"Exploring the future of work & the freelance economy"
SLUIT MENU

Kabinet : er komt geen volledig verlenging zachte landing

Kabinet legt wederom motie over zachte landing naast zich neer. Maar veel van de ‘zachte landing’ blijft in 2026 van kracht. Een overzicht.

Er komt geen volledige tijdelijke verlenging van de zachte landing. Dat heeft het kabinet aan de Tweede Kamer laten weten in reactie op verschillende moties die gisteren zijn aangenomen. Daarin werd onder andere in een motie van DENK kamerlid Ergin opgeroepen de periode van de zachte landing te verlengen tot 31 maart. Dat wil het kabinet dus niet doen.

Wel blijven belangrijke onderdelen van de zachte landing nog voor heel 2026 van kracht, waarmee de zachte landing ‘deels’ wordt verlengd.

“Het kabinet acht het, zoals ik gisteren in het debat ook heb aangegeven, na (…) onwenselijk om de zachte landing in 2026 volledig te verlengen,” aldus staatssecretaris Heijnen in een brief die hij mede namens minister Paul heeft gestuurd.

Maar om aan de wens van de Kamer tegemoet te komen worden er ook in 2026 geen verzuimboetes opgelegd en start de Belastingdienst in beginsel met een bedrijfsbezoek. Die toezegging deed de staatssecretaris gisteren in een debat al (zie hier).

“Pas vanaf 1 januari 2027 zullen ook deze elementen van de zachte landing komen te vervallen. Dit betekent dat, ten opzichte van 2025, vanaf 2026 wel vergrijpboetes kunnen worden opgelegd.” Heijnen zegt dat belangrijk te vinden, omdat die vergrijpboetes opgelegd kunnen worden in het geval van opzet of grove schuld. “Opzet of grove schuld onbestraft laten is zeer onwenselijk voor de belastingmoraal.”

Geen volledige verlenging

Het kabinet vindt een volledige verlenging van de zachte landing, ook al is het slechts voor een deel van 2026, geen goed signaal richting partijen die zich wel aan wet- en regelgeving houden, zo schrijven de bewindspersonen. “Na bijna tien jaar stilstand op het dossier is het belangrijk het ‘momentum’ in de markt vast te houden en samen de maatschappelijke beweging in gang te houden. Partijen die het goed doen, moeten we ondersteunen (…). Door een volledige verlenging van de zachte landing zullen de goede inspanningen van veel organisaties stagneren; zij krijgen te maken met een onaangekondigde koerswijziging die ‘goed gedrag’ ontmoedigt.”

Verder vindt het kabinet dat het volledig verlengen van de zachte landing juist partijen bevoordeelt die geen werk hebben gemaakt van de aanpak van schijnzelfstandigheid. “Het kabinet ziet zich hierin ook gesteund door de sociale partners, die hebben opgeroepen de uitvoering van het handhavingsplan arbeidsrelaties voort te zetten.”

Druk uit de Kamer

“De aangenomen moties van gisteren zijn zeker geen eindoverwinning, maar wél een duidelijk resultaat van parlementaire druk.” aldus Ergin (DENK) die in de debatten gisteren de tegenstand vanuit de Kamer regisseerde. Zijn motie wordt dus niet geheel uitgevoerd, net als een eerder motie in oktober. Toch klinkt hij niet ontevreden. “De huidige staatssecretaris is er nog maar even. Het is daarom ook een belangrijk signaal richting het nieuw te vormen kabinet: de Kamer laat zich niet zomaar met het kluitje in het riet sturen als het gaat om zzp’ers. Tegelijkertijd blijft ons doel om wettelijk te regelen dat zelfstandigen zonder boeteangst hun werk kunnen doen en zich niet iedere dag hoeven af te vragen of zij nog wel zelfstandige zijn.”

Nieuwe situatie vanaf 1 januari 2026

Geen volledige maar wel deels verlenging. Het lijkt wellicht vooral ook een woordenspel tussen Kamer en Kabinet. Feit is dat een aantal zaken ook na 1 januari 2026 blijven zoals het was; een aantal zijn net wat anders dan eerder aangekondigd.

Daarom een overzicht wat de situatie nu is:

  • De handhaving op schijnzelfstandigheid blijft bestaan zoals deze is. Dat was al zo in 2025 en feitelijk ook daarvoor. Leidend hiervoor zijn de negen Deliveroo criteria.
  • De Belastingdienst kan bij constatering van schijnzelfstandigheid een naheffing loonbelasting opleggen, met terugwerkende kracht tot 1 januari 2025. Dat is zo en blijft zo.
  • Daarnaast geldt voor opdrachtgevers/werkgevers dat zij bij geconstateerde schijnzelfstandigheid claims kunnen krijgen in het kader van pensioenrechten, cao-rechten, naleving van het minimumloon en eventueel andere rechten (denk aan bijvoorbeeld WW). Ook daarin verandert er niets. Hierbij moet nog wel worden opgemerkt dat de Belastingdienst niet over deze zaken gaat.
  • Ook in 2026 wordt er nog geen verzuimboete opgelegd. Verzuimboetes kunnen normaal gesproken worden opgelegd bij het niet indienen van een aangifte (aangifteverzuim), voor het te laat of te weinig betalen (betaalverzuim) of niet of te laat indienen van een correctie (correctieverzuim). Het gaat hier om relatief kleine toeslagen. Een betaaldverzuimboete bedraagt 3% van het bedrag van de naheffing. in uitzonderlijke gevallen kan dat oplopen tot 10%, met een maximum van € 6.709 (dat is nu het maximum) per aangifteperiode. Dergelijke boetes worden in 2025 en in 2026 dus nog niet opgelegd, daarna wel.
  • In 2026 kan er wel een vergrijpboete worden opgelegd; in 2025 kon dat nog niet. Een vergrijpboete, die ligt tussen de 10% en 100% van de naheffing, kan alleen worden opgelegd bij aantoonbare kwaadwillendheid. Dat zal rond schijnzelfstandigheid niet vaak het geval zijn, maar die optie is er vanaf 1 januari 2026 dus wel. Denk bijvoorbeeld aan situaties waarin een bedrijf waarschuwingen of eerdere aanwijzingen van de Belastingdienst geheel genegeerd hebben.
  • Waar het loonbelasting en de premie volksverzekeringen deel van de naheffing morgen worden teruggevorderd op de werkenden (het is immers zijn/haar inkomstenbelasting; al is iets gemakkelijker gezegd dan gedaan), mogen werkgeverspremies en de boetes niet verhaald worden.
  • Net als in 2025 gaat de Belastingdienst in 2026 in beginsel altijd starten met een ‘bedrijfsbezoek’. Dat is een wat lichter instrument waarin vooral oriënterend wordt gekeken en gesproken tussen een opdrachtgever en de Belastingdienst. Op basis van een bedrijfsbezoek kan geen naheffing worden opgelegd; dat kan alleen naar aanleiding van een ‘boekenonderzoek’. Na een bedrijfsbezoek kan er een waarschuwing worden gegeven, zodat een opdrachtgever weet dat er iets moet worden veranderd. Bij indicaties van stevige overtredingen kan er ook direct, of na een bedrijfsbezoek, alsnog een boekenonderzoek worden opgestart, waarna dus mogelijk een naheffing kan volgen. Deze situatie blijft in 2026 dus zoals deze in 2025 was.

Een en ander betekent dat het eerder deze maand gepubliceerde Handhavingsplan Arbeidsrelaties 2026 van de Belastingdienst zal worden aangepast.

Hugo-Jan Ruts is de oprichter van ZiPconomy. Hij is de algemeen directeur/uitgever van ZiPmedia en politiek verslaggever voor ZiPconomy. Bekijk alle berichten van Hugo-Jan Ruts

6 reacties op dit bericht

  1. Dat is precies de reden waarom al die ondernemers het land uit vluchten, al die politieke leiders maken er een bende van, totaal onbekwaam op vrijwel alle dossiers.

    Als zij er maar lekker warmpjes bij zitten met hun dikke salaris, wachtgeld en pensioen, kan de rest lekker stikken.

    Alleen omdat men dan paar miljoen kan krijgen uit die coronaherstelfonds, maar economisch schade loopt al in de miljarden.

  2. Men heeft het altijd over het mislopen van de werkgeverspremies. Volgens mij kan de BD niet meer naheffing opleggen dan max. €17.800 per ZZP-schijnzelfstandige. Dit bedrag omvat de verplichte betalingen van de Wg heffing ZvW, Awf, Aof, Wko en WGA premies over max. € 75.864,-. Daarboven worden er geen werkgevers premies meer berekend of afgedragen. Naheffing bedraagt dus ongeveer 10-12 euro/gewerkte uur. Het lijk mij dat veel Opdrachtgevers hier geen moeite mee zullen hebben om dit te moeten nabetalen. Of mis ik iets…

    • Wat je nog mist is dat een werkgever ook loonbelasting moet inhouden (‘voorheffing op de inkomstenbelasting’). Het inkomensbelastingdeel mag een werkgever (=ex-opdrachtgever) overigens verhalen op de werkenden (immers: het is belastingen die hij/zij moet betalen). Het is overigens wettelijk verboden om premies te verhalen.

  3. Hallo Hugo-Jan, Dat klopt, en dit had ik ook al in mijn overwegingen meegenomen. Wat voor mij echter niet geheel duidelijk was, is dat de Belastingdienst dit onderdeel opnieuw zou mogen heffen, terwijl over dezelfde werkzaamheden reeds belastingen zijn afgedragen door de zzp’er.
    Voor zover ik begrijp, is het uitgangspunt dat de Belastingdienst niet tweemaal belasting kan heffen en innen over dezelfde arbeidsprestatie. Dat zou immers betekenen dat de – te goeder trouw handelende – schijnzelfstandige het reeds betaalde bedrag zou moeten terugvorderen bij de Belastingdienst, om dit vervolgens weer te voldoen aan de (voormalige) opdrachtgever. Dit leidt tot aanzienlijke administratieve lasten voor alle betrokken partijen, waaronder de Belastingdienst zelf, hetgeen vanuit uitvoeringsperspectief weinig efficiënt lijkt.
    Juist daarom lijkt het mij zinvol om deze rekensom eens concreet in de praktijk uit te werken, zodat inzichtelijk wordt wat de netto-opbrengst van dit alles bij benadering daadwerkelijk is voor BV Nederland.
    Dit zou naar mijn idee ook één van de verklaringen kunnen zijn voor het trage tempo waarmee deze wetgeving tot stand komt en wordt geïmplementeerd.

    • Grootschalige naheffingen en mogelijk verhalen op werkenden is in deze natuurlijk wel een tamelijk onontgonnen terrein. Er hoeft natuurlijk nooit twee maal belasting betaald te worden. Zowel het constateren van schijnzelstandigheid (waarbij naar alle feiten en omstandigheden moet worden gekeken) en een naheffing (rekening houden met mogelijk reeds gedane aangifte) is in beginsel ook een zaak individuele beoordeling. In de zaak rond bouwbedrijf Van Gelder (zie oa https://www.zipconomy.nl/2025/12/forse-naheffingen-in-bouw-en-infra-vanwege-schijnzelfstandigheid/) met Boris Emmerig ook terecht op dat het nog maar zeer de vraag gaat of hier al echt gaat om een naheffing of toch mogelijk meer een indicatie (als waarschuwing en/of aanzet tot een schikking).
      Terug naar je vraag en praktijk: voor zo ver ik begrijp (ben geen fiscalist…): als er een definitieve aanslag IB is van de werkenden, dan is er niet veel aanleiding meer om een naheffing te doen, wat de belasting is betaald (je kan hooguit die aanslag wel weer heroverwegen omdat die mogelijk fout is, immers de werkende is geen ondernemer gebleken, maar laten we dat even rusten). Twee zaken zijn hier relevant: zzp’ers zijn in de regel niet zo vlot met aangifte, dus tijdstip tussen dan werk gedaan is en dat er een definitieve aanslag ligt, dat duur vaak wel een. Veel belangrijke: haheffingen kunnen niet verder terug dan 1 januari 2025 (ivm het handhavingsmoratorium); over dit lopende jaar ligt er sowieso geen definitieve aanslag. Daarbij opgemerkt: veel IB-ondernemers (eenmanzaaks) zullen via een voorlopige aanslag wedelijk al in het lopende jaar al inkomsten belasting afgedragen hebben, dat is allemaal ‘voorlopig’ (en voor zzp’ers met een BV zit het natuurlijk weer net even anders). Kortom: per individuele zaak als tamelijk complex; laat staan als het om grootschalige zaken gaat. Reden ook waarom ook de Belastingdienst zelf (zo is mijn beeld) op dit moment (in ieder geval achter de schermen) liever werkt met stevige waarschuwingen (in de hoop en verwachting dat men het voor de toekomst goed gaat regelen) dan naheffingen (om het in het verleden goed te krijgen).

    • Grootschalige naheffingen en mogelijk verhalen op werkenden is in deze natuurlijk wel een tamelijk onontgonnen terrein. Er hoeft natuurlijk nooit twee maal belasting betaald te worden. Zowel het constateren van schijnzelstandigheid (waarbij naar alle feiten en omstandigheden moet worden gekeken) en een naheffing (rekening houden met mogelijk reeds gedane aangifte) is in beginsel ook een zaak individuele beoordeling. In de zaak rond bouwbedrijf Van Gelder (zie oa https://www.zipconomy.nl/2025/12/forse-naheffingen-in-bouw-en-infra-vanwege-schijnzelfstandigheid/) met Boris Emmerig ook terecht op dat het nog maar zeer de vraag gaat of hier al echt gaat om een naheffing of toch mogelijk meer een indicatie (als waarschuwing en/of aanzet tot een schikking).
      Terug naar je vraag en praktijk: voor zo ver ik begrijp (ben geen fiscalist…): als er een definitieve aanslag IB is van de werkenden, dan is er niet veel aanleiding meer om een naheffing te doen, wat de belasting is betaald (je kan hooguit die aanslag wel weer heroverwegen omdat die mogelijk fout is, immers de werkende is geen ondernemer gebleken, maar laten we dat even rusten). Twee zaken zijn hier relevant: zzp’ers zijn in de regel niet zo vlot met aangifte, dus tijdstip tussen dan werk gedaan is en dat er een definitieve aanslag ligt, dat duur vaak wel een. Veel belangrijke: naheffingen kunnen niet verder terug dan 1 januari 2025 (ivm het handhavingsmoratorium); over dit lopende jaar ligt er sowieso geen definitieve aanslag. Daarbij opgemerkt: veel IB-ondernemers (eenmanszaaks) zullen via een voorlopige aanslag weldelijk al in het lopende jaar al inkomsten belasting afgedragen hebben, dat is allemaal ‘voorlopig’ (en voor zzp’ers met een BV zit het natuurlijk weer net even anders). Kortom: per individuele zaak als tamelijk complex; laat staan als het om grootschalige zaken gaat. Reden ook waarom ook de Belastingdienst zelf (zo is mijn beeld) op dit moment (in ieder geval achter de schermen) liever werkt met stevige waarschuwingen (in de hoop en verwachting dat men het voor de toekomst goed gaat regelen) dan naheffingen (om het in het verleden goed te krijgen).

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *