"Exploring the future of work & the freelance economy"
SLUIT MENU

Waarom de Zelfstandigenwet ook over zzp-tarieven moet gaan

Wie beschermt de zzp’er tegen te lage tarieven? In het debat over de Zelfstandigenwet gaat veel aandacht uit naar juridische status en zekerheid voor de opdrachtgever. Volgens Wilmar Dik ontbreekt juist het belangrijkste onderdeel: een financiële ondergrens voor zelfstandig werk.

De discussie over de Zelfstandigenwet gaat vooral over status. Maar voor een echte zzp’er zou dat helemaal niet zo relevant hoeven zijn. Volgens mij willen echte zzp’ers vooral hard werken en daarmee een goede boterham verdienen. Alleen: of je die goede boterham kunt verdienen, hangt nog steeds sterk af van de sector waarin je werkt.

Opdrachtgevers en zzp’ers zijn niet geholpen met jarenlange onzekerheid, onduidelijke criteria en opdrachtgevers die uit angst voor handhaving stoppen met het inhuren van zelfstandigen. Of handhaving als drukmiddel gebruiken om te proberen de zzp’er weer in loondienst te krijgen. Helaas was dat de afgelopen jaren wel de realiteit. Ik krijg daarom steeds meer het idee dat de huidige situatie ook het resultaat van beleid is.

Beleid wordt gevormd door belangen

Er zijn veel partijen die opkomen, of zeggen op te komen, voor de belangen van zzp’ers. Er wordt ook veel geschreven over de arbeidsmarkt en hervormingen. Maar beleid ontstaat uiteindelijk niet vanzelf. Het wordt gevormd door belangen.

Dat zie je ook terug in het voorstel van Vereniging Zelfstandigen Nederland (VZN) voor de nieuwe Zelfstandigenwet. Daarin staat een eigen status voor zelfstandigen centraal. Ik hoor al jaren dat de zzp’er ‘op de kaart’ moet worden gezet en in wetgeving moet worden verankerd. Maar is een status of contractvorm echt zo belangrijk om het daar jaren over te hebben?

Het VZN-voorstel is naar mijn idee niet bepaald gunstig voor de zzp’er aan de onderkant. Opdrachtgevers krijgen bij bepaalde voorwaarden een safe harbour. Maar mocht daar iets misgaan, dan draagt de zzp’er de financiële risico’s. Ook pleit VZN ervoor om werken via een rooster, wat nu gewoon mag, lastiger te maken. VZN noemt dat een werkbare oplossing voor zelfstandigen en opdrachtgevers.

Als beleid wordt gemaakt vanuit dit soort ideeën, is het niet heel vreemd dat we zijn beland waar we nu zijn. De trein om veel zzp’ers terug in loondienst te duwen is in volle vaart en rolt lekker door.

Een status is nog geen bescherming

VZN zegt de bescherming aan de onderkant te willen regelen via drie harde sporen: het uurtarief-rechtsvermoeden, sectorale regels bij aangetoond misbruik en ruimte voor collectieve afspraken. Dat klinkt stevig, maar in de praktijk biedt het weinig zekerheid aan de zelfstandige die zelfstandig wil blijven en structureel te weinig verdient. Daar schreef ik al eerder over.

Het rechtsvermoeden helpt vooral de werkende die wil stellen dat hij eigenlijk werknemer is. Maar de meeste zzp’ers willen die kant helemaal niet op. Ben je een echte zzp’er aan de onderkant, dan wil je zelfstandig blijven en kunnen werken tegen voorwaarden waarvan je kunt leven.

Ook de omschrijving ‘sectorale regels bij aangetoond misbruik’ klinkt minder hard dan het lijkt. Want wie bepaalt wat misbruik is en wanneer dat voldoende is aangetoond? Hoelang moeten zelfstandigen onder de kostprijs werken voordat de politiek of de polder erkent dat er iets misgaat? Bovendien: sectorale afspraken mogen al sinds 2022 gemaakt worden, en ook bij niet-aangetoond misbruik. VZN pleit daarmee voor scherpere regels dan wat nu al Europees mogelijk is. Voor wie kom je dan op?

Het ontbrekende onderdeel: een financiële ondergrens

Een opvallend punt aan het VZN-voorstel is dat juist het uurtarief bewust buiten de zelfstandigentoets én buiten de safe harbour wordt gehouden. Volgens VZN kan iemand ook tegen een laag tarief ondernemer zijn en zou een tariefgrens zelfstandigen ten onrechte buiten het ondernemerschap plaatsen.

Een laag tarief maakt een zzp’er niet automatisch werknemer. Maar een structureel laag tarief zegt wel iets over de economische werkelijkheid waarin een zzp’er werkt. Een zelfstandige die onvoldoende kan reserveren voor pensioen, arbeidsongeschiktheid, scholing, ziekte, administratie en ondernemersrisico, is misschien formeel ondernemer, maar economisch zeer kwetsbaar. 

Juist dat gegeven zou je niet buiten de wet moeten houden. Zolang je geen goed berekende ondergrens hebt, wegen de belangen van partijen die profiteren van lage tarieven blijkbaar zwaarder dan het belang om echte bescherming aan de onderkant te organiseren.

In de praktijk zie je dan dat mensen spaargeld of een lening gebruiken om als zzp’er te starten. Kies je een sector met een matig verdienmodel, dan is dat geld na een bepaalde tijd op en kunnen ze weer op zoek naar een baan in loondienst. Dat heeft negatieve gevolgen voor de zzp’er zelf, maar ook voor de markt: burn-outs, uitstroom en prijsconcurrentie waardoor ook andere zzp’ers het moeilijker krijgen.

Ik pleit niet voor gegarandeerd hoge tarieven. Ik pleit voor een absolute ondergrens, zodat als je voldoende waarde aan je dienst kunt toevoegen en genoeg betaalde klussen krijgt als zzp’er, je ook een reële kans hebt om daarvan rond te komen.

Nederland kent sinds 1969 een wettelijk minimumloon

De Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag werd ingevoerd om werknemers een minimumloon en minimumvakantiebijslag te verzekeren die, gezien de algemene welvaartssituatie, als sociaal aanvaardbare tegenprestatie voor arbeid konden worden beschouwd. Blijkbaar vonden we het in 1969 al nodig om een financiële ondergrens te regelen voor mensen die werken. Waarom zouden we dan 57 jaar later nog steeds doen alsof mensen die via een andere contractvorm werken geen vergelijkbare bescherming aan de onderkant nodig hebben? Terwijl iedereen al lang weet dat zzp’ers meer dan twee keer zoveel kans hebben om in armoede te belanden als iemand in loondienst.

Wie komt voor welke zzp’er op?

De belangen van iedereen die over zzp’ers praat, zijn niet automatisch dezelfde. Een opdrachtgever, vakbond, platform, intermediair of belangenorganisatie kijkt vaak vanuit een andere positie naar dezelfde markt. En ook binnen de zzp-markt zijn de verschillen groot. Een goedbetaalde zelfstandige heeft andere uitdagingen dan een zzp’er in een sector waar tarieven laag zijn en opdrachtgevers veel macht hebben. Het maakt dus uit wie opkomt voor de belangen van een zzp’er. Zelfs als bijvoorbeeld FNV betrokken is om belangen te behartigen, wil dat nog niet zeggen dat er ook echt tarieven komen waar een zzp’er van rond kan komen.

Vorige maand schreef ik over de Ketentafel AV/Film, waar starttarieven van €29,16 Fair Pay worden genoemd. FNV Media en Cultuur zat aan die tafel. Toch waren de belangen van de diverse partijen blijkbaar groot genoeg om nu €29,16 per uur Fair Pay te noemen. Lees hier hoe oneerlijk dat gegaan is.

Onlangs schreef ik een artikel waarin ik mij verbaasde over een aantal punten van VZN rond de Zelfstandigenwet. Zo hard pleiten voor géén financiële ondergrens en werken via een rooster voor zzp’ers uitsluiten van een safe harbour, roept bij mij vooral de vraag op wiens belang hier eigenlijk vooropstaat.

Een ander voorbeeld van het verschil in benadering. ZZP Nederland had deze maand als ‘Vraag van de maand’: moet mijn opdrachtgever mij €0,25 per kilometer betalen? Het antwoord is juridisch juist: nee. Als je in de overeenkomst een kilometervergoeding hebt afgesproken, bijvoorbeeld €0,23 per kilometer, dan blijft die afspraak gelden totdat je samen iets anders afspreekt. Je kunt je opdrachtgever vragen om de vergoeding te verhogen naar €0,25 per kilometer, maar je kunt dat niet eisen, tenzij het zo in de overeenkomst staat.

Maar nergens in het artikel staat dat het voor een zzp’er niet handig is om richting opdrachtgevers zo weinig per kilometer te vragen. Bovendien is de €0,25 per kilometer een afspraak met de Belastingdienst en heeft betrekking op wat je van je winst mag halen. Geen afspraak met een opdrachtgever. Reistijd is voor veel zelfstandigen gewoon werktijd. Je vertrekt vaak vanuit je eigen thuiskantoor naar een opdracht. Bovendien kost rijden met een eigen auto volgens de ANWB al snel €0,40 – €0,50 per kilometer.

Mijn advies aan zzp’ers zou daarom ook zijn: bereken je reistijd en je werkelijke autokosten. Of een reisuurvergoeding. Wil je helder en consequent zijn richting opdrachtgevers, werk dan met een vast bedrag per reisuur en/of een realistische kilometervergoeding. En dat bedrag heeft weinig te maken met die €0,25 per kilometer die je van de Belastingdienst mag afhalen van je winst. Toch vreemd dat een partij die zegt op te komen voor zzp’ers een antwoord geeft op een manier waar vooral opdrachtgevers blij van worden.

Waarom ik hierover blijf schrijven

Soms verbaast het mij dat ik als Haagse freelance beroepsfotograaf een kritische stem kan laten horen in een debat waar al jaren talloze beleidsuren, rapporten en overleggen aan zijn besteed. Dat doe ik naast mijn gewone werk, zonder vergoeding. Op termijn is dat voor mij natuurlijk niet houdbaar. Uren die ik besteed aan deze belangenbehartiging zou ik, zakelijk gezien, eigenlijk in mijn eigen acquisitie en onderneming moeten steken. Toch blijf ik dit doen, omdat echte regelgeving die de onderkant van de zzp-markt daadwerkelijk beschermt nog steeds uitblijft. 

Een echte ondergrens begint bij een eenvoudige rekensom

Een niet-afdwingbaar en generiek tarief voor alle zelfstandigen werkt matig als bescherming. Toch is dat op dit moment via het bedrag voor het rechtsvermoeden wel het enige houvast.

Mensen in loondienst krijgen bescherming via het minimumloon en cao’s. Bovendien hebben zij meestal een afgesproken aantal betaalde uren. Bij zzp’ers werkt dat anders. Zij hebben te maken met verschillende kosten, risico’s en vooral met de vraag hoeveel uren zij in hun markt daadwerkelijk kunnen declareren. Een zzp’er begint met nul uur en moet opdrachten zelf binnenhalen. Daarom is het logisch om die verschillen financieel zichtbaar te maken. Zeker in sectoren waar je niet zomaar 28 of 36 uur per week kunt declareren, is een tariefondergrens belangrijk. Sommigen vinden dat een tariefondergrens niet nodig is, omdat een zzp’er zelf zijn tarief bepaalt. In theorie klopt dat. In de praktijk worden tarieven, zeker aan de onderkant van de markt, vaak door opdrachtgevers bepaald. 

Een laag tarief maakt iemand niet automatisch schijnzelfstandig, maar zegt wél iets over de economische werkelijkheid waarin iemand werkt. Juist daarom is een berekende ondergrens nodig: niet als standaardtarief, maar als bodem waaronder zelfstandig werken financieel niet houdbaar is.

Een berekening is geen onderhandeling

Een ondergrensberekening hoeft niet ingewikkeld te zijn. Stel eerst vast welk minimaal inkomen je aan de onderkant sociaal aanvaardbaar vindt. Bijvoorbeeld een inkomen dat gelijk is aan het minimumloon voor mensen in loondienst. Bereken vervolgens welk uurtarief daarvoor nodig is als je realistische gemiddelde declarabele uren in die sector, bedrijfskosten, ziektedagen, verzekeringen, een AOV, pensioen, scholing, ondernemersrisico enzovoort meeneemt.

Die ondergrens moet een berekening zijn, geen onderhandeling. En zeker geen cao-zzp-tariefvergelijking waarbij een cao-loon wordt omgerekend naar een zelfstandigentarief zonder alle relevante verschillen goed mee te nemen. Daar kan veel misgaan. Onderhandelen kan boven de ondergrens. Niet eronder.

Australië laat zien dat bescherming zonder werknemerschap kan

In Australië wordt al gewerkt met een benadering waar ik voor pleit. De Fair Work Commission kan minimumstandaarden vaststellen voor bepaalde groepen zelfstandige werkenden. Deze werkenden zijn volgens de Fair Work Commission zelfstandigen waarvoor juridisch afdwingbare minimumstandaarden kunnen gelden. Interessant, want ook als iemand formeel zelfstandig werkt, zijn er redenen om minimumvoorwaarden vast te leggen als het verdienmodel structureel zwak is.

De Australische route is een alternatief dat in Nederland nog ontbreekt. Echte bescherming gaat niet over regels die vooral bepalen of iemand werknemer of zelfstandige is. En ook niet over een status die vooral opdrachtgevers zekerheid vooraf geeft. Echte bescherming betekent dat zelfstandigen aan de onderkant ook financieel houdbaar kunnen werken. Dus zelfstandig blijven en werken voor tarieven waar ruimte is voor pensioen, AOV en ondernemersrisico.

Nederland kan kiezen voor sectorale ondergrenzen

Nederland kan zo’n benadering vertalen naar sectorale ondergrenzen voor zelfstandigen, gebaseerd op objectieve berekeningen van declarabele uren, kosten en ondernemersrisico. Een financiële ondergrens wordt bovendien belangrijker naarmate de overheid meer verplichtingen bij zzp’ers neerlegt. Denk aan een verplichte AOV en de verdere afbouw van fiscale voordelen. Daarmee stijgen de vaste kosten van zelfstandig werken. Dan is het vreemd om het uurtarief buiten beeld te houden. Wie zelfstandigen extra verplichtingen oplegt, moet ook zorgen dat zelfstandig werken aan de onderkant financieel haalbaar blijft.

Doe daarbij goed marktonderzoek naar declarabele uren. Het maakt enorm veel verschil of een zzp’er gemiddeld 600, 900 of 1200 uur per jaar kan declareren. Tarieven die zijn gebaseerd op verouderde gegevens of onvoldoende realistisch onderzoek, kunnen op papier redelijk lijken, maar in de praktijk geen duurzaam inkomen opleveren.

Een ondergrens is geen standaardtarief

De wet zou kunnen verplichten dat ondergrenzen per sector of beroep economisch worden onderbouwd. Sectoren kunnen cijfers aanleveren over gemiddelde declarabele uren en gemiddelde bedrijfskosten. Een ondergrens moet het resultaat zijn van een berekening, niet van belangen. Anders kan het zomaar gebeuren dat €29,16 een Fair Pay-tarief wordt genoemd.

Sommige partijen vrezen dat een berekende ondergrens de standaard wordt. Dat risico is beperkt: een ondergrens is geen richttarief, maar uitsluitend de bodem waaronder zelfstandig werken financieel niet houdbaar is. Mensen in loondienst krijgen ook niet allemaal het minimumloon. Maar we accepteren wel dat er een wettelijke bodem is: lager dan die grens mag arbeid niet worden betaald. Waarom zouden we dan bij echte zelfstandigen aan de onderkant blijven doen alsof vrijheid ook kan betekenen dat je structureel onder je kostprijs werkt?

Van papieren zekerheid naar echte bescherming

Een Zelfstandigenwet die alleen vooraf duidelijk maakt wie zelfstandige mag zijn, beschermt vooral opdrachtgevers tegen risico. Een Zelfstandigenwet die ook een financiële ondergrens organiseert, beschermt zelfstandigen tegen onderbetaling. Op die manier erkennen we dat vrijheid zonder ondergrens in sommige markten vooral vrijheid voor de opdrachtgever is: vrijheid om goedkoop in te kopen, vrijheid om risico’s af te schuiven op zelfstandigen en vrijheid om tarieven te laag te houden.

Als we werknemers al sinds 1969 beschermen met een wettelijke ondergrens, is het logisch om ook voor echte zelfstandigen aan de onderkant een economische bodem te organiseren. Dáár zou de Zelfstandigenwet uiteindelijk over moeten gaan.

 

Wilmar Dik is fotograaf, cameraman en actief pleitbezorger voor de positie van zelfstandigen in Nederland. Sinds 2008 werkt hij als zelfstandig professional en combineert hij zijn praktijkervaring met publicaties over ondernemerschap, marktwerking, tariefvorming, fotografie, marketing en duurzame verdienmodellen voor zzp’ers. Hij schrijft regelmatig over werken als zelfstandige en over de economische realiteit achter het ondernemerschap. Vanuit die betrokkenheid zet hij zich actief in voor realistische en uitvoerbare oplossingen die bijdragen aan een economisch houdbare positie van zelfstandigen. Bij de NVJ is hij vertegenwoordiger in het beleidsteam Werkvoorwaarden namens de ledengroep NVF/Beeldmakers. Daarnaast is hij als zelfstandig specialist betrokken bij de Ketentafel Fotografie (fairPACCT). Bekijk alle berichten van Wilmar Dik

Eén reactie op dit bericht

  1. Ja volgens mij is nooit anders geweest.
    Goedkoop arbeid en daarnaast moeten die makkelijk vervangen kunnen worden.
    Daar is door de jaren heen een groep bij gekomen de zzp er aan de onderkant.
    Nou dan laten we alle zzp ers betalen voor die groep zodat ze minimaal verzekerd zijn.
    Velen EU burgers kunnen met 1000 netto zo weer terug en hebben meer als dat ze in het land van herkomst zouden verdienen.
    Er word dus gevraagd naar een flexibele groep maar die mag niet als armoedzaaier terug komen of hier uiteindelijk de sociale uitkering in gaat. Wie gaat het betalen de zzp’er die zeg 49% belasting betaald over de 5000 minder ondernemers aftrek en ze dekken zelf de AOV af op het wettelijk minimum.
    Nou maakt de urencriterium ook niet meer uit anders had je ondernemers aftrek niet geldig en maakt het nog flexibeler maar wie betaalt er nu voor. Risico met regeltjes gelden voor ook die geen regulier werk doen en zo manoeuvreren we naar klem zitten.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *



×