Maandelijkse archieven: oktober 2020

Flexkrachten vinden is lastig (als je geen strategie hebt)

De Staffing Groep liet onderzoek doen onder 1.032 Nederlandse HR-verantwoordelijken naar het vinden en binden van flexkrachten. Met een paar opvallende uitkomsten. Zo zegt zelfs 44% van de grote organisaties (> duizend werknemers) moeite te hebben met het vinden van goed flexibel personeel. En dat is een probleem, weet Wessel van Alphen, CEO van De Staffing Groep. “Het Nederlandse bedrijfsleven is voor een groot gedeelte afhankelijk geworden van de flexibele schil. Het vermogen om de juiste flexkrachten te vinden en te behouden is van cruciaal belang geworden voor het toekomstige succes van een organisatie.”

Waardering flexkrachten

Maar van alle ondervraagde HR-professionals geeft 21 procent toe geen duidelijke strategie te hebben voor de inzet van flexkrachten. Slechts de helft van de respondenten zegt wel een heldere strategie hiervoor te hanteren.

Flexkrachten worden binnen veel organisaties nog altijd anders behandeld dan vaste krachten – zelfs door HR, zo blijkt. Slechts 43 procent van de Nederlandse organisaties heeft de uiteindelijke doorstroom van flexwerkers naar een vast contract als belangrijk doel gesteld. En 18 procent van de ondervraagde HR-verantwoordelijken beschouwt werknemers met een flexibele arbeidsrelatie niet als een volwaardig onderdeel van hun organisatie. Een nog groter deel (twintig procent) stelt ronduit dat vaste werknemers van grotere waarde zijn voor hun bedrijf dan flexibele arbeidskrachten.

Dan is het ook niet zo verwonderlijk dat bedrijven moeite hebben met het aantrekken van flexibel personeel. Volgens Van Alphen doen organisaties zichzelf hiermee dan ook tekort. “Wanneer je als bedrijf flexkrachten al niet op waarde schat; hoe kunnen zij dan ooit tevreden zijn over hun eigen inspanningen? Een medewerker – flex of vast – die wordt gewaardeerd en het gevoel heeft écht onderdeel te zijn van het bedrijf waarvoor hij of zij werkt, zal uiteindelijk ook meer bijdragen.”

Onboarding

De gebrekkige aandacht voor flexibel personeel zie je ook terug bij de onboarding. Uit het onderzoek blijkt dat slechts zes op de tien HR-verantwoordelijken stellen dat flexkrachten binnen hun organisatie hierin voldoende worden meegenomen. Gevolg: ruim 40% van de HR-professionals vindt dat flexkrachten niet voldoende op de hoogte zijn van de bedrijfscultuur. Van Alphen: “Veel Nederlandse bedrijven hebben tegenwoordig uitgebreide onboardingprogramma’s voor nieuwe medewerkers. Dit geldt echter niet voor flexkrachten, die het geregeld met een beknopte uitleg en korte inwerkperiodes moeten doen. Uiteindelijk gaat het erom dat talent tot bloei komt, ongeacht hun arbeids- of contractvorm. Cruciaal is daarbij kaders en handvatten te bieden in de vorm van een gedeeld DNA. Niet alleen voelt iemand met een flexibel arbeidscontract zich dan eerder thuis, ook helpt het om over de gehele organisatie een consistent beeld uit te stralen richting opdrachtgevers.”

Een medewerker – flex of vast – die wordt gewaardeerd en het gevoel heeft écht onderdeel te zijn van het bedrijf waarvoor hij of zij werkt, zal uiteindelijk ook meer bijdragen
Wessel van Alphen (De Staffing Groep)

Total Talent Management (TTM)

De oplossing? Total Talent Management (TTM). Van Alphen: “Bedrijven moeten vanuit een holistisch oogpunt naar hun gehele personeelsbestand kijken. Centraal moet daarbij staan hoe ze door de inzet van zowel vaste- als flexibele medewerkers de strategische doelstellingen behalen.” Dit voeren van TTM vereist een heel andere aanpak. Vanuit de behoeften en ontwikkelingen van de organisatie brengt HR in kaart welke talenten, met welke competenties, nu en in de nabije toekomst nodig zijn, zowel vast als flex. (Vaak een vaste kern, aangevuld met gespecialiseerde flexkrachten.) Daarop is vervolgens de sourcing en recruitment gericht, waar er één (geïntegreerd) recruitmentproces is, voor zowel vast als flex. En dat geldt overigens ook voor de onboarding. Het vinden en binden van flexkrachten krijgt binnen TTM wel de aandacht die het verdient.

Praktisch probleem is dat de werving en selectie van vast personeel meestal bij HR ligt en dat de inhuur van flexkrachten (waaronder zzp’ers) vaak door Inkoop wordt gedaan. Twee gescheiden werelden die lastig te verenigen zijn. Investeren in TTM loont echter de moeite, stelt De Staffing Groep, die een whitepaper over TTM heeft uitgegeven. Door te zorgen dat je niet alleen een goede werkgever, maar ook een aantrekkelijke opdrachtgever bent, ben je als organisatie beter in staat talent (vast en flex) aan te trekken en te behouden.

Geplaatst in Professioneel inhuren | Tags , | Laat een reactie achter

“Alleen samen krijgen we zoveel mogelijk mensen aan het werk”

450.000 mensen zonder baan. En dat worden er nog meer. De vooruitzichten op de arbeidsmarkt zijn niet rooskleurig. Minister Koolmees stelt 1,4 miljard euro beschikbaar om mensen snel aan het werk te helpen.

Overal in Nederland werken mensen en organisaties samen. Laten we dat ook doen als het gaat om het aan het werk helpen van zoveel mogelijk mensen. Kabinet, werkgeversorganisaties, vakbonden, UWV, gemeentes, opleiders, re-integratiebedrijven, sociale werkplaatsen: alleen samen krijgen we zoveel mogelijk mensen aan het werk.

‘Mooi gezegd’, zult u denken? Maar wat kunnen de ABU en zijn leden bijdragen? ‘Mensen en middelen’ is dan mijn antwoord. UWV kan de grote aantallen gesprekken met kandidaten niet alleen aan. Onze leden stellen inmiddels intercedenten beschikbaar aan UWV om hen hierbij te ondersteunen. Een mooie vorm van samenwerken en publiek-private samenwerking in de praktijk. Zo eenvoudig kan het zijn.

Maar we kunnen meer. Vorige week hebben wij samen met NRTO en OVAL aan minister Koolmees, UWV en de VNG een aanbod gedaan om 100.000 loopbaangesprekken te voeren met evenzoveel werkzoekenden of mensen die hun baan dreigen kwijt te raken. Daarbij hoort ook voor  iedereen een arbeidsmarktprofiel  zodat hij/zij inzicht heeft in zijn/haar kennis, ervaring en vaardigheden. Ook staan er adviezen in voor om- of bijscholing. Uiteraard doen we ons uiterste best om mensen na een loopbaangesprek aan het werk te helpen. Want de banen die er zijn, zijn op dit moment te vinden bij de uitzendbureaus. Ook verzorgen we om- en bijscholing van uitzendkrachten. Vaak is een korte – praktijkgerichte – opleiding al voldoende om iemand weer aan het werk te krijgen.

Het geld dat het kabinet investeert is ook bedoeld om mensen met problematische schulden te helpen. Ook daarbij kunnen onze leden helpen. Veel uitzenders werken al met budgetcoaches.

En tegen criticasters die zeggen dat uitzenders alleen maar verdienen hieraan zeg ik: stop daarmee. Werk samen. Juist nu. Want alleen samen krijgen we zoveel mogelijk mensen aan het werk.

Geplaatst in Toekomst van Werk | Tags | 2s Reacties

SER: vrees voor platformeconomie onterecht. Rapport laat aantal vragen nog onbeantwoord.

Dat valt te concluderen uit het SER-rapport ‘Hoe werkt de platformeconomie?’ dat maandag is gepubliceerd. De Tweede Kamer heeft de SER in 2018 gevraagd onderzoek te doen naar de platformeconomie. Aanleiding daarvoor was een alarmerend ING-rapport destijds waarin werd voorspeld dat in de nabije toekomst een miljoen zzp’ers hun geld zouden moeten verdienen via platformen. Den Haag vreesde dat door de snel opkomende platformisering de arbeidsmarkt overstelpt zou raken door slecht betaalde zzp’ers, met grote sociaal-economische gevolgen. Maar daarvan is volgens dit SER-rapport vooralsnog geen sprake. “De waanzinnige spanning die de platformeconomie op de arbeidsmarkt zou geven, zien we nog niet”, zegt SER-voorzitter Mariëtte Hamer in het FD van maandag jl.

Omvang platformwerk klein

Enkele cijfers uit het rapport ter relativering van de omvang van platformwerk in Nederland. Volgens het rapport zouden er afgelopen jaar tussen de 25.000 en 34.000 ‘locatiegebonden’ platformwerkers zijn (0,3 tot 0,4% beroepsbevolking). Daarnaast telt ons land circa 60.000 online platformwerkers (0,6% beroepsbevolking).

De meeste platformwerkers hebben ook andere inkomstenbronnen. Twee derde van de platformwerkers combineren hun werk via het platform met ander betaald werk. Voor een kwart is platformwerk het hoofdinkomen en voor 10 procent is platformwerk het enige inkomen. Maar de meeste platformwerkers geven dus aan dat ze naast het werk dat ze via het platform doen een (fulltime) baan hebben en platformwerk erbij doen om hun inkomen aan te vullen. In driekwart van de gevallen wordt dit betaalde werk gedaan als werknemer, de rest doet het als zelfstandige.

Hugo-Jan Ruts, hoofdredacteur ZiPconomy, vindt het goed dat in het SER-rapport wordt benoemd dat de omvang van de platformen nog beperkt is. “Waar het echt schuurt beperkt zich vooralsnog tot een paar voorbeelden. De SER zet dat goed in perspectief.” Ook de vrees dat platformwerk ten koste gaat van ‘gewone’ banen blijkt volgens Ruts niet uit het rapport . “Het is merkwaardig dat een uitspraak van ING – die mede aanleiding was voor de Kamervragen die tot dit rapport hebben geleid – als waarheid wordt overgenomen en niet onderzocht wordt. Daar had de SER wel wat kritischer naar kunnen kijken.”

Gezagsrelatie

De SER ziet zeker ook positieve kanten aan arbeidsmarktplatformen. Commerciële platformen zoals Helpling of Clickworker bieden kansen: mensen kunnen snel aan werk komen. De SER waarschuwt ook voor de risico’s; lager opgeleiden die afhankelijk zijn van een platform werken soms voor (te) lage tarieven en moeten heel veel uren maken. Relevant daarbij om te weten is wat de arbeidsrechtelijke positie van de platformwerker is.

Volgens Hugo-Jan Ruts maakt het onderzoek terecht een onderscheid tussen platformen die puur vraag en aanbod bij elkaar brengen en platformen die ook invloed uitoefenen op wie, waar en hoe het werk vervolgens uitgevoerd wordt. (Dat laatste zou tot een gezagsverhouding leiden die een arbeidsovereenkomst impliceert.) “Wanneer je inzoomt op de vraag of een platform ook werkgever is, dan is dat alleen relevant voor platformen die – bijvoorbeeld via het algoritme – ook invloed uitoefenen op zaken als waar, wanneer en vooral hoe het werk wordt uitgevoerd. Dat is van belang voor de vraag in hoeverre er sprake is van een gezagsrelatie en daarmee voor de vraag wat de aard is van de arbeidsrelatie tussen platform en platformwerker.”

Maar voor zover het SER-onderzoek ingaat op de impact op arbeidsrelaties, wordt er volgens Ruts een wat al te eenvoudig onderscheid gemaakt tussen werknemer of zzp’er. “Was het maar zo eenvoudig dat dat de enige twee smaken in ons arbeidsbestel is. Zo zie ik het woord ‘fictief dienstverband’ in het hele rapport niet terug komen.” In zijn optiek blijft het SER-rapport een beetje hangen tussen een bredere verkenning van de platformeconomie en een verdiepend onderzoek naar waar de knelpunten zitten omtrent de arbeidsrelatie.  “Als je het dan toch veel over zelfstandigen hebt, dan had wat mij betreft het onderzoek ook nog wel aandacht kunnen besteden aan iets als het Dynamisch Aankoop Systeem, een manier waarop overheden mini-aanbestedingen doen en algoritmes een voorselectie maken. Ook dat gaat over het verdelen van werk.”

Platformen leggen volgens de SER ‘een vergrootglas op een aantal ontwikkelingen rondom het werken met zelfstandigen en de naleving van bestaande wet- en regelgeving’. De SER doet dan ook de aanbeveling aan de politiek om de arbeidsrelatie van de platformwerker duidelijk te maken; is het een zzp’er of een werknemer (die onder een CAO valt)? Dat onderscheid moet de politiek snel gaan maken want dat is belangrijk voor het nodige toezicht door de Belastingdienst en de Inspectie SZW.

We moeten niet uit het oog verliezen dat, zoals rapport schrijft, het merendeel van de mensen die werk verkrijgen via een platform hoger opgeleid zijn.

Hugo-Jan Ruts (ZiPconomy)

Geen bedreiging positie werknemers

Dat platformen de positie van werkenden ondermijnen, zoals de PvdA en FNV beweren, blijkt ook niet uit het rapport. Ruts: “We moeten niet uit het oog verliezen dat, zoals het rapport schrijft, het merendeel van de mensen die werk verkrijgen via een platform hoger opgeleid zijn. Daarbij geeft het rapport ook aan dat platformwerkers in ons land over het algemeen tevreden zijn over hun werk. Twee derde tot driekwart van de fysieke werkers zegt tevreden tot zeer tevreden te zijn, met name werkers in de maaltijdbezorging en huishoudelijke dienstverlening.”

Hij wijst er op dat het bij een aantal van de grotere platformen gaat om werk dat voor consumenten uitgevoerd wordt. “Daarbij speelt de vraag of iemand nu werknemer is of zzp’er helemaal niet. Wat een platform als Helpling, gericht op huishoudelijk hulpen, doet is niet zozeer van bestaande banen zzp-banen maken, maar voorheen informele economie deels formaliseren. Het vervangt niet werkgeverschap, het vervangt het prikbord in de supermarkt waar je vroeger je huishoudelijk hulp vond. Dat punt blijft onderbelicht.”

Het is goed dat er vanuit een brede coalitie met een brede blik naar platformen is gekeken.
Platformexpert Martijn Arets

Geen cherry picking

Opvallend is wel dat de SER – ondanks het eigen uitgebreide onderzoek verwoord in een 120-pagina’s tellend rapport – stelt dat er ‘nog onvoldoende basis is om harde uitspraken te doen over de impact van de platformeconomie op de totale economie en de arbeidsmarkt’. Platformexpert Martijn Arets begrijpt dat wel. “Het rapport geeft goed aan dat de kluseconomie breed is: dé platformwerker bestaat niet. Net als dat dé zzp’er of dé werknemer niet bestaat. Die verscheidenheid maakt het lastig om met concrete adviezen te komen: iedere situatie behoeft weer een specifieke aanpak. Het rapport gaat in op de kansen die platformen bieden: lage drempels om aan de slag te gaan en geld verdienen en veel flexibiliteit. Ook is er genoeg aandacht voor de nadelen.”

Arets heeft ook kritiek op het rapport. “Er is weinig aandacht voor de business platformen die online werk faciliteren en waar de freelancer een prima inkomen uit kan halen. Ook komen uitzendplatformen weinig aan bod.” Toch is hij over het algemeen tevreden met dit SER-rapport. “Het is goed dat er vanuit een brede coalitie met een brede blik naar dit onderwerp is gekeken. Laten we hopen dat nu niet iedereen – net als waar Borstlap met zijn rapport voor waarschuwde – gaat ‘cherry picken’ om eigen standpunten kracht bij te zetten zonder daarmee bij te dragen aan een constructief debat en ontwikkeling van platformwerk.”

Geplaatst in Toekomst van Werk | Tags , , | 5s Reacties

Onderzoek: flexibele schil krimpt, maar wendbaarheid blijft belangrijk

Nederlandse werkgevers verwachten dat ze over vier jaar een stuk minder gebruik maken van flexibele arbeidskrachten. In 2004 had het gemiddelde bedrijf een flexibele schil van 16%, in 2013 25% en in 2019 maar liefst 28%. Werkgevers verwachten dat ze in 2025 weer onder het niveau van 2007 zitten: 19% van hun personeel is dan niet in vaste dienst.

Dat blijkt uit onderzoek dat TNO begin dit jaar heeft uitgevoerd in opdracht van de Algemene Bond Uitzendondernemingen (ABU). De onderzoekers vroegen 737 bedrijven uit diverse sectoren naar hun inhuurbeleid en plannen voor de toekomst.

Grootste krimp bij bedrijven met de grootste flexschil

Waar komt die krimp vandaan? Eerst even wat nuance: de krimp komt van een beperkt aantal bedrijven, schrijven de onderzoekers. De afname van het aantal flexcontracten zien zij vooral bij bedrijven die anno 2019 een zeer grote flexibele schil hadden (51 tot 100%). Onder die flexibele schil vallen tijdelijke dienstverbanden, uitzendkrachten, detacheringscontracten, oproepcontracten en zzp’ers.

Maar de krimp die deze kleine groep verwacht is aanzienlijk. Zo’n 22% van de ondervraagde bedrijven verwacht in 2025 helemaal geen flexibele schil meer te hebben. Dit zijn voornamelijk bedrijven die anno 2019 al geen flexibele schil hadden. Meer dan de helft verwacht wel nog een flexibele schil van 25% of minder te hebben. 0,4% verwacht alleen nog maar te werken met flexibele contracten.

Hoogconjunctuur en de Wab

Hoe komt dat? Op het moment dat de werkgevers ondervraagd werden, ging het goed met de economie en was personeel schaars. Mensen in vaste dienst nemen was dus aantrekkelijker voor bedrijven. Ook nieuwe wet- en regelgeving (de Wet arbeidsmarkt in balans) speelde mee. Ongeveer de helft van de bedrijven verwacht door de Wab meer vaste contracten te geven, want ‘flex’ wordt duurder.

Tegelijkertijd hebben de bedrijven ook over vier jaar nog behoefte aan flexibiliteit. Eén op de drie bedrijven verwacht daarom vaker intern flexibel te organiseren, bijvoorbeeld door te werken met variabele roosters en deeltijdcontracten.

Tot nu toe: meer zzp-opdrachten en tijdelijke contracten

Hoe ging dat in het verleden? Het aandeel tijdelijke contracten (korter en langer dan 1 jaar) neemt sinds 2007 alleen maar toe. Ook het aandeel zzp’ers dat bedrijven inhuren werd groter: van 1,9% in 2013 naar 2,1 in 2019.

Het aandeel uitzendcontracten blijft door de jaren heen redelijk stabiel rond de 3%. Opvallend is dat het aandeel oproepcontracten wat is afgenomen, evenals het aandeel detacheringscontracten en payroll-contracten.

In onderstaande tabel zie je hoe bedrijven verwachten dat dit zich komende jaren ontwikkelt.

Bedrijven in alle sectoren verwachten voor 2025 een krimp van hun flexibele schil, maar de grootste afname werd verwacht in de bouw en de horeca. In 2025 zou de horeca naar verwachting nog steeds de grootste flexibele schil hebben, maar deze zou dan wel het meest zijn afgenomen: van 65% naar 42%. De financiële dienstverlening zou dan met 11% de kleinste flexibele schil hebben, gevolgd door de overheid en het onderwijs met 12%.

Effect van de coronacrisis

Het onderzoek werd uitgevoerd vóór de coronacrisis. Nu onder andere de horeca zo hard getroffen is door de maatregelen tegen het virus, zullen bedrijven hun verwachting waarschijnlijk bijstellen. Die was namelijk gebaseerd op hoogconjunctuur en schaarste aan personeel.

Uitzendbond ABU wil het onderzoek in 2021 nog een keer uitvoeren, om te zien wat het effect is van de coronacrisis. Flexexpert Wim Davidse besprak het onderzoek met TNO-onderzoeker  Sarike Verbiest deze week tijdens een webinar van de ABU. Verbiest verwacht dat werkgevers door de crisis nog meer inzetten op interne flexibilteit.

Davidse is het daar niet helemaal mee eens. Historisch gezien groeit de flexschil namelijk na een crisis, legt hij uit. Bedrijven zijn onzeker en willen dus zo flexibel mogelijk zijn. De verwachting die ze begin dit jaar hadden, zullen ze volgens hem waarschijnlijk bijstellen. En dat biedt volgens hem kansen voor uitzenders om zich te ontwikkelen tot leveranciers van wendbaarheid. Want dat is waar bedrijven nu en straks behoefte aan hebben.

Geplaatst in Toekomst van Werk | Tags , , , , , | Laat een reactie achter

Corona zorgt bij een op de drie medewerkers voor minder loyaliteit naar werkgever

De coronacrisis zorgt ervoor dat een derde van de Nederlandse medewerkers (32%) minder loyaliteit voelt naar hun werkgever. Dit blijkt uit ons jaarlijkse ‘What Workers Want’ (WWW) onderzoek onder meer dan 1.000 Nederlanders. Voor 4 op de 10 medewerkers wordt dit veroorzaakt door de slechte ondersteuning vanuit werkgevers tijdens de eerste coronagolf. In het WWW 2020-rapport geeft Hays weer wat de meest recente ontwikkelingen zijn op de arbeidsmarkt.

Uit het onderzoek blijkt ook dat bijna de helft van de medewerkers (46%) minder positief is over zijn of haar baan. Voor 31 procent van de Nederlandse medewerkers is de ondersteuning voor het fysieke en mentale welzijn vanuit de werkgever onder de maat. Volgens 28 procent is een vangnet op de werkvloer niet of gebrekkig aanwezig. De wensen van werknemers verschuiven, zeker post-COVID-19. Door de coronacrisis is het vangnet op de werkvloer voor 39 procent van de medewerkers belangrijker geworden, gevolgd door mentale steun (37%) en fysieke ondersteuning (31%). Het is een uitdaging voor werkgevers om snel op veranderende behoeften in te spelen om de terugloop van loyaliteit tegen te gaan.

Baanzekerheid

Verder blijkt uit het ‘WWW’-rapport dat naast loyaliteit, ook het gevoel van baanzekerheid terugloopt. 40 procent van de Nederlandse medewerkers twijfelden voor de coronacrisis al aan hun baanzekerheid. De toegenomen onzekerheid is een reflectie van de toenemende werkloosheid. In het tweede kwartaal van 2020 was het aantal werklozen met 72.000 toegenomen ten opzichte van het eerste kwartaal. Daarmee staat het totaal aantal werklozen op 349.000. Dit betreft 3,8 procent van de beroepsbevolking (cijfers CBS). Maar liefst 64 procent van de Nederlandse medewerkers geeft aan baanzekerheid nu belangrijker te vinden dan voor de coronacrisis.

David Trollope, Managing Director Hays Nederland: “De COVID-19-crisis heeft de kaarten op de arbeidsmarkt grondig door elkaar geschud. Plotsklaps is de arbeidsmarkt in een ‘werkgeversmarkt’ veranderd. Zowel werknemers als werkgevers kunnen de gevolgen nog geruime tijd blijven voelen. Zelfs nu de kandidatenvijver groter geworden is, zal een werkgever moeten beseffen dat de wensen van werknemers significant veranderd zijn, om ervoor te zorgen dat ze niet een kandidaat, maar de béste kandidaat aantrekken. En daarbij mag het bedrijf niet het bestaande personeel uit het oog verliezen, want wanneer dat dreigt te vertrekken, dweilt het bedrijf al snel met de kraan open. Om de achterdeur dicht te houden, zal het HR-beleid zich nog meer moeten focussen op de twee pijlers: ‘werving’ en ‘retentie’. Hierin is het van belang om het welzijn van bestaande werknemers niet uit het oog verliezen.”

HAYS onderzoek werknemerstevredenheid
Bron: HAYS “What workers want. the impact of COVID-19”

 

Het volledige ‘What Workers Want 2020’-rapport van Hays bevat nog meer cijfers, maar vooral ook aanbevelingen voor werknemers en werkgevers. ‘What Workers Want 2020’ onderzoekt wat de huidige en toekomstige impact is van COVID-19 op de arbeidsmarkt, bedrijven en werknemers. De survey stelt ons in staat om mogelijke barrières op te sporen, maar ook om kansen en bruikbare inzichten in kaart te brengen. Dit rapport is een werkinstrument voor werkgevers om mee aan de slag te gaan bij het opstellen of herzien van een modern en constructief HR-beleid.

Meer over ‘What Workers Want’: www.hays.nl/what-workers-want  

Geplaatst in Toekomst van Werk | Tags , | Laat een reactie achter

Marge flexleverancier bepalend bij aanbesteding – terecht of niet?

“Er zijn gelukkig organisaties die gewoon uitgaan van marktconforme tarieven voor bepaalde functies en de leverancier zelf de marge laten bepalen”, zegt Thijs Maters van intermediair Harvey Nash. Die partijen kijken naar het eindtarief, want het gaat hen uiteindelijk om de out-of-pocket kosten. Dat is wat zij moeten betalen. Voor de gehanteerde marges bieden zij meestal ruime bandbreedtes.

Marge leverancier leidend

Maar Maters komt in de praktijk ook aanbestedingen tegen waarbij de marge van de leverancier van extern personeel leidend is. “Die organisaties eisen bij hun aanbesteding dat de marges van de leverancier expliciet worden bekendgemaakt en de verschillen in marges zijn dan vaak beslissend bij de uiteindelijke gunning”, rekent Maters voor. “Want een marge van 5 euro in plaats van 2,50 euro voor bijvoorbeeld een functioneel beheerder die 80 euro per uur kost is in absolute zin niet zo veel, maar het relatieve verschil is 100 procent. En dat kost je heel veel punten. Een leverancier met een kwalitatief sterke dienstverlening, en dus een iets hogere marge, is dan al gauw kansloos.” (Het gunnen van een aanbesteding gebeurt op basis van puntentoekenning voor gunningscriteria, red.)

Die aanbestedende partijen zijn dus geïnteresseerd in de marge van de dienstverlening – in wat een leverancier verdient – niet in de prijs (eindtarief) die zij uiteindelijk moeten betalen. “En dat is gek”, zegt Maters. Want het komt volgens hem zeer frequent voor dat een leverancier met een hogere marge uiteindelijk een betere kandidaat tegen een gunstiger tarief vindt. Wat als een leverancier door goede sourcing kandidaten kan leveren die maar 75 euro per uur kosten in plaats van 80 euro? Dan bespaart hij de opdrachtgever geld, ook al is zijn eigen marge iets hoger. Of de leverancier vindt kandidaten die weliswaar een iets hoger uurtarief hebben, maar het gaat wel om ervaren topkandidaten die veel meer werk kunnen verzetten en daardoor eerder hun opdracht kunnen afronden. Per saldo is deze flexleverancier dan goedkoper voor een opdrachtgever. En dan kiest een aanbestedende partij toch voor de leverancier met de laagste marge, ook al is hij uiteindelijk duurder uit. Maters: “Inkopers veronderstellen vaak een één op één correlatie tussen de hoogte van de marge en de hoogte van het eindtarief. Maar die correlatie is er niet.”

Puur kijken naar marge vindt Maters een kwalijke zaak. “Het spreekt voor zich dat je een marktconform tarief moet hanteren, maar het moet niet zo zijn dat de opdrachtgever op jouw stoel gaat zitten en jouw businessmodel bepaalt. Dat is absurd. Je vraagt de aannemer die jouw huis gaat verbouwen toch ook niet hoeveel hij er precies aan verdient?”

Hybride variant

Dan zijn er ook nog hybride varianten, waarbij opdrachtgevers per uitvraag en/of per functie aangeven wat het maximale eindtarief mag zijn en er contractueel tevens afspraken gemaakt zijn over een maximale marge.

Deze maximale marge is dan vastgelegd in een maximale opslag in euro’s en een maximale opslag in percentages. Leveranciers lopen bij lagere eindtarieven tegen een maximum percentage aan en bij hogere eindtarieven tegen een maximale marge in euro’s.

Maters: “Eén van onze opdrachtgevers geeft per uitvraag een eindtarief mee waarvoor wij kandidaten mogen voorstellen. Daarnaast is contractueel afgesproken dat de maximale marge niet hoger mag zijn dan tien euro en niet hoger dan 15% van het eindtarief. Dat is een prima afspraak. Zo voorkom je woekermarges en bied je leveranciers tegelijkertijd wel ruimte om op hun eigen wijze invulling te geven aan hun dienstverlening. Op deze manier een aanbesteding in de markt zetten is een mooi voorbeeld van best value procurement.”

Uiteindelijk gaat het om het vinden van de juiste kandidaat op het juiste moment tegen het juiste tarief.
Thijs Maters (Harvey Nash)

Grote kwaliteitsverschillen

Maters’ grootste bezwaar tegen gunning op basis van de laagste marge is dat deze praktijk leidt tot verschraling op de markt. “Als het puur daar om gaat, dan winnen de prijsvechters die over het algemeen weinig toegevoegde waarde leveren. Zo stimuleer je leveranciers niet om beste, schaarse kandidaten te vinden.” Zo’n leverancier doet na de gunning volgens hem niet veel meer dan de aanvraag ontvangen, deze op een online marktplaats zetten en afwachten (post & pray). Daar is de opdrachtgever volgens hem niet bij gebaat. “Uiteindelijk gaat het om het vinden van de juiste kandidaat op het juiste moment tegen het juiste tarief. En met name op een krappe arbeidsmarkt is het de kunst om toch op alle aanvragen kandidaten te leveren.”

Volgens Maters wordt er echter te vaak voorbij gegaan aan de grote verschillen in kwaliteit tussen leveranciers van extern personeel. “Het is niet zo dat wij (leveranciers) allemaal hetzelfde doen en allemaal altijd dezelfde kandidaat leveren. Zeker niet als het gaat om schaarse professionals op een krappe arbeidsmarkt waar een war for talent woedt. Daar moet je kandidaten met de juiste expertise soms uit de krochten van de arbeidsmarkt zien te halen en een extra stap zetten om hen te interesseren voor een opdracht.”

Maters claimt dat Harvey Nash veel in sourcing investeert. “Recruitment is een vak apart, dat is onze sport. Wij hebben een groot team met ervaren recruiters, wij werken met videoplatformen en maken optimaal gebruik van de mogelijkheden die bijvoorbeeld LinkedIn biedt, zoals Recruiter Professional Services (RPS). Natuurlijk, dat kost geld, maar dat verdienen opdrachtgevers ruimschoots terug dankzij meer, betere en in veel gevallen goedkopere kandidaten.”

Helaas is er volgens hem bij het beantwoorden van een aanbesteding of Request for Proposal (RFP) vaak weinig gelegenheid om deze toegevoegde waarde te tonen. “Soms krijgen we bij een aanbesteding maar twee pagina’s om onze dienstverlening toe te lichten, terwijl dat toch de kern is – het echt kunnen vinden van de juiste externe capaciteit, de juiste kandidaten. De vragen bij een aanbesteding zouden veel meer daarop gericht moeten zijn.”


Olympia: aanbesteden op ‘gevoel en intuïtie’

Volgens Steven Gudde, directeur bidmanagement bij Olympia, is de wereld van bidmanagement veel te veel gericht op het proces van het aanbestedingstraject, de prijszetting van de dienstverlening. “Het is heel vreemd als je in de aanbesteding heel erg focust op alleen de besluitvormers. Want diegene aan wie je de dienst levert bestaat uit een veel grotere groep dan alleen deze besluitvormers. Het is daarom belangrijk om met verschillende stakeholders in gesprek te gaan om te achterhalen waar hun aandachtspunten en thema’s liggen. Ook binnen Olympia betrekken wij meerdere disciplines hierbij.” Als voorbeeld noemt Gudde de flexkrachten. “Zij zien dagelijks wat beter kan en komen met waardevolle suggesties. Daar moet je naar luisteren. En daarmee komen we in de aanbesteding met een gefundeerd verhaal en aanbod dat gestoeld is op bewijslast, dat in alle details aansluit op de dagelijkse praktijk van die mensen die er echt toe doen.” Bij het winnen en goed uitvoeren van een aanbesteding is volgens Gudde de relatie met de klant allesbepalend. Het is dus niet puur een centenkwestie. “Het draait om gevoel en intuïtie.”


Niet doorlenen

Maters zegt in de praktijk zelfs concurrerende partijen tegen te komen die deze dienstverlening – het ambacht recruitment – niet onder de knie hebben en met een heel lage prijs inschrijven op een aanbesteding om vervolgens bij Harvey Nash de aanvraag uit te zetten. “Daar doen wij sowieso niet aan mee, doorlenen via een andere partij. Wij vinden dat er maximaal één juridische schakel in de keten mag zitten.”

Inzicht in kostprijsopbouw

Gerco Rietveld, inkoopexpert/strategist. is het gedeeltelijk eens met Thijs Maters. Rietveld vindt dat er op zich niets mis is met het vragen naar marges bij aanbestedingen. “In de uitzendwereld, waar de uitzend-CAO geldt, is de marge al langer de enige variabele. De uurlonen van zzp’ers en gedetacheerden zijn veel minder inzichtelijk. De aanbesteder mag best meer inzicht krijgen in de kostprijsopbouw en dus ook de marge.”

(Maters plaatst hierbij de kanttekening dat uitzenden een compleet andere markt is dan de inhuur van professionals. “De uitzendmarkt kent geen schaarste en de werving verloopt heel anders. Dat de wijze waarop deze dienstverlening wordt ingekocht anders is, is dan ook logisch.”)

Niet puur op prijs inhuren

Rietveld is voor meer transparantie in kostprijsopbouw maar faliekant tegen het inhuren van mensen puur op basis van prijs (uurtarief + marge). “Dat zegt niets over de productiviteit. De ene zzp’er klaart de klus in honderd uur, de ander doet er tweehonderd uur over. Ik zou dus liever iemand op basis van resultaat inhuren dan op basis van inspanning.”

Net als Maters vindt Rietveld dat het inderdaad om het vinden van de juiste kandidaat moet gaan. En dus zou de toegevoegde waarde van de leverancier wel degelijk zwaar(der) moeten wegen.

Ik zou liever iemand op basis van resultaat inhuren dan op basis van inspanning.
Gerco Rietveld, inkoopexpert/strategist

Prijsdrukkend effect

De praktijk is echter vaak dat een aanbesteding wordt gedaan voor bijvoorbeeld ‘5.000 uur functie X of Y’ en dat de inkoper daar dan een contract voor afsluit. Niks kwaliteit, puur prijs. Rietveld vindt dat vooral HR zich dat moet aanrekenen. “HR-organisaties hebben de inhuur van derden te weinig aandacht gegeven. Zij hebben zich vooral gericht op hun eigen, vaste personeel en het aantrekken van extern personeel buiten beschouwing gelaten.” HR heeft zich dus door inkoop de kaas van het brood laten eten met als gevolg dat er een brokersmarkt is ontstaan waarop vooral op prijs wordt geconcurreerd. “De trend naar meer transparantie in tarieven heeft daarbij ook nog eens een prijsdrukkend effect”, stelt Rietveld. En daar schuilt volgens hem een gevaar in. “De echt goede zzp’ers die kwaliteit willen leveren, willen dan niet meer via zo’n broker werken, waardoor voor de aanbesteder de toegang tot de top van de markt wordt afgesloten.” Met te veel prijsconcurrentie snijden alle partijen zichzelf in de vingers.

Geplaatst in Professioneel inhuren | Tags , | 9s Reacties