Maandelijkse archieven: januari 2016

De netwerkorganisatie als samenwerkingsverband voor zp’ers

De business modellen van zelfstandige professionals zijn volop in ontwikkeling. Zelfstandige professionals zoeken elkaar meer op en doen meer klussen samen. In de samenwerkingsverbanden die ontstaan, behouden de deelnemende professionals hun zelfstandigheid en bundelen zij hun kwaliteiten om op basis daarvan samen waarde toe te voegen aan een opdrachtgever.

Netwerken

Dergelijke samenwerkingsverbanden van zelfstandige professionals zijn te duiden als samenwerkingsgerichte netwerken. Dat zijn netwerken van individuele zelfstandige professionals die vanuit een professionele grondslag met elkaar afstemmen en samenwerken om gezamenlijk een bepaald resultaat met een hoog kwaliteitsniveau neer te zetten. Kenmerkend voor dergelijke netwerken is dat de zelfstandige professionals die er deel van uitmaken institutioneel een gelijke positie hebben.

Degene met het klantcontact staat vaak in het hart van het netwerk. Hij ‘stuurt’ van daaruit de samenwerking van elk van de overige zelfstandige professionals binnen het netwerk aan door kwaliteitseisen te stellen, de voortgang te bewaken, het contact met de klant te onderhouden, het proces af te stemmen en voorbeeldgedrag te laten zien. De zelfstandige professional met het klantcontact fungeert derhalve veelal als stuwende kracht voor de samenwerking tussen elk van de overige zelfstandige professionals binnen het netwerk.

Dilemma tussen ‘zelf’ en ‘samen’

Multidisciplinaire samenwerking, waarbij de verschillende expertises van zelfstandige professionals samensmelten tot één geheel, wordt bij uitstek de werkwijze van succesvolle zelfstandige professionals. Het staat namelijk garant voor een integraal antwoord op de klantbehoefte. De zelfstandige professionals die een samenwerkingsverband vormen, staan samen voor het behalen, behouden en uitbouwen van hun (collectieve) succes.

Het dilemma tussen ‘zelf’ en ‘samen’ is daarbij continu aan de orde. Het is een kwestie van belangenafweging. Loyaliteit speelt daarin een belangrijke rol. Het impliceert trouw en is gebaseerd op het mechanisme van (wederzijds) vertrouwen. Dat vertrouwen begint met geloof van de zelfstandige professional in de toegevoegde waarde en het succes van het samenwerkingsverband. Ook het psychologische contract tussen de samenwerkende zelfstandige professionals is van belang. Wat zijn de wederzijdse verwachtingen van de input en de uitkomsten of resultaten? Alleen bij een match van de wederzijdse verwachtingen heeft een verband van samenwerkende zelfstandige professionals kans van slagen.

Netwerk van netwerken

Voor veel zelfstandige professionals is het niet vreemd om tegelijkertijd deel uit te maken van meer dan één samenwerkingsverband. Dat maakt het werken spannend, leerzaam, rijk aan (nieuwe) ervaringen, adrenaline-verhogend en uitermate vormend. Keerzijde ervan is een zeer druk bestaan met het risico dat de agenda wordt bepaald door anderen. Hoe de samenwerkingsverbanden van zelfstandige professionals eruit zien, illustreert de volgende afbeelding.

kaart zp'ers
samenwerkingsverbanden van Zelfstandige professionals

 

Een zelfstandige professional die de samenwerking zoekt met één of meer andere zelfstandige professionals vormt met hen een samenwerkingsverband (1). Samen maken ze deel uit van een netwerk (2), waar ook collega zelfstandige professionals en ondernemingen (3 en 4) deel van uit maken. Zij (3 en 4) kunnen samenwerkingsverbanden hebben met anderen buiten dat netwerk (5 en 6 etc.), waar ook weer verschillende zelfstandigen en organisaties deel van kunnen uitmaken (a, b, c…).

Op deze wijze zit de zelfstandige professional in een netwerk van netwerken. Vaak is dat niet voor de eeuwigheid, maar voor de duur van één of meer projecten. Op enig moment lossen netwerken zich weer op en komen daar nieuwe netwerken voor in de plaats, die op dat moment opportuun zijn voor de zelfstandige professional.

Juridische vormen

Verdergaande samenwerkingsverbanden groeien al snel uit tot een maatschap of een vennootschap onder firma. Ook is het niet ondenkbaar dat ze zelfs uitgroeien tot organisatievormen met rechtspersoonlijkheid, zoals de naamloze-, de besloten vennootschap of de coöperatie, met alle juridische rechten en plichten van dien. Binnen bepaalde beroepsgroepen is het al decennia lang gebruikelijk om in de vorm van een maatschap, vennootschap of coöperatie met elkaar te werken. Denk hierbij aan advocaten, financiële deskundigen, artsen etc. Ook zelfstandige professionals verbinden zich met elkaar en zoeken naar vormen waarin ze hun idealen zo goed mogelijk kunnen waarmaken. De netwerkorganisatie leent zich daar goed voor.

De inhoud van deze blog is gebaseerd op het boek ‘Dansend naar de toekomst. Perspectief voor werkgevend en zelfstandig professioneel Nederland’ van R. Lenssen en K. Manuel (2014).

Geplaatst in ZP en Ondernemen | Tags , , , | 6s Reacties

De cao, weg ermee! Of gooi oude schoenen niet weg als je geen nieuwe hebt.

caoDeze week las ik twee artikelen over de toekomst van de Collectieve Arbeidsovereenkomst (cao) in relatie tot de steeds maar groeiende flexibilisering van de arbeidsmarkt. In het eerste artikel (‘Zzp’er is bedreiging voor cao‘) een vooraankondiging van een onderzoek door het Wetenschappelijke Bureau van de Vakbeweging, waarschuwt Prof. Paul de Beer dat die toename van de flexibilisering het bestaansrecht van de cao dreigt te ondermijnen. In het tweede artikel, gebaseerd op eigen onderzoek van Anteun Braakman, werd de relatie tussen de cao en ondernemerschap onderzocht. Zijn conclusie: “een cao kan ondernemerschap in de weg staan”.

De algemene teneur van de reacties, vooral uit de hoek van ondernemers en zzp´ers, was niet onvoorspelbaar. ´De cao is achterhaald, ouderwets en past niet meer bij deze tijd´. Dat mag dan zo zijn, ik zou inzetten op aanpassen aan veranderende tijden in plaats van het systeem naar de vuilnisbak verwijzen. Een gemoderniseerde versie van een de cao is een beter antwoord op de veranderende arbeidsmarkt dat het sec afschaffen daarvan.

De cao is star

Dat de arbeidsmarkt, en de rol van flexibilisering daarin, erg aan het veranderen is, is evident. En ook niet per definitie slecht. Waar De Beer op doelt, is de vraag of een CAO als ordenend principe en als antwoord op het (geld-)verdelingsvraagstuk op termijn in deze context houdbaar is. En dat is hij dus niet, in mijn optiek. De cao wordt tegenwoordig steeds vaker ervaren als een lastig, complex boek van beperkingen, maar men is vergeten waar die onderwerpen vandaan kwamen. Zo is er steeds veel gedoe over seniorendagen. Ze maken oudere werknemers duur en het is leeftijdsdiscriminatie. Maar ooit zijn ze ontstaan als ontzie-maatregelen voor oudere werknemers die vooral met fysieke beperkingen te maken kregen op het moment dat ze ouder werden. Tijden veranderen en je ziet nu steeds meer een integrale benadering van ‘duurzame inzetbaarheid’, gericht op het gehele personeelsbestand. Daarmee vervalt op termijn ook de noodzaak om die seniorendagen te handhaven.

Even zo complex en ondoordacht worden functiewaardering en het loongebouw ervaren. In de praktijk vaak het ‘hart’ van een cao. Zeker de bestaande systemen van functiewaardering kunnen complex zijn. Voor niet ingewijden veel techniek en weinig op de persoon gericht. Dat is ook logisch, juist omdat je een ordening van je arbeidsorganisatie niet wilt ophangen aan een individuele werknemer (die steeds vaker slechts tijdelijke voorbijgangers blijken te zijn), maar aan functies en rollen, gebaseerd op je ondernemingsdoelstelling. Functiewaardering, in combinatie met een goed loongebouw, is feitelijk de vertaling naar de juiste HR-strategie. Het zorgt voor een min of meer objectieve vaststelling van de toegevoegde waarde van een werknemer. Dat een loongebouw te star zou zijn, is onzin. In de praktijk zijn er altijd regelmogelijkheden of deze zijn te creëren.

Anticyclisch begrotingsbeleid

Nederland stond en staat internationaal bekend om het Poldermodel. De afgelopen jaren heeft dit model veel aan populariteit ingeboet. Er zou te veel gepraat worden en elk besluit een onvoldragen compromis zijn. Ik deel die mening niet. Eén van de meest voorname sleutels voor het voeren van een anticyclisch begrotingsbeleid door de overheid ligt in de handen van sociale partners. Door loonmatiging in tijden van sterke economische groei, ben je in staat om conjuncturele werkloosheid aanmerkelijk in te perken (Macro-economisch principe gebaseerd op de theorie van de Britse econoom J.M. Keynes 1883-1946). Door de sterke ontwikkeling van de neoliberale agenda van onder meer de VVD, onder aanvoering van Gerrit Zalm in de jaren negentig, is deze aanpak sterk onder druk komen te staan. In mijn optiek een historische fout, waar we nu nog de negatieve effecten van ondervinden. Ondanks de (beperkte) economische groei, blijft de werkloosheid stijgen.

Ordening en verdeling

Uiteindelijk is de belangrijkste vraag is wat er op het gebied van ordening en verdeling terugkomt als je de cao afschaft. Als je ‘de markt’ haar werk laat doen, ga je in feite (historisch gezien) een eeuw terug in de tijd, of zelfs verder: de tijd van de dagloner, waarbij alle risico’s van arbeid afgewenteld worden op de werknemer. Werkgeversverantwoordelijkheid verdwijnt. Historisch gezien ligt deze ordening wel ten grondslag aan de Wet op de Collectieve Arbeidsovereenkomst en aan moderne arbeidsverhoudingen. Met de opkomst van de industrialisering en later de georganiseerde belangenvertegenwoordiging van weknemers, ontstond ook de behoefte om de relatie tussen werkgever en werknemer institutioneel beter vorm te geven. Collectieve afspraken, waarin een zekere mate van gelijkheid werd nagestreefd en waarin uitwassen van kapitalisme moesten verdwijnen.

Na de Tweede Wereldoorlog, zeker tot het einde van de jaren 80 van de vorige eeuw, waren solidariteit en collectiviteit, de basisprincipes van arbeidsvoorwaarden en arbeidsverhoudingen. Daarna is er langzaam maar zeker meer ruimte gekomen voor meer decentraal of individueel ingevulde arrangementen. En dat hoorde bij de tijdsgeest, zeker toen Nederland meer Angelsaksisch georiënteerd arbeidsorganisaties dan Rijnlandse kreeg. Marktwerking, ook op de arbeidsmarkt kreeg meer ruimte, met als automatische consequentie dat het ´level playing field´ van gelijke beloningen onder druk kwam te staan.

Maar tegelijkertijd veranderde ook het toekomstperspectief en de rolopvatting van de werknemer. Van een baan voor het leven, in een zeer traditionele context, tot werken van contract naar contract, waarbij nieuwe generaties werk ook heel anders (zijn) gaan beleven. Jongeren, zo wordt althans beweerd, hangen veel minder aan een carrière binnen één bedrijf, of binnen één beroepsgroep, maar zoeken zelfontplooiing en zijn van nature meer bereid en in staat zich te bewegen binnen die veranderende arbeidsverhoudingen. En ja, ondernemerschap is dan wel een competentie die heel goed van pas komt.

Voor werkgevers ontstond aan het eind van de jaren ´90 dus een wereld waarbij, in eerste instantie geleidelijk, veel meer ruimte was om flexibeler met arbeidscapaciteit om te gaan. De opkomst en definitieve doorbraak van de uitzendkracht, grootschalige uitbesteding van werk dat geen corebusiness was tot payrolling. Van die geleidelijkheid is nu geen sprake meer. Flex wordt de norm. Nog nooit hadden zo weinig werknemers in Nederland een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.

Niks mis met flex

Hoewel flexibilisering van arbeid een fenomeen is van deze tijd en niet per definitie slecht, zijn het juist de uitwassen die er voor zorgen dat het stelsel van arbeidsverhoudingen in Nederland onder druk staat. Steeds meer zijn werkgevers op zoek gegaan naar de randen van de (wettelijke) mogelijkheden, vaak ingegeven door marktontwikkelingen. Maar zeker zo vaak zijn grenzen overschreden en is men onder het mom van flexibilisering over gegaan tot een geld gedreven mechanisme van concurreren op arbeidsvoorwaarden en winstmaximalisatie.

Slechte voorbeelden hebben we gezien in de bouwsector en het internationaal wegtransport, maar ook de inzet van pseudo zzp’ers als pakketbezorgers past in dit rijtje. In het laatste geval heeft PostNL gefaald om deze werkenden op een slimme manier aan zich binden. Wel de lusten, maar niet de lasten en binnen nieuwe arbeidsverhoudingen blijkt dat ongepast.

Belangrijk anders is het natuurlijk voor de ondernemende zzp’er, die er juist zeer bewust voor kiest om zijn of haar carrière vorm te geven als ondernemende professional. Daar waar hij/zij overtuigd is van eigen kennen en kunnen, zal deze meer dan behoorlijk in staat zijn om op basis van gelijkheid een transactie met een opdrachtgever tot stand te brengen. En als deze opdrachtgever zich wil onderscheiden van zijn concurrenten, dan zal hij een methodiek moeten gaan ontwikkelen of hanteren om naast werknemers- en klantintimiteit (employee and customer intimacy, zo u wilt) ook de inhuurkracht een juiste plaats te geven binnen zijn onderneming. En van een bestaande cao heeft deze professional echt geen last.

De nieuwe hoofdregel is: “iedereen die arbeid voor jou verricht, in welke vorm dan ook, is belangrijk”. En een ondernemer/werkgever dient zich te allen tijde bewust te zijn van de toegevoegde waarde die door dat individu wordt geleverd ten behoeve van de onderneming. Als je dat niet scherp in beeld hebt, dan heb je een heel ander probleem.

Level playing field

Feitelijk gaat het er dus om hoe we in de toekomst handen en voeten geven aan een nieuw ‘level playing field’ als het gaat om beloning voor een geleverde arbeidsprestatie en hoe geven we invulling aan wederzijdse verantwoordelijkheden rondom die arbeid.
Ook de vakbeweging (in de praktijk wel de contractspartner als het om cao’s gaat) laat het hier liggen. Ze maakt zich absoluut sterk om problematiek aan te pakken, maar onderkent onvoldoende dat er feite sprake is van een ontwikkeling naar nieuwe arbeidsverhoudingen met verschillende vormen van arbeidsverdeling. Heel recent is bekend geworden dat in SER-verband deze problematiek wel op tafel komt, maar wat dat in de praktijk gaat betekenen is nog een groot vraagteken.

Inperking van flex op langere termijn is nodig om de eerder genoemde ordening en verdeling te kunnen handhaven. Het geeft een rechtvaardiger verdeling van beloning, meer arbeidsrust en meer toekomstperspectief voor mensen die dat nu niet hebben. Maar ook de positie van de zelfstandige professional zal een betere verankering in ons stelsel van arbeidsverhoudingen moeten krijgen. Alle inspanningen van Lodewijk Asscher ten spijt, met wetgeving alleen ga je dit niet oplossen. En voorlopig kan een (gemoderniseerde) cao je voor heel veel ellende behoeden.

Geplaatst in Professioneel inhuren, ZP en Politiek | Tags | 12s Reacties

Wiebes’ laatste loodjes. Verdwijnt de VAR of toch niet? Debat Wet DBA weer uitgesteld. (UPDATE)

IMG_0373Hij is er al zo’n twee jaar zoet mee. Staatssecretaris Wiebes wil af van de Verklaring Arbeidsrelatie, de VAR. Zijn eerste plan, de webmodule, werd genadeloos afgeserveerd door zijn eigen VVD. Nu ligt zijn tweede plan, de Wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelaties (Wet DBA), bij de Eerste Kamer. Maar waar de Tweede Kamer en masse akkoord ging met deze wet, alleen de SP was tegen, is het allerminst zeker dat dit wetsvoorstel het gaat halen.

De laatste loodjes wegen het zwaarst. Een geplande plenaire behandeling is verschoven van 19 januari naar een week later. Onbekend is nog of de Eerste Kamer ook bereid is om op diezelfde dag het wetsvoorstel in stemming te brengen (dat gebeurt meestal een week na de plenaire behandeling). Doen ze dat niet, dan is invoering van de Wet DBA per 1 april uitgesloten. Dat nadat een eerdere invoeringsdatum van 1 januari al onaanvaardbaar was voor de senatoren.

Aanleiding van het uitstel is dat het nog wachten is op antwoorden van de Staatssecretaris op schriftelijke kamervragen. Onderliggend probleem voor Wiebes is dat de kamerbrede steun zoals die er in de Tweede Kamer was, in de Eerste Kamer als sneeuw voor de zon lijkt te verdwijnen. En zoals bekend heeft het kabinet is de Eerste Kamer geen meerderheid.

update 18/1.

De Staatssecretaris heeft zijn antwoorden naar de Eerste Kamer gestuurd (zie hier). Hij vindt 15.000 schijnzelfstandigen (minimumscenario) voldoende aanleiding tot nieuwe handhavingsmethodes (wat Wet DBA is), weerlegt uitvoerig (en wel overtuigend) de kritiek van fiscalist Cor Overduin (zie onderaan artikel) op de Wet en herhaalt zijn standpunt dat de Wet DBA niet over zzp-beleid gaat (bijvoorbeeld wel/niet terugdringen aantal zzp’ers of verkleinen fiscale verschillen tussen werknemers en zzp’ers zoals ibo-zzp werkgroep voorstelt) maar sec over de handhaving van bestaande regels. De stemming over de Wet DBA is vooralsnog gepland voor 2 februari. 

Schuivende partijen

D66 en CDA blijven zich afvragen of het middel (een geheel nieuw stelsel, met de nodige onzekerheden qua effect op veel zzp’ers) niet erger is dan de kwaal (het aanpakken van schijnzelfstandigheid). Ze zijn nog niet overtuigd van het argument van Wiebes dat een effectieve aanpak van schijnzelfstandigheid niet kan met de huidige VAR.

Ook de VVD ligt dwars. Tast de Wet DBA niet te veel de vrijheid van zzp’ers aan? Is dit niet de opmaat naar het terugdringen van het aantal zelfstandigen? Ook voor hen die niet in schijnconstructies werken. En wat is nu precies een schijnconstructie? Geldt dat ook voor die groep die in volle tevredenheid en vrijheid als zelfstandige werkt maar dat wat langer voor een opdrachtgever doet?

Het is de vraag of de VVD op het laatste moment opnieuw haar eigen staatssecretaris laat vallen. De VVD blaft wel vaker in de aanloop van een debat zonder door te bijten. Hulp voor Wiebes komt er mogelijk uit onverwachte hoek: de SP. Waar de SP in de Tweede Kamer de Wet DBA nog zag als sanctionering van een doorgeslagen liberalisering van de arbeidsmarkt, raakt ze (met de vakbonden) meer en meer overtuigd dat de Wet DBA nu juist een instrument kan zijn om die flexibilisering aan te pakken.

Je kan met de Wet DBA inderdaad alle kanten op.

Geen regie, geen visie.

Wat zich hier wreekt voor Wiebes is een gebrek aan regie en een gebrek aan visie.

Wiebes heeft voor  ‘deregulering’ gekozen, zonder heldere kaders neer te zetten. Daarmee heeft hij veel onzekerheid gecreëerd over wat er nu wel en niet kan voor zelfstandigen en hun opdrachtgevers. Voor ‘tennisleraren’ was er snel een akkoord (‘who cares’, dachten ze bij de belastingdienst), maar bijvoorbeeld de Hogescholen komen er nog steeds niet uit. Ook werd het toetsingskader werd pas maanden na de start van de gesprekken over modelovereenkomsten gepubliceerd.

Het ontbreekt het kabinet, en dus Wiebes, ook aan een integrale visie op waar het heen moet met de zzp’ers. Zijn eigen VVD heeft die discussie, die zou moeten losbarsten na het IBO onderzoek over zzp’ers, op slot gegooid. Wiebes kan zo nauwelijks hard maken dat de Wet DBA niet ingezet gaat worden om het aantal zzp’ers terug te dringen.

Veel steun uit de markt krijgt Wiebes ook niet. Een organisatie als de in Den Haag machtige ABU zit niet op deze wijziging te wachten maar hebben hun bezwaren (openbaar) laten varen, nadat Wiebes akkoord ging met het feit dat bemiddelaars toch via de Wet DBA zelfstandigen konden blijven bemiddelen. Wat nog niet wil zeggen dat ze de Wet DBA publiekelijk steunen. De zzp-vertegenwoordigers hebben hard meegeschreven aan het implementatieplan van de Wet (om er maar het beste van te maken) maar ook vanuit dat kamp komen er nauwelijks ondersteunende berichten voor Wiebes.

Ondertussen groeit ook het aantal bezwaren van arbeidsrechtspecialisten. Prof Mies Westerveld vindt dat de Wet DBA gebaseerd is op een “juridisch slappe bodem”. Cor Overduin (Partner bij Grant Thorton) schreef een doorwrocht artikel in het Tijdschrift voor Fiscaal Recht en moet het simpelweg een ‘slecht plan’. Ze onderschrijven mij in april geformuleerde ‘addertjes onder het gras’ van de Wet DBA.

Al met al wordt januari nog een spannend maandje voor Wiebes. Afwachten dus of de VAR inderdaad de prullenbak in gaat. Mocht de Wet DBA niet aangenomen worden, dan blijft ook de huidig afgegeven VAR geldig.

Lees alle achtergronden, informatie en visies over de Wet DBA in dit speciale ZiP-dossier

Geplaatst in Professioneel inhuren, ZP en Ondernemen, ZP en Politiek | Tags | 9s Reacties

Tijmen Muijs winnaar Interim Challenge 2016

Winnaar Tijmen Muijs tussen juryvoorzitter Rob Blomme en organisator Michel van Buren (foto Koos Groenewold)

Tijmen Muijs heeft gisteren de Interim Challenge 2016 gewonnen, een nieuwe initiatief voor interim managers georganiseerd voor het bureau BLMC. Muijs mag zich Supply Chain Interim Manager 2016 noemen.

Interim management is een vak, aldus organisator BLMC. Directeur Michel van Buren: ‘Een interim manager krijgt vaak te maken met verbetertrajecten en moet over een unieke mix van vakkennis en persoonlijkheid beschikken.’  De in totaal 45 deelnemers werkten een complexe case uit, waarna gesprekken plaatsvonden. Edward Heijnen, Rob La Grand, Tijmen Muijs en Wilco Salemink streden op 14 januari 2016 in de finale om de titel.

Wat maakt een goede interim manager?

De Interim Challenge wordt georganiseerd door BLMC, bureau voor recruitment, interim management en verandertrajecten in de supply chain. Voorzitter van de vakjury was Prof. Dr. Robert Jan Blomme van Nyenrode Business Universiteit. Het juryoordeel: ‘Een goede interim manager analyseert eerst wat het echte probleem is en moet inhoudelijk in staat zijn om met een oplossing te komen. Daarnaast heeft hij gevoel voor de cultuur en politiek en is hij in staat mensen mee te nemen in de verandering.’ De winnaar scoorde op deze aspecten net iets hoger dan zijn concurrenten.

De vier finalisten lieten visie over goed opdrachtgeverschap en hun eigen goed opdrachtnemerschap al eerder zien in dit artikel op ZiPconomy.

“Redeneer vanuit de klantwaarde”

Wat is het geheim van Tijmen Muijs? ‘Ik redeneer altijd vanuit de klantwaarde, het plan is daarvan afgeleid. In deze case bleek een gedifferentieerde supply chain noodzakelijk. Als de uitgangspunten helder zijn, kun je die doortrekken in de hele keten. Om mensen mee te krijgen in verandering, focus ik op de positieve stakeholders en besteed ik veel aandacht aan continue communicatie. Door het grote plan uit te voeren in kleine stappen, is succes snel zichtbaar en dat motiveert.’

Tijmen wint de titel Supply Chain Interim Manager 2016. Hij wordt lid van de BLMC Interim Community en ontvangt een BCademy trainingspakket ter waarde van € 2.500,-

De vakjury bestond uit Prof. Dr. Robert Jan Blomme, Professor of Organization Behavior, Nyenrode Business Universiteit, Paul Claessens, Supply Chain Director WE Fashion, Sjaak Lekkerkerker, senior interim manager, Hans Baltjes MBA, Opleidingsmanager Logistiek & Economie aan Windesheim University of Applied Sciences, Patrick Vermeren, coach en begeleider van veranderprocessen en auteur van het boek ‘Rond Leiderschap’, Martijn Lofvers, uitgever en eigenaar van Supply Chain Magazine.

Interim Challenge 2017

Vanaf september 2016 vinden de voorrondes plaats voor de Interim Challenge 2017. Informatie komt beschikbaar via www.blmc.nl en social media #InterimChallenge

Geplaatst in ZP en Ondernemen | Tags , | Laat een reactie achter

Talent management, recruitment en betrokkenheid wereldwijd HR prioriteiten.

bron: Harvey Nash HR survey 2016
bron: Harvey Nash HR survey 2016

Talent Management (voor  61% van deelnemende organisaties), Employee Engagement (60%) en Recruitment (58%) zijn de drie belangrijkste HR onderwerpen voor organisaties wereldwijd. Dat blijkt uit een onderzoek van Harvey Nash, gehouden onder meer dan 1250 HR professionals uit 30 landen. Het is het zesde wereldwijde HR onderzoek van Harvey Nash. Recruitment is de grootste stijger als HR prioriteit ten opzichte van het onderzoek van vorig jaar (van 51% naar 58%).

“HR is getting digital”, zo stellen de onderzoekers verder vast (wordt tijd). 57% van de respondenten vindt dat het gebruiken van management informatie om te rapporteren over HR ‘heel belangrijk’ is. Een gelijk percentage denkt dat die trend alleen maar groter wordt. Het rapport laat verder een toenemende inzet van digitale middelen zien bij recruitment. Het inzetten van jobboards en sociale media groeien het hardste als belangrijkste wervingskanalen (respectievelijk  van 42% naar 49% en 22% naar 29%). Waarbij aangetekend dat het inzetten van de corporate website wereldwijd daalt als topkanaal van 54% naar 49%.

Opvallend genoeg daalt de aandacht voor flexibele contracten. dalende trend

De helft van alle HR professionals vindt dat de betrokkenheid van het personeel er op vooruit is gegaan het afgelopen jaar. 20% ziet die betrokkenheid dalen. De medewerkersbetrokkenheid wordt in 82% van de organisaties gemeten via de aloude enquêtes. 

HR mag dan door de organisatiesbestuurders gezien worden als een topprioriteit; twee derde van de HR professionals voelt zich ondergewaardeerd (nog steeds…) door diezelfde bestuurders en de helft ervaart dat HR professionals minder belangrijk worden gevonden dan hun collega’s van financiën.

 

De volledige HR Survey 2016 van Harvey Nash is hier te vinden.

 

Geplaatst in Professioneel inhuren | Tags , | Laat een reactie achter

De SER: Sociaal Economische Revolutie of de Sociaal Economische Rem?

SEREr wordt revolutie gepredikt door de polder. Althans vanaf de voorpagina van het FD afgelopen weekend. De revolutie betreft onze arbeidsmarkt en meer in het bijzonder de positie van de zelfstandigen. ‘Ze’ zijn inmiddels met meer dan één miljoen en houden de politieke gemoederen bezig. Het is knuppelen of knuffelen met onze hardwerkende éénpitters. Voor vakbonden vogelvrij en voor werkgevers vrije vogels.

 

De politiek kwam er eerder dit jaar niet uit. Het lang verwachte IBO-rapport met heldere aanbevelingen leidde niet tot een vervolg. De afschaffing van de zelfstandigenaftrek en verplichte verzekeringen voor arbeidsongeschiktheid strandde in de coalitie. Nu is het de beurt aan de SER. Aangemoedigd door het CDA dat een vernieuwend voorstel deed. Kortere loondoorbetaling bij ziekte en na acht weken een verplichte ziekteverzekering voor alle werkenden. Verfrissend, omdat het niet alleen om zelfstandigen gaat, maar om alle werkenden.

 

Als we ons sociale stelsel willen aanpassen aan de toekomstige arbeidsmarkt gaat het over de (her)verdeling van risico’s en zekerheiden voor alle werkenden. Over een stelsel, waarbij de zelfstandige niet langer een afwijking van de norm is, maar een eigenstandige positie verkrijgt. Een stelsel dat zorgt voor substantieel lagere lasten voor het arbeidscontract. Een stelsel, waarbij zekerheden niet langer uitsluitend zijn opgehangen aan het arbeidscontract of de werkgever, maar aan alle kwetsbare werkenden, zelfstandig of in loondienst, zekerheid biedt.

Er is geen tijd te verliezen, want de flexibilisering van de arbeidsmarkt zet verder door. Uiteindelijk keert de wal het schip. Zo ver mag het niet komen. Goed dat de polder aan de slag gaat, maar dan mét actieve inbreng van de vogelvrije en vrije vogels zelf. Ik ben benieuwd wat het gaat worden met de SER: de Sociaal Economische Revolutie of de Sociaal of de Sociaal Economische Rem?

Geplaatst in ZP en Ondernemen, ZP en Politiek | Tags , , | Laat een reactie achter