Maandelijkse archieven: maart 2026

De handhaving op schijnzelfstandigheid in de zorg lijkt minimaal, maar onder het oppervlak borrelt het

Eind 2025 kwamen de eerste gevallen van naheffing door de Belastingdienst bij schijnzelfstandigheid in de bouwsector naar buiten. Van Gelder Groep, een van de grootste bouwers van infrastructuur in Nederland, heeft een voorziening genomen voor een mogelijke naheffing door de Belastingdienst, meldt het Financieele Dagblad. Om hoeveel geld het gaat is niet bekend, wel dat het een substantieel bedrag is.

Dat roept de vraag op hoe het staat in de zorgsector, een andere sector waar de Belastingdienst veel schijnzelfstandigheid verwacht. Die zorgsector kán nog helemaal niet zonder zzp’ers, schrijven artsenorganisaties in een brandbrief aan de Tweede Kamer, waarin zij oproepen tot risicogericht handhaven. Ondertussen overlegt de minister van VWS met brancheorganisaties over diverse mogelijkheden om uit de impasse te komen. Een van de opties: de inzet van zzp’ers.

Er gebeurt weinig op het vlak van naheffingen

“Ons beeld is dat er weinig naheffingen worden opgelegd in de zorgsector”, zegt fiscaal econoom Angélique Verhagen. Haar kantoor, Verstegen accountants en adviseurs, heeft klanten in heel Nederland. In het kader van het toezicht voert de Belastingdienst gesprekken met deze klanten waarin de inspecteurs vragen welke stappen worden gezet om de inzet van zzp’ers te verminderen. Er volgt een verslag. En dan blijft het in 99 van de 100 gevallen lange tijd opvallend stil vanuit de inspectie.

Is het stilte voor de storm? Of is er mogelijk maatschappelijk iets ingestoken? Verhagen denkt dat het laatste weleens het geval zou kunnen zijn. “Veel zorgorganisaties willen niets liever dan stoppen met zelfstandigen. Ze verleiden hun zzp’ers om toch vooral in loondienst te komen, maar die willen gewoon niet. Daar zijn allerlei redenen voor. De vrijheid om te werken wanneer je wilt en alleen dat werk te doen dat je interessant vindt. Soms is het ook gewoon de hogere betaling. Vervolgens zit de zorginstelling in een spagaat. Want uitzendbureaus leveren over het algemeen niet of vragen tweeënhalf keer het cao-loon. En de zorg moet wel verleend worden. Mogelijk ziet de Belastingdienst dat ook in: als we nu gaan handhaven, hebben we echt de poppen aan het dansen. Mogelijk dacht de Belastingdienst dat starten met handhaving genoeg zou zijn om de sector in beweging te krijgen.”

Het is nog te vroeg om conclusies te trekken, is de mening van fiscaal jurist Boris Emmerig van Holla Advocaten. “Het is een gegeven dat er volop bezoeken lopen bij intermediairs die zzp’ers leveren aan zorginstellingen. Als die intermediairs een naheffing krijgen, raakt dat natuurlijk ook hun klanten, de zorginstellingen. Deze procedures kosten veel tijd. Een controle duurt vaak maanden.” Jurgen van Warmerdam van brancheorganisatie NBBU bevestigt dat ook bij de bemiddelaars controles plaatsvinden. “Er zijn ook al bemiddelaars verwikkeld in procedures.”

Casusposities

Ondertussen blijft op de achtergrond de vraag spelen of je de inhuur zo kunt inrichten dat je wél kunt werken met zelfstandigen in de zorg. Volgens Emmerig blijft die mogelijkheid altijd bestaan. Maar de vooruitzichten voor werken als zzp’er in de zorg zijn zonder meer verslechterd: “De meeste casusposities die zijn voorgelegd aan de Belastingdienst en het ministerie van Sociale Zaken zijn beoordeeld als dienstbetrekking.”

Arbeidsrechtadvocaat Joost van Ladesteijn heeft de casussen ook gezien, maar benadrukt dat bij de beoordeling of sprake is van een arbeidsovereenkomst een individuele toets geldt. “Daarin spelen alle omstandigheden van het geval een rol.” Veel ingediende zorgcasussen zijn volgens hem te summier onderbouwd om iets te kunnen zeggen over andere situaties, laat staan over functies of een hele sector.

Angélique Verhagen geeft dat ook aan. “Het valt me in de voorbeelden en de gesprekken op dat de Belastingdienst vooral naar de gezagsverhouding kijkt. Een zorgverlener moet bij een zorgorganisatie werken volgens de kwaliteitsstandaarden van die zorgorganisatie. Dat houdt volgens de Belastingdienst een gezagsverhouding in. Nu kun je dát al betwisten, maar afgezien daarvan komen ze aan de andere gezichtspunten van het Deliveroo-arrest niet toe. Denk aan de duur van de opdracht, het opnemen van een resultaatsverplichting, inspraak in het opstellen van het contract, etcetera. De nuance is eruit, terwijl uit de jurisprudentie keer op keer blijkt: je moet álle gezichtspunten meenemen.”

Risico’s beperken

Fiscalist Verhagen adviseert veel van haar klanten om de inhuur af te bouwen of heel goed te onderbouwen. “Ik mag het misschien op punten niet met de Belastingdienst eens zijn, maar ik werk voor de zorgorganisatie. Het gaat over grote bedragen. Dat risico wil je beperken. Er is een verschil tussen gelijk hebben en gelijk krijgen. Gelijk krijgen betekent procederen. En daar zit de gemiddelde zorgorganisatie nu eenmaal niet op te wachten. Als een zorginstelling er echt niet onderuit kan om zzp’ers in te zetten, adviseren we vooral heel goed te onderbouwen waarom iemand zelfstandig is.” Boris Emmerig zou juist het liefste zien dat meer zorginstellingen de gang naar de rechter zouden maken. “Als je in een spagaat zit, moet je ook iets doen om daar weer uit te komen.”

Duidelijkheid in eerder stadium

Je kunt op verschillende manier in een vroeger stadium duidelijkheid aan de Belastingdienst vragen, schrijft hij in een post op LinkedIn

  1. Vooroverleg over de beoordeling van een arbeidsrelatie. Hiervoor is zelfs een formulier beschikbaar, compleet met een checklist.
  2. Afgifte van een ‘beschikking geen verzekeringsplicht’. Dit biedt meer zekerheid dan vooroverleg en bovendien is de rechtsbescherming beter.
  3. Standpunt over beheersmaatregelen. De opdrachtgever beschrijft per Deliveroo-criterium hoe de werkrelatie eruit ziet om buiten dienstbetrekking te kunnen werken. De Belastingdienst kan op basis daarvan oordelen dat er (per saldo) geen sprake is van een dienstbetrekking. Het is aan de opdrachtgever en -nemer om aan te tonen dat volgens de beheersmaatregelen wordt gewerkt.

Zijn advies: “Ga niet dat vrijblijvende vooroverleg voeren. Maar vraag op representatieve gevallen een beschikking geen verzekeringsplicht aan. Waarschijnlijk zal daar niet positief op worden beslist, met alles wat we nu weten. Maar als je het daar dan niet mee eens bent en je vindt dat het wél kan, dan moet je gewoon je zaak bepleiten bij de rechter. Moge de beste dan winnen.”

Wetgeving met oog voor de zorgpraktijk

“Zzp’ers in de zorg moeten er gewoon kunnen zijn”, schrijft Jurgen Warmerdam. “Opdrachtgevers zouden hen ook zonder zorgen moeten kunnen inhuren. De kern van het probleem is niet dat er regels zijn, maar dat die regels onvoldoende houvast bieden vooraf. Zorginstellingen, bemiddelaars en zzp’ers worden geconfronteerd met open normen, interpretatieruimte en handhaving achteraf.”

Hij pleit voor nieuwe wetgeving die moet uitgaan van voorspelbaarheid en voorafgaande zekerheid. “Dat kan bijvoorbeeld door heldere toetsingskaders te introduceren die vooraf uitsluitsel geven over de aard van de arbeidsrelatie.” Die wetgeving moet bovendien worden afgestemd op de zorgpraktijk, met roosters, teamwerk en continuïteitseisen die niet één-op-één te vergelijken zijn met andere sectoren.”

 

Geplaatst in Professioneel inhuren | Tags , , | 4s Reacties

13 vragen en antwoorden over de verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zzp’ers en andere zelfstandigen.

Deze verplichte basisverzekering tegen arbeidsongeschiktheid raakt straks zo’n 1,2 miljoen IB-ondernemers. Het zal nog jaren duren voordat zelfstandigen van deze verzekering gebruik kunnen gaan maken. Toch is het om verschillende redenen belangrijk om nu alvast de details te kennen. Een overzicht gebaseerd om de Memorie van Toelichting (MvT, zie hier) en eerdere eigen ZiPconomy publicaties.

1.Wat is de BAZ?

De BAZ, voluit Basisverzekering Arbeidsongeschiktheid Zelfstandigen, is een verplichte publieke verzekering tegen inkomensverlies bij langdurige arbeidsongeschiktheid voor zelfstandigen. Het gaat dus nadrukkelijk om een publieke regeling, niet om een private of commerciële verzekering.

De BAZ is bedoeld als basisvoorziening. Wie door ziekte, een gebrek, zwangerschap of bevalling langdurig niet meer kan werken, kan onder voorwaarden een uitkering krijgen.

2. Waarom wordt de BAZ ingevoerd?

De discussie over deze verplichte verzekering voor zelfstandigen kent een lange voorgeschiedenis. In 2019 was dit onderdeel van het pensioenakkoord dat het toenmalige kabinet sloot met PvdA en GroenLinks.

In de Memorie van Toelichting noemt het kabinet drie hoofdredenen om de BAZ in te voeren.

I. Te weinig zelfstandigen zijn adequaat verzekerd

Volgens het kabinet heeft ongeveer driekwart van de zelfstandigen geen arbeidsongeschiktheidsverzekering. Circa een kwart heeft zelfs helemaal geen voorziening: geen verzekering, geen buffer en geen partnerinkomen. Juist de meest kwetsbare zelfstandigen, met een laag inkomen en weinig vermogen, zijn relatief vaak onverzekerd.

De regering beschrijft dat veel zelfstandigen commerciële verzekeringen te duur vinden. Daarnaast bestaat het vermoeden dat zelfstandigen risico’s onderschatten of het besluit om zich te verzekeren uitstellen. Een deel van de zelfstandigen kan zich bovendien niet of moeilijk verzekeren vanwege leeftijd of gezondheid. Volgens de toelichting wordt circa 6 tot 8% door private verzekeraars afgewezen.

II. Er is sprake van een ongelijk speelveld

Onverzekerde zelfstandigen kunnen goedkoper werken dan verzekerde zelfstandigen en werknemers, omdat zij geen premie afdragen voor arbeidsongeschiktheid. Volgens het kabinet leidt dat tot oneerlijke concurrentie op de arbeidsmarkt.

III. Onverzekerde zelfstandigen vallen uiteindelijk terug op de bijstand

Zelfstandigen zonder voorziening kunnen bij arbeidsongeschiktheid uiteindelijk terugvallen op de bijstand. Dat betekent dat zij eerst hun eigen vermogen en eventueel het inkomen van hun partner moeten aanspreken, en daarna een beroep doen op collectieve voorzieningen die door de samenleving worden betaald.

3. Wie valt er allemaal onder de BAZ?

De BAZ geldt voor IB-ondernemers, met of zonder personeel. Dus voor iedereen die ondernemer is voor de inkomstenbelasting (en bijvoorbeeld daardoor ook recht heeft op de zelfstandigenaftrek) én de AOW-leeftijd nog niet bereikt heeft.

Concreet zijn dat ondernemers die werken vanuit een eenmanszaak, vof of maatschap.

4. Wie vallen er allemaal niet onder de BAZ?

De volgende groepen vallen niet onder de BAZ (ze betalen niets, maar krijgen ook geen uitkering).

DGA’s van een bv
Directeur-grootaandeelhouders vallen niet onder de BAZ. De regering constateert dat DGA’s gemiddeld een hoger inkomen en meer vermogen hebben dan IB-ondernemers, waardoor de noodzaak voor overheidsingrijpen minder groot is. Bovendien zou het opnemen van DGA’s leiden tot complexiteit in de uitvoering.

Meewerkende partners
Partners die meewerken in de onderneming zonder in loondienst te zijn of zelf ondernemer te zijn, vallen niet onder de BAZ. Dit heeft uitvoeringstechnische redenen: het is niet mogelijk deze groep vooraf te identificeren voor de premieheffing.

Resultaatgenieters
Mensen met resultaat uit overige werkzaamheden (ROW) vallen niet onder de BAZ. Dit betreft bijvoorbeeld freelance-inkomsten die niet als onderneming kwalificeren, vaak bijverdiensten.

Gemoedsbezwaarden
Mensen met principiële bezwaren tegen elke vorm van verzekering kunnen ontheffing krijgen.

Combinatieverdieners met voldoende WIA-dekking
Zelfstandigen die ook in loondienst werken en via hun werkgever al verzekerd zijn voor de WIA, vallen niet of slechts gedeeltelijk onder de BAZ. Dat hangt af van de hoogte van hun loon. Als het SV-loon (het loon waarover WIA-premie wordt betaald) minimaal 142,86% van het minimumloon bedraagt, is iemand niet premieplichtig voor de BAZ. Dit betreft naar schatting zo’n 600.000 combinatieverdieners.

Medegerechtigden
Commanditaire vennoten en anderen die winst uit onderneming genieten zonder daarvoor arbeid te verrichten (bijvoorbeeld na een bedrijfsoverdracht), vallen niet onder de BAZ.

Wie de aow-leeftijd heeft bereikt valt (zie punt 3) dus ook niet onder de BAZ. Ondernemers boven die leeftijd betalen geen premie, maar hebben ook geen recht op een uitkering.

5. Wanneer gaat de BAZ in?

Bij deze vraag is het belangrijk om onderscheid te maken tussen drie momenten:

  1. het moment waarop de wet wordt aangenomen;
  2. het moment waarop premie kan worden geheven;
  3. het moment waarop daadwerkelijk uitkeringen kunnen worden verstrekt.

Het kabinet hoopt dat de wet vóór 31 augustus 2026 is aangenomen door de Tweede en Eerste Kamer. Die datum hangt samen met afspraken met de Europese Commissie in het kader van het Herstel- en Veerkrachtplan.

Daarmee is de regeling echter nog niet meteen uitvoerbaar. De feitelijke invoering van de BAZ zal later plaatsvinden. Het UWV heeft aangegeven de regeling naar verwachting niet eerder dan 2030 te kunnen uitvoeren, onder meer vanwege de huidige achterstanden bij WIA-keuringen en de noodzakelijke ICT-aanpassingen.

Bovendien geldt binnen de BAZ een wachttijd van twee jaar. Dat betekent dat er een verschil zit tussen het moment waarop de regeling formeel ingaat en het moment waarop de eerste uitkeringen daadwerkelijk verstrekt kunnen worden

6. Wat gaat de BAZ kosten?

De premie bedraagt 5,4% van de winst uit onderneming, met een maximum van circa € 171 bruto per maand (gebaseerd op 142,86% van het minimumloon in 2025; dit bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd).

In de MvT staan een aantal concrete voorbeelden:

  • Jasper heeft een winst uit onderneming van € 38.000. Dat is gelijk aan de maximale grondslag. De hoogte van de premie is dan ongeveer € 171 bruto per maand (5,4% × € 38.000 / 12).
  • Elena heeft een winst uit onderneming van € 45.000. Dat is hoger dan de maximale grondslag. De hoogte van de premie is dan ongeveer € 171 bruto per maand (5,4% × € 38.000 / 12).
  • Tessa heeft een winst uit onderneming van € 25.000. Dat is lager dan de maximale grondslag. De hoogte van de premie is dan ongeveer € 113 bruto per maand (5,4% × € 25.000 / 12).
  • Claudia heeft een winst uit onderneming van -€ 10.000. Dat is lager dan de maximale grondslag. Doordat hier sprake is van een negatieve winst uit onderneming bedraagt de premie € 0, aangezien geen sprake kan zijn van een negatieve premie.

Uniform premiepercentage
Het premiepercentage van 5,4% is uniform: het maakt niet uit hoe oud je bent, welk beroep je hebt, of je man of vrouw bent. Dit verschilt van private verzekeringen, waar de premie vaak afhankelijk is van leeftijd en beroepsrisico.

Fiscale aftrekbaarheid
De premie is fiscaal aftrekbaar als uitgave voor inkomensvoorzieningen. Daardoor vallen de netto kosten lager uit dan de bruto premie.

Aparte aanslagen
Je ontvangt de BAZ-premie als aparte aanslag van de Belastingdienst, naast je aanslag inkomstenbelasting en je aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zvw.

7. Hoeveel gaat de BAZ uitkeren?

De hoogte van de uitkering hangt, net als de premie, af van de winst uit onderneming. De uitkering bedraagt 70% van de gemiddelde winst, met als maximum het wettelijk minimumloon.

Bij een winst van € 38.000 of meer is de uitkering maximaal het minimumloon, in 2025 ongeveer € 2.070 bruto per maand. Bij een lagere winst valt de uitkering evenredig lager uit.

Daarbij is het goed om scherp te hebben wat met winst wordt bedoeld. Voor IB-ondernemers is winst het bedrag dat overblijft na aftrek van bedrijfskosten. Het is dus niet hetzelfde als het bedrag dat iemand ‘voor zichzelf overhoudt’ of als inkomen aan zichzelf uitkeert.

Voor veel zelfstandigen zal een uitkering op minimumniveau duidelijk lager zijn dan het inkomen dat zij gewend zijn. Dat is ook precies waarom de regeling een basisverzekering heet. Wie een hogere uitkering nodig heeft, zal aanvullend zelf iets moeten regelen, bijvoorbeeld via een private verzekering of eigen voorzieningen.

Geen gedeeltelijke uitkering

Anders dan de WIA kent de BAZ geen gedeeltelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering. Je bent binnen deze regeling óf arbeidsongeschikt en hebt recht op een uitkering, óf je bent dat niet. Er is dus geen systeem met arbeidsongeschiktheidspercentages zoals bij werknemers.

Ook komt er geen apart regime voor duurzaam volledig arbeidsongeschikten, zoals de IVA binnen de WIA. Iedereen die onder de BAZ arbeidsongeschikt wordt geacht, valt in dezelfde regeling.

Werken naast een uitkering

Wie naast de uitkering nog inkomsten heeft, bijvoorbeeld uit aangepast werk, krijgt daarmee wel te maken in de uitkeringshoogte. Die inkomsten worden voor 70% gekort op de uitkering. Dat betekent dat werken nog steeds loont: 30% van die extra inkomsten blijft behouden.

8. Moet je ook iets betalen als je voor een private verzekering kiest?

Ja. Wie kiest voor een private verzekering via de opt-out, of wie onder het overgangsrecht valt, krijgt te maken met een stabiliteitsbijdrage.

Dat is een vast bedrag per privaat verzekerde. Die bijdrage is bedoeld om te voorkomen dat de publieke verzekering vooral de zwaardere risico’s overhoudt en daardoor snel duurder wordt. De bijdrage wordt afgedragen door de verzekeraar, maar ligt het meest voor de hand dat deze uiteindelijk in de premie voor de verzekerde wordt verwerkt.

De stabiliteitsbijdrage wordt op dit moment geraamd op ongeveer € 25 tot € 35 per maand bij volledige risicoverevening. Op langere termijn zou dit bedrag kunnen oplopen tot € 90 à € 100 per maand als de private markt klein blijft.

De gedachte hierachter is dat zonder zo’n bijdrage vooral jonge en gezonde zelfstandigen met een laag risico zouden overstappen naar private verzekeraars. Dan blijft in de publieke verzekering relatief vaker de groep met hogere risico’s achter, waardoor de publieke premie stijgt. De stabiliteitsbijdrage moet dat effect dempen.

9. Wanneer ben ik ‘arbeidsongeschikt’ volgens de BAZ?

Dit is misschien wel het belangrijkste en meest gevoelige onderdeel van de regeling.

De BAZ hanteert een absoluut criterium. Iemand is arbeidsongeschikt als hij of zij door ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling niet meer in staat is om met arbeid ten minste het wettelijk minimumloon per maand te verdienen.

Wat betekent dat in de praktijk?

Het UWV kijkt niet naar het inkomen dat iemand vóór uitval verdiende. De vraag is dus niet: hoeveel inkomen ben je kwijtgeraakt? De vraag is: kun je nog werk doen waarmee je ten minste het minimumloon kunt verdienen?

Daarbij wordt gekeken naar zogeheten basisfuncties: bestaande functies op de Nederlandse arbeidsmarkt met een relatief lage belasting, meestal op of net boven minimumloonniveau.

Denk bijvoorbeeld aan:

  • eenvoudig administratief werk;
  • lichte productiewerkzaamheden;
  • receptiewerk.

Als iemand nog ten minste één van zulke functies kan verrichten en daarmee het minimumloon kan verdienen, is er volgens de BAZ geen sprake van arbeidsongeschiktheid – ook niet als het eigen werk als zelfstandige niet meer kan worden gedaan.

Verschil met de WIA 

Dat is een belangrijk verschil met de WIA voor werknemers. In de WIA staat het percentage inkomensverlies centraal. Bij de BAZ telt alleen de resterende verdiencapaciteit ten opzichte van het minimumloon.

Voor veel zelfstandigen pakt dit criterium strenger uit. Iemand die zijn eigen beroep niet meer kan uitoefenen, maar nog wel ander werk op minimumniveau zou kunnen doen, komt dan niet in aanmerking voor een uitkering.

Geen beoordeling van duurzaamheid

Ook anders dan in de WIA hoeft het UWV hier niet te beoordelen of de arbeidsongeschiktheid duurzaam is. Dat maakt de beoordeling eenvoudiger, maar betekent ook dat er geen aparte, hogere regeling is voor mensen die nooit meer zullen kunnen werken.

10. Hoe lang is de wachttijd en hoe moet ik die overbruggen?

De wachttijd bedraagt twee jaar. Dat is de periode waarin iemand nog geen uitkering krijgt. Pas na die wachttijd kan recht op een BAZ-uitkering ontstaan.

Die wachttijd is lang. Dat was ook een nadrukkelijke wens van een deel van de zzp-organisaties. Eerdere voorstellen gingen nog uit van 52 weken. Een langere wachttijd heeft twee belangrijke gevolgen: de premie valt lager uit en de druk op de uitvoering door het UWV neemt af.

Voor veel zelfstandigen betekent dit wel dat zij die eerste twee jaar zelf moeten overbruggen. In de praktijk zijn daarvoor verschillende routes denkbaar.

Eigen buffer

Een voor de hand liggende optie is het opbouwen van een financiële buffer. Volgens cijfers waar vaak naar wordt verwezen, kan circa 70% van de zelfstandigenhuishoudens de vaste lasten gedurende 104 weken uit eigen middelen betalen. Dat betekent omgekeerd ook dat voor een aanzienlijke groep die ruimte er niet is.

Broodfonds of schenkkring

Een broodfonds of schenkkring kan voor sommige zelfstandigen een praktische oplossing zijn. Zulke constructies keren vaak maximaal twee jaar uit en sluiten daarmee goed aan op de wachttijd van de BAZ.

Private verzekering voor de eerste twee jaar

Ook is het mogelijk om aanvullend een private verzekering af te sluiten die juist de eerste twee ziektejaren dekt. Dat kan los van de BAZ, maar ook in combinatie met een opt-out of een bredere private dekking.

Re-integratieondersteuning van het UWV

Tijdens de wachttijd kan een zelfstandige vrijwillig gebruikmaken van re-integratieondersteuning van het UWV. Het gaat dus niet om een verplicht traject, maar om een mogelijkheid.

11. Kan ik kiezen voor een private verzekering in plaats van de BAZ?

Ja. Dat is de opt-out. Zelfstandigen hoeven dan niet mee te doen aan de publieke verzekering, mits zij een private (commerciële) verzekering hebben die aan de wettelijke voorwaarden voldoet.

Zo’n private verzekering moet in elk geval:

  • een dekking bieden tot de AOW-leeftijd;
  • een uitkering van minimaal 70% van de winst geven, tot maximaal het minimumloon;
  • een wachttijd hebben van maximaal 104 weken;
  • periodiek uitkeren (geen eenmalige uitkering);
  • een premie hebben die minimaal gelijk is aan de publieke premie.

De procedure zal er te zijner tijd als volgt uitzien:

  • je verzekeraar vraagt namens jou de opt-out aan bij het UWV;
  • de opt-out kan alleen ingaan per 1 januari (of bij de start van de onderneming);
  • je betaalt de stabiliteitsbijdrage via je verzekeraar.

Waarom kiezen voor opt-out?

  • je wilt een kortere wachttijd;
  • je wilt een hogere uitkering (boven minimumloon);
  • je wilt dekking voor gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid;
  • je wilt beroepsspecifieke dekking;
  • je hebt voorkeur voor private dienstverlening bij re-integratie.

12. Ik heb al een AOV – wat gebeurt daarmee?

Voor zelfstandigen die al een private arbeidsongeschiktheidsverzekering hebben, is vooral van belang wanneer die verzekering is afgesloten en aan welke voorwaarden die voldoet.

Daarvoor komt een regeling met overgangsrecht. Die geldt voor zelfstandigen die vóór een nog vast te stellen peildatum al een private arbeidsongeschiktheidsverzekering hebben.

Voorwaarden voor overgangsrecht

Om onder het overgangsrecht te vallen, moet de verzekering:

  • tot stand zijn gekomen vóór de peildatum;
  • een wachttijd hebben van maximaal 104 weken;
  • een eindleeftijd hebben van minimaal 55 jaar;
  • periodiek uitkeren;
  • geen ongevallenverzekering of woonlastenbeschermer zijn.
  • Als de bestaande verzekering aan de voorwaarden voldoet

Dan mag die verzekering in stand blijven, ook als die niet aan alle eisen van de reguliere opt-out voldoet. Ook hoeft de verzekerde dan niet opnieuw door een medische keuring. Wel blijft de stabiliteitsbijdrage van toepassing.

Als de bestaande verzekering niet aan de voorwaarden voldoet

Dan zijn er grofweg drie opties:

  • de bestaande verzekering aanpassen;
  • een nieuwe verzekering afsluiten die wel aan de opt-out-eisen voldoet;
  • instromen in de publieke BAZ.

De verzekeraar moet binnen dertien weken na inwerkingtreding van de wet een aanvraag doen bij het UWV.

Dus: alleen wie voor de peildatum een verzekering heeft, kan gebruik maken van dit overgangsrecht. Het is nog niet duidelijk wanneer die peildatum bekend wordt gemaakt. Het is in dit soort situatie wel gebruikelijk dat de peildatum direct bij de bekendmaking ingaat. Dus wachten tot die datum bekend wordt is niet verstandig als je van dit overgangsrecht gebruik wil maken, want dan ben je waarschijnlijk te laat.

13. Wat als ik naast mijn onderneming ook in loondienst werk?

Voor zelfstandigen die daarnaast in loondienst werken, geldt een aparte regeling. In veel gevallen zullen zij geen of een lagere BAZ-premie betalen, maar dat hangt af van de hoogte van hun loon uit loondienst.

Hier werkt de BAZ met een franchise: een premievrije voet. Het SV-loon – het loon waarover WIA-premie wordt betaald – wordt in mindering gebracht op de maximale premiegrondslag van € 38.000.

De Memorie van Toelichting geeft het volgende voorbeeld. Steffen heeft een winst uit onderneming van € 25.000 en daarnaast € 25.000 aan SV-loon als werknemer. Dat SV-loon wordt in mindering gebracht op de maximale premiegrondslag van € 38.000. Er blijft dan € 13.000 over als grondslag. Over dat bedrag is Steffen BAZ-premie verschuldigd: circa € 59 bruto per maand.

Wie een SV-loon heeft van € 38.000 of meer, betaalt geen BAZ-premie. In dat geval is er via loondienst al voldoende dekking voor arbeidsongeschiktheid.

Naar schatting werken ongeveer 600.000 zelfstandigen naast hun onderneming ook in loondienst. Voor een aanzienlijk deel van hen zal de franchise ertoe leiden dat zij geen of een lagere BAZ-premie betalen.

Hoe nu verder?

De eerstvolgende stap is de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel.

De ministerraad heeft in maart 2026 ingestemd met het voorstel. Daarna volgt behandeling in de Tweede Kamer en vervolgens in de Eerste Kamer.

Minister Aartsen wil vaart maken met het wetsvoorstel. Daarbij spelen in elk geval twee factoren een rol:

  • de deadline van 31 augustus 2026 in verband met het EU Herstel- en Veerkrachtplan;
  • de samenhang met de bredere Zelfstandigenwet, waaraan dezelfde minister werkt en waarin een arbeidsongeschiktheidsverzekering een voorwaarde wordt voor het werken als zelfstandige.

Politiek lijkt er op hoofdlijnen redelijk wat draagvlak voor de uitgangspunten van de wet. Tegelijk zijn er forse zorgen. Die gaan vooral over de uitvoerbaarheid door het UWV, de relatief lage uitkering, de beperkte kans op uitkering door het strenge criterium, en over de principiële vraag of een verplichte verzekering voor zelfstandigen wenselijk is.

Geplaatst in ZP en Ondernemen | Tags | 1 Reactie

Freelanceplatformen: ‘Rechtsvermoeden van werknemerschap leidt nu al tot misverstanden’

Voor de oprichters van freelanceplatformen Temper en YoungOnes is het rechtsvermoeden van werknemerschap een belemmering voor de flexibele arbeidsmarkt. Zij waarschuwen dat minister Thierry Aartsen (Werk en Participatie) met dit plan duizenden werkenden in de weg zit, omdat hij geen onderscheid maakt tussen bijvoorbeeld kwetsbare werkenden, bewuste ondernemers en bijverdienende studenten. Maarten Zoomers (Temper): “Het leidt nu al tot misverstanden.”

Temper en YoungOnes zijn platformen waarop zzp’ers kortlopende klussen in onder meer de horeca en logistiek vinden. Volgens de ondernemers verdienen zij weliswaar vaak minder dan 38 euro per uur, maar kiezen zij bewust voor het zzp-schap.

Rechtsvermoeden onder 38 euro

Begin maart stemde de ministerraad in met het voorstel van minister Aartsen voor een rechtsvermoeden van werknemerschap. Dit wetsvoorstel houdt in dat iedereen die minder dan 38 euro per uur verdient, via de rechter eenvoudiger een arbeidsovereenkomst kan opeisen. De wet moet in 2027 ingaan.

De ondernemers stellen voorop: het is logisch en terecht dat de minister kwetsbare groepen zoals gedwongen zelfstandigen wil beschermen. “Maar deze maatregel gaat niet werken”, zegt Pim Graafmans, CEO en oprichter van YoungOnes. “Hij past niet bij een hele grote groep bewuste freelancers die helemaal niet in loondienst willen.”

Hij verwacht dat freelancers die via het YoungOnes-platform werken er geen gebruik van maken. “Het levert ze niets op, want ze zijn heel blij als zzp’er en wat ze daarmee verdienen.”

‘Niet slecht, maar te onduidelijk’

Dat zegt ook Maarten Zoomers, CEO van Temper. “Wie via Temper werkt, kiest heel bewust voor autonomie en regie over zijn agenda. In de afgelopen elf jaar heeft dan ook nog nooit iemand zelf om een arbeidsovereenkomst gevraagd. Tegelijkertijd blijkt dat flexibiliteit en zekerheid prima samengaan, bijvoorbeeld met de collectieve verzekeringen die standaard voor iedere klus op Temper beschikbaar zijn.”

Volgens hem is het rechtsvermoeden geen ‘foute maatregel’, maar is de communicatie tot nu toe niet duidelijk genoeg. “Het rechtsvermoeden is een instrument voor mensen die een arbeidsovereenkomst willen en verdienen, maar tot nu toe niet de macht hadden om die op te eisen. Die extra ondersteuning juichen wij alleen maar toe. Maar dit alles blijkt onduidelijk voor opdrachtgevers.”

Onrust onder opdrachtgevers

Zoomers merkt dat er nu al veel misverstanden ontstaan. “Opdrachtgevers hebben veel vragen: betekent dit dat een dienstbetrekking de norm wordt? Mag ik onder die 38 euro geen freelancers inzetten? Die ongerustheid is onterecht. Die 38 euro is geen nieuw minimumtarief voor zzp’ers. Het is ook geen vrijbrief: boven het grenstarief moet je ook voldoen aan de Deliveroo-criteria voor zelfstandig ondernemerschap.”

Zoomers hoopt dus op betere overheidscommunicatie. “Voor opdrachtgevers verandert er in de praktijk weinig”, legt hij uit. “Dat zullen wij ook blijven uitleggen. Echt ondernemerschap blijft gewoon mogelijk, ook onder de grens van 38 euro. De Deliveroo-criteria blijven leidend. Dat het model van Temper hierbinnen past, werd in juli 2024 nog bevestigd door de rechter.”

ABU: geen zorgen onder zzp-dienstverleners

De onrust lijkt tot nu toe beperkt tot ondernemers die werken met freelancers onder de tariefgrens. “Wij hebben geen reacties gekregen op het voorstel”, vertelt Margreet Drijvers, programmamanager zzp-dienstverlening bij brancheorganisatie ABU. “Veel zzp-dienstverleners werken dan ook met hogere tarieven.”

Zij noemde het rechtsvermoeden al eerder ‘een fijne maatregel’. ABU hoopt juist dat het straks ook publiekrechtelijk handhaafbaar wordt. Dat zou betekenen dat de Arbeidsinspectie en de Belastingdienst het ook kunnen gebruiken om schijnzelfstandigheid vast te stellen. Dat zou volgens Drijvers de maatregel effectiever maken. “Als het initiatief altijd bij het individu ligt, heeft het te weinig effect,” zegt Drijvers. “Een kwetsbare werkende stapt niet snel zelf naar de rechter.”

Misverstanden en communicatie

Graafmans hoopt dat het uiteindelijke wetsvoorstel beter aansluit bij de praktijk van bijverdieners. “De student die gemiddeld 39 uur per jaar werkt, hoort niet in hetzelfde wettelijke kader als fulltime schijnzelfstandigen”, zegt hij.

Hij suggereert de KOR-grens (Kleine Ondernemersregeling) van 20.000 euro omzet per jaar te gebruiken om onderscheid te maken. Kleine ondernemers onder dit bedrag zijn vrijgesteld van btw-administratie. “Deze regeling kan een scheidslijn zijn tussen fulltime zzp’ers en bijverdieners.”

Een andere oplossing is een urencriterium van maximaal 832 uur per opdrachtgever per jaar. Hij baseert die grens op de bestaande uitzondering voor studenten bij het verbod op oproepcontracten. Graafmans: “Wie onder beide grenzen blijft, moet eenvoudig als zelfstandige kunnen werken zonder dat het rechtsvermoeden van 38 euro per uur geldt.”

Vervolg

De ministerraad is akkoord, nu de Tweede Kamer nog. In principe steunen veel partijen het rechtsvermoeden, maar er zijn nog wel wat discussiepunten en twijfels. Zo willen partijen als GroenLinks-PvdA en BBB net als ABU dat het een publiekrechtelijk rechtsvermoeden wordt. Daarnaast vrezen partijen op rechts voor de impact op de markt.

 

Geplaatst in Professioneel inhuren | Tags , , , | 2s Reacties

De inhuurverantwoordelijkheid verschuift. En dat is goed nieuws voor opdrachtgevers

Opdrachtgevers zoeken in toenemende mate naar een zo kort mogelijke inhuurketen. De motivatie hierachter is eenduidig: ze willen dat compliance in alle gevallen door de broker of MSP wordt gewaarborgd. Dit horen wij bij Circle8 ook vaak terug.

Het is de wens van de opdrachtgever om de keten korter te maken, en als de keten onverhoopt langer blijft, dan moet deze in ieder geval transparant zijn. Om die reden heeft Circle8 een nieuw ketenbeleid geïnitieerd, mede ingegeven door de aangepaste SNA-norm. Dat was hoognodig, omdat wij als broker en MSP ook twijfels hadden over de correcte uitvoering van compliance door tussenpartijen.

Voorbeelden uit de praktijk

Neem bijvoorbeeld de verklaring-ID. Voorheen was de verklaring afdoende, maar we kregen steeds meer vraagtekens bij de opgegeven informatie. Toch zat de grootste twijfel en foutgevoeligheid in de doorleenconstructies. Binnen de doorleen-zzp-constructie wierven we de zzp’ers niet zelf, maar moesten we wel garant staan voor de compliance. Het was dan de vraag of de tussenpartijen ook deugdelijk de modelovereenkomst gebruikten en correct de tussentijdse toetsen uitvoerden. Dat verklaarden ze dan wel, maar wij konden dit niet controleren, omdat we de documentatie niet in ons bezit hadden.

Laat het duidelijk zijn dat er ook veel tussenpartijen zijn die de compliance keurig op orde hebben. Maar met de duizenden verklaringen die wij krijgen, gaan er ook zaken mis. Doordat wij de verantwoordelijkheid voelden om de compliance richting de opdrachtgever te garanderen, hebben wij het ketenbeleid rigoureus aangepakt: we hebben ervoor gezorgd dat de keten kort en transparant wordt.

Wat houdt het nieuwe ketenbeleid in?

Het nieuwe ketenbeleid betekent in feite dat Circle8 de tussenpartij en de professional rechtstreeks en separaat contracteert. Daardoor verschuift de complianceverantwoordelijkheid naar Circle8. Dat betekent het volgende:

  • Wij contracteren de zzp’er op een modelovereenkomst.
  • Wij zorgen voor de uitvoering van de tussentijdse toets.
  • Wij borgen dat de opdrachtomschrijving deugdelijk is, conform juridische kaders.

De tussenpartij draagt nog steeds een waardevolle kandidaat aan (doorleenkandidaten zijn welkom) en daar zijn we dankbaar voor. Maar de tussenpartij wordt buiten de contractuele keten gehouden via een fee-overeenkomst en heeft daarmee geen juridische betekenis meer in de relatie tussen de opdrachtgever en werkuitvoerder. Kortom: Circle8 neemt de inhuurverantwoordelijkheid over van de tussenpartij door opdrachtgevers én zzp’ers rechtstreeks te contracteren.

Cost-control en transparantie als resultaat

Met het nieuwe ketenbeleid is de compliance aanzienlijk verhoogd en wordt de keten volledig transparant. Als opdrachtgever weet je dat de broker of MSP de compliance waarborgt. Er zit niets meer verscholen achter een tussenpartij.

De nieuwe transparantie brengt nog een ander groot voordeel met zich mee, namelijk cost-control. Voor een opdrachtgever is het natuurlijk fantastisch dat alle marges en schakels inzichtelijk zijn en daarmee de tarieven die kleven aan tussenpartijen. En met volledig zicht op tarieven kun je werk maken van je prijsstelling en de kwaliteit van aangebrachte kandidaten.

Naast compliance en prijs ontstaat er een neveneffect. De betrokkenheid van de werkuitvoerder wordt namelijk vergroot, omdat die zowel dichter op de opdrachtgever als op Circle8 zit. Met het verkleinen van de afstand tussen partijen wordt de werkuitvoerder ook sneller uitbetaald. Dat is vrij essentieel. Want bij een grote afstand in de keten betalen wij binnen 30 dagen de tussenpartij en die tussenpartij betaalt vervolgens de werkuitvoerder mogelijk ook pas na 30 dagen. Dan moet de professional circa 60 dagen wachten op de betaling, terwijl hij of zij nog steeds bij de klant rondloopt. Dat wringt. Al met al gaat de perceptie van kwaliteit van opdrachtgeverschap omhoog met het verkorten van de keten.

Reacties vanuit de markt

We merken bij Circle8 dat zowel MSP-opdrachtgevers als brokerklanten bereid zijn om werk te maken van het nieuwe ketenbeleid. Het vergroten van de grip op inhuur is steeds meer een gezamenlijk doel bij MSP-klanten, maar we zien ook brokerklanten (zoals Rijksoverheid, semi-overheid en zakelijke opdrachtgevers) die de ontwikkeling naar meer transparantie toejuichen.

Van tussenpartijen hebben we alle soorten reacties gehad. De meeste partijen vinden het prima, maar enkelen hechten dusdanig veel waarde aan het zelf beheren van hun onderaannemers en zzp’ers dat zij niet happig zijn op het nieuwe beleid. Anderen vragen juist of wij alsjeblieft de relatie rechtstreeks over willen nemen. Die willen uit de inhuurketen stappen en dragen graag de compliance, met bijbehorende werklast, over aan Circle8.

Daarnaast zijn er partijen die leven van het doorlenen van zzp’ers. Die zien het nieuwe ketenbeleid als een bedreiging, want wij vullen onze database aan met ‘hun’ leveranciers en zzp’ers. Dat is hun kapitaal. Maar de eerste z van zzp betekent zelfstandig. Dus een zzp’er is niet van een tussenpartij, leverancier, broker of van de opdrachtgever.

Impact op de winstgevendheid

Een ander bezwaar, voortkomend uit omzetdoelstellingen, is dat de uurtarieven niet meer door de boeken van de tussenpartij lopen. Doordat ze niet meer in de keten zitten, krijgt de tussenpartij alleen een fee-verrekening. Daarmee verlagen we intrinsiek de waarde van dat bedrijf. Iemand kost 100 euro en wordt verkocht voor 105 euro. De tussenpartij ontvangt de 5 euro via de fee-overeenkomst en verliest dus die 100 euro per uur in de boeken. Dat lijkt de waarde van een bedrijf te verminderen, maar heeft feitelijk geen enkele impact op de belangrijkste graadmeter: de winstgevendheid.

Ondanks enkele negatieve reacties reageren de meeste tussenpartijen positief op de verschuiving van inhuurverantwoordelijkheid. Daarmee sluiten zij naadloos aan op de wens van opdrachtgevers, die het niet meer op prijs stellen dat er meerdere partijen in de inhuurketen zitten. Ook wetgeving is erop ingericht dat de keten zo kort mogelijk is en aanbestedingen gaan ook steeds meer die kant op: partijen die kandidaten doorlenen komen niet in de contractuele keten. Dat legt ook een verantwoordelijkheid bij ons: wij moeten de werkuitvoerders, zzp’ers en degenen die in dienst zijn bij een bureau rechtstreeks benaderen.

Het nieuwe ketenbeleid is afgekondigd vanaf 1 januari 2026. Op dit moment zijn we samen met tussenpartijen bezig om alle bestaande doorleenconstructies open te breken, en moeten wij conform de vernieuwde SNA-norm alles voor 1 juli afgerond hebben. Nogmaals: dat betekent dat vanaf dan zowel de tussenpartij als de zzp’er separaat wordt gecontracteerd.


 

Over de auteur

Kasper Kropman is Directeur Intermediaire Dienstverlening bij Circle8 en geeft leiding aan het Clientmanagementteam, dat als doel heeft grip op inhuur te realiseren bij opdrachtgevers.

 

Geplaatst in Professioneel inhuren | Tags , , , , | 7s Reacties

Minister Aartsen: Kabinet kiest voor een nieuwe zzp-koers maar geen aanpassing handhaving. Dat zou leiden tot een ongewenste ‘zigzagkoers’.

Het nieuwe kabinet kiest voor een nieuwe zzp-koers met rust en duidelijkheid. Waarin aandacht is voor wat er wel kan binnen de huidige regels en waarin schijnzelfstandigheid moet worden aangepakt via risicogericht handhaven. Zonder dat handhaving fundamenteel ‘op z’n kop gezet’ wordt. “Niemand is gebaat bij zigzagbeleid”. Met die woorden reageerde Minister Aartsen op vragen in een Kamerdebat.

Zo herinnerde Doğukan Ergin (DENK) de minister aan een breed gesteunde Kamermotie uit december om de ‘zachte landing’ van de handhaving te verlengen. Een motie die door het vorige kabinet maar ten dele is uitgevoerd.

Aartsen wil daar nu geen verandering in brengen, zo liet hij de Kamer weten. Ook omdat onderdelen van die motie zijn doorgevoerd in het handhavingsbeleid van de Belastingdienst. Zo worden ook in 2026 nog geen verzuimboetes opgelegd en de dienst start in beginsel nog steeds met een bedrijfsbezoek en niet met een (boeken)onderzoek. “Ik denk dat het nu verstandig is om te kijken wat we in het hier en nu kunnen doen om die duidelijkheid te geven.” aldus de minister van Werk en Participatie.

Hoe hij daar verder invulling aan gaat geven zal duidelijk worden in een Kamerbrief die in april volgt. Onderdelen daarvan zijn in ieder geval het al aangekondigde rechtsvermoeden van werknemerschap bij laag tarief, de (verplichte) basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen en – als sluitstuk – de Zelfstandigenwet.

Rechtsvermoeden

Voor het wetsvoorstel rechtsvermoeden (zie hier voor meer uitleg) is volgens Aartsen “breed politiek draagvlak en een breed maatschappelijk draagvlak voor.” De minister wil de wet ook graag snel behandelen en doorvoeren. “Mijn oproep aan u is ook: helpt u mij alstublieft om dat wetsvoorstel snel te kunnen behandelen.” Zo vroeg hij de Kamer.

Snelle invoering moet zorgen voor een deel van de rust. Maar het heeft ook te maken met geld uit het Herstel- en Veerkrachtplan waar Nederland aanspraak op maakt. Dat geld komt in gevaar als er niet voor 31 augustus nieuwe wetgeving is gepubliceerd. De wet met het rechtsvermoeden bij laag tarief zou dan per 1 januari 2027 in kunnen gaan.

BAZ

Een ander onderdeel waar Aartsen haast mee maakt is de Basisverzekering arbeidsongeschiktheid voor zelfstandigen (BAZ). Die wet is ook al voorbereid door zijn voorgangers en maakt ook deel uit van de ‘mijlpalen’ die Nederland heeft afgesproken met de Europese Commissie.

De BAZ bestaat uit een basisverzekering die – bij blijvende arbeidsongeschiktheid – een uitkering geeft van maximaal het minimumloon. Daarbij geldt een wachttijd van twee jaar. Onderdeel van het voorstel is de ‘opt-out’-optie: zelfstandigen kunnen ook kiezen voor een private verzekering, mits deze minimaal dezelfde dekking heeft (zie voor meer uitleg dit artikel)

Ook voor de BAZ is er breed draagvlak, al wordt er wel gemord over het feit dat de drempel om een uitkering te krijgen behoorlijk hoog is en de uitkering zelf laag is.

In het Kamerdebat werd ook duidelijk dat oppositiepartijen aan de rechterkant van het kabinet weinig voelen voor verplichtingen richting zzp’ers. “We zijn tegen iedere maatregel die zzp’ers verder insnoert” zo zei JA21 Kamerlid Ceulemans (JA21).

Zelfstandigenwet

Die houding van partijen als JA21, FVD en ook de Groep Markuszower in het debat kan relevant zijn in verband met de Zelfstandigenwet. Die wet – waar Aartsen als Kamerlid zelf het initiatief toe nam – moet het sluitstuk worden van het nieuwe zzp-beleid van het kabinet. En juist in die wet zitten – naast verduidelijking en ruimte rond zzp – ook verplichtingen richting zzp’ers rond arbeidsongeschiktheid én pensioen. “Ik denk ook dat dit past in het beleid waarin je aan de ene kant vrijheid, ruimte en duidelijkheid geeft en aan de andere kant ondernemers aanspreekt op hun verantwoordelijkheid” aldus de minister van dit minderheidskabinet.

Hij zal nog op zoek moeten naar steun in de Kamer waarbij een deel de Zelfstandigenwet te ruim vindt en een ander deel juist niets ziet in die verplichtingen.

Daar heeft Aartsen nog even de tijd voor. Hij gaat eerst aan de slag met het rechtsvermoeden en de BAZ. Daarbij moet die Zelfstandigenwet – nu nog een initiatiefwet van de Kamer – eerst nog overgedragen moeten worden van de Kamer naar het ministerie zodat het verder uitgewerkt kan worden. “Ik zal de initiatiefnemers binnenkort bij mij op het ministerie uitnodigen met de simpele vraag — dit zeg ik met een knipoog — of ik mijn wet terug mag. Dan kunnen wij er namelijk mee aan de slag.”

Geplaatst in ZP en Politiek | Tags , , | 2s Reacties

Zzp’ers verdienen meer dan ooit, maar zorgen nemen toe

Nederlandse zzp’ers staan er begin 2026 financieel stevig voor. Het gemiddelde uurtarief ligt op 83 euro per uur en de gemiddelde winst stijgt naar 61.570 euro per jaar. Tegelijkertijd nemen de zorgen over regelgeving sterk toe. Inmiddels maakt 52 procent van de zzp’ers zich zorgen over de impact van regels zoals de Wet DBA en de mogelijke Wet VBAR. Dat is bijna een verdubbeling ten opzichte van vorig jaar (29%).

Dat blijkt uit het jaarlijkse onderzoek van Knab naar de financiële positie en verwachtingen van zzp’ers, dat voor het derde jaar op rij werd uitgevoerd onder ruim 20.000 zelfstandig ondernemers. De cijfers per beroep zijn gebundeld in het Knab Zzp Uurtarievenboekje 2026.

Zorgen over regelgeving

In de afgelopen twaalf maanden verhoogde 57 procent van de zelfstandigen het uurtarief, gemiddeld met 9 procent. Slechts 2 procent verlaagde het tarief, terwijl de rest het gelijk hield. Het gemiddelde uurtarief komt daarmee begin 2026 uit op 83 euro per uur (2025: € 81) en de gemiddelde winst in 2025 op 61.570 euro, een stijging van 2 procent ten opzichte van het jaar daarvoor. Tegelijkertijd neemt het vertrouwen in het ondernemerschap in Nederland af. 48 procent kijkt nu positief naar de toekomst van ondernemen in Nederland, tegenover 55 procent een jaar eerder.

“Wat opvalt is het contrast in de cijfers,” zegt Oskar Barendse, financieel expert bij Knab. “Veel zelfstandigen hebben hun bedrijf financieel goed op orde. De meerderheid verhoogt het tarief en verdient meer dan een jaar geleden. Tegelijkertijd zien we dat de zorgen over regelgeving en het ondernemersklimaat duidelijk toenemen. Ondernemers maken zich minder zorgen over hun eigen bedrijf, maar meer over de omstandigheden waarin ze moeten ondernemen.”

Meer dan helft verhoogt uurtarief

De belangrijkste redenen voor een tariefverhoging zijn:

  • stijgende kosten (72%)
  • meer ervaring of expertise (53%)
  • periodieke prijsverhogingen (29%)
  • toenemende vraag (26%)

Vraag blijft hoog

Ondanks de groeiende zorgen over regelgeving blijft de vraag naar zelfstandigen groot. 82 procent van de zzp’ers geeft aan veel vraag naar werk te ervaren. Dat is iets minder dan vorig jaar (84%), maar nog altijd een ruime meerderheid. Ook het vertrouwen in de eigen onderneming blijft hoog: 84 procent kijkt positief naar de toekomst van het eigen bedrijf.

Volgens Barendse laten de cijfers zien dat het beeld van de zzp-markt soms te eenzijdig wordt neergezet: “De discussie over zzp’ers gaat tegenwoordig vooral over onzekerheid en regelgeving. Die zorgen zijn er ook en nemen toe. Tegelijkertijd laten deze cijfers zien dat de vraag naar zelfstandigen nog steeds hoog is en dat veel ondernemers financieel sterk staan. Het is belangrijk om beide kanten van dat verhaal te zien.”

Verschillen tussen sectoren

De verschillen tussen sectoren zijn groot. In de juridische sector ligt het gemiddelde uurtarief met 146 euro het hoogst, gevolgd door de overheid (106 euro) en zorgprofessionals met een masteropleiding (105 euro). Aan de onderkant liggen sectoren als horeca (49 euro), sport & recreatie (54 euro) en kunst & cultuur (65 euro). Ook de financiële ruimte verschilt sterk per sector. In sectoren als ICT, finance en overheid geeft meer dan 90 procent van de zelfstandigen aan financieel makkelijk rond te komen. In sectoren zoals cultuur (67%) en persoonlijke dienstverlening (64%) ligt dat percentage duidelijk lager.

Genderkloof

Het onderzoek laat ook verschillen zien tussen mannen en vrouwen. Onder zzp’ers met een bachelor- of masteropleiding vragen mannen gemiddeld 13 procent hogere uurtarieven dan vrouwen met vergelijkbare opleiding en ervaring. Volgens het onderzoek hangt dat verschil deels samen met beroepskeuze en specialisaties, maar ook met verschillen in onderhandelingsvaardigheden.

Over het onderzoek

Het onderzoek is voor het derde jaar op rij uitgevoerd onder meer dan 20.000 zelfstandig ondernemers in Nederland, zowel klanten als niet-klanten van Knab. De samenstelling van de respondenten vormt een representatieve afspiegeling van de Nederlandse zzp-populatie, gebaseerd op CBS-gegevens. De resultaten zijn gebundeld in het Knab Zzp Uurtarievenboekje 2026, waarin tarieven, inkomsten en marktcijfers van 80 veelvoorkomende zzp-beroepen en circa 400 specialisaties zijn geanalyseerd. De vorige editie van het uurtarievenboekje werd door meer dan 100.000 zelfstandigen gedownload.

Geplaatst in ZP en Ondernemen | Tags , | 1 Reactie