Schijnzelfstandigheid vastgesteld? Dit zijn de fiscale gevolgen voor zzp’ers. Geplaatst 7 januari 2026 door ZiPredactie Op 1 januari 2025 is het moratorium op de handhaving van de juiste kwalificatie van arbeidsrelaties afgelopen. Dat betekent dat vanaf dat moment de Belastingdienst bij werkgevers/opdrachtgevers weer naheffingen loonbelasting en premies kan opleggen als de fiscus vindt dat ingehuurde zzp’ers eigenlijk schijnzelfstandigen zijn en als werknemers gezien moeten worden. Het jaar 2025 werd gebruikt als overgangsjaar: een ‘zachte landing’ om te wennen aan een situatie waarin handhaving weer volledig onderdeel is van de reguliere controles door de Belastingdienst. Die zachte landing geldt grotendeels ook voor 2026. Maar dat betekent zeker niet dat er minder gecontroleerd wordt en ook niet dat er geen naheffingen aan opdrachtgevers kunnen worden opgelegd. Een uitgebreide uitleg over wat de handhaving in 2026 betekent voor opdrachtgevers lees je in dit ZiPconomy-artikel. Er is al veel geschreven over de mogelijke gevolgen en risico’s voor opdrachtgevers, maar wat zijn nu de mogelijke gevolgen voor de werkende zelf, en dan met name op fiscaal gebied? De Belastingdienst heeft daar recent een webpagina over samengesteld (zie hier). Dat is meteen een mooie aanleiding om het een en ander op een rij te zetten, met net iets wat meer uitleg en context. Handhavingsmoratorium niet voor zzp’er zelf Eerst even een paar zaken vooraf: De Belastingdienst richt zich bij de controles op schijnzelfstandigheid op opdrachtgevers, niet op zzp’ers. De handhavingsstrategie en uitgebreide controlecapaciteit (circa 80 fte) van de Belastingdienst is volledig gericht op de vraag of werkgevers/opdrachtgevers juiste en volledige aangiften loonheffingen hebben gedaan. Werkgevers/opdrachtgevers moeten bijvoorbeeld bij werknemers loonbelasting inhouden, bij zzp’ers niet. Het handhavingsmoratorium geldt uitsluitend voor werkgevers/opdrachtgevers, niet voor zzp’ers zelf. Ook zzp’ers worden steekproefsgewijs gecontroleerd, maar dan in het kader van een reguliere controle van de aangifte. Indien de Belastingdienst bij zo’n controle constateert dat iemand ten onrechte aangifte heeft gedaan als ondernemer, kan de Belastingdienst de aangifte corrigeren en bijvoorbeeld de zelfstandigenaftrek niet toepassen. Die correcties kunnen ook betrekking hebben op jaren vóór 2025. Voor zzp’ers was er immers geen handhavingsmoratorium. Daarin is niets veranderd. Gevolgen belastingen bij schijnzelfstandigheid Wat nu als er na een controle bij de opdrachtgever(s) door de Belastingdienst geconstateerd wordt dat de opdracht (met terugwerkende kracht) gezien moet worden als een dienstverband en er dus sprake is van schijnzelfstandigheid? De Belastingdienst legt een naheffing op voor verschuldigde loonbelasting/premies volksverzekeringen en werkgeverspremies. Na 2026 kan daar een (verzuim)boete bovenop komen. Zo’n naheffing geldt alleen voor de periode na 1 januari 2025 (immers: daarvoor gold het handhavingsmoratorium). De werkgever/opdrachtgever mag die loonbelasting en premies volksverzekeringen vervolgens verhalen op de werkende. Niet onlogisch: het gaat immers om belastingen die de werkende zelf moet betalen over het inkomen. Werkgeverspremies en eventuele boetes mogen overigens niet worden verhaald. Als uitzondering mag de werkgever/opdrachtgever wel vragen om vijftig procent van de premie Werkhervattingskas (Whk) terug te betalen en kan hij/zij vragen om de belastingrente terug te betalen. Indien je als zzp’er nog geen belasting hebt betaald, dan mag je het bedrag dat de werkgever/opdrachtgever heeft ‘verhaald’ vanzelfsprekend verrekenen bij de aangifte inkomstenbelasting. Je hoeft niet twee keer te betalen. Je moet die aangifte dan alleen wel doen als werknemer, niet als ondernemer (of in ieder geval voor het deel van de aangifte dat gaat over deze werkzaamheden). Immers: de Belastingdienst vindt, in ieder geval voor deze specifieke opdracht, dat je werknemer was en geen ondernemer. Indien je als zzp’er wel al belasting hebt betaald en een definitieve aanslag inkomstenbelasting hebt gekregen, dan zal de opdrachtgever geen naheffing loonbelasting/premies volksverzekeringen krijgen (wel voor wat betreft de premies werknemersverzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw, de Zorgverzekeringswet). Immers: er is al belasting betaald. De belastingen hoeven dus ook niet verhaald te worden op de werkende. Nieuwe belastingaanslag De vraag is alleen: is door de werkende de juiste belasting betaald? Wie aangifte doet als IB-ondernemer (bijvoorbeeld met een eenmanszaak), mag bedrijfskosten aftrekken en komt in aanmerking voor zaken als de zelfstandigenaftrek, investeringsaftrek en de mkb-winstvrijstelling. Een werknemer mag dat niet. Als achteraf geconstateerd wordt dat iemand werknemer was en geen ondernemer, is een logisch gevolg dat er opnieuw naar de aangifte gekeken moet worden. Een nieuw feit kan leiden tot een nieuwe beoordeling en eventuele navorderingsaanslag. De werkende had immers geen recht op bijvoorbeeld de zelfstandigenaftrek en mkb-winstvrijstelling en mocht ook geen kosten aftrekken. De nieuwe beoordeling zal in veel gevallen dan ook leiden tot een hogere nieuwe aanslag, met eventueel een verzuimboete voor het doen van een onjuiste aangifte en/of het te laat of te weinig betalen. Aan de andere kant: werknemers betalen geen premie Zvw (dat doet de werkgever), maar een zzp’er betaalt die zelf. Bij een (her)berekening van de inkomstenbelasting is dat voor de ex-zzp’er een financieel voordeelt. Maar dat zal in de regel minder zijn dan het ‘verlies’ vanwege het wegvallen van de fiscale voordelen. Overigens: voor een eventuele herbeoordeling van de aangifte van de werkende geldt het handhavingsmoratorium niet (dat was immers alleen voor werkgevers/opdrachtgevers). Dus in beginsel kan een controle op schijnzelfstandigheid leiden tot de situatie dat een werkgever/opdrachtgever geen naheffing opgelegd krijgt over de periode vóór 2025, maar de werkende over die periode wel een nieuwe (lees: hogere) aanslag kan krijgen voor de jaren vóór 2025. Meerdere opdrachtgevers? Wat nu als je als echte ondernemer meerdere opdrachtgevers hebt en er bij slechts één van je opdrachten wordt gesteld dat deze in loondienst was? In sommige gevallen mag je die specifieke opdracht (in loondienst) toch meetellen als ondernemersactiviteit voor de inkomstenbelasting, bijvoorbeeld ook om te komen tot het urencriterium dat geldt voor de zelfstandigenaftrek. Dat mag alleen als het werk van de opdracht in loondienst sterk samenhangt met het andere werk dat je wel als ondernemer doet én die opdracht in loondienst ondergeschikt is aan het werk dat je als ondernemer doet (bijvoorbeeld bij een kleine opdracht). Deze regeling is overigens niet nieuw. Opeisen van werknemersrechten Voor een deel van de werkenden zal gelden dat zij blij zijn als de Belastingdienst constateert dat er gewerkt werd in een schijnconstructie. Mogelijk wilden zij ook liever in loondienst werken. Het beeld is wel dat het gros van de zzp’ers dat niet wil. Voor beide groepen ontstaat er bij geconstateerde schijnzelfstandigheid een aparte situatie. Wanneer de Belastingdienst stelt dat er werk niet ‘buiten dienstbetrekking’ gedaan had mogen worden, dan wil dat nog niet automatisch zeggen dat iemand ook ‘in loondienst’ is. Daar gaat de Belastingdienst niet over; het is vooral een arbeidsrechtelijke kwestie die primair speelt tussen de werkgevende en de werkende. Daarbij speelt onder meer een rol of iemand op het moment van constatering nog steeds actief is bij de opdrachtgever. Maar los daarvan geldt dat als de Belastingdienst deze constatering heeft gedaan, de werkende wel een stevigere zaak heeft om de rechten die bij een werknemer horen op te eisen. Denk daarbij aan vakantiegeld, vakantiedagen, pensioen en mogelijke andere (cao-)rechten. En: ook voor deze rechten geldt het handhavingsmoratorium niet. En wordt de soep zo heet gegeten? Eind 2025 kwamen de eerste berichten over opgelegde naheffingen (zie hier) naar buiten. Het is te verwachten dat dit vaker gaat gebeuren dit jaar, waarbij het ook altijd goed is te realiseren dat dit uiteindelijk maar om een klein deel van alle zzp’ers zal gaan. Maar toch. Gaan dit soort gevallen inderdaad leiden tot ook grootschalige herbeoordelingen van reeds gedane aangiftes van zzp’ers? Dat valt te bezien. Als er nu naheffingen worden opgelegd, dan is dat over 2025. Een jaar waarover nog geen aangifte is gedaan. Wanneer de Belastingdienst verder terug gaat kijken, dan zullen ze vooral reeds afgehandelde aangiftes van zzp’ers moeten bekijken. Dat is nogal tijdrovend en ook niet in de geest van de toegezegde zachte landing. Bovendien trekt de Belastingdienst dan een doos van Pandora open. Een ex-zzp’er die over enkele jaren voor 2025 ineens zijn/haar fiscale voordelen moet inleveren, zal mogelijk sneller geneigd zijn om over die jaren dan ook maar de (financiële) rechten als werknemer op te gaan eisen. De gevolgen voor de btw bij geconstateerde schijnzelfstandigheid is weer een ander onderwerp. De Belastingdienst komt daar later met meer uitleg over, dan zullen wij vanzelfsprekend ook over berichten. Geplaatst in ZP en Ondernemen | Tags belastingen, schijnzelfstandigheid, wet dba, zzp | 5s Reacties
Professioneel inhuren en zzp: 8 voorspellingen voor 2026 Geplaatst 6 januari 2026 door ZiPredactie Ruim baan voor zelfstandigen in 2026 Connie Maathuis, voorzitter Vereniging Zelfstandigen Nederland (VZN) Wij verwachten dat het nieuwe kabinet eindelijk kiest voor duidelijkheid over zelfstandig ondernemerschap. Wie als zelfstandige verantwoordelijkheid neemt voor eigen risico’s moet vrij kunnen ondernemen, zonder voortdurende onzekerheid. Minder regeldruk en wetgeving die uitvoerbaar is, gecombineerd met erkenning van zzp’ers als volwaardige pijler van de arbeidsmarkt: op die manier wordt 2026 een goed jaar voor de zelfstandigen. hh De eerste maanden van 2026 zijn in nevelen gehuld Sem Overduin, Manager Public Affairs bij HeadFirst Group De geschiedenis herhaalt zich, want in 2024 was de titel van mijn voorspelling hetzelfde. Destijds werd er in Den Haag ook druk geformeerd. We zitten nu min of meer in eenzelfde situatie: partijen zijn met elkaar in gesprek en het is nog onduidelijk in wat voor vorm er een kabinet komt. De eerste maanden van 2026 zijn opnieuw in nevelen gehuld, maar wat we wel weten: op 27 januari volgt een spannende uitspraak in de rechtszaak tussen FNV en Uber. Die datum kan dus rood omcirkeld in de agenda. Om toch een voorspelling te doen: het wetsvoorstel VBAR heeft in de huidige vorm onvoldoende steun in de Tweede Kamer, het motorblok van D66 en CDA heeft in hun agenda immers al de steun uitgesproken voor de Zelfstandigenwet. Dat schuurt, omdat dit wetsvoorstel eerst nog naar de Raad van State moet en het heel ingewikkeld is om dit voorstel voor 31 augustus 2026 in werking te laten treden (deadline voor het Herstel- en Veerkrachtplan). Er zijn dan twee realistische opties: (1) de VBAR en Zelfstandigenwet samenvoegen, of (2) het rechtsvermoeden losknippen van het VBA-gedeelte en dit per 1 juli 2026 invoeren. Dat laatste verdient de voorkeur, omdat er voor het rechtsvermoeden breed draagvlak is in politiek en polder. Hopelijk biedt dit, in combinatie met de handhaving (inclusief ‘zachte landing’) , voldoende comfort aan Brussel. Het blijft een zzpuzzel, waarover later in 2026 meer! Tweede Kamer stemt vóór een ‘verplichte AOV’ Cosmas Blaauw, oprichter Sharepeople Op 2 april beslist de Tweede Kamer over de BAZ. De verplichte AOV is in 2019 het pensioenakkoord in gerommeld en is sindsdien in ieder regeerakkoord opgetekend. Eigenlijk is er geen alternatief: honderdduizenden zzp’ers kunnen zich momenteel niet verzekeren of alleen tegen belachelijk hoge kosten. Maar in plaats van te spreken van een verplichting voor zzp’ers moeten we spreken over een verplichting voor het Verbond van Verzekeraars dat iedere zzp’er verplicht moet gaan accepteren. Zo houden we het UWV buiten schot. High-tech ontmoet high-touch Ron Bosma, oprichter en managing partner bij TalentIn De arbeidsmarkt van 2026 dwingt organisaties om hun workforce-strategie opnieuw uit te vinden. Nieuwe regelgeving, gelijkwaardige arbeidsvoorwaarden, strengere regels rond zzp-inhuur en de opkomst van autonome AI-agents maken het klassieke flexmodel onhoudbaar. Tegelijkertijd blijft skills-schaarste structureel en stelt Gen-Z nieuwe eisen aan werkgevers. In een wereld waarin onzekerheid het nieuwe normaal is, ontstaat een arbeidsmarkt waarin high-tech én high-touch elkaar versterken en waar alleen organisaties die tijdig anticiperen toekomstbestendig blijven. Dubbele druk op de arbeidsmarkt 2026 Albert Allmers, directeur FinanceFactor De arbeidsmarkt in 2026 blijft krap en candidate-driven, maar wordt tegelijk complexer en duurder voor werkgevers door strengere wet- en cao-regels voor flex, grotere compliance-risico’s rond schijnzelfstandigheid en oplopende arbeidskosten. Daardoor worden organisaties geconfronteerd met hogere personeelskosten en dunner wordende marges, tenzij strategische aanpassingen worden doorgevoerd. De krapte op de arbeidsmarkt blijft dominant: veel sectoren blijven kandidatenmarkt-gestuurd met structureel hoge vraag naar schaarse skills, waardoor salarissen en secundaire voorwaarden onder druk blijven staan. Verwachte nominale loon- en salarisdruk neemt af ten opzichte van pieken maar blijft positief in 2026, wat de kosten voor werkgevers structureel hoger houdt. Strengere handhaving van schijnzelfstandigheid en maatregelen richting zzp’ers hebben in 2025 al grote effecten gehad en blijven doorwerken in 2026. Veel opdrachten migreren van freelance naar (tijdelijke) inhuur via bureaus of vaste contracten, met hogere kostprijzen voor opdrachtgevers. Statement-of-Work (SoW)-achtige modellen worden vaker gevraagd door klanten, waarbij meer risico en verantwoordelijkheid bij de uitvoerende partij komt te liggen. Dit verhoogt projectkosten en operationele risico’s voor leveranciers en vereist betere prijsmodellen en risicobeheer. Inhuur is mensenwerk Monique Giepmans, directeur Haert In het nieuwe jaar moeten we de focus blijven leggen op waar het écht om gaat: de mens achter het werk. Je zou achter alle inhuurvraagstukken zoals compliance, kosten en schaarste haast het belangrijkste vergeten: het gaat om mensen. En niet alleen de mens achter het werk, maar ook alle stakeholders waar we als brokers en MSP’s mee te maken hebben. Het is toekomstproof om te investeren in de relatie en te zorgen dat iedereen in deze ketens op een prettige en werkgelukkige manier aan de slag is. Wat we aan de achterkant regelen om het compliant, prijsbewust en efficiënt te houden moet geen hoofdonderwerp zijn, maar puur ter ondersteuning van onze dienstverlening die menselijk en makkelijk is. Structurele verschuiving in inhuurmodellen Rémon van Buuren, beheerder PIFA-Monitor De sterke groei in aanbestedingen van broker/MSP-diensten (+41% in 2025) en de transitie van organisaties weg van DAS-constructies, wijzen op een structurele verschuiving in inhuurmodellen. In 2026 worden broker/MSP-diensten verder de standaard binnen (middel)grote organisaties. De trend zet door dat nieuwkomers positie innemen aan de onderkant van deze markt. Na veel discussie en bezwaren bereikt de inkoop van deze dienst een nieuwe fase van volwassenwording, met focus op compliance en kostenbeheersing. De wijzigingen in de uitzend-cao per 1 januari 2026, invoering van de WTTA en een normaliserende arbeidsmarkt creëren onzekerheid in traditionele prijs- en risicomodellen. Dit beïnvloedt de samenstelling van de leveranciersmarkt, waarbij bureaus zich sterker specialiseren in niche-arbeidsmarkten. Deze ontwikkelingen dwingen veel inleners tot een herijking van de sourcingsstrategie en contractafspraken. Externe inhuur krijgt een stem aan de directietafel Sonja Prins, business development lead Workforce Consulting De schaarste op de arbeidsmarkt blijft bestaan en de verwachting is dat er ook komend jaar geen kantelpunt naar de werkgevers ontstaat. We merken dat eind 2025 inhuur al meer zeggenschap aan de directietafel krijgt. De stem van (externe) inhuur blijft groeien in 2026, waarbij opdrachtgevers het steeds belangrijker vinden dat externe inhuur is ingericht als een volwassen, professioneel georganiseerd apparaat dat aantoonbaar bijdraagt aan organisatiedoelstellingen. Geplaatst in Professioneel inhuren | Tags externe inhuur, toekomst van zelfstandigen, voorspellingen | 1 Reactie
SNA-keurmerk is uitgebreid met nieuwe modules voor zzp-dienstverlening Geplaatst 5 januari 2026 door Bureau Cicero Het SNA-keurmerk is per 1 januari 2026 uitgebreid met twee nieuwe modules voor intermediaire dienstverlening met zzp’ers: Module Bemiddeling Module Tussenkomst Deze modules vormen samen de nieuwe SNA-norm Intermediaire Dienstverlening zzp, die op 12 november 2025 formeel is vastgesteld door Stichting Normering Arbeid. Voor de volledige uitbreiding van de normenset zie SNA-norm Intermediaire dienstverlening zzp. Het betreft de eerste sector breed gedragen norm voor intermediairs die werken met zzp’ers. Het is daarmee een echte mijlpaal in de verdere professionalisering van de markt. De urgentie was hoog aangezien per 1 januari 2026 de belastingdienst boetes gaat opleggen bij schijnzelfstandigheid en per 1 januari 2027 de Wet toelating terbeschikkingstelling van arbeidskrachten (WTTA) van kracht is. Deze wet zorgt ervoor dat alle uitleners met SNA-keurmerk automatisch overstappen naar het toelatingsstelsel. SNA wil in deze nieuwe werkelijkheid ook voor zzp-intermediairs een solide kwaliteitskader bieden. Sector brede samenwerking De totstandkoming van deze norm is het resultaat van intensieve samenwerking tussen SNA, NBBU, ABU, Bovib, en inspectie – instellingen. Bureau Cicero heeft vanaf het begin een actieve rol gespeeld in de werkgroepen die de nieuwe norm ontwikkelden. Daardoor kennen wij niet alleen de letter van de norm, maar ook de achterliggende bedoeling en de praktische uitvoerbaarheid. Deze betrokkenheid stelt ons in staat om organisaties gericht en effectief te toetsen op het nieuwe normenkader. Onze ervaring als inspectie-instelling heeft ertoe bijgedragen dat de uiteindelijke norm en het inspectieproces: Uitvoerbaar is gehouden en passend bij de praktijk; Realistisch en toetsbaar is; De kwaliteit verhoogt zonder dat het systeem onnodig bureaucratisch wordt; Een consistent normenkader is geworden desondanks uiteenlopende wensen van stakeholders. Het was geen eenvoudige opgave om al deze belangen samen te brengen, maar het is gelukt. Het resultaat is een norm die sterk is in kwaliteit en tegelijkertijd realistisch toepasbaar. Verplichte toetsing voor ZZP intermediairs Voor ondernemingen die al over het SNA-keurmerk beschikken en bedrijfsmatig zzp-dienstverlening aanbieden, geldt dat de nieuwe modules vanaf 1 januari 2026 verplicht onderdeel zijn van de inspectie. Belangrijk om te weten: De nieuwe norm ziet niet op kwalificatie van de arbeidsverhouding van de zzp’er; De norm richt zich wel op beheersmaatregelen, risicobeheersing en transparantie om fiscale en arbeidsrechtelijke risico’s voor opdrachtgevers van deze intermediairs te beperken; De definitie van zzp’er sluit aan bij de definitie in de norm (natuurlijk persoon die voor eigen rekening en risico werkt, zonder leiding en toezicht). Overgangsperiode tot 1 juli 2026 Hoewel de norm per 1 januari 2026 in werking is getreden, geldt tot 1 juli 2026 een overgangsperiode. In deze periode worden afwijkingen op de nieuwe modules nog niet bestraft en heeft het nog geen gevolgen voor de SNA – registratie. U kunt dit dan zien als een huiswerklijst om het op orde te krijgen. Dit halfjaar is bewust ingericht om intermediairs de tijd te geven hun processen en documentatie zorgvuldig in lijn te brengen met de nieuwe eisen. Wij ondersteunen u graag om deze periode optimaal te benutten. ZZP Bemiddeling Wanneer uw onderneming aan ZZP Bemiddeling doet dienen de normen voor ZZP bemiddeling beoordeeld te worden (zie toelichting van ZZP bemiddeling in een eerdere blog ZZP bemiddeling of toch niet? – Bureau Cicero). Van bemiddeling is sprake wanneer de bemiddelaar geen rol speelt bij het uitvoeren van de opdracht, maar uitsluitend de opdrachtgever en de zzp’er (vraag en aanbod) samenbrengt. In geval van bemiddeling door een bemiddelaar ontvangt de bemiddelaar een vergoeding voor de bemiddelingswerkzaamheden om de opdrachtgever en zzp’er bij elkaar te brengen en een eventuele vergoeding voor administratieve diensten. ZZP Bemiddeling bij NBBU Leden Bent u lid van de NBBU en liet u zich controleren op het ZZP bemiddelingskeurmerk van de NBBU dan komt dit keurmerk voor u te vervallen. Als u reeds bent ingeschreven in het register van de SNA dan hoeft u niets te doen, dan komen deze normen vanzelf aan bod tijdens uw eerstvolgende volledige SNA controle. Bent u nog niet in het bezit van het SNA keurmerk en daarmee nog niet ingeschreven in het register van de SNA, dan dient u zich aan te melden (zie link Stichting Normering Arbeid). Bij het formulier dat u invult geeft u vervolgens aan dat Bureau Cicero uw inspectie-instelling wordt. Wij zullen contact met u opnemen voor een offerte, mocht dit onverhoopt nog niet zijn gebeurd neem dan contact op middels contact@cicero.nl dan zorgen wij voor een naadloze overgang. ZZP Tussenkomst Wanneer uw onderneming aan ZZP Tussenkomst doet dienen de daarvoor bedoelde normen beoordeeld te worden. Van tussenkomst is sprake wanneer de dienstverlening van de intermediair er primair op gericht is om de opdrachtgever te ontzorgen bij het vinden van Zzp’ers voor het uitvoeren van een opdracht. De intermediair sluit hiervoor een overeenkomst met de opdrachtgever en een aparte overeenkomst met de zzp’er voor het uitvoeren van de werkzaamheden. De intermediair is daarbij de opdrachtnemer (leverancier) van de opdrachtgever en opdrachtgever (klant) van de zzp’er zonder dat de intermediair zelf uitvoerder is van de opdracht. Stroomschema indeling modules SNA Keurmerk Onderstaand stroomschema laat zien wanneer welke SNA-module van toepassing is. De modules TBA (Terbeschikkingstelling van Arbeidskrachten) en Aanneming van Werk maken al deel uit van het bestaande SNA-keurmerk. De uitbreiding betreft uitsluitend de nieuwe ZZP-modules: ZZP Bemiddeling en ZZP Tussenkomst. Normeisen De nieuwe modules bevatten een breed scala aan kwalitatieve en normatieve vereisten, waaronder: KVK inschrijving; Vergewisplicht Uitgevoerde werkzaamheden kloppen met de werkzaamheden waarmee de zzp’er zich profileert. Begin- en eindpunt als ook de opdracht concreet en duidelijk zijn geformuleerd; Identificatie- en verificatieprocedures omtrent het mogen het gerechtigd zijn tot het verrichten van arbeid in Nederland; Juiste gebruik en toetsing van “Belastingdienst” modelovereenkomsten; Borging van risico’s omtrent schijnzelfstandigheid (periodieke “ondernemers” toets, geen eerder dienstverband); Uitbreiding van dossiervereisten voor zzp’ers (KvK, ID, btw-nummer, posted workers, VOG, bedrijf- en beroepsverzekeringen); Informatievoorziening naar opdrachtgever en zzp’er aangaande de rechten, plichten en risico’s omtrent fiscale en arbeidsrechtelijke wet- en regelgeving; Procedure voor geschiktheid van de opdracht voor de zzp’er; Contractuele afspraken (debiteurenrisico, diensten, vergoedingen); Facturatie vereisten en het nakomen van afgesproken betalingstermijnen jegens de zzp’er; Vastlegging van beroepskwalificaties en deskundigheid van de zzp’er; Specifieke normeisen voor bemiddeling in de zorg, waaronder Inschrijving wettelijke registers zoals LRZa, BIG en AGB Vastlegging van wettelijke vereiste diploma’s en certificaten Wettelijke vereiste klachtenregeling. Zzp’ers in de keten Als de inzet van zzp’ers door de intermediair worden aangeboden middels een leverancier in de keten zal in de basis ook de leverancier die deze zzp’er aanbiedt moeten beschikken over het SNA-keurmerk. Extra inspectietijd vanaf 2026 De nieuwe modules brengen aanzienlijk meer inspectieactiviteiten met zich mee. De norm is gedetailleerder, kent een bredere reikwijdte en vraagt intensievere dossiervorming en toetsing. Het is daardoor onvermijdelijk dat de inspectietijd zal toenemen en daarmee ook onze inspectiekosten. De totale inspectietijd hangt af van: Welke modules op uw organisatie van toepassing zijn; Omvang en complexiteit van uw dienstverlening; Aantal zzp-dossiers dat binnen de steekproef valt (10 of 15 dossiers, afhankelijk van risicoprofiel). Wij informeren u binnenkort over de exacte impact op planning en tarieven. Wat betekent dit concreet voor uw organisatie? De introductie van de nieuwe SNA-normen vraagt om een andere manier van werken binnen uw organisatie. Veel intermediairs zullen merken dat bestaande werkwijzen niet meer volledig aansluiten. Daarom is het verstandig om nu alvast te beginnen met het bestuderen van de normen en deze stap voor stap toe te passen in uw dagelijkse praktijk. In veel gevallen betekent dit dat u uw documentatie en procedures moet uitbreiden en formaliseren. Denk aan het actueel en volledig maken van zzp-dossiers, het vastleggen van duidelijke controle- en verificatieprocessen, en het zorgvuldig inrichten van uw procedures rondom geschiktheidstoetsing. Ook het gebruik en de toetsing van de juiste modelovereenkomsten wordt belangrijker. Werkt u in de zorg? Dan krijgt u te maken met aanvullende eisen voor registratie, bekwaamheid en kwaliteit. Daarnaast moet u rekening houden met het feit dat de inspecties intensiever worden. De steekproeven worden uitgebreider, de norm vraagt om diepere dossiertoetsing en afwijkingen leiden sneller tot hersteltermijnen of vervolginspecties. In sommige gevallen volgt binnen 3 tot 6 maanden al een nieuwe beoordeling. Het loont dus om nu al processen onder de loep te nemen en waar nodig te verbeteren. Door tijdig te beginnen voorkomt u verrassingen tijdens de inspectie in 2026 en behaalt u de voordelen van een goed georganiseerd en betrouwbaar bemiddelings- of tussenkomstproces. Checklist Start vandaag met voorbereiden: Zijn alle zzp-dossiers compleet volgens de nieuwe norm? Is vastgelegd of uw dienstverlening kwalificeert als bemiddeling, tussenkomst of beide? Gebruikt u de juiste, beoordeelde modelovereenkomsten? Zijn controle- en verificatieprocessen intern vastgelegd én aantoonbaar uitgevoerd? Is de geschiktheidsprocedure per opdracht duidelijk beschreven? (Zorgsector) Zijn BIG-, LRZa-, AGB-registraties en bekwaamheden gedocumenteerd? Tot slot — Een gezamenlijk belang De uitbreiding van het SNA-keurmerk betekent een grote stap vooruit in professionalisering, transparantie en risicobeheersing binnen de zzp-markt. Het geeft opdrachtgevers meer zekerheid en helpt intermediairs zich te onderscheiden als betrouwbare en deskundige partner. We begrijpen ook dat deze impact kunnen hebben op uw bedrijfsvoering. Wij kijken er dan ook naar uit om u tijdens de inspecties bij te staan in deze overgang en samen te bouwen aan een duurzame zzp dienstverlenende markt. Lees ook: Het SNA-keurmerk in beweging: wat verandert er en waarom het nu tijd is om in actie te komen Geplaatst in ZP en Ondernemen | Tags Bureau Cicero, SNA-keurmerk | Laat een reactie achter
Het ZZP-dossier: vorm en inhoud gaan samen Geplaatst 4 januari 2026 door Joost van Ladesteijn Op 2 december 2025 maakten D66 en CDA als de twee toen formerende partijen kenbaar met het initiatiefwetsvoorstel de Zelfstandigenwet door te willen. Op 10 december 2025 gaven de verantwoordelijke bewindspersonen aan dat haast is geboden met de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden. Op 31 augustus 2026 dienen alle mijlpalen van de Herstel- en Veerkrachtfaciliteit (HVF) te zijn behaald om een korting oplopend tot € 600 miljoen te vermijden. Op 12 december 2025 lanceerde de Belastingdienst het Handhavingsplan arbeidsrelaties 2026. Daarin benadrukt zij onder andere dat per 1 januari 2026 een einde komt aan de zogenaamde ‘zachte landing’. Hoe nu verder? Stap 1: oplossen van de HVP-vergelijking Feitelijk fungeert het Nederlandse Herstel- en Veerkrachtplan (HVP) kortweg als een regeerakkoord. Er dient als mijlpaal nieuwe wetgeving rondom de beoordeling van arbeidsrelaties te komen. Stap 1 is voldoen aan het HVP door strikte codificering van de rechtspraak van de Hoge Raad. De voor de hand liggende oplossing (voor nu) is een tekst van de volgende strekking aan artikel 7:610 BW toe te voegen: Lid 2: “Of een overeenkomst als arbeidsovereenkomst moet worden aangemerkt, hangt af van alle omstandigheden van het geval in onderling verband bezien. Daarbij wordt aan de hand van de Haviltex-maatstaf vastgesteld welke rechten en verplichtingen partijen zijn overeengekomen. Indien deze rechten en verplichtingen voldoen aan de omschrijving van lid 1, wordt de overeenkomst als arbeidsovereenkomst aangemerkt, ongeacht de bedoeling van partijen. Bij de beoordeling kunnen onder meer van belang zijn: de aard en duur van de werkzaamheden, de wijze waarop werkzaamheden en werktijden worden bepaald, de inbedding van het werk en de werkende in de organisatie van degene voor wie wordt gewerkt, het bestaan van een verplichting tot persoonlijke arbeidsverrichting, de totstandkoming en inrichting van de contractuele verhouding, de wijze waarop de beloning wordt vastgesteld en uitgekeerd en de hoogte daarvan, het lopen van commercieel risico, alsmede de vraag of de werkende zich in het economisch verkeer als ondernemer gedraagt of kan gedragen. Tussen deze gezichtspunten bestaat geen rangorde; ook andere gezichtspunten kunnen gelden. De beoordeling kan mede betrekking hebben op omstandigheden die zich voordoen buiten de door de te kwalificeren overeenkomst beheerste verhouding of binnen een driehoeksverhouding. Het gewicht van een contractueel beding hangt mede af van de daadwerkelijke betekenis ervan voor de werkende.” Lid 3: “Indien na toepassing van het tweede lid niet voldoende duidelijk is hoe de overeenkomst moet worden aangemerkt, wordt deze als een arbeidsovereenkomst aangemerkt”. Stap 2: verbeteren kwaliteit datacollectie Ontdaan van de ‘HVP-vergelijking’ dient de borging van de kwaliteit van datacollectie significant te worden verbeterd voor evenwichtig inhoudelijk debat en zorgvuldige besluitvorming. Zogezegd dient de uitlegfase correct te worden doorlopen. Dit kan anders leiden tot onjuiste kwalificaties. Het toetsingskader betreft voor de praktijk effectief één A-4-tje met de enkele rechtsoverwegingen in vooral Deliveroo, Uber en Helpling. Ook de Toelichting Beoordeling arbeidsrelaties van de Belastingdienst beslaat effectief één pagina. Op basis van het geldende toetsingskader zou in 95 procent van de gevallen volstrekt duidelijk zijn of een arbeidsovereenkomst bestaat. Rechters passen in tientallen post-Deliveroo uitspraken zonder moeite het geldende toetsingskader toe. De Belastingdienst kan in de handhaving met 80 fte uit de voeten. Specialisten stellen dat de Hoge Raad in zijn laatste arresten niet duidelijker had kunnen zijn. Kortweg geldt bij het beoordelen van een overeenkomst tot het verrichten van werk tegen betaling een volgordelijke tweefasenleer: een uitlegfase, gevolgd door een kwalificatiefase. Daarbij geldt een holistische toets. In de uitlegfase wordt op basis van het algemene vermogensrecht (boek 3 en boek 6 BW, alsmede Haviltex) de overeengekomen rechten en verplichtingen vastgesteld. In de kwalificatiefase gaan de vastgestelde omstandigheden in de mal van de dwingendrechtelijke definities van de drie hier relevante bijzondere overeenkomsten: de arbeidsovereenkomst, de overeenkomst van opdracht en aanneming van werk (boek 7 BW). Uitleg en kwalificatie, definities met grijze gebieden, holistische toetsen, de trits loon/arbeid/gezag zijn historisch, multidisciplinair en internationaal juridisch doodgewoon. Daarom kan de Hoge Raad in Participatieplaats en Deliveroo ook verwijzen naar de uitleg en kwalificatie van een pachtovereenkomst. Bovendien is een holistische beoordeling vaste Europese rechtspraak: van geval tot geval moet worden beoordeeld aan de hand van alle elementen en omstandigheden die de verhouding tussen de partijen kenmerken of een overeenkomst als een arbeidsovereenkomst kan worden aangemerkt. ZZP’ers, intermediairs, opdrachtgevers en brancheorganisaties informeren zichzelf onvoldoende via primaire bronnen en beseffen onvoldoende dat volledige duidelijkheid niet bestaat, bij welke toets ook. Hierdoor blijven misverstanden in de markt bestaan, zoals dat de Belastingdienst met het einde van het handhavingsmoratorium verscherpt op de nieuwe Wet DBA zou handhaven. Brancheorganisaties redeneren frequent veeleer normatief. Daardoor waren diverse ter beoordeling voorgelegde zorgcasussen bij voorbaat kansloos. Er is onvoldoende juridisch een zaak bepleit op basis van het geldende toetsingskader. De Belastingdienst lijkt meer gewicht toe te kennen aan adviezen van A-G De Bock dan aan de overwegingen van de Hoge Raad ten aanzien van specifieke cassatiemiddelen. Ter voorkoming van verdere misverstanden: eindverantwoordelijkheid betekent niet per definitie gezag, in de uitlegfase is de partijbedoeling wel relevant, organisatorische inbedding en hetzelfde werk zijn niet doorslaggevend, extern ondernemerschap geldt niet bij een gelijkspelsituatie en is dus niet van ondergeschikte betekenis en feitelijke bepaalmacht is niet in driehoeksverhoudingen doorslaggevend. Daarnaast is bijvoorbeeld de vraag waarop het beoordelingsstramien van de zogenaamde zorgcasussen is gebaseerd. Wanneer uitsluitend met ZZP’ers wordt gewerkt, dan is het niet zo dat die omstandigheid meebrengt dat door de rechtsvorm heen dient te worden gekeken, wat volgens de wandelgangen het standpunt van de Belastingdienst zou zijn. De politiek vaart voor data collectie in belangrijke mate op de sociale partners, welke te maken hebben met afnemende representativiteit en voor nieuwe ZZP-wetgeving beperkt op onafhankelijke adviezen van ATR, de Afdeling advisering van de Raad van State of de Raad voor de Rechtspraak. Partijen herkennen zich niet eenvoudig in hulpmiddelen als het juistecontract.nl vanwege de sterke vereenvoudigingen van de werkelijkheid ervan. Stap 3: eenvoud, evenwicht, handhaving De verzamelde data van stap 2 dient effectief te kunnen worden ingezet. Dat vereist ‘checks and balances’, ‘governance and control’ in een uitvoerbaar stelsel. Een duurzame oplossing van het ZZP-dossier vereist daarmee dat breder wordt gekeken naar enerzijds het arbeidsrecht en anderzijds de arbeidsmarkt, zoals tevens kortweg volgt uit elk hier relevant rapport. Een toekomstbestendig arbeidsrecht De vraag is opgeworpen hoe vol de kerstboom van de arbeidsovereenkomst kan worden gehangen met beschermingsballen voordat de takken ervan gaan kraken. Afgelopen decennia is de arbeidsovereenkomst tot een vehikel voor allerhande overheidsdoelstellingen verworden. Het privaatrechtelijke arbeidsrecht staat onder druk (door het publiekrechtelijke arbeidsrecht). Het arbeidsrecht mag eenvoudiger, effectiever en evenwichtiger voor ook meer wendbaarheid, innovatie en maatwerk, en dus ook het aanpakken van de arbeidsmarktkrapte, arbeidsproductiviteit en het ondernemersklimaat. Tien contouren voor een toekomstbestendig arbeidsrecht: Fiscaliteit: de fiscale en civiele arbeidsovereenkomst dienen te worden gesplitst. De Belastingdienst dient tientallen jaren oude fiscale wetgeving toe te (kunnen) passen. Daarin zijn zij expert. De infrastructuur is er. Sociale zekerheid: het arbeidsrecht dient van het geprivatiseerde sociale zekerheidsrecht te worden ontward. In de kern ziet een groot deel van de arbeidsmarktproblematiek op de omgang met sociale zekerheid. Dat is een politieke vraag. Het antwoord daarop hoeft niet via het arbeidsrechtelijke systeem te lopen. Artikel 7:610 BW zo min mogelijk wijzigen: het privaatrechtelijke arbeidsrecht dient te worden versterkt. Dat brengt holistische toetsen mee. Daarmee kan de rechtspraktijk prima uit de voeten, zoals ook volgt uit vaste rechtspraak. Het recht bevat duizenden definities. Artikel 7:610 BW is één van de gemakkelijkste en bekendste. Artikel 7:611 BW als sleutelartikel: de importantie van artikel 7:611 BW dient te worden benadrukt. Daarmee kan artikel 7:613 BW en de Wet flexibel werken wordt geschrapt als overbodig, alsook het wetsvoorstel over het recht op onbereikbaarheid worden ingetrokken. Afschaffen preventieve ontslagtoets: de preventieve ontslagtoets dient te worden afgeschaft. Geen enkel ander OESO-land kent dit systeem. Hiermee wordt gelijktijdig ‘vast minder vast’ noodzakelijk ter voorkoming van waterbedeffecten. CAO: CAO’s zijn met honderden pagina’s over alle denkbare onderwerpen doorgeslagen. De materiele reikwijdte van CAO’s dient te worden gereduceerd tot de zogenaamde harde kern van arbeidsvoorwaarden, zijnde kortweg loon, werk- en rusttijden, arbo, vakantiedagen en gelijke behandeling. Het toetsingskader AVV vergt modernisering, zodat werkgevers bij financiële gelijkwaardigheid kunnen afwijken van een AVV bepalingen van een CAO. Representativiteitseisen dienen te worden verhoogd en eenduidig te zijn. Alle werknemers dienen te stemmen over CAO’s in plaats van enkel een achterban. Waarborg de onafhankelijkheid van vakbonden. Geen moratoria: elk systeem vergt handhaving en toezicht. Pas consequent het geldende toetsingskader toe. Een wezenlijke upgrade van de Webmodule Beoordeling Arbeidsrelatie met gebruikmaking van AI en het centraal publiceren van door de Belastingdienst beoordeelde casussen kan eenvoudig de hanteerbaarheid en kenbaarheid van het toetsingskader aanzienlijk vergroten. Dat herstelt de voorspelbaarheid en het vertrouwen. Hoge Raad: de Hoge Raad dient voor rust en voorspelbaarheid uitvoeriger verhoudingen tot rechtsbronnen te motiveren in arresten. Voor de praktijk essentiële zaken worden direct aan hem voorgelegd ‘in het belang der wet’. Elk jaar verschaft de Hoge Raad in haar jaarverslag tevens zo veel mogelijk duidelijkheid over de belangrijkste in de praktijk levende rechtsvragen. Onafhankelijke adviezen: onafhankelijke adviezen dienen meer gewicht in de schaal te leggen. Bij twee negatieve onafhankelijke adviezen wordt de behandeling van een wetsvoorstel gestaakt. Rechtswetenschap: de rechtswetenschap dient periodiek rechtspraakoverzichten met gezichtspuntenanalyses op een specifieke website van de rijksoverheid te plaatsen voor rust en voorspelbaarheid in de praktijk Een toekomstbestendige arbeidsmarkt Het vertrouwen tussen de actoren op de arbeidsmarkt staat onder druk. Het ZZP-dossier is in dat verband illustratief. Effectief alle actoren voelen zich in meer of mindere mate niet gehoord, zien zichzelf als oplossing, willen hun eigen (institutionele) positie versterken en lijken meer gericht op zelfbehoud dan fundamentele herziening. Het ZZP-dossier betreft niet zo zeer een juridische opgave. Het achterliggende bestuursmodel vereist veeleer herijking bij ook een heterogene arbeidsmarkt en een pluriforme samenleving. De Trias Politica verdient modernisering bij nieuwe machten, zoals de sociale partners, supranationale organisaties, consultancy, de media en universiteiten. Voorkomen dient te worden dat deze zogenaamde ‘schaduwmachten’ verknocht raken met de ‘klassieke machten’ en zo tot een arbeidsmarktverdeling komen bij verminderde representativiteit ten koste van in het bijzonder de burger en het MKB. Dat zou ten koste gaan van voorspelbaarheid op basis van consistentie, transparantie, respect en verantwoordelijkheid voor vertrouwen, vrijheid en harmonie. Tien contouren voor een toekomstbestendige arbeidsmarkt: Het micro-niveau van burgers, werknemers en ondernemers vergt ’empowering’. Een mensgerichte aanpak is geboden. Sociaal-culturele aspecten dienen leidend te zijn. Directere vormen van participatie en besluitvorming dienen te worden overwogen met open informatiedeling. Technologie kan hier positief worden ingezet. Het subsidiariteitsbeginsel dient strikt te worden nageleefd. Wetgeving en uitvoering dient zo dicht mogelijk bij de burger plaats te vinden. Zoveel vrijheid als mogelijk, zoveel gebondenheid als noodzakelijk. Enige schijn van belangenverstrengeling met enige andere (schaduw)macht dient te worden vermeden. Transparantie is in dit verband essentieel. De wetgevende en de uitvoerende macht, de regering en het parlement dienen meer gescheiden te opereren door versterking van onafhankelijke instanties en functies, waaronder de onafhankelijk toetsende taak van de Tweede Kamer, de rechter, de Raad van State, de Algemene Rekenkamer, de nationale ombudsman, maar ook (andere) adviserende overheidsinstanties, de journalistiek en universiteiten. SZW dient nadrukkelijk op te trekken met EZ op het terrein van de arbeidsmarkt. Voor onafhankelijke functies dient een substantiëringsplicht te gelden: ook standpunten van andere partijen dienen te worden weergegeven, alsmede de gronden waarop die zijn gebaseerd. Dat zorgt er tevens voor dat mensen zich gehoord voelen en voorkomt fragmentatie en polarisatie. De Tweede Kamer dient zich meer te richten op het functioneren van de overheid dan op actualiteiten in de media. Er dient meer aandacht te bestaan voor mensenrechten en Europese uitgangspunten. Systematische tussenlagen dienen te faciliteren en anders kritisch te worden herbezien op waarde. Zo ook de polder en managementlagen. Ook hoogste rechtelijke instanties dienen over zaken ‘in belang der wet’ sneller tot uitspraken te kunnen komen. Big corporates en een Big Overheid zijn ongewenst, evenals een zogenaamde ‘corporatocracy’: een maatschappijvorm waarin het management van de grote bedrijven samen met de politiek de agenda bepaalt. Overheid en markt dienen meer te worden onderscheiden. Overheidsactivisme dient te starten waar marktwerking stopt en andersom. De zogenaamde risico-regelreflex moet worden onderdrukt: via rechtspraak als het kan, via wetgeving als het moet. Mededinging dient te worden gestimuleerd. De overheid dient zelfredzaam te zijn ter voorkoming van wederzijdse afhankelijkheden van derden. Zij dient bij besluitvorming ook acht te slaan op het lokale en het globale, zodat ook internationaal unieke situaties worden voorkomen. Burgers en bedrijven zijn geen ‘little helpers’ of potentiële wetsovertreders. De overheid dient hen met vertrouwen te bejegenen als ‘menselijke beslisser’. Conclusie Met de voorgestelde aanvullingen van artikel 7:610 BW kan de ingezette handhavingskoers worden vervolgd en het kabinet zal dan moeten menen dat zij aan het HVP voldoet. Daarop kan worden gestart met adequate datacollectie om tot kwalitatieve besluitvorming te komen. Verkregen inzichten dienen effectief te kunnen worden ingezet. Dat vereist een eenvoudiger arbeidsrecht en een evenwichtiger arbeidsmarkt. Ook hier gaan vorm en inhoud hand in hand. De kwaliteit van het proces bepaalt de kwaliteit van de uitkomst. Geplaatst in ZP en Politiek | Tags arbeidsrecht, zzp | 7s Reacties
Maximumtarieven interim-managers in publieke sector gaan 6 procent omhoog Geplaatst 2 januari 2026 door Raad voor Interim Management Zoals elk jaar zijn maximale tarieven voor interim-managers in de (semi)publieke sector weer vastgesteld. De maximumtarieven liggen in 2026 6,4% hoger dan in 2025. Deze indexatie volgt standaard de gemiddelde stijging van de salarissen bij de overheid. Wet Normering Topinkomens In 2016 werd de Wet normering topinkomens (WNT) van kracht. De WNT, ook bekend als de Balkenendenorm, bepaalt wat het ‘bezoldigingsmaximum’ is. Deze geldt zowel voor topfunctionarissen in loondienst, als voor ‘topfunctionarissen zonder dienstbetrekking’, zoals interim-managers en andere externen. Voor zo ver ze tenminste actief zijn in sectoren die onder de WNT vallen zoals overheden en (semi)publieke sectoren als de zorg, het onderwijs en woningcorporaties. Nieuwe maximumtarieven vanaf 1 januari 2026 Het algemeen bezoldigingsmaximum voor het jaar 2026 is vastgesteld op € 262.000,- (inclusief belaste kostenvergoedingen en de pensioenbijdrage van de werkgever). Voor ‘topfunctionarissen zonder dienstbetrekking’ (zoals interim-managers) is de hoogte van het bezoldigingsmaximum afhankelijk van de duur van de functievervulling in kalendermaanden. Voor 2026 geldt het volgende: Voor de eerste zes maanden wordt gerekend met een maximum van € 34.800,- per (volledig) gewerkte kalendermaand (2025: € 32.700,-); Voor de tweede zes maanden wordt gerekend met een maximum van € 26.500,- per gewerkte kalendermaand (2025: € 24.900,-); en Daarnaast geldt voor de eerste twaalf gewerkte kalendermaanden een maximum uurtarief van € 250,- (2025: € 235,-). De maximum bezoldigingsnorm voor een externe komt daarmee in de eerste twaalf (volledig) gewerkte kalendermaanden in 2026 dus uit op € 345.600,-. Na twaalf maanden geldt voor ‘functionarissen zonder dienstbetrekking’ hetzelfde maximum dat geldt voor functionarissen in loondienst (dat is dus € 262.000,-) Aanpassing wet Verantwoordelijk minister Rijkaart (BBB) heeft aangekondigd dat hij voor de zomer van 2026 met een wetsvoorstel komt om de doelmatigheid van de WNT te vergroten. Dat naar aanleiding van eerdere evaluaties van de werking van de wet. De RIM heeft tijdens die evaluatie onder meer gepleit om de periode voor interimmers op te rekken naar 18 of 24 maanden, zodat het meer overeenkomt met de duur van opdrachten. Meer uitleg over de WNT voor interim-managers en een rekenvoorbeeld vindt u op deze kennispagina van de RIM. Geplaatst in Professioneel inhuren | Tags wnt | 2s Reacties