zelfstandigenverklaring’ opstellen, die vooraf zekerheid geeft dat er géén dienstverband is.

Deze opt-out is uitgebreider dan de belofte uit het regeerakkoord. Er vervallen namelijk ook een aantal arbeidsrechtelijke verplichtingen voor de opdrachtgever. Deze opt-out geldt alleen voor opdrachten die korter duren dan een jaar. Dat is nog wel onderwerp van discussie.

De linkse oppositie is principieel tegen deze opt-out, maar vóór een minimumtarief. Beide maatregelen zullen waarschijnlijk in een wetsvoorstel staan. Voor de oppositie dus de afweging dat wanneer ze tegen de opt-out stemmen, ze ook tegen een minimumtarief stemmen. In de Eerste Kamer (waar steun van deel oppositie nodig is) kan het kabinet mogelijk op steun van Forum voor Democratie rekenen.

Webmodule

Voor opdrachten met een uurtarief tussen de 16 en 75 euro (en mogelijk voor opdrachten met tarief van 75 euro die langer lopen dan een jaar) kan (het hoeft niet) een opdrachtgever duidelijkheid vooraf over de arbeidsrelatie krijgen met de webmodule. Hij beantwoordt vragen en krijgt bij een positieve beoordeling een opdrachtgeversverklaring.

Voor de invoering van deze webmodule lijkt geen wetswijziging nodig.

 “Deze geeft opdrachtgevers vooraf duidelijkheid en zekerheid bij de inhuur van zelfstandig ondernemers. Opdrachtgevers krijgen deze verklaring via het invullen van een webmodule. Met deze opdrachtgeversverklaring krijgt een opdrachtgever zekerheid vooraf van vrijwaring van loonbelasting en premies werknemersverzekeringen (tenzij de webmodule niet naar waarheid is ingevuld). In de webmodule wordt een aantal duidelijke vragen gesteld aan de opdrachtgever over de aard van de werkzaamheden.”

Een concept van de webmodule is klaar. Eerdere versies zijn getest en besproken met brancheorganisaties van zelfstandigen, bemiddelaars en werkgeversorganisaties.  Hun kritiek is niet mals. Ten eerste denken ze dat de vragen niet duidelijk genoeg zijn. Ook twijfelen zij of de verklaring daadwerkelijk zekerheid vooraf geeft. Dit omdat bij een aantal vragen (zie de opgestelde criteria Belastingdienst) interpretatieverschillen mogelijk zijn achteraf. Bijvoorbeeld over of iets nu wel of niet valt onder ‘reguliere werkzaamheden’. Een opdrachtgever kan in de veronderstelling zijn dat het geen reguliere werkzaamheden zijn en dit aangeven in de webmodule, maar als de Belastingdienst daar anders over denkt vervalt die zekerheid vooraf.

Hier wreekt zich het feit dat het kabinet zijn ambities om het arbeidsrecht te moderniseren, heeft los gelaten. Daarover meer in de volgende alinea.

De planning is dat de webmodule voor de zomer van 2020 operationeel moet zijn. Dat onderdeel van het regeerakkoord kan dat worden afgevinkt.

Modernisering arbeidsrecht

Bijna drie jaar geleden stelde Lodewijk Asscher, destijds de Minister van Sociale Zaken, in een debat over de Wet DBA dat hij wilde dat de “praktijk (rond zzp’ers) weer gaat aansluiten op de juridische werkelijkheid”. Bij de start van Rutte III was er enige hoop dat er stappen gezet zouden worden zodat het arbeidsrecht ook wat aangepast werd aan de praktische werkelijkheid op de arbeidsmarkt.

“Ten behoeve van de webmodule (wordt) het onderdeel ‘gezagsverhouding’ verduidelijkt (bijvoorbeeld dat het enkel moeten bijwonen van een vergadering op zichzelf geen indicatie van gezag is).”

Per 1 januari van dit jaar hanteert de Belastingdienst deze lijst met criteria rond de gezagsverhouding. Dit moest zorgen voor duidelijkheid, maar een aantal criteria roepen nieuwe discussies op (zie de visie van Boris Emmerig over ontbreken juridische grondslag van term ‘wezenlijk onderdeel bedrijfsvoering” en deze reactie daarop van Jeroen Ermers). Het is bovendien niet duidelijk hoe zwaar bepaalde criteria meewegen in de beoordeling van een arbeidsrelatie.

Verder is deze interpretatie van de jurisprudentie nooit besproken in de politiek. En dat terwijl deze uitleg bepalend is voor wat er wel en niet kan qua inhuur.

“Tevens zal het kabinet de wet zo aanpassen dat gezagsverhouding voortaan meer getoetst wordt op basis van de materiële in plaats van formele omstandigheden.”

Dit onderdeel van het regeerakkoord wordt niet uitgevoerd. Het kabinet heeft daarmee de ambitie om het arbeidsrecht enigszins te moderniseren laten varen.

Er komt dus niets terecht van de belofte van D66-kamerlid Steven van Weyenberg (zie dit interview). Hij zei dat het arbeidsrecht niet alleen verduidelijkt, maar ook ruimer zou worden. Er zouden meer mogelijkheden komen om samen te werken met zelfstandigen.

Handhaving en administratieve belasting

“Bij de uitwerking van de wet (…) zijn zowel de handhaafbaarheid als de effecten op de administratieve lasten van belang.”

Het lijkt alsof dit niet volgens plan verloopt. Het wetsontwerp rondom het minimumtarief dreigt zo complex te worden, dat het lastig wordt om te handhaven. Bij de webmodule wordt een aantal vragen gesteld (duur, inhoud opdracht) die vaak per opdracht anders zijn. Dat lijkt te betekenen dat opdrachtgevers die veel inhuren, regelmatig die webmodule moeten invullen.

Verder is het de vraag of de  opdrachtgeversverklaring eenvoudig verwerkt kan worden in administratieve systemen van opdrachtgevers. Mogelijk gaan de administratieve lasten fors omhoog ten opzichte van de modelovereenkomsten.

Volgens mij is de Wet DBA vooral mislukt omdat er geen goed implementatieplan was. De informatie was onduidelijk en de wet werd te snel ingevoerd. Dat laatste vond ook het kabinet. In het regeerakkoord staat namelijk: “De markt krijgt de tijd om te wennen aan veranderde wet- en regelgeving. Het huidige handhavingsmoratorium wordt na invoering van de bovenstaande maatregelen gefaseerd. Na invoering van de nieuwe wetgeving geldt maximaal een jaar een terughoudend handhavingsbeleid (onder andere geen boetes na eerste controle), waarin de Belastingdienst een coachende rol heeft en partijen helpt bij de toepassing van de nieuwe regelgeving.”

Maar die wetgeving loopt een jaar vertraging op. De druk op de minister om in de tussentijd toch te controleren op schijnzelfstandigheid, neemt toe. Vorige week kondigde de Belastingdienst aan dat de handhaving op de Wet DBA wordt opgevoerd. Hoe past dat bij de belofte uit het regeerakkoord?

Verder is het niet duidelijk wat de gewenperiode van de webmodule is. Zodra de webmodule af is, zal de Belastingdienst hem willen gebruiken als controle-instrument. Dan is er van een gewenperiode geen sprake meer.

Zzp in het burgerlijk wetboek

“Het kabinet gaat verkennen, ook in overleg met sociale partners en veldpartijen, of en hoe zelfstandig ondernemerschap via de invoering van een ondernemersovereenkomst een eigen plek zou kunnen krijgen in het burgerlijk wetboek. Dit zou de positie van zelfstandig ondernemers kunnen verhelderen.”

Een plek voor zzp’ers in het burgerlijk wetboek is een vurige wens van zzp-organisaties als PZO en ZZP Nederland. Maar hier hebben wij (en zij) niets meer van vernomen.

Het ministerie ziet het als een taak van de Commissie Borstlap om hier een antwoord op te geven. Maar het is nog maar de vraag of die commissie dit punt wel in het vizier heeft. In deze kabinetsperiode zal met dit punt uit het regeerakkoord in ieder geval niets gedaan worden.

Tot slot twee zaken die niet in het regeerakkoord stonden, maar toch op de planning staan:

Fiscale maatregelen zelfstandigen

In het regeerakkoord stond dat de zelfstandigenaftrek wat versoberd wordt. In het Belastingplan 2019 is namelijk afgesproken dat aftrekposten in de inkomstenbelasting alleen nog maar tegen het laagste tarief afgetrokken mogen worden.

Over de onlangs aangekondigde afbouwen van de aftrek naar 5.000 euro in 2028 stond niets in het regeerakkoord.

Arbeidsongeschiktheidsverzekering

Over de arbeidsongeschiktheidsverzekering (AOV) voor zzp’ers staat in het regeerakkoord:

“Er zal worden bezien hoe bij zelfstandigen de verzekeringsgraad voor arbeidsongeschiktheid kan worden verhoogd. Het is van belang dat zelfstandigen een bewuste keuze kunnen maken om zich wel of niet te verzekeren en dat zelfstandigen die daarvoor kiezen in beginsel toegang hebben tot de verzekeringsmarkt.” 

Belangrijker dan wat hier staat, is wat er in deze passage niet staat: het kabinet rept in het regeerakkoord in het geheel niet over een verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zelfstandigen. En toch is in het pensioenakkoord afgesproken er een verplichte AOV voor zzp’ers komt.

Tussenstand

Tot ergernis van zelfstandigen, heeft het kabinet meer van hun verworvenheden afgenomen dan beloofd in het regeerakkoord.

Minister Koolmees heeft een forse agenda en wist veel beloftes waar te maken. De vervanging van de Wet DBA is vertraagd, maar de minister is aardig ‘on track’. Op een paar punten is hij een jaar te laat, maar de planning was ook wel erg ambitieus.

Of het goed komt met de Wet DBA, is nog lang niet zeker. In een artikel op ZiPconomy constateerde ik nog voor de invoering van de Wet DBA dat er een aantal ‘addertjes onder het gras’ zitten.  De Wet DBA dreigt een nieuw handhavingsinstrument van verouderde regelgeving te worden. De basis is een ondoorzichtige mix van fiscale- en arbeidsrechtelijke regels over wie als zelfstandige ingehuurd kan worden. Daar is ondertussen weinig aan veranderd. En daarmee dreigt deze nieuwe aanpak via de webmodule wederom weg te zakken in een arbeidsrechtelijk moeras.

Maar, de minister heeft nog even…

Geplaatst in ZP en Politiek | Tags , , | 1 Reactie

Opdrachtgevers opgelet: Belastingdienst is begonnen met verscherpt toezicht Wet DBA.

‘Let op, want we starten in oktober 2019 al met het verscherpte toezicht’. Dat schrijft de Belastingdienst op zijn website. Het gaat om de handhaving van de Wet DBA, waarmee de fiscus schijnzelfstandigheid wil tegengaan.

Handhaving opgeschort

De Wet DBA is nog niet ‘af’ en tot dat zover is, is handhaving ‘grotendeels’ uitgesteld. De nieuwe wet zorgde in eerste instantie voor veel onrust onder zzp’ers en opdrachtgevers, omdat zij vinden dat de arbeidswetgeving uit 1907 niet meer past bij de tegenwoordige tijd. Het kabinet werkt daarom aan nieuwe wet- en regelgeving, zodat de Wet DBA op 1 januari 2021 in kan gaan.

Tot nu toe werd dus nauwelijks gehandhaafd, maar vanaf deze maand komt de Belastingdienst weer in actie. Als de fiscus een ondernemer als ‘kwaadwillend’ ziet, krijgt hij toch een boete. Hetzelfde geldt als iemand de aanwijzingen van de Belastingdienst niet opvolgt.

Wat betekent ‘kwaadwillend’?

Volgens de Belastingdienst ben je kwaadwillend als je ‘opzettelijk een situatie van evidente schijnzelfstandigheid laat ontstaan of voortbestaan omdat je weet – of had kunnen weten – dat er feitelijk sprake is van een dienstbetrekking’.

De inspecteur moet drie dingen bewijzen, voordat hij correctieverplichtingen of naheffingsaanslagen kan opleggen: een (fictieve) dienstbetrekking, evidente schijnzelfstandigheid en opzettelijke schijnzelfstandigheid.

Opzettelijke overtreding

Het feit dat er sprake is van schijnzelfstandigheid, is dus niet genoeg om een boete op te leggen. De fiscus moet bewijzen dat jij opzettelijk de wet overtreedt.

Als werken met zzp’ers onderdeel is van je snode plan om belasting te ontduiken, krijg je dus meteen een boete. Maar dat betekent niet dat je je geen zorgen hoeft te maken als de Belastingdienst geen opzet kan bewijzen.

Aanwijzingen opvolgen

Als de Belastingdienst ontdekt dat iemand als schijnzelfstandige voor je werkt, krijg je aanwijzingen om die situatie te verhelpen. De fiscus adviseert bijvoorbeeld de arbeidsrelatie met de zzp’er zo vorm geven dat je voldoet aan de wet. Een andere oplossing is de schijnzelfstandige in dienst nemen en de arbeidsrelatie als dienstbetrekking verwerken in je Belastingaangifte.

Daar geeft de Belastingdienst je drie maanden tijd voor. Heb je niets gedaan? Dan ben je dus ‘kwaadwillend’ en krijg je boetes en naheffingen.

Geplaatst in ZP en Politiek | Tags , , , , , | 1 Reactie

Recordaantal starters, vooral door startende parttime zzp’ers

Starters

De groei van het aantal starters komt vooral door startende parttime zzp’ers: 24% meer dan in de eerste drie kwartalen van vorig jaar, oftewel 7.163 meer. Er startten in de eerste negen maanden van 2019 in totaal 102.394 fulltime zzp’ers en 36.503 parttime zzp’ers. In totaal werden 171.249 nieuwe ondernemingen in de eerste negen maanden van 2019 ingeschreven in het Handelsregister.

Stoppers

Er stopte ook 1% meer ondernemers dan in eerste drie kwartalen van 2018. In totaal werden 92.117 ondernemingen in de eerste drie kwartalen van dit jaar uitgeschreven uit het Handelsregister. 51.036 van deze stoppers waren zzp’er en 15.523 parttime zzp’er.

Provincies

Flevoland (+7%) en Zuid-Holland (+7%) laten de grootste groei van het aantal ondernemingen zien in vergelijking met de eerste negen maanden van 2018. In Flevoland is sprake van 18% meer starters. Ook Overijssel springt eruit met 13% meer starters.

Nieuw recordaantal ondernemingen

Per saldo groeit het totaalaantal ondernemingen tussen 1 januari 2019 en 1 oktober 2019 met 4% tot een nieuw record van 1.980.231 ondernemingen.

 

Bron: KVK Bedrijvendynamiek

Geplaatst in ZP en Ondernemen | Tags , , | Laat een reactie achter

Deskundigenpanel: Politiek benadert flexibilisering arbeidsmarkt te defensief. Dat creëert onduidelijkheid.

Aan het begin van de zomer werd op de 23e verdieping van het hoofdkantoor van ABN AMRO de ZiParena gepresenteerd aan een zaal vol directieleden van bedrijven die actief zijn in de wereld van inhuur van werk. De ZiParena heeft tot doel het ‘landschap’ van leveranciers in kaart te brengen en te ontsluiten. Het ontwikkelen van de arena leidde tot interessante discussies, en dat was ook precies de bedoeling, zegt initiatiefnemer Hugo-Jan Ruts: “De ZiPArena zien wij als een dynamische omgeving, in de zin dat we in gezamenlijk debat kunnen komen tot aanscherping van domeinen/definities en dat we de ZiPArena ook van tijd tot tijd kunnen aanpassen aan de dynamische ontwikkelingen in de branche. Het aanjagen van die discussie over ontwikkelingen in de flexbranche is een belangrijke functie van de ZiPArena.  Wij zijn ervan overtuigd dat de branche én de opdrachtgever gebaat zijn bij zo’n overzicht én bij het debat, dat we met de ZiPArena willen aanmoedigen.”

De kosten die de Wet Arbeidsmarkt in Balans met zich meebrengt zijn voor kleinere partijen niet meer te dragen. Dat leidt tot consolidatie. (Han Mesters ABNAMRO)

Om eens verder te kijken naar dat dynamische landschap en naar de trends en ontwikkelingen die waar te nemen zijn aan leverancierszijde, gingen de betrokkenen van het eerste uur bij de lancering van de ZiPArena met elkaar in gesprek. Han Mesters (ABN AMRO) Rob de Laat en Tobias Taminiau (beiden IRIS Corporate Finance) en Hugo-Jan Ruts (ZiPconomy) waren het over één ding al snel eens: We bevinden ons in een markt die in het teken staat van consolidatie. “Het vinden van mensen in een schaarse markt wordt steeds duurder en de kosten die de Wet Arbeidsmarkt in Balans met zich meebrengt zijn straks voor kleinere partijen niet meer te dragen. Dit soort wetgeving leidt tot consolidatie. Consoliderende markten zijn aantrekkelijk voor beleggers omdat de marges toenemen bij consolidatie”, trapt Han Mesters af.

Bedrijven die zwakkere marges hebben, zoals payrollers, zijn genoodzaakt om in beweging te komen, constateren de gesprekspartners. Tobias Taminiau: “De WAB dwingt vooral ondernemers in de payroll om een antwoord te vinden op de vraag welke stappen ze moeten zetten: Stap ik er nu uit in de consolidatiegolf, of ga ik zelf vergroten of verbreden om in de toekomst sterk te staan? Je kunt omhoog of je kunt de breedte in, en misschien moet je het wel allebei doen, want de marges bij payroll zijn heel klein.”

Kansen zijn er genoeg, weet Taminiau: “Investeerders hebben enorme fondsen die ze niet kwijt kunnen. Het is onze ervaring dat een ondernemer die naar een investeerder gaat met een goed plan en een acquisitiemogelijkheid een goede pitch heeft.”

Ongewenste effecten

De wetgeving leidt vaker tot ongewenste bij-effecten, vinden de gespreksdeelnemers. Hugo-Jan Ruts: “Het idee dat in Den Haag leeft dat via wetgeving de behoefte van werkgevers en werkenden aan flex kan worden ingeperkt is een illusie. Je ziet juist steeds nieuwe constructies en businessmodellen ontstaan om aan die behoefte te voldoen. Die nieuwe constructies verdienen aan de ruis waarmee de nieuwe wetgeving gepaard gaat. Partijen worden uitgenodigd om het randje van de wet op te zoeken.” “Eens”, zegt Rob de Laat: “De meeste marges zitten in het grijze gebied. Niet werken conform de regels wordt het beste beloond.”

 We zitten politiek in de verkeerde hoek en dat leidt tot verkeerde wet- en regelgeving. (Rob de Laat, IRIS cf)

Die onduidelijkheid is te verklaren door het huidige politieke klimaat. De recente affaire rondom TCP en ING, die uiteindelijk leidde tot het failissement van de Nederlandse activiteiten van TCP, was wederom voer voor veel discussie over flex. Het Financieele Dagblad sprak van een ‘razendsnelle opmars van opportunistische flexmakelaars’. En de vakbonden FNV en CNV gebruikten de ‘maand van de Miljoenennota’ om nog even stevig hun piketpalen te slaan, waarbij aankomend CNV voorzitter Piet Fortuin het ‘aanpakken van de doorgeschoten flexibilisering’ op de arbeidsmarkt de voornaamste doelstelling van de bond noemde. Rob De Laat: “Je ziet dat flex heel erg naar voren wordt geschoven als zondebok voor alles. De perceptie van de politiek is dat de flexmarkt er is om werkgevers te helpen de bedoelingen van wet- en regelgeving te ontduiken, en niet dat flexkrachten er bewust voor kiezen om op die manier te werken.  De flexsector komt niet los van haar negatieve imago, ook al heeft men geen goede argumenten om dat imago te legitimeren. Kijk maar hoe minister Hoekstra onlangs op tv opeens flex erbij pakte als argument dat de koopkracht afneemt voor de middenlaag. Dat noem ik makkelijk scoren, want de zp’er kan zich slecht verdedigen. We zitten politiek in de verkeerde hoek en dat leidt tot verkeerde wet- en regelgeving. Dit komt ook doordat vertegenwoordigers van flex en de zp’er nog onvoldoende deel uitmaken van de polder. Beleidsmakers praten over nieuwe wetgeving met iedereen, behalve met degenen die het betreft.”

Kortom, zo vinden de deelnemers aan het gesprek, de politiek heeft onvoldoende feeling met de praktijk. “Vast of niet vast is helemaal geen thema bij jongeren”, zegt Tobias Taminiau. Hugo-Jan Ruts: “Uit onderzoek van de Intelligence Group blijkt dat 22 procent van de mensen met een vaste baan aangeeft misschien als zelfstandige te willen gaan werken. Meer dan de helft van die groep is onder de 35 jaar.”

Han Mesters vult aan: “Het verloop van trainees bij grote bedrijven was altijd al hoog maar begint nu toch zorgwekkend te worden. Dat is een van de redenen dat wij gestopt zijn met het algemene traineeprogramma binnen de bank. Door de schaarste aan mensen hebben wij de dominantie van de contractvorm losgelaten. Veel professionals willen helemaal niet in vaste dienst. Het gaat erom de beschikking te krijgen over competenties van mensen.” Rob de Laat: “De politiek kijkt te veel naar zp als ondernemerschapsvorm, maar de praktijk is dat veel zp’ers daar helemaal niet mee bezig zijn en eenvoudigweg denken ‘Ik ga van opdracht naar opdracht’. Ze koppelen inspanning aan inkomsten en dat is het.”

Steeds afhankelijker van zp’er

Bij een negatieve benadering van flex negeert de de politiek nog een andere heel relevante ontwikkeling, benadrukt Han Mesters: “Ik merk in mijn eigen bedrijf dat we voor onze continuïteit steeds afhankelijker worden van hoogopgeleide zp’ers. Grote bedrijven zitten nog erg op KPI’s en exploitation, maar we hebben steeds meer exploration nodig en daarin spelen zp’ers een belangrijke rol. Je ziet ook dat de levensduur van bedrijven steeds korter wordt. Die is nu gemiddeld 18 jaar. Ook dat maakt de noodzaak voor die exploration-kant groter.”

Je ziet bij veel grote corporates dat er gewoon geen ondernemerschap zit in de vaste kern (Tobias Taminiau IRIS cf)

Tobias Taminiau: “Je ziet bij veel grote corporates dat er gewoon geen ondernemerschap zit in de vaste kern.” Rob de Laat: “Als je Europa vergelijkt met Azië, dan is bij ons de druk om er een groot succes van te maken veel lager. Je hebt vrije geesten nodig om tot vooruitgang te komen. Het inbedden van mensen in structuren en alles erop richten om iedereen in een vast systeem te krijgen leidt niet tot verbetering. Nieuwe verdienmodellen hebben wél kans, omdat ze werken met andere margemodellen. Door Kunstmatige Intelligentie en automatisering kun je heel snel een bedreigend low cost-businessmodel opzetten. De grote spelers kunnen die transitie niet maken. Dat geldt ook binnen flex.”

Durf als politiek gewoon stelling te nemen en maak heldere regels, in plaats van iedereen te laten meepraten (Rob de Laat, IRIS cf)

Han Mesters: “Eens. Als ik kijk naar het landschap zie ik dat kleinschaligheid belangrijker wordt.  Antropoloog Robin Dunbar zegt: Je kunt maar met 150 mensen een persoonlijke verbinding aangaan, dus de vraag is hoe die grote onpersoonlijke organisaties de draai kunnen maken naar een cultuur waar de menselijk maat weer centraal komt te staan. In die nieuwe organisatie is de externe en interne bemensing geïntegreerd. Iedereen is onderdeel van het team, het maakt niks uit of je externe of interne bent. Je krijgt allemaal dat kerstpakket”

Wat moet de politiek doen?

Even resumeren: Het bedrijfsleven en de relatie tussen werkgever en werkende verandert. We zien consolidatie, maar op lange termijn ook een trend naar kleinschaligheid én een toenemende onmisbaarheid van de ‘slimme’ zp’er. De politiek onderkent die ontwikkelingen onvoldoende en benadert de flexibilisering van de arbeidsmarkt veel te defensief. Zij creëert met nieuwe wetgeving eerder onduidelijkheid dan een helder ondernemersklimaat. Dat is geen erg optimistisch beeld. Wat zou er op politiek niveau moeten gebeuren om nieuwe dynamiek wél een kans te geven? “Het belangrijkste is: duidelijkheid” vindt Rob de Laat: “Als wet- en regelgeving en de bijbehorende handhaving duidelijk zijn, kun je zeggen ‘Zij voldoen niet aan de wet’. Nu is het nog veel te vaak een gevoel, en blijkt alles bij wettelijk toetsing wel mee te vallen. Kijk naar een voorbeeld als Helpling, daar zie je dat de rechter altijd milder oordeelt. Zolang de politiek niet zorgt voor heldere wetten blijft het lastig. Durf gewoon stelling te nemen en maak heldere regels, in plaats van iedereen te laten meepraten. Zeg bijvoorbeeld: We vinden dat iedereen met een verplichte basisverzekering moet bijdragen aan het sociale stelsel. Je moet ergens durven beginnen.”

Hugo-Jan Ruts: “De minister van Sociale Zaken in België is een liberaal zoals de VVD hier; zij pleit erg voor een gelijk sociaal stelsel voor alle werkenden vanuit het argument: Pas als de basis gelijk is kun je in gelijkheid een keuze maken of je werknemer of ondernemer wilt zijn. Heel Den Haag en alle zzp-organisaties willen dat eigenlijk ook allemaal. Ze willen allemaal een soort basisverzekering voor alle werkenden. Ik ken niemand die daar tegen is.”

 


Nieuw: De ZiPArena

Bovenstaand gesprek kwam voort uit de discussies die voorafgingen aan de ontwikkeling van de ZiPArena, die ZiPconomy samen met Founding Partner IRIS CF ontwikkelde. De ZiPArena is een overzicht van 311 leveranciers die actief zijn in de wereld van (het organiseren van) externe arbeid. Naast een visuele presentatie van alle leveranciers per categorie bevat de ZiPArena een grote, doorzoekbare database.

De ZiPArena vind je hier.


 

Geplaatst in Toekomst van Werk | Tags , , , | Laat een reactie achter

Een strategische rol voor externe inhuur: zo pakt Shell het aan

Tijdens de vorige week in Amsterdam gehouden internationale conferentie ProcureCon was er één duidelijke trend: total talent management. Een meer geïntegreerde benadering in het aantrekken van talent is waar zo ongeveer elke HR/procurement professional naar streeft. Sprekend praktijkvoorbeeld hiervan presenteerde Alex de Jager, general manager central procurement contingent workforce bij Shell.

Energietransitie

Naast 80.000 vaste medewerkers heeft Shell een aanzienlijke flexschil van circa 25.000 mensen. Het juiste talent van buiten aantrekken is ook voor Shell een grote uitdaging. Niet alleen is het vinden van white collar freelancers in deze tijd van schaarste op de arbeidsmarkt heel lastig, er zijn ook nieuwe, andere competenties nodig dan voorheen, legt De Jager uit. “Wij zitten als Shell in de energietransitie, dat vraagt ook om mensen met kwaliteiten om in die nieuwe energiesectoren te kunnen werken. Dat zijn andere competenties dan de mensen die op een boorplatform werken.”

‘Go’ van de board

Ook de top van Shell zag blijkbaar het belang in van het kunnen blijven aantrekken van het juiste (externe) talent in de concurrerende arbeidsmarkt. En dus kreeg De Jager anderhalf jaar geleden een ‘go’ van de board om te starten met het contingent workforce improvement programme. Dit moet leiden tot ‘meer dynamiek in resourceplanning’ waardoor nieuw talent wordt aangeboord en waarbij externe inhuur vast onderdeel wordt van de geïntegreerde, lange termijn personeelsplanning.

Competenties in kaart brengen

Aan De Jager de taak om dit wereldwijd binnen Shell te implementeren. Dat begint volgens hem met het in kaart brengen van benodigde competenties in plaats van kijken naar van traditionele functies. Hiervoor is een task force aangesteld: multidisciplinaire teams waarin HR, finance en procurement zijn vertegenwoordigd en waar intensief wordt samengewerkt met inhuurleveranciers. “Was de relatie met leveranciers van extern personeel voorheen vooral transactioneel, nu werken we echt samen en denken zij mee over toekomstige competenties die nodig zijn binnen ons bedrijf.”

Data beter benutten

Opvallend is dat voor het implementeren van het contingent workforce improvement programme niet eens grote investeringen in IT nodig zijn geweest, legt De Jager uit. “Het platform hiervoor bestaat al langer, maar was tot dusver niet als geïntegreerde toepassing gebruikt binnen Shell.” Uit het bestaande VMS (Beeline) is al heel veel data te halen. De kunst is die data goed te ontsluiten en te gebruiken. En hiervoor was vooral een andere interne benadering nodig, legt De Jager uit. “De focus ligt veel minder op kosten, meer op opbrengsten. Voorheen was externe inhuur ook bij ons vooral kostengedreven, maar de beschikbare data van HR procurement wordt nu veel meer ingezet om de kwaliteit te verbeteren, om de juiste mensen met de juiste competenties te vinden.”

Mission impossible

Wat volgens De Jager begon als ‘een mission impossible’- interne veranderingen doorvoeren vergt een hoop tijd en energie – staat nu in de stijgers. “We zijn er nog niet, maar het programma staat en de eerste resultaten zijn er.”
Voor de wereldwijde implementatie hanteert Shell een follow the money-benadering. “We implementeren dit eerst in de landen waar het meeste ‘winst’ te behalen valt. Die landen krijgen prioriteiten en vervolgens rollen we het uit naar andere landen.”
In die landen waar het contingent workforce improvement programme loopt, is men volgens De Jager beter in staat in te schatten welk competenties op lange termijn nodig zijn en hoe de lange termijn personeelsplanning (vast en flex) er dus uitziet. In de geïntegreerde workforce planning heeft dus ook de externe inhuur een strategische rol gekregen.

Volgende stap is volgens hem het opzetten van een portal waarbij op basis van de data-analyses uit het VMS recruiters een keuze maken voor de manier waarop de personeelsvraag wordt ingevuld, vast of flex, inclusief afweging of functies tijdelijk ingevuld moeten worden, of via andere contractvormen.

Geen MSP

Overigens werkt Shell niet met een MSP, maar heeft het haar eigen Contracting Service Desk opgezet. De Jager: “Wij dachten ‘we zijn groot genoeg, dat kunnen we zelf wel’. We hebben geen MSP nodig.” En natuurlijk heeft een bedrijf als Shell de nodige inkoopmacht, maar de hele externe inhuur zelf in house opzetten viel nogal tegen, geeft De Jager toe. “Dat was een lange weg, waarbij we heel veel zelf hebben moeten leren. Als we nu opnieuw hadden kunnen kiezen hadden we misschien wel een MSP ingeschakeld. Maar met onze eigen Contracting Service Desk zijn we nu in staat om goed in te spelen op lokale wensen binnen een wereldwijd programma.”

Geplaatst in Toekomst van Werk | Tags , | Laat een reactie achter

Van Boefje tot Gouden Kooi : het ‘wezenlijk onderdeel’ criterium in de rechtspraak

Bij de vraag of sprake is van een arbeidsovereenkomst of een overeenkomst van opdracht staat veelal ter discussie of de arbeid in dienstbetrekking wordt verricht, dat wil zeggen onder gezag van de werkgever.[1] Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep is er eerder sprake van werk in dienstbetrekking als iemand werkzaamheden verricht die een wezenlijk onderdeel uitmaken van de bedrijfsvoering van de organisatie voor wie wordt gewerkt. Deze rechtspraak heeft zijn weg gevonden in gezamenlijke beleidsregels van UWV en de Belastingdienst over beoordeling verzekeringsplicht werknemersverzekeringen. De laatste versie van deze beleidsregels is vastgelegd in een bijlage bij het Handboek loonheffingen. Zoals al eerder opgemerkt op dit platform is dit geen nieuw beleid.

Nu het begrip ‘wezenlijk onderdeel’ opgenomen is in dit beleidsbesluit zal het ook opgenomen worden in de aangekondigde webmodule waarmee opdrachtgevers kunnen nagaan of iemand buiten dienstbetrekking werkt. Omdat dit begrip stamt uit de rechtspraak op het gebied van sociale verzekeringen kan het fiscalisten en arbeidsrechtjuristen worden vergeven dat men niet echt bekend is met dit criterium. In deze bijdrage zal ik verdedigen dat de ‘wezenlijk onderdeel’ regel past in het juridisch kader van de Hoge Raad, en zal ik aanvoeren dat de Hoge Raad deze regel zelf ook toepast als een algemene ervaringsregel. Om te beginnen zal ik uiteenzetten wat het begrip ‘wezenlijk onderdeel’ inhoudt en hoe het werkt in de rechtspraak.

Rozen en orchideeën: tijdelijke hulpkrachten van belang

De rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep over het begrip wezenlijk onderdeel gaat terug tot in de jaren ’80 van de vorige eeuw. Zij kwam in eerste instantie op bij de beoordeling van tijdelijk, incidenteel werk in de agrarische sector. Als beoordeeld moet worden of in een bepaalde arbeidsverhouding sprake is van werkgeversgezag stelt de CRvB de vraag: hoe belangrijk is dat werk?

In een uitspraak van 22 februari 1989 ging het om orchideeënkwekers. Een bedrijf bood orchideeën als verpakt eindproduct aan op de markt en maakte gebruik van gelegenheidsmedewerkers voor het voorbereidende- en inpakwerk. De Raad overwoog dat gelet op zowel de aard van het product als de wijze en omvang van bedrijfsvoering niet gezegd worden dat deze werkzaamheden geen wezenlijk onderdeel vormen van de bedrijfsvoering.[2]  Ook als het gaat om het planten van de rozenstruiken voor een rozenkweker is de Raad van oordeel dat het gaat om een wezenlijk onderdeel van de bedrijfsvoering.[3]

Wezenlijk voor bedrijfsdoeleinden

De vraag of werk ‘wezenlijk’ is, is gelet op de oorsprong (beoordelen van incidenteel werk) op verschillende manieren te interpreteren. Ruim uitgelegd houdt dit in dat de werknemer/opdrachtnemer een niet gering aantal uren aan het werk is voor de werkgever/opdrachtgever. Zo werd het begrip uitgelegd in een uitspraak van 17 februari 2000 over een adviseur van een drankenhandel.[4] Maar zo beschouwd legt het weinig gewicht in de schaal. De betrokkene in deze zaak adviseerde de directie over de inkoop van wijnen, maar kocht deze niet namens het bedrijf in. Er werd hier geen gezagsrelatie aangenomen.

In het voorbeeld van de rozenkweker overwoog de CRvB nadrukkelijk dat het niet van belang was dat het platen van rozen incidenteel van aard is. Gekeken moet worden of het werk bijdraagt aan de verwezenlijking van de bedrijfsdoeleinden of, nog strikter, behoort tot de kernactiviteiten van de organisatie. Zo oordeelde de Raad in een zaak over freelance geluidstechnici dat het werk van deze geluidstechnici onderdeel vormde van de kerntaken van het bedrijf, een geluidsstudio annex platenmaatschappij. De opdrachtgever bleef zelf tegenover de klant verantwoordelijk voor de kwaliteit van het eindproduct.[5]

De vraag die de Centrale Raad hier voorlegt aan de opdrachtgever is de volgende: moet ik nu werkelijk aannemen dat u dit werk dat zo belangrijk is voor uw bedrijfsresultaten voor rekening en risico van een ander laat uitvoeren en de uitvoering geheel aan de werkende overlaat?  Die vraag is nog steeds actueel in een tijd waarin werk wordt opgeknipt en uitbesteed aan andere partijen.

Van pizzabezorgers, verkoopsters en vlieginstructeurs: waartoe zijn wij op aarde?

Voorbeelden van dergelijke redeneringen zien we in een uitspraak van 4 januari 2001,[6] waarin de Raad opmerkt dat in geval van verkoopsters die door een kledingzaak werden ingehuurd om de nieuwe collecties te showen en te verkopen, sprake is van wezenlijke commerciële activiteiten die noodzakelijk zijn voor het voortbestaan van het bedrijf. Een ander voorbeeld is een uitspraak over vlieginstructeurs,[7] waarbij de Raad overweegt dat het doel van het bedrijf van de opdrachtgever is “het organiseren van vliegonderricht ter verkrijging van een vliegbrevet.” Een klassieker is de uitspraak over de pizzabezorgers : “Niet reëel voorstelbaar is dat er geen gezagsverhouding tussen appellante en de bezorgers zou bestaan, omdat het bezorgen van de etenswaren een structureel en zeer wezenlijk onderdeel van de bedrijfsvoering van een afhaal- en bezorgpizzeria vormt.” [8]

Daarbij lijkt het dus erop aan te komen in welke mate de werkzaamheden bijdragen aan de resultaten van de organisatie die de werkenden inhuurt. In geval van een masseur die in een sauna werkt werd niet aangenomen dat er sprake was van verzekeringsplicht.[9] Hoewel de massages wel ertoe bijdragen dat de sauna aantrekkelijk is voor klanten, is het bieden van massages niet de hoofdtaak van de sauna.[10] Het gaat er dus om: waartoe is mijn bedrijf op aarde, en in welke mate zorgt deze arbeidskracht voor de verwezenlijking daarvan?

Aanwijzingen over het wat en hoe

Naarmate het werk essentiëler is voor de werkverschaffer, hoe eerder moet worden aangenomen dat hij hierover aanwijzingen en instructies zal geven. Die aanwijzingen en instructies zien dan niet alleen op het resultaat, maar op de manier waarop het werk wordt uitgevoerd. In het voorbeeld van de vlieginstructeurs zal –  net als bij vele professionals  – degene die het werk doet, veelal zelf goed weten waar hij mee bezig is en hoeft de werkgever hem niet op de vingers te kijken. Als aanwijzingen slechts betrekking hebben op de uiteindelijk te leveren prestatie, zoals in het ‘fotomodellenarrest’’[11] kan er nog sprake kan zijn van een overeenkomst van opdracht. Bij een arbeidsovereenkomst worden de werkzaamheden onder de auspiciën van de werkgever verricht, die eindverantwoordelijk is voor de uitvoering. Die  zal de werknemer daarom zo nodig kunnen aanspreken op de wijze waarop het werk wordt verricht.

Illustratief is een uitspraak van het Hof Arnhem van 15 april 2004 over telefonisch verkopers van krantenabonnementen.[12] De overwegingen van het Hof in deze zaak zijn vergelijkbaar met die in de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep. Voor de exploitant van een dagblad is het van levensbelang het aantal abonnees op het blad te behouden en zo mogelijk te vergroten. Het werk is wezenlijk voor het dagblad. Dit brengt mee dat die exploitant er naar streeft om personen voor een (proef-)abonnement te benaderen die speciaal zijn geselecteerd en dat die worden benaderd op een vooraf goed doordachte wijze. Het Hof overweegt daarin dat in dit geval de aanwijzingen zien op de uitvoering van de werkzaamheden zelf, zoals bijvoorbeeld de consistentie in de afhandeling van klachten, zodat kan worden aangenomen dat er een gezagsverhouding is.

In de rechtspraak en literatuur wordt doorgaans een onderscheid gemaakt tussen materieel gezag (instructies over het resultaat en de inhoud van de werkzaamheden) en een formeel gezag (het organisatorisch kader). Bij het begrip wezenlijk onderdeel van de bedrijfsvoering gaat het om dat formele gezagsbegrip. Dat aanwijzingen worden gegeven over wat er moet gebeuren, ligt voor de hand. Maar omdat het werk zo essentieel is voor de werkverschaffer, is ook aannemelijk dat het werk wordt uitgevoerd binnen een organisatorisch kader van diens bedrijf of organisatie.

De holistische weging

Nu is het niet zo, dat als de werkzaamheden een wezenlijk onderdeel vormen van de bedrijfsvoering, er daarmee altijd sprake is van een gezagsrelatie. In een uitspraak van 19 september 2002 overweegt de CRvB dat de werkzaamheden van een medisch adviseur een  wezenlijk onderdeel vormen van de organisatie van de verzekeringsmaatschappij. Dit kan een aanwijzing vormen voor het bestaan van een gezagsverhouding, maar dit betekent niet dat bij gebreke van andere aanwijzingen deze gezagsverhouding ook is gegeven. [13] In een uitspraak over de verzekeringsplicht van een tolk bij de IND wordt overwogen dat het gegeven dat werkzaamheden essentieel zijn voor de IND, wel een aanwijzing vormt voor een gezagsrelatie, maar niet beslissend is.[14] Al in de ‘rozenstruiken’ uitspraak van 1995 stelt de Raad voorop dat het ‘wezenlijk onderdeel van de bedrijfsvoering’ slechts één van de criteria is voor het aannemen van een gezagsverhouding. Het gaat om het geheel van de  omstandigheden.[15]

Zo bezien past het element keurig in het beoordelingskader dat de Hoge Raad heeft gedefinieerd voor het vaststellen van de aard van de overeenkomst. In het arrest Groen/Schoevers stelt de Hoge Raad dat bij een arbeidsrelatie wat tussen partijen heeft te gelden wordt bepaald door hetgeen hun bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stond, mede in aanmerking genomen de wijze waarop zij feitelijk aan de overeenkomst uitvoering hebben gegeven en aldus daaraan inhoud hebben gegeven. Daarbij is niet één enkel kenmerk beslissend, maar de verschillende rechten en plichten die partijen aan hun verhouding hebben verbonden moeten in hun onderling verband worden bezien. Er moet dus op alle omstandigheden van het geval moet worden gelet.[16] Volgens het Groen/Schoevers maatstaf moeten aspecten als de aard van de werkzaamheden en de inbedding in de organisatie worden betrokken bij de vraag of sprake is van een arbeidsovereenkomst. Bij het wezenlijk onderdeel criterium gaat het uiteindelijk om deze aspecten.

‘Slechts ‘ de Centrale Raad van Beroep ?

Rest de vraag waarom dit criterium niet voorkomt in de rechtspraak van de Hoge Raad. Boris Emmerig kwam bij een zoekopdracht op Rechtspraak.nl het begrip tegen in enkele Hof uitspraken, maar niet bij de Hoge Raad. Niet verrassend wel bij de Centrale Raad van Beroep, maar zo stelt Emmerig, dat is niet de hoogste rechter in deze.[17]

Laat ik om te beginnen een lans breken voor de Centrale Raad van Beroep. Men moet bedenken dat tot de invoering van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv) in 2006 de bedrijfsverenigingen en hun opvolgers (en uiteindelijk het UWV) zelf verantwoordelijk waren voor het vaststellen en innen van premies voor de verzekeringen die ze uitvoerden. Dat maakte dat de CRvB de hoogste rechter was in geschillen over zowel premie- als verzekeringsplicht. Sinds 2006 gaat de Belastingdienst (en daarmee: de Hoge Raad) over de premieplicht van de werkgever en het UWV (en daarmee: de Centrale Raad van Beroep) over de verzekeringsplicht van de werknemer. Tot de invoering van de Wfsv was het niet mogelijk om in cassatie te gaan tegen uitspraken van de CRvB over verzekeringsplicht. Bij de invoering van de Wfsv is in de verschillende SV wetten een mogelijkheid tot cassatie  opgenomen: zie bijvoorbeeld art. 129d Werkloosheidswet. Die bevoegdheid is dus tamelijk vers en verder ook nog beperkt. De Hoge Raad kan zich niet uitlaten over het vaststellen van feiten en motiveringsklachten. Het is dus niet zo gek dat de Hoge Raad zich nooit heeft uitgesproken over deze oordelen van de Centrale Raad van Beroep. Overigens hebben we aan art. 129d WW de belangrijke Gouden Kooi uitspraak te danken, waarin de belastingkamer van de Hoge Raad een uitspraak van de CRvB bevestigt en uitspreekt dat in alle zaken (civiel, fiscaal, sociale zekerheid) hetzelfde Groen/Schoevers criterium geldt.[18] 

Wezenlijk belang in rechtspraak Hoge Raad

In dat Gouden Kooi arrest wordt meegewogen dat de arbeid die betrokkene verricht van wezenlijk belang is voor de opdrachtgever. Eenzelfde overweging zien we in het Beurspromovendi arrest.[19] Toegegeven, in die zaken speelde het element bij de beantwoording van de vraag of er sprake was van productieve arbeid, en niet zozeer of er sprake was van gezag. Maar als de rechtspraak van de Hoge Raad ons iets heeft geleerd is dat we niet moeten denken in vakjes die worden afgevinkt. Alles moet in onderlinge samenhang worden bezien. Zo corrigeerde de Hoge Raad het Hof Amsterdam toen dat alleen naar gezag had gekeken, omdat niet in geschil zou zijn dat aan de overige elementen (arbeid en loon) van de arbeidsovereenkomst was voldaan. Een gescheiden beoordeling van de verschillende elementen verdraagt zich niet met de maatstaf voor de beoordeling of sprake is van een arbeidsovereenkomst.[20] Het is kortom niet goed voorstelbaar dat de Hoge Raad bij de beoordeling van het element arbeid zelf laat meewegen dat het werk essentieel is voor de opdrachtgever, maar zijn neus ervoor zou ophalen als ditzelfde criterium wordt meegewogen bij het gezagselement.

Regel over wezenlijk onderdeel is een ervaringsregel

Tot slot is het goed stil te staan bij het karakter van overwegingen van de rechter over het begrip wezenlijk onderdeel van de bedrijfsvoering. Tekenend is dat het Hof Arnhem in de uitspraak over de telefonisch verkopers spreekt over een feit van algemene bekendheid. In essentie past de rechter hier een ervaringsregel toe. Het gaat dan niet om een rechtsregel maar om een voorspelling hoe mensen zich in het algemeen gedragen, een wetmatigheid gebaseerd op ervaringen. In cassatie zal de Hoge Raad een oordeel dat is gebaseerd op een ervaringsregel doorgaans respecteren. Ook kan de Hoge Raad zelf ervaringsregels toepassen.[21] Dat deed de Hoge Raad in een arrest over de uitleg van een overeenkomst tussen een toneelgezelschap en een actrice die in het toneelstuk “Boefje” speelt. [22]

Uitsmijter: arrest Boefje

Ik sluit af met het arrest Boefje uit 1949, waarin de Hoge Raad een algemene ervaringsregel gebruikt die toch wel erg veel weg heeft van de “wezenlijk onderdeel” regel, ook al neemt de Hoge Raad dat begrip niet in de mond. De Hoge Raad is van oordeel dat een gezagsverhouding aanwezig is, zodat sprake is van een arbeidsovereenkomst. De Hoge Raad overwoog namelijk dat wil de prestatie die van de actrice is bedongen behoorlijk verricht worden, 

 “het toneelgezelschap er op moet kunnen rekenen, dat de artiste zal naleven de opdrachten en aanwijzingen haar van zijnentwege te geven, zo wat betreft het tijdstip waarop, de plaats, waar, en den tijd gedurende welken, telkens door haar aan een repetitie of een opvoering van het toneelstuk zal worden deelgenomen, alsmede wat betreft de wijze waarop haar rol vertolkt zal worden als onderdeel van de opvoering van het toneelstuk in zijn geheel, en de kostumes en dergelijke; dat daarom de aard van een overeenkomst als de onderhavige, in verband met de eisen van goede trouw en redelijkheid, voor het toneelgezelschap medebrengt het recht om dergelijke opdrachten en aanwijzingen met betrekking tot den arbeid door de actrice te verrichten, te geven, en voor de actrice de verplichting om deze opdrachten en aanwijzingen op te volgen

In een notendop wordt het wezenlijk onderdeel criterium samengevat. De aard van het werk brengt mee dat bij een uitleg van de overeenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid het toneelgezelschap gezag zal kunnen uitoefenen.

[1] Om te stellen dat iemand werkt op basis van een arbeidsovereenkomst(7:610 BW)  gaat het erom of voldaan wordt aan drie criteria: een gezagsverhouding tussen werkgever en werknemer, een verplichting tot persoonlijke dienstverrichting en een verplichting tot loonbetaling.

[2] RSV 1989/244.

[3] CRvB 11 september 1995, RSV 1996/73.

[4] ECLI:NL:CRVB:2000: ZB8664, RSV 2000/70.

[5] ECLI:NL:CRVB:2005:AT2952

[6] RSV 2001/67

[7] CRvB 16 augustus 1995, RSV 1996/57

[8] CRVB 21 december 1994, RSV 1995/170

[9]  CRVB 18 februari 1999, RSV 1999/152

[10] A.C. Damsteegt,  aantekening D.101.9.1 in Cremers-Hartman & De Casparis, Flexibele arbeidsrelaties

[11] HR 18 december 1991,  BNB 1992/78

[12] ECLI:NL:GHARN:2004:AO8710

[13] ECLI:NL:CRVB: 2002:AE8717

[14] CRvB 21 februari 2008, ECLI:NL:CRVB:2008: BC4932

[15] CRvB 11 september 1995, RSV 1996/73

[16] HR 14 november 1997, NJ 1998/149 (Groen/Schoevers); HR 10 oktober 2003, ECLI:NL:HR 2003: AF9444 (Van der Male/Den Hoedt).

[17] https://www.zipconomy.nl/2019/09/zper-inzetten-bij-wezenlijk-onderdeel-van-bedrijfsvoering-kan-dat-straks-nog-wel-twijfels-aan-uitleg-belastingdienst/

[18] HR 25 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP3887 (Gouden Kooi).

[19] HR 14-04-2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9722.

[20] HR 17 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8926

[21] Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 2015/ 166-168. [22] HR 11 november 1949, NJ 1950, 140 (Boefje). Voor een ander voorbeeld zie de conclusie van A-G Jörg bij HR 6 maart 2001, NJ 2001, 295  die overweegt dat de vraag naar gezagsrelatie ongemakkelijk te beantwoorden is als werkzaamheden een ‘corpus alienum’ zouden vormen binnen de bedrijfsvoering, en eenvoudiger als het gaat om werkzaamheden die een wezenlijk onderdeel vormen van de bedrijfsvoering.

Geplaatst in ZP en Politiek | Tags , , , , , | 4s Reacties