Maandelijkse archieven: februari 2026

Zelfstandige zorgondernemers inhuren? Het kan wél als je het goed inricht

Als je iets maar vaak genoeg zegt, lijkt het vanzelf waarheid te worden. Zoals deze stelling: als zelfstandige binnen de muren van een zorginstelling werken, kan gewoon niet. Sinds de Belastingdienst werk maakt van handhaving op schijnzelfstandigheid, hoort Erik Biemond dit te pas en te onpas van zijn klanten. Zij horen het op hun beurt weer van de Belastingdienst. Of denken dat te horen.

Biemond is directeur van zzp-bemiddelingsbureau Biemond & Hoekman, gespecialiseerd in de inhuur van zelfstandige professionals in de gehandicaptenzorg. Zijn klanten dachten aanvankelijk dat veel zelfstandigen als gevolg van de handhaving in vaste dienst zouden komen. Met zijn bureau had hij daarop al voorgesorteerd: zelfstandige professionals konden bij hem overstappen naar detacheren of hybride werken.

Maar terwijl in een sector als de kinderopvang de zelfstandigheid zo goed als verdween, gebeurde dat in de zorg niet. “Iedereen heeft onderschat hoe trots zelfstandig zorgondernemers zijn op hun bedrijf. Ze hebben prettige samenwerkingen, voeren mooie projecten uit en worden teruggevraagd. De eigen regie en vrijheid willen ze helemaal niet opgeven.”

Een hoop verbeterpunten

En dus zit de zorg in een spagaat. Zorginstellingen zijn huiverig voor het werken met zzp’ers. Ze vinden het een risico en verkiezen vaak ook vaste dienst. Tegelijkertijd moet de zorg doorgaan en mogen er geen gaten in de roosters vallen. Dus nemen zorginstellingen het risico. Biemond liet vorig jaar zelf het risico op schijnzelfstandigheid onderzoeken onder zorginstellingen. De conclusie: zowel bij opdrachtgevers als zzp’ers valt er een hoop te verbeteren.

Om met de zzp’ers te beginnen: ze blijven te lang hangen bij dezelfde opdrachtgever, ziet hij. “Soms werken ze jarenlang op dezelfde afdeling, omdat ze het daar kennen en het leuk hebben. Ze gebruiken de spullen van de zorginstelling, omdat het lekker makkelijk is. En ze hebben niet, zoals de kwaliteitswet (Wkkgz) voorschrijft, een eigen kwaliteitssysteem, want dat is zoveel gedoe en niemand vraagt ernaar. Zzp’ers krijgen veel gezag en instructies vanuit het kwaliteitssysteem van de instellingen.”

Bij veel zorginstellingen is het inhuurproces evenmin afgestemd op het voorkomen van schijnzelfstandigheid. “Opdrachtgevers behandelen zelfstandigen alsof het werknemers zijn. Ze geven instructies hoe ze moeten werken, laten ze meedoen aan het afdelingsoverleg. Opdrachtgevers vragen niet naar het kwaliteitssysteem van hun zelfstandigen. Best gek eigenlijk. Hun eigen kwaliteitsplan nemen ze bloedserieus, maar bij de inhuur van zelfstandigen lijkt het er niet toe te doen.”

Essentieel voor zzp’ers: een eigen kwaliteitssysteem

De tijden dat er zo gewerkt kon worden, zijn voorbij, zegt Biemond. Als bemiddelaar heeft hij er baat bij om opdrachtgevers en opdrachtnemers zoveel mogelijk te faciliteren in het beperken van de risico’s. Hij stelde met een arbeidsrechtjurist een lange lijst met omstandigheden die wijzen op werken buiten dienstbetrekking (zie kader) en stuurde die naar zijn opdrachtgevers.

Voor zelfstandige zorgondernemers is de eerste vereiste een professioneel kwaliteitssysteem. “Vaak hebben ze een halfslachtig systeem, de aansluiting bij een klachtenprocedure, een paar losse certificaten. Maar een kwaliteitssysteem is veelomvattender. Het is een compleet handboek. Wat zijn je specialisaties, met welke doelgroep werk je, welke handelingen mag je doen, hoe ga je om met klachten, met privacy van cliënten, met incidenten, wat is het opleidingsplan.”

Om de opdrachtnemers te faciliteren, heeft zijn bureau een online kwaliteitssysteem opgesteld. Dit platform OZD begeleidt zorgprofessionals stap voor stap bij het opstellen en borgen van hun kwaliteitssysteem. “Daarmee ondervang je essentiële zaken. Zo maak je een gigantisch verschil met de inbedding. Want het werk is vaak wel ingebed in de zorg, maar de werker hoeft dat niet te zijn. Met dat eigen handboek toon je die zelfstandigheid aan.”

In het dossier zit nog een extra tool die het externe ondernemerschap kan aantonen: een omzetverdeler, waarin je de omzetspreiding bij meerdere opdrachtgevers kan zien. Maar ook hiervoor geldt: de opdrachtgever moet daar wel om vragen.


In de ZiPconomy WebinarWeek wordt op 12 maart om 12:00 uur het webinar : Zzp’ers inzetten: zo voorkom je schijnzelfstandigheid in 2026 geven. Aanmelden voor dit (en andere) gratis webinar kan via www.zipconomy.nl/webinarweek


Het kan wél

Als je het goed inricht, kan zelfstandigheid binnen zorginstellingen wél, is de stellige overtuiging van arbeidsrechtadvocaat en expert Joost van Ladesteijn. Dat het niet zou kunnen, menen opdrachtgevers vaak op te maken uit de voorbeelden die zijn ingediend door brancheorganisaties in de zorg en beoordeeld door SZW en de Belastingdienst.

De zorgverlening binnen zorginstellingen laat zich in algemene zin lastig verenigen met ondernemerschap, is het beeld dat opdoemt uit de beoordelingen. “Het ziekenhuis is eindverantwoordelijk voor de kwaliteit van de geleverde zorg. Daardoor is per definitie sprake van een bepaalde mate van werkgeversgezag, dat niet is uit te sluiten.” Het zij-aan-zij werken met collega’s in loondienst; ingepland worden in een rooster, nauwelijks commercieel risico lopen; werken onder gezag en instructie van de organisatie. Het zijn allemaal aanwijzingen voor een arbeidsovereenkomst, stelt de Belastingdienst.

Van Ladesteijn benadrukt dat bij de beoordeling of sprake is van een arbeidsovereenkomst een individuele toets geldt. “Daarin spelen alle omstandigheden van het geval een rol. Veel ingediende zorgcasussen zijn summier onderbouwd en doorlopen matig de uitlegfase. De omstandigheden die wél zouden wijzen in de richting van opdrachtnemerschap zijn matig bepleit. Sommige casussen besloegen zogezegd één kantje. Een Belastingdienst kan dan als handhaver op basis van het geldende toetsingskader geen kant op. Ik zou er ook een streep door hebben gezet.”

Zo ziet de Hoge Raad het inbeddingscriterium niet als doorslaggevend. En als werk ingebed is, hoeft dat nog niet te gelden voor de werker. “Nota bene de Belastingdienst draagt daartoe uitdrukkelijk in de zorgcasussen contra-indicaties aan, maar kon niet vaststellen dat daarvan sprake was.”

Hij vindt het jammer dat juist door de zorgcasussen de mythe is versterkt dat zorgverlening en zzp niet samen gaan. “Het is in elk geval an sich zeker voorstelbaar dat in de zorg op basis van een overeenkomst van opdracht kan worden gewerkt.” 

Essentieel voor opdrachtgevers: een beheersingssysteem

Wat je als opdrachtgever te doen staat, en dat geldt trouwens ook buiten de zorg, is aantonen dat het kan, zegt Van Ladesteijn. “Je moet je zaak bepleiten en de uitlegfase naar je hand zetten.” 

Dat zorginstellingen professioneler moeten omgaan met hun inhuur, dat beaamt Van Ladesteijn. “Verschillende opdrachtgevers verleggen in het contract de aansprakelijkheid voor het beoordelen of sprake is van een arbeidsovereenkomst bij een broker en denken dat zij dan wel goed zitten. Maar die beoordeling gebeurt lang niet altijd op voldoende niveau, waarbij ook de zorginstelling risico’s loopt voor de kwaliteit van de zorg. Je ziet hetzelfde bij uitzending en varianten daarop. Je kunt erop wachten dat de discussie over schijnzelfstandigheid verlegt naar verkapte uitzending, nog los van eventuele aanstaande wet- en regelgeving.”

Voor opdrachtgevers is een professioneel beheersingssysteem een must. Ook de Belastingdienst wijst op het belang hiervan in het handhavingsplan. “Het is een van de eerste zaken waar de Belastingdienst naar kijkt”, weet van Ladesteijn. “Het draagt zeker bij aan de beheersing van risico’s. De feitelijke uitvoering sluit beter aan bij wat op papier staat. Hoe geef je invulling aan de verantwoordelijkheid die op je rust? Welk risico acht je acceptabel? Dienen er zaken te worden verbeterd? Is het dan een haalbare kaart?”


Enkele belangrijke omstandigheden die wijzen in de richting van werken buiten dienstbetrekking (de lijst is niet uitputtend)
Duur van de opdracht: maximaal 6 maanden, geen automatische verlenging.
De werkzaamheden zijn projectmatig ingericht. De opdracht is afgebakend in periode en doel, met vooraf beschreven resultaten. De zzp’er bepaalt zelf de wijze van uitvoering, planning en volgorde van de werkzaamheden.
Specifiek voor de zorg: de zzp’er die valt onder de Wkkgz, voldoet aan de eisen: klachtenregeling, geschilleninstantie, actueel cv, VOG, kwaliteitssysteem.
De zorg-zzp’er heeft zijn eigen kwaliteitssysteem/kwaliteitshandboek, met onder meer:– Meldcode huiselijk geweld & kindermishandeling
– Procedure meldplicht calamiteiten/geweld
– Incidentenregistratie (VIM, meestal via de instelling)
– Scholings- en deskundigheidsbeleid
– AVG-basisdocumentatie
De zzp’er heeft een zelfstandigenverklaring-formulier en zzp-vragenlijst naar waarheid ingevuld.
Zzp’ers werken anders dan werknemers. Ze lopen niet mee; om te beoordelen of een opdracht passend is voor hen, plannen zij een bedrijfsbezoek voor overleg en inschatting en matching. Er worden geen diensten ingepland. Zij gebruiken eigen materialen of huren ze van de instelling. Ze doen niet mee aan regulier teamoverleg en functioneringsgesprekken. Overleg in het kader van goede zorgverlening voor de cliënt of patiënt gaat in overleg met de instelling.
Er wordt afgesproken en vastgelegd wat wanprestatie is en wat de gevolgen van wanprestatie zijn (zoals stopzetten van de zorg of een boete).
De zzp’er komt met zijn eigen tarief en voorwaarden. Het tarief is inclusief reiskosten, aansprakelijkheidsverzekering, ORT en opslag eigen materialen.
De zzp’er gedraagt zich naar buiten als ondernemer (bijvoorbeeld een eigen website; meerdere opdrachtgevers per jaar; acquisitie; inschrijving KvK; commercieel risico)
Opdrachtgevers doen periodieke controles van PNIL op schijnzelfstandigheid.

 

Lees ook op FlexNieuws:

Geplaatst in Professioneel inhuren | Tags , , , , | Laat een reactie achter

Eelco Eerenberg (D66) staatssecretaris Belastingdienst en daarmee verantwoordelijk voor handhaving schijnzelfstandigheid

Eelco Eerenberg is de beoogd staatssecretaris Fiscaliteit en Belastingdienst. De D66-politicus wordt daarmee onder meer verantwoordelijk voor het beleid rond handhaving arbeidsrelaties, oftewel de controles op schijnzelfstandigheid.

Samen met Thierry Aartsen, minister van Werk & Participatie, zal Eerenberg dus betrokken zijn met de politieke discussie rond zzp.

Eerenberg is nu nog wethouder Economische Zaken in Utrecht. Daarvoor was hij wethouder in Enschede. In die stad zat hij ook in de gemeenteraad. Tussen 2005 en 2010 werkte Eerenberg als recruiter bij detacheerder en recruitmentbureau YER. In die tijd was hij ook zelfstandig ondernemer als applicatieontwikkelaar. In 2002 begon hij met zijn studie Technische Informatica aan de Universiteit Twente, die hij in 2011 afrondde met het behalen van zijn master diploma.

De 41-jarige bestuurder werd tweemaal door het vakblad Binnenlands Bestuur uitgeroepen tot ‘Beste Jonge Lokale Bestuurder’. Eerenberg wordt staatssecretaris nadat Nathalie van Berkel zich had teruggetrokken voor deze positie na ophef over haar cv.

(foto: Bas van Setten) 

Geplaatst in ZP en Politiek | Laat een reactie achter

Raad van State ziet ook wetsvoorstel personeelsbehoud bij crisis niet zitten

De Raad van State adviseert het kabinet om het wetsvoorstel personeelsbehoud bij crisis niet bij de Tweede Kamer in te dienen, tenzij het stevig wordt aangepast. Dat negatieve oordeel heeft de adviseur van de regering afgegeven.

Het is voor de vijfde keer op een rij dat de Raad van State een kritisch of negatief oordeel afgeeft bij wetgeving gericht op hervorming van de arbeidsmarkt. Het wetgevingspakket is onder andere een reactie op adviezen van de Commissie Roemer en Commissie Borstlap.

Wet moet bestaande regeling werktijdverkorting vervangen 

Met de Wet personeelsbehoud bij crisis wil het kabinet “levensvatbare” bedrijven tijdens een crisis ondersteunen bij het behouden van zo veel mogelijk werknemers. Bij grote en kleinschalige crises moet het voor bedrijven makkelijker worden af te schalen, zonder dat er personeel moet worden ontslagen. Het voorstel doet denken aan de diverse regelingen die met spoed tijdens de coronapandemie in het leven werden geroepen. De wet moet ook de bestaande regelingen voor werktijdverkorting, die niet wettelijk zijn vastgelegd, vervangen.

De Afdeling advisering van de Raad van State onderschrijft de doelstellingen van de wet en het feit dat het verstandig is de wendbaarheid van organisaties te vergroten en “arbeidsrechtelijke maatregelen te nemen om dat te bereiken”. Dat was overigens ook onderdeel van het advies van de Commissie Borstlap.

Onduidelijk en te beperkt

De Raad van State vindt echter dat de in de wet voorgestelde arbeidsrechtelijke maatregelen beperkt zijn tot een situatie van een crisis. “De wendbaarheid van de arbeidsmarkt wordt niet vergroot, terwijl de maatregelen wel leiden tot grotere complexiteit”, zo schrijft het adviescollege in een toelichting.

Daarbij maakt het wetsvoorstel onvoldoende duidelijk wat nu onder ‘levensvatbare’ bedrijven moet worden verstaan en hoe en door wie wordt bepaald of een bedrijf ‘levensvatbaar’ is. Daardoor wordt onvoldoende duidelijk welke werkgevers van de voorgestelde regeling gebruik mogen maken.

De RvS vindt het ook onverstandig om één regeling te hebben voor zowel kleinschalige als grootschalige crises. “Beide crises zijn weliswaar onvoorzienbaar, maar de ernst, duur en periode van herstel naar de situatie van vóór de crisis zijn doorgaans snel in te schatten, nadat een crisis zich heeft voorgedaan. Kenmerkend voor grootschalige crises is dat die nu juist niet voorspelbaar zijn, noch wat betreft aard, ernst, verloop, duur en gevolgen, noch in frequentie waarmee zo’n grootschalige crisis zich aandient. Hierdoor vraagt een grootschalige crisis om andere instrumenten en oplossingen dan een kleinschalige crisis. Het wetsvoorstel voorziet daar niet in.”

Daarmee vindt de RvS het wetsvoorstel te beperkt, te onduidelijk en onvoldoende effectief.

Nieuw kabinet

Het nieuwe kabinet, dat maandag aan de slag gaat, wil in hoofdlijnen doorgaan met het wetgevingspakket dat in gang is gezet door voormalig minister Van Gennip (Kabinet Rutte IV). Een reeks wetten waar de Raad van State dus zonder uitzondering flink kritisch op is.

Geplaatst in ZP en Politiek | Tags | Laat een reactie achter

ZiPtalk: WTTA en nieuwe cao zetten detacheringsbranche op scherp

De detacheringsbranche staat aan de vooravond van ingrijpende veranderingen. Nieuwe wetgeving en een aparte cao voor detacheerders dwingen organisaties om hun arbeidsvoorwaarden en processen kritisch tegen het licht te houden. In deze ZipTalk bespreken Narada Bouwland en Jan-Willem Weijers de ontwikkelingen met Alexander Kist (partner bij W&RK advies) en Melloney Tertaas (HR Business Partner bij Legian).

Een gelijk speelveld door strengere regels

Volgens Kist zijn de veranderingen uiteindelijk positief voor de detacheringsbranche. Door de komst van de Wet toelating terbeschikkingstelling arbeidskrachten (WTTA) ontstaat er volgens hem een gelijk speelveld. “Als dit allemaal netjes is geïmplementeerd, dan is de kostprijs voor iedereen gelijk,” stelt hij.

Detacheerders concurreren dan niet langer primair op prijs, maar op kwaliteit en goed werkgeverschap. “Prijsconcurrentie gaat altijd over de rug van de werknemer. Dan ben je per definitie geen goede werkgever.” Toch erkent hij dat de impact groot is. Organisaties moeten hun arbeidsvoorwaarden, cao-keuze en compliance zorgvuldig organiseren.

Gelijkwaardige beloning in de cao

De Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (Waadi) is de Nederlandse implementatie van de Europese uitzendrichtlijn waarin is bepaald dat een uitzendkracht of gedetacheerde gelijkwaardig moet worden beloond aan een werknemer in dienst bij de opdrachtgever. Dit is verwerkt in de nieuwe cao’s. 

Naast de ABU- en NBBU-cao’s voor uitzendkrachten is er nu een aparte cao voor detacheringskrachten, ontwikkeld door de Vereniging van Detacheerders Nederland (VVDN). Kist legt uit dat deze cao in feite een aangepaste variant is van de uitzend-cao, maar dan toegespitst op detacheringsorganisaties. Belangrijk detail: het is een leden-cao. Alleen leden van de VVDN mogen deze cao formeel toepassen.

Volgens Kist is het voor detacheerders verstandig om serieus naar deze cao te kijken. Zonder cao val je rechtstreeks onder de Waadi en lijk je al snel op een payrollconstructie. Met de uitzend-cao loop je tegen regels aan die niet goed passen bij detachering.

WTTA: toelating verplicht vanaf 2027

Parallel hieraan treedt per 1 januari 2027 de WTTA in werking en vanaf 1 januari 2028 start de handhaving. Alleen organisaties met een officiële toelating mogen dan nog personeel ter beschikking stellen. Kist benadrukt dat het verstandig is om de implementatie van de detacherings-cao meteen te koppelen aan de WTTA-vereisten. “Het is eigenlijk hetzelfde beest, maar dan op een scherpere manier geïmplementeerd.”

Het SNA-keurmerk speelt een belangrijke rol als sleutel tot de WTTA. Wie op 1 juli 2027 SNA-gecertificeerd is, kan via een overgangsregeling eenvoudiger instromen in het nieuwe toelatingsstelsel. Daarna wordt rechtstreeks getoetst aan de WTTA-criteria, waarbij niet alleen het perspectief van de opdrachtgever (ketenaansprakelijkheid), maar ook dat van de werknemer centraal staat. 

Implementatie is arbeidsintensief

Voor Tertaas van Legian (IT-kennispartner en detacheerder) is dit geen theoretische discussie. Als HR Business Partner is zij volop bezig met de implementatie binnen de organisatie. Anderhalf jaar geleden begon de organisatie al met het inrichten van de inlenersbeloning. De implementatie noemt ze niet zozeer ingewikkeld, maar vooral arbeidsintensief. “Je moet al je opdrachtgevers vragen hoe zij belonen, wat hun totale arbeidsvoorwaardenpakket is en hoe zij inschalen.”

Een kernbegrip in de nieuwe systematiek is het Total Value Package. Daarbij worden alle arbeidsvoorwaarden in geld uitgedrukt: salaris, mobiliteitsregeling, opleidingsbudgetten, pensioen en andere secundaire voorwaarden. Die totale waarde wordt vergeleken met het pakket van de opdrachtgever. Onder de streep moet sprake zijn van gelijkwaardige beloning.

Impact voor de medewerker

Tertaas hoopt dat gedetacheerden weinig merken van de veranderingen. Legian beschouwt zichzelf als een goede werkgever met een concurrerend arbeidsvoorwaardenpakket. Dan is er geen impact voor de medewerker. Als er toch verschillen zijn, bijvoorbeeld wanneer een opdrachtgever een zeer royaal pensioen heeft, kan voor de duur van de opdracht een compensatie worden geboden in de vorm van een eenmalige uitkering, een maandelijkse toeslag of een structurele aanpassing. 

Volgens Tertaas vereist het niet alleen een forse eenmalige inspanning, maar is het extra werk blijvend. “Iedere nieuwe opdrachtgever betekent opnieuw uitpluizen, analyseren en vertalen naar geld. Bij bestaande klanten is het een kwestie van uitvragen hoe de persoon die de opdracht gaat doen, zou worden ingeschaald.”

Niet ingewikkelder

Kist herkent dit beeld. Volgens hem wordt het vooral meer volume, maar niet per se ingewikkelder. Organisaties die al bovengemiddeld goede arbeidsvoorwaarden bieden, zullen minder vaak hoeven bijsturen. Hij legt uit dat de nieuwe regels de kostprijs voor iedereen gelijk maken, waardoor ‘concurreren over de rug van de werknemer niet meer mogelijk is.’ 

Voorheen kon voor sommige partijen inlenen goedkoper zijn dan zelf in dienst nemen. Nu wordt dat onmogelijk en dat is volgens Kist een goede ontwikkeling: “Een externe moet in principe altijd minder goedkoop of duurder zijn dan een interne. Dan doe je het inhuren dus ook om een andere reden dan om de lage kosten.” Opdrachtgevers moeten scherp zijn op wie ze inhuren. Kist waarschuwt: “Vanaf 1 januari 2028 mag je nul mensen ingehuurd hebben van bedrijven die niet zijn toegelaten.” 

Tertaas benadrukt dat dit bijdraagt aan professionalisering en goed opdrachtgeverschap. Voor detacheerders heeft ze een helder advies: “Doe de implementatie er niet bij, maar geef iemand binnen de organisatie de tijd om het goed uit te zoeken, in te richten en te borgen op de verschillende plekken in de organisatie.”

De volledige ZiPtalk luisteren? Bekijk de podcastopname op YouTube of beluister de podcast op Spotify.

 

Geplaatst in Professioneel inhuren | Tags , , , | 1 Reactie

Freelance Markt Index Q1 2026: de zzp-markt herstelt langzaam, onzekerheid blijft

Onzeker, maar stabieler dan voorheen. Dat is de huidige status van de zzp-markt. In het eerste kwartaal van 2026 komt de Freelance Markt Index (FMI) uit op 95. De vraag naar zelfstandig professionals daalt dus nog, maar flink minder dan het dieptepunt een jaar geleden.

Kwartaalmonitor

De FMI is een kwartaalonderzoek op basis van gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), de Algemene Bond Uitzendondernemingen (ABU) en een telefonische enquête onder 125 opdrachtgevers op Freelance.nl. De index geeft een beeld van vraag, aanbod en vertrouwen in de freelancemarkt. Het gaat specifiek om zzp’ers die hun eigen arbeid verkopen aan zakelijke opdrachtgevers.

Stijgende lijn

De impact van de intensievere handhaving op schijnzelfstandigheid is duidelijk te zien in de indexcijfers. In het eerste kwartaal van 2025 kelderde de index naar 86, het dieptepunt sinds corona. De periode daarna herstelde de markt voorzichtig, met pieken in het tweede (97) en vierde kwartaal (100). De index had weliswaar een zomerdip (94), maar die was wel opvallend minder diep dan in eerdere zomerperiodes.

In het vierde kwartaal herstelde het evenwicht naar 100, maar de verwachting is dat het aantal opdrachten in het eerste kwartaal van 2026 weer iets zal afnemen.

Bron: Freelance Markt Index Q1 2026

 

Volgens de onderzoekers herstelt de markt zichtbaar, maar blijft er onzekerheid heersen. Er is tenslotte nog steeds geen nieuwe wetgeving rondom werken met zelfstandigen. Ondertussen gaat handhaving op schijnzelfstandigheid door. “De acute paniek rondom de handhaving is weg, de onzekerheid blijft”, schrijven zij.

Bron: Freelance Markt Index Q1 2026

Invloed van de onzekerheid rondom de zachte landing

“Het nieuwste indexcijfer is beïnvloed door het aangekondigde einde van de zachte landing van het handhavingsmoratorium”, vertelt contentmanager Stefan Postma van Freelance.nl. “We interviewden de respondenten namelijk eind december, toen nog niet bekend was dat de zachte landing is verlengd.”

De handhaving op schijnzelfstandigheid begon in 2025 met een overgangsregeling. Dat betekent dat de Belastingdienst niet direct streng straft en beboet. Werkgevers krijgen de mogelijkheid om hun werkwijze aan te passen na een bedrijfsbezoek. Na veel discussie besloot het kabinet in december dat de Belastingdienst ook in 2026 nog geen verzuimboetes oplegt. Lees meer over deze gedeeltelijke verlenging van de ‘zachte landing’.

Contractduur en uurtje-factuurtje

Bron: Freelance Markt Index Q1 2026

Het betalen van freelancers per uur blijft de norm (85%). Werken op projectbasis (ook wel Statement of Work) gebeurt slechts in zeven procent van de gevallen, maar wordt wel populairder. Ook dit hangt samen met de toegenomen handhaving.

Bron: Freelance Markt Index Q1 2026

Uit de enquête blijkt dat opdrachtgevers vaker werken met korte contracten voor zzp’ers dan voorheen. Het grootste gedeelte (41%) werkt met contracten van vier tot zes maanden. Slechts vier procent werkt met zzp-opdrachten voor meer dan een jaar.

Hybride werken is de nieuwe norm

In deze editie van de FMI vroegen de onderzoekers respondenten ook naar het beleid rondom werken op afstand. Daaruit blijkt dat respondenten willen dat niet alleen vaste medewerkers, maar ook freelancers vaker op kantoor werken. In de praktijk werken minder freelancers volledig online dan voor de coronacrisis (-25%). Maar ook het aantal zzp’ers dat volledig op kantoor werkt, daalde met 53 procent. 

Bron: Freelance Markt Index Q1 2026

Inmiddels wordt voor ruim de helft van alle opdrachten de fysieke aanwezigheid per situatie bepaald. “Opvallend is dat freelancers hierin nauwelijks afwijken van de rest van werkend Nederland”, schrijven de onderzoekers. Het CBS concludeerde begin 2024 namelijk dat 52 procent van alle werkenden hybride werkt. Onder freelancers is dat 56 procent. 

Meer weten? Download hier het volledige rapport.

Geplaatst in ZP en Ondernemen | Tags , , , , | Laat een reactie achter

Wtta en schijnzelfstandigheid – hoe zit dat en wat moeten inleners ermee?

Een select gezelschap van ruim twintig professionals, verantwoordelijk voor de inhuur van externen bij organisaties, variërend van industrie tot zorg, waren op 10 februari jl. aanwezig in Maarssen op uitnodiging van Harvey Nash/Flexhuis. Een zeer inhoudelijke sessie met ruimte voor inbreng van eigen praktijkcases. En broodnodig, want nog lang niet alle inhuurprofessionals blijken bekend te zijn met het aanstaande toelatingsstelsel. Terwijl dat wel gevolgen voor hun organisatie heeft. Ook was het lang niet iedereen duidelijk wat zij moeten en kunnen doen om te voorkomen dat er een schijnzelfstandige bij hen op de werkvloer rondloopt.

Wat houdt het toelatingsstelsel in?

De Wet toelating terbeschikkingstelling arbeidskrachten (Wtta) houdt in dat uitleners alleen op de markt mogen opereren als zij daartoe zijn toegelaten. Het betekent ook dat inlenende organisaties straks alleen nog arbeidskrachten mogen inhuren van intermediairs die in het toelatingsregister staan.

Patrick Tom, directeur van Bureau Cicero

De aanleiding voor de komst van het toelatingsstelsel was de noodzaak om misstanden rondom arbeidsmigranten tegen te gaan, denk aan slechte huisvesting en onderbetaling. Het Aanjaagteam Bescherming Arbeidsmigranten (onder leiding van oud-SP voorman Emile Roemer) adviseerde daarom een verplichte certificering van uitzenders. Dat heeft uiteindelijk geleid tot de Wet toelating terbeschikkingstelling arbeidskrachten (Wtta) die in november 2025 is aangenomen door de Eerste Kamer. De reikwijdte van het toelatingsstelsel is echter veel groter dan oorspronkelijk bedoeld. Patrick Tom, directeur van inspectie-instelling Bureau Cicero, licht dit toe in zijn presentatie tijdens Thema Talks. “Wat oorspronkelijk bedoeld was om arbeidsmigranten te beschermen, raakt nu de hele BV Nederland. Het verplichte toelatingsstelsel geldt voor alle uitleners die zich bezighouden met ter beschikking stellen van arbeid (TBA) onder leiding en toezicht van een opdrachtgever (inlener).” Naast uitzenders, moeten ook detacheerders, payroll-organisaties, doorlenende bedrijven en zelfs consultancy-bedrijven die incidenteel ter beschikking stellen zijn toegelaten. De Wtta gaat in op 1 januari 2027 en de handhaving van het toelatingsstelsel start vanaf 1 januari 2028. Vanaf dat moment mogen intermediairs geen arbeidskrachten meer uitlenen als zij niet zijn toegelaten. Vandaar dat zij zich al aan het voorbereiden zijn. Intermediairs die nog niet over het keurmerk van de Stichting Normering Arbeid (NEN 4400-1) beschikken, moeten dat alsnog snel doen om tijdig aan het uitgebreidere Wtta-normenkader te voldoen.  

  • Lees ook: Bureau Cicero geeft op 12 maart om 09:30 dit webinar tijdens de WebinarWeek, waar de Wet TTA verder wordt toegelicht en in bredere perspectif wordt geplaatst.  

Verplichtingen Wtta voor inleners

Werk aan de winkel voor intermediairs dus, maar wat hebben inhurende organisaties met die Wtta te maken? Heel veel, vertelt Patrick Tom. Dit zijn de vier belangrijkste verplichtingen voor inleners:

  1. Vergewisplicht; voordat je met een intermediair in zee gaat, dien je te checken of die partij in het register van toegelaten uitleners staat.
    Tip: ga nu al in gesprek met je leveranciers hierover. Zijn zij nog niet SNA-gecertificeerd, dan is dat een red flag; de kans dat zij tijdig in het toelatingsregister zullen staan is dan aanzienlijk kleiner.
  2. Verklaring juridisch werkgever; voor elke externe arbeidskracht moet je een verklaring hebben waaruit blijkt wij de juridisch werkgever is. Let op: dit geldt voor de hele keten, de formele werkgever kan ook een tussenpartij zijn (die overigens ook toegelaten moeten zijn). Dat betekent dus dat je als inlenende organisatie inzicht moet hebben in de hele keten
  3. Registratieplicht ingeleende medewerkers; je moet vastleggen welke externe arbeidskrachten onder jouw leiding en toezicht werken binnen jouw organisatie. Dat blijkt nog wel eens lastig, weet Tom, die in de praktijk merkt dat veel inleners vaak niet precies weten welke uitzend-, payrollkrachten of gedetacheerden bij hen op de werkvloer rondlopen. En in sommige gevallen ook zelfstandigen (zzp’ers) waarvan de inzet mogelijk juridisch anders moet worden gekwalificeerd
  4. Informatieplicht; op grond van artikel 12 WAADI is de inlener nu al verplicht om de uitlener te informeren over de binnen de eigen organisatie geldende arbeidsvoorwaarden, zodat de uitgeleende arbeidskracht ten minste hetzelfde loon ontvangt als wanneer hij rechtstreeks bij de inlener in dienst zou zijn. 

Daarnaast is het binnen de nieuwe uitzend-cao en detacherings-cao mogelijk  gelijkwaardige beloning toe te passen. Uit de pre-audits die Bureau Cicero tot nu toe heeft uitgevoerd blijkt dat het aanleveren van de informatie door de inlener ‘nog niet optimaal’ gebeurt

Risico’s: forse boetes en imagoschade

Het is belangrijk dat organisaties bij hun leveranciers/brokers te rade gaan om samen ervoor te zorgen dat zij voldoen aan de Wtta-eisen. Want de risico’s zijn groot. De boetes voor inleners die zaken doen met niet-toegelaten uitleners (in de hele keten!) kunnen oplopen tot € 90.000 per overtreding. En daar komt het risico op reputatieschade door het overtreden van de wet nog bij. Geen organisatie wil op die manier negatief in het nieuws komen. 

Realistische tarieven

Er is al langer een consolidatieslag gaande in de flexbranche en die zal met de komst van het toelatingsstelsel nog verder doorzetten, verwacht Patrick Tom. “Voor kleinere partijen, specialistische uitleners, wordt het complexer.” Niet alleen gaan de compliancy-kosten omhoog, ook moeten uitleners een waarborgsom van € 100.000 op tafel leggen om toegelaten te worden. En dat zal effect hebben op de flexbranche. “De markt zal verder professionaliseren. Ik denk dat er veel minder, kleinere uitleners gaan komen en er meer grotere uitleners overblijven.”
Ook voorziet Tom een shift in de markt qua prijzen. “Inleners moeten rekening houden met hogere prijzen voor inhuur. De tijd van de laagste prijs (met risico) is voorbij en verschuift naar een realistisch tarief met de zekerheid van voldoen aan de wet- en regelgeving.”

Wtta sleepwet schijnzelfstandigheid

Een ander onderwerp dat raakt aan de Wtta is schijnzelfstandigheid. “Eigenlijk is de Wtta ook een sleepwet die schijnzelfstandigheid tegengaat”, stelt Tom. Dat zit zo: in principe geldt de Wtta niet voor zzp’ers, want bij zuivere zzp is er geen sprake van werken onder leiding en toezicht van de inlener. Maar omdat de inlener met de komst van de Wtta verplicht wordt te registreren of de ingehuurde arbeidskracht onder zijn leiding en toezicht werkt, komt schijnzelfstandigheid eerder boven drijven. Blijkt uit beoordeling van de feiten en omstandigheden dat een zzp’er wel degelijk onder leiding en toezicht van de inlener werkt, dan is sprake van schijnzelfstandigheid. Én moet de intermediair (die dan feitelijk werkgever is) zijn toegelaten tot het stelsel. “Soms zijn er grijze gebieden, bijvoorbeeld als een zzp’er op een IT-afdeling werkt. Wanneer is er sprake van schijnzelfstandigheid en wanneer niet?” Ook hiervoor geldt volgens Tom: ‘wees alert, ga in gesprek en werk samen met je leveranciers om duidelijkheid te krijgen.’

Paniek om schijnzelfstandigheid

Micha Morales, Legal Counsel bij Harvey Nash Nederland

Sinds er vanaf begin 2025 strenger wordt gehandhaafd op schijnzelfstandigheid is er paniek in de inhuurmarkt. Er zijn steeds meer (overheids)organisaties die helemaal geen zzp’ers meer durven in te huren. “Paniek is niet nodig, maar organisaties die zzp’ers inhuren moeten er wel mee aan de slag”, stelt Micha Morales, Legal Counsel bij Harvey Nash Nederland. Hij legt in zijn presentatie tijdens deze Thema Talks haarfijn uit hoe het zit met de handhaving op schijnzelfstandigheid. “Juridisch gezien is het op zich duidelijk, de moeilijkheid zit ‘m (voor de inhurende manager) vooral in de grote kloof tussen papier en praktijk.”

Zelfstandigenwet: ‘oude wijn in nieuwe wetten’

Morales gaat eerst in op de wetgeving. De Wet op de Arbeidsovereenkomst stamt uit 1907, wat in het Burgerlijk Wetboek over de arbeidsovereenkomst staat geldt nog steeds. Maar wanneer is een zzp’er anno 2026 nou echt zelfstandig en wanneer is er sprake van een arbeidsrelatie, oftewel schijnzelfstandigheid?

Het Deliveroo-arrest maakt duidelijk dat je moet kijken naar de omstandigheden in onderling verband. En de Uber-zaak leert dat dit per geval beoordeeld dient te worden. Voor het antwoord op de vraag of er wel of niet sprake is van een arbeidsovereenkomst moet men vooralsnog afgaan op jurisprudentie. Want de wetgever maakt het er voor inlenende organisaties tot nu toe niet gemakkelijker op. De VAR is tien jaren geleden vervangen door de nog altijd lege Wet DBA, vervolgens moest de Wet VBAR duidelijkheid gaan brengen, maar die dreigt te stranden.

Het nieuwe kabinet kiest voor het alternatief: de Zelfstandigenwet. Die Zelfstandigenwet zou wel duidelijkheid moeten brengen. Het bepalen of een opdracht door een zelfstandige uitgevoerd mag worden kan dan aan de hand van een zelfstandigentoets en een werkrelatietoets.

Maar Morales plaatst ook een kritische kanttekening. “Ook al krijgt de zelfstandige een plek in de wet, er zijn altijd nuances. De Zelfstandigenwet wil duidelijkheid vooraf bieden, maar sluit toetsing achteraf niet uit. Voorafgaande toetsing is geen vrijwaring. In die zin is het dus oude wijn in nieuwe wetten’.”
Morales laat weten dat Harvey Nash bij gebrek aan duidelijke wetgeving een eigen DBA-beleid heeft opgezet, gebaseerd op het Deliveroo-arrest en goedgekeurd door de Belastingdienst. “Dat werkt prima. Toch is het goed dat er in de toekomst (waarschijnlijk) één wet voor iedereen komt.”

Van wet naar werkvloer

Bij de handhaving op schijnzelfstandigheid geldt nog steeds een ‘zachte landing’. Dat betekent dat de Belastingdienst ook in 2026 nog niet direct boetes oplegt bij onbedoelde schijnzelfstandigheid. Maar het betekent niet dat handhaving vrijblijvend is, waarschuwt Morales. De Belastingdienst kan wel vergrijpboetes opleggen als er sprake is van opzet of grove schuld, zoals het bewust negeren van de regels. Ook kan de fiscus natuurlijk naheffingen opleggen als er sprake blijkt te zijn van schijnzelfstandigheid. “Het argument ‘ik wist het niet’ is over de houdbaarheidsdatum. Daar kom je als inlener niet meer mee weg.”

Ook is het puur hebben van beleid rondom de inhuur van zzp’ers niet meer afdoende. “De handhaving op schijnzelfstandigheid verschuift van papier, beleid naar praktijk. Het is geen papieren exercitie meer”, stelt Morales. De Belastingdienst controleert daadwerkelijk hoe het beleid binnen een organisatie in praktijk wordt gebracht; is de zzp-populatie in kaart gebracht, hoe zit het met de contracten, compliancy? Wat zijn de beheersmaatregelen? Wat is de feitelijke inrichting van de werkzaamheden? “Die juridische kwalificatie van de feitelijke omstandigheden laat veel ruimte. Het hangt af van de beoordeling door de Belastingdienst. De wet vermindert onzekerheid, maar elimineert de risico’s niet.”

Bezoek Belastingdienst bij Harvey Nash

Harvey Nash zelf heeft inmiddels bezoek gehad van de Belastingdienst waaruit blijkt dat de broker/MSP haar zzp-beleid prima op orde heeft. En ook hier wilde de fiscus vooral weten hoe er in de praktijk met zzp’ers wordt gewerkt. Morales geeft aan dat Harvey Nash juist daarin ook (inhuurmanagers bij) de opdrachtgevers ondersteunt. “Het is belangrijk dat organisaties bij hun beleid ook de inhurende managers betrekken. Zij zijn het die op de werkvloer de feitelijke inrichting van de werkzaamheden voor zzp’ers bepalen. En zij moeten ook de interne checks hiervoor uitvoeren.” Samen is de kloof tussen papier en praktijk te dichten. Morales’ advies: “wacht niet langer, ga ermee aan de slag.”

Geplaatst in Professioneel inhuren | Tags , , , , | Laat een reactie achter