Maandelijkse archieven: oktober 2026

Zelfstandigenwet: meer eisen vragen om meer bescherming

De nieuwe Zelfstandigenwet wil vooraf duidelijker maken wanneer iemand als zelfstandige kan werken. Wie aan de voorwaarden voldoet, krijgt een veilige haven: meer zekerheid dat buiten loondienst kan worden gewerkt. 

Maar tegenover die zekerheid staan extra financiële eisen. Wie van de veilige haven gebruik wil maken, moet een nog vast te stellen bedrag besteden aan voorzieningen tegen ondernemersrisico’s, zoals arbeidsongeschiktheid, ziekte en pensioen.

Daar ontbreekt de andere helft: bescherming. Zeker aan de onderkant is de financiële ruimte nu al beperkt. Als de wet meer financiële verplichtingen bij zelfstandigen neerlegt, moet die verantwoordelijkheid ook economisch te dragen zijn. De wet regelt wanneer je met meer zekerheid zelfstandig kunt werken, maar niet of je van dat werk duurzaam kunt bestaan. 

De onderkant heeft nu al te weinig financiële ruimte

De economische kwetsbaarheid is zichtbaar. In 2025 had slechts 24 procent van de zzp’ers een arbeidsongeschiktheidsverzekering (bron: CBS). Van de zzp’ers zonder AOV zegt 23,3 procent dat zij die niet kunnen betalen. Ook bij pensioen speelt betaalbaarheid een grote rol: 46,3 procent van de zelfstandigen zonder pensioenvoorziening noemt de kosten als reden.

Zzp’ers leven bovendien vaker in armoede dan werknemers. In 2024 leefde 4,4 procent van de zzp’ers volgens het CBS in een arm huishouden, tegenover 1,7 procent van de werknemers. In cultuur, recreatie en overige dienstverlening liep dit aandeel op tot 8 procent. 

En belangrijk: deze cijfers zijn grotendeels gebaseerd op de periode voordat de verscherpte handhaving op schijnzelfstandigheid merkbaar doorwerkte in het aantal opdrachten voor zzp’ers. De financiële ruimte aan de onderkant was daarvoor dus al beperkt.

Het ministerie van SZW liet Ipsos I&O onder zelfstandigen en opdrachtgevers peilen of de mogelijke criteria van de Zelfstandigenwet duidelijk en werkbaar zijn en of zij denken eraan te kunnen voldoen. In het onderzoek zegt 72 procent van de zzp’ers jaarlijks te investeren in voorzieningen tegen ondernemersrisico’s. Aan dat criterium is echter geen minimumbedrag gekoppeld. Daarom geeft deze weergave uit het rapport naar mijn idee een te rooskleurig beeld: 

Uit het rapport blijkt namelijk dat 49 procent van de ondervraagde zzp’ers niets of maximaal 1.000 euro per jaar besteedt aan voorzieningen tegen ondernemersrisico’s. Als de helft nog geen 1.000 euro per jaar besteedt aan alle soorten voorzieningen dan kun je niet concluderen dat 72 procent kan voldoen aan een toekomstig verplicht bedrag dat nu nog niet eens bekend is. Van de zzp’ers die nu helemaal niet in zulke voorzieningen investeren, verwacht bovendien 59 procent dat het waarschijnlijk niet mogelijk is om dat alsnog te gaan doen.

De veilige haven helpt niet iedere echte zelfstandige

Wie onvoldoende verdient om aan de financiële voorwaarden te voldoen, wordt niet automatisch werknemer. Een echte zelfstandige kan buiten de veilige haven gewoon zelfstandig blijven werken.

Daar ontstaat een blinde vlek: geen werknemersbescherming, geen zekerheid van de veilige haven en wel de mogelijkheid om tegen een economisch te laag tarief te blijven werken. Ook het rechtsvermoeden bij een laag uurtarief lost dat voor echte zelfstandigen niet op. Blijkt iemand daadwerkelijk zelfstandig, dan blijft werken tegen een economisch te laag tarief mogelijk.

Aan de onderkant is bescherming ver te zoeken

Voor kwetsbare zelfstandigen lijkt de route naar betere bescherming vooral richting werknemerschap te lopen. De memorie noemt een verschuiving naar flexibele arbeidsrelaties zelfs ‘minder onwenselijk’, omdat ‘kwetsbare zelfstandigen vaak beter beschermd worden als zij richting het flexibel werknemerschap worden bewogen.’ Maar in sectoren waar zelfstandig werken de norm is en nauwelijks banen in loondienst worden aangeboden, is dat geen vanzelfsprekende uitweg. 

Er kan bovendien een vreemde prikkel ontstaan. Een zelfstandige in de veilige haven moet verplicht kosten voor voorzieningen maken en die uiteindelijk in zijn tarief verwerken. Een echte zelfstandige buiten de veilige haven hoeft niet aan die specifieke financiële voorwaarden te voldoen en kan zelfstandig blijven werken. Met minder verplichte kosten, waardoor het uurtarief lager kan zijn. 

Ook factureren op nacalculatie wordt een probleem

Ook de manier waarop een zelfstandige factureert kan toegang tot de veilige haven in de weg staan. In de wettekst staat dat de zelfstandige voor eigen rekening en risico moet werken, waarbij diegene economische baten kan genieten en financiële risico’s loopt. De memorie van toelichting vult dat opvallend strikt in. Volgens de regering is aan dit criterium in ieder geval niet voldaan bij een vergoeding die ‘uitsluitend is gebaseerd op het aantal gewerkte uren’. Ook als vooraf een concreet resultaat is afgesproken, vindt de regering het in beginsel niet passend wanneer alle extra gewerkte uren gegarandeerd worden vergoed.
Dat raakt een heel gewone manier van ondernemen: werken tegen een afgesproken uurtarief en achteraf de gewerkte uren factureren. Nacalculatie is juist logisch bij opdrachten waarvan vooraf niet precies vaststaat hoeveel tijd nodig is. Dat iemand zijn daadwerkelijk gewerkte uren factureert, zegt op zichzelf weinig over de vraag of hij zelfstandig ondernemer is. Hij kan nog steeds zelf opdrachten verwerven, aansprakelijk zijn voor zijn werk, investeringen doen en het risico’s dragen op onbetaalde ziekte dagen, uitval en periodes zonder werk.

Bescherming mag niet afhangen van het contract

Werknemers en zelfstandigen hoeven niet dezelfde regelingen te hebben, maar bescherming en bestaanszekerheid zouden niet wezenlijk afhankelijk moeten zijn van de contractvorm. Dat sluit aan bij het Europese begrip labour status neutrality. De Europese Commissie koppelt dat onder meer aan betaalbaarheid, toereikendheid en solidariteit in Employment, Social Affairs and Inclusion.

Een Europees discussiedocument over labour status neutrality benadrukt daarnaast een eerlijke verdeling van kosten en bijzondere aandacht voor kwetsbare groepen. Ook de Raad van de EU roept lidstaten op gaten in de bescherming van zelfstandigen te dichten en een toereikend beschermingsniveau te bieden, zoals te lezen is bij Consilium en Europese Commissie: Access to social protection.

Juist hier ontstaat bij de Zelfstandigenwet een probleem. Wie de extra voorzieningen niet kan betalen, mist de veilige haven maar kan juridisch wel zelfstandige blijven. De situatie zou er dan zo uitkomen te zien:

Daarmee wordt rechtszekerheid mede afhankelijk van verdienvermogen. Niet de mate van zelfstandigheid, maar de financiële ruimte in de sector bepaalt dan mede wie de veilige haven kan bereiken.

Meer risico dragen vraagt om een bodem

Opvallend is dat de memorie bij werken voor eigen rekening en risico spreekt over de ‘lusten en lasten’ en de ‘economische baten’ van zelfstandig ondernemerschap. Maar wat als de economische omstandigheden structureel nadelig zijn? Als tarieven zo laag zijn dat inkomen, bedrijfskosten en sociale voorzieningen er niet van betaald kunnen worden, draagt de zelfstandige wel de risico’s, maar blijven de economische baten uit.

De Pensioenfederatie wees in haar reactie op de eerdere internetconsultatie over de Zelfstandigenwet al op de zwakke onderhandelingspositie van laagbetaalde zelfstandigen en stelde dat pensioen en arbeidsongeschiktheid uit de vergoeding moeten kunnen worden betaald. Ook de Stichting van de Arbeid benadrukte in die consultatie het belang van betere sociale bescherming en een eerlijk, toereikend tarief.

Wat in deze Zelfstandigenwet ontbreekt: een economische bodem

Een economische ondergrens bepaalt niet wat werk waard is. Hij markeert het punt waaronder duurzaam zelfstandig werk financieel niet meer kan. Die ondergrens moet niet één landelijk bedrag zijn. Het landelijke tarief bij het rechtsvermoeden is bedoeld om mogelijke schijnzelfstandigheid juridisch aan te pakken. Voor duurzaam zelfstandig werk moet juist rekening worden gehouden met verschillen tussen sectoren en beroepsgroepen, waaronder het aantal uren dat gemiddeld declarabel is.

Daarom moet alles worden meegerekend:

Zo’n ondergrens is geen aanbevolen marktprijs en geen inkomensgarantie. Boven die grens blijft ruimte voor prijsconcurrentie, kwaliteit, ervaring, specialisatie en onderhandeling. De bodem markeert alleen waar een normale zelfstandige beroepspraktijk financieel niet meer duurzaam is.

Die gedachte kun je ook wettelijk omschrijven. Bijvoorbeeld: “De economische tariefondergrens wordt zodanig vastgesteld dat een zelfstandige die een normale voltijdse beroepspraktijk voert, met het binnen de betreffende sector of beroepsgroep gemiddeld declarabele deel van zijn totale werktijd voldoende omzet kan verwerven om noodzakelijke beroepskosten en genormeerde kosten voor sociale voorzieningen te betalen én een adequaat bruto beroepsinkomen over te houden.”

Dan leg je niet alleen vast dat bescherming nodig is, maar ook waar die economische bodem op gebaseerd moet zijn. Een wettelijke ondergrens kan bovendien al normerend werken voordat een rechter eraan te pas komt: opdrachtgevers en zelfstandigen weten vooraf waar de grens ligt. 

Erkenning is geen bescherming

In de memorie van toelichting staat dat de wet zelfstandigen de erkenning moet geven die zij verdienen. Dat woord sluit ook aan bij de lijn van VZN, dat al lang spreekt over erkenning van zelfstandig ondernemerschap.

Maar wat koopt een zelfstandige voor erkenning? Met erkenning betaal je geen pensioen of AOV en overbrug je geen periode zonder opdrachten. Erkenning zonder bescherming is uiteindelijk niet veel meer dan een ongevraagd schouderklopje.

Meer eisen? Dan ook meer bescherming

De Zelfstandigenwet stelt voor zekerheid vooraf extra financiële voorwaarden, maar verandert niets aan de verdienruimte. Wie voldoende verdient, kan de voorzieningen betalen. Wie werkt in een sector waar tarieven structureel te laag zijn, kan buiten de veilige haven vallen. Maar diegene kan juridisch gewoon zelfstandige blijven en tegen dezelfde lage tarieven doorwerken.

Tegelijk is de veilige haven zo volgehangen met voorwaarden dat een deel van de zelfstandigen er niet in past. Sommige voorwaarden kunnen bovendien normale vormen van zelfstandig werken problematisch maken, zoals factureren op basis van gewerkte uren en nacalculatie. In combinatie met financiële eisen die niet voor iedere zelfstandige betaalbaar zijn, dreigt deze versie van de Zelfstandigenwet in de praktijk een grote groep zzp’ers richting loondienst te duwen.

De wet moet niet alleen bepalen wanneer iemand zelfstandig mág werken, maar ook voorkomen dat duurzaam zelfstandig werken aan de onderkant financieel onmogelijk blijft. Meer financiële verantwoordelijkheid vraagt daarom ook om economische bescherming. Werken moet lonen, ongeacht de sector.

Geplaatst in ZP en Politiek | Tags , | Laat een reactie achter

Knab-peiling: meerderheid zzp’ers tegen Zelfstandigenwet

Een meerderheid (53%) van de 1.068 zzp’ers in een Knab-peiling, die begin oktober is gedaan, zou tegen de nieuwe Zelfstandigenwet stemmen. Slechts 19 procent zou voor stemmen en 28 procent weet het nog niet. In de peiling van april 2025 was nog 71 procent voor de eerdere plannen. Vooral de eis van minimaal drie opdrachtgevers roept weerstand op. Ook twijfelen veel ondernemers of de wet opdrachtgevers over de streep trekt om hen in te huren.

Eis van drie opdrachtgevers botst met lange projecten

Het voorstel voor de Zelfstandigenwet, dat op 1 oktober in internetconsultatie ging, moet vooraf meer zekerheid geven over werken als zelfstandige. De nieuwe route vraagt onder meer om minimaal drie volwaardige opdrachtgevers in het vorige en lopende kalenderjaar samen. Wie daar niet aan voldoet, blijft beoordeeld worden volgens de bestaande regels. Ook meerdere eindklanten kunnen volgens de toelichting als één opdrachtgever tellen als het opdrachtencontract met één intermediair is gesloten. Bij rechtstreekse contracten met de eindklanten tellen die afzonderlijk.

Maar liefst 51 procent van de ondervraagden is tegen de eis van drie opdrachtgevers. Geen van de andere voorgelegde voorwaarden krijgt zoveel weerstand. 31 procent vindt dat beleidsmakers bij de verdere uitwerking vooral naar het aantal opdrachtgevers moeten kijken. In de toelichtingen beschrijven ondernemers hoe één grote opdracht al snel maanden of jaren duurt. “Dat ik gedurende zo’n periode vooral voor één opdrachtgever werk, maakt mij niet ineens minder ondernemer”, zegt een zzp’er in onderwijs en kinderopvang.

Van de ICT’ers in de peiling zou 73 procent tegen het voorstel stemmen. In de zorg en welzijn is dat 41 procent; veertig procent van deze groep weet het nog niet. Van de zzp’ers met minder dan drie klanten in 2025 en 2026 samen zou 74 procent tegen het hele voorstel stemmen, tegenover 44 procent van degenen met minimaal drie klanten. 

Andere onderdelen krijgen veel steun. Zo is 91 procent voor vrijheid bij de uitvoering van het werk en 89 procent voor een afzonderlijke rekening. Over een minimumbedrag voor voorzieningen, zoals pensioenopbouw of een arbeidsongeschiktheidsverzekering, zijn de meningen verdeeld: 46 procent is voor en 43 procent tegen.

Zzp’ers vrezen dat de nieuwe route een harde inhuureis wordt

Een kwart (25%) is het eens met de stelling dat opdrachtgevers door het voorstel makkelijker zzp’ers zullen inhuren. Bijna de helft (48%) is het daarmee oneens. “Dan val ik niet in de ‘veilige haven’ en dat schrikt mij niet af, maar opdrachtgevers… Dat baart mij zorgen”, zegt een zzp’er in de ICT.

Casper Zwart, onderzoeker bij Knab, licht toe: “Op papier houdt het kabinet twee routes open. Maar in de reacties vrezen zzp’ers dat opdrachtgevers straks alleen de nieuwe route accepteren. Denk aan ICT’ers die lang aan één groot project werken en moeilijk drie opdrachtgevers kunnen halen. Als opdrachtgevers die eis toch stellen, helpt het deze ondernemers weinig dat de bestaande beoordeling juridisch mogelijk blijft. Een vrijwillige route naar zekerheid kan zo in de praktijk een harde inhuureis worden.”

Veertig procent van de zzp’ers in de peiling zegt dat een opdrachtgever dit jaar heeft aangegeven dat een opdracht niet doorging of werd stopgezet vanwege onzekerheid over zzp-inhuur.

Kijk het webinar van Zipconomy met alles wat je moet weten over de nieuwe Zelfstandigenwet.

Stemverdelingen naar ondernemersprofiel

Hoe zouden deelnemers stemmen als zij in de Tweede Kamer zaten? Elke rij toont de verdeling binnen die groep.

Sector

Groep Voor Tegen Weet nog niet
ICT 8% 73% 19%
Techniek en industrie 13% 64% 23%
Persoonlijke dienstverlening 15% 53% 33%
Bouw en installatie 20% 52% 28%
Een andere sector 18% 51% 31%
Zakelijke en financiële dienstverlening 27% 49% 24%
Creatieve sector, media en communicatie 28% 43% 28%
Zorg en welzijn 19% 41% 40%

 

Aantal jaren als ondernemer

Groep Voor Tegen Weet nog niet
Minder dan 3 jaar 22% 55% 23%
3–5 jaar 18% 52% 29%
6–10 jaar 19% 49% 33%
11 jaar of langer 20% 57% 23%

 

Uurtarief exclusief btw

Groep Voor Tegen Weet nog niet
Minder dan € 40 12% 59% 29%
€ 40 tot minder dan € 60 15% 48% 37%
€ 60 tot minder dan € 80 28% 43% 28%
€ 80 tot minder dan € 100 21% 50% 29%
€ 100 tot minder dan € 125 16% 61% 23%
€ 125 of meer 20% 56% 24%

 

Aantal opdrachtgevers in 2025 en 2026 samen

Groep Voor Tegen Weet nog niet
0 of 1 7% 77% 16%
2 7% 72% 21%
3–5 19% 46% 35%
6–10 29% 38% 33%
11–25 28% 47% 24%
Meer dan 25 28% 44% 27%

 

Kleine sectoren zijn niet afzonderlijk weergegeven. Een andere sector betreft deelnemers die de antwoordoptie anders kozen. De twee categorieën onder drie jaar zijn samengevoegd, net als nul en één opdrachtgever. Ontbrekende profielgegevens en niet-numerieke uurtarieven staan niet in de tabellen. Door afronding op hele percentages kan de som van een rij afwijken van 100%.

Geplaatst in ZP en Politiek | Tags , | 4s Reacties

Onderzoek en cijfers: De nieuwe werkelijkheid van de zzp. “Vroeger hadden we het over gedwongen zzp’ers, nu over gedwongen werknemers”

In zes kwartalen tijd daalde het aantal zzp’ers dat eigen arbeid aanbiedt met 12,5 procent. Dat zijn 138.000 mensen die volgens het CBS niet langer zelfstandig aan het werk zijn. Ander dan wellicht verwacht of gehoopt: die personen hebben nu vaak geen vaste baan en werken ook niet via uitzendbureaus of detacheerders. Ze hebben vooral kortlopende contracten of werken via een oproepcontract. 

Dat blijkt uit het rapport ‘De nieuwe werkelijkheid van de zzp. De impact van handhaving, beleid en arbeidsmarktontwikkelingen in cijfers’ dat op 5 oktober is uitgebracht door ZiPconomy, HeadFirst en ONL voor Ondernemers.

Het doel van de reeks is volgens Sem Overduin, lead corporate en public affairs bij HeadFirst, om het debat te voeden met feiten in plaats van onderbuikgevoelens. Data van onder meer het CBS, TNO, de Kamer van Koophandel en Intelligence Group worden bij elkaar gebracht. “Het is niet aan ons om die afwegingen te maken”, benadrukt hij. “Dat is aan de politiek.” De cijfers laten wel een duidelijke conclusie toe: minder zzp betekent niet automatisch meer vast.

Een trendbreuk na dertig jaar groei

Hugo-Jan Ruts, oprichter van ZiPconomy en – samen met Wim Davidse  verantwoordelijk voor het onderzoek – zet eerst de verhoudingen recht. De zzp’er waar het politieke debat over gaat, de zelfstandige die eigen arbeid levert aan organisaties in langere opdrachten, vormt slechts 2,6 procent van alle werkenden in Nederland. De arbeidsmarkt is veel breder dan vast en flex, en ook andere groepen zelfstandigen merken de gevolgen van het beleid.

De groei van die groep is bovendien niet zomaar door de overheid aangewakkerd, stelt Ruts. Sinds 1996 groeide het aantal zzp’ers eigen arbeid vrijwel onafgebroken met zo’n vijf procent per jaar, ook vóór het stimuleringsbeleid dat vanaf 2004 op gang kwam. Ook tijdens de financiële crisis en na het afbouwen van fiscale voordelen bleef de groei overeind. “Het kan niet alleen maar daaraan liggen”, zegt hij. Individualisering en de opkomst van internet speelden net zo goed een rol. “Dat stimuleringsbeleid is eerder een facilitering en een reactie daarop.” Na corona volgde nog een flinke piek: “Mensen zagen ineens: het kan.”

Met het opheffen van het handhavingsmoratorium op 1 januari 2025 kantelde dat beeld abrupt. “Dan hakt dat er best wel in”, zegt Overduin over het eerste kwartaal van 2025, toen het aantal zzp’ers eigen arbeid met zo’n 50.000 afnam. “Decennia op rij zie je groei, en vanaf 2025 echt krimp.” Het Centraal Planbureau rekende eerder op 130.000 zzp’ers minder over 2025 en 2026 samen. Dat aantal is in het tweede kwartaal van 2026 al overschreden. Wel vlakt de daling inmiddels wat af.

Bron: De nieuwe werkelijkheid van de zzp. De impact van handhaving, beleid en arbeidsmarktontwikkelingen in cijfers (2026)

Niet naar vast, maar naar onzekere flex

De belangrijkste vraag in het rapport is waar die 138.000 zelfstandigen zijn gebleven. Niet in vaste banen, blijkt uit de CBS-cijfers. Ook niet in tijdelijke contracten met uitzicht op vast werk. En zelfs uitzenden en detacheren daalt. De groei zit in twee andere categorieën: korte tijdelijke contracten van drie tot zes maanden zonder uitzicht op vast, en oproepcontracten.

Bron: De nieuwe werkelijkheid van de zzp. De impact van handhaving, beleid en arbeidsmarktontwikkelingen in cijfers (2026)

“Dat zijn ook wel de categorieën die we onzekere flex noemen”, zegt Ruts. Als het de bedoeling van beleidsmakers was om mensen meer vastigheid te bieden, “dan zie je dat in ieder geval nu niet in die cijfers terug”.

Overduin ziet hetzelfde patroon in de overstapcijfers. De stap van zelfstandige naar een flexibel dienstverband piekte richting het eerste kwartaal van 2025 en loopt nu opnieuw op. De overstap naar een vast contract groeit veel minder hard. “Minder zzp’ers vertaalt zich niet direct in meer vaste arbeidsovereenkomsten”, vat hij samen. Volgens hem laat dat zien dat de vraag naar flexibiliteit niet verdwijnt, maar verschuift van extern naar intern. “Organisaties en opdrachtgevers hebben echt behoefte aan die interne flexibiliteit.”

Wie knippert het eerst met de ogen?

De daling is niet overal even groot. Kijk je naar de gewerkte uren van zelfstandigen per sector, dan zette de krimp in onderwijs en zorg al eerder in dan januari 2025. Overduin wijst erop dat juist die sectoren politiek en maatschappelijk onder een vergrootglas lagen, net als de kinderopvang. In de bouw volgde de afname vanaf het eerste kwartaal van 2025. De zakelijke dienstverlening laat een stabieler beeld zien, omdat veel bedrijven daar eerder werk maakten van compliant inhuren.

Ruts gaat een stap verder. In zorg en onderwijs wilden veel opdrachtgevers zelf “wel van de zzp’ers af”, zegt hij. Het einde van het moratorium kwam hen volgens hem goed uit om dat sectorbreed door te voeren, ook toen naheffingen nog helemaal niet aan de orde waren. Dat leidt tot een botsing tussen organisaties en de zelfstandigen om wie het gaat. “Wie knippert hier het eerst met z’n ogen?”

Opvallend is ook waar de krimp naar beroepsniveau het hardst is: bij het eenvoudigere, praktische werk. Het gaat om een kleine groep, ongeveer 2 procent van de zzp’ers eigen arbeid, terwijl twee derde op de hogere beroepsniveaus werkt. Toch is juist in deze groep, denk aan horecapersoneel, schoonmakers en glazenwassers, de schaarste groot. Overduin vermoedt dat deze groep vaker behoefte heeft aan zekerheid en nu een arbeidsovereenkomst krijgt aangeboden.

Ruts ziet daarin een maatschappelijk dilemma. De wens om zelfstandig te zijn is in deze groep niet kleiner dan bij hoogopgeleiden, en met het rechtsvermoeden bij een laag tarief komt er nog een maatregel aan die hen raakt. Hij waarschuwt voor een situatie waarin het “een privilege wordt om zzp’er te kunnen zijn”, alleen weggelegd voor de lucky few. 

Jonge zzp’ers haken af, 55-plussers niet

Ook naar leeftijd lopen de cijfers sterk uiteen. Bij jongere zzp’ers zit een duidelijke krimp, terwijl het aantal zelfstandigen van 55 jaar en ouder nog steeds groeit. Dat sluit aan bij onderzoek van Intelligence Group: van de zzp’ers onder de 30 zegt zo’n 17 tot 18 procent liever in loondienst te werken. Bij 55-plussers ligt dat aandeel veel lager.

Bron: De nieuwe werkelijkheid van de zzp. De impact van handhaving, beleid en arbeidsmarktontwikkelingen in cijfers (2026)

Overduin verklaart het verschil onder meer uit de levensfase. Oudere zelfstandigen kiezen vaak heel bewust voor het ondernemerschap. “Die hebben misschien al een carrière in loondienst achter de rug”, met een financiële buffer en lagere woonlasten. Zij kunnen het zich mogelijk ook permitteren om even de kat uit de boom te kijken.

Ruts voegt daar een minder rooskleurige verklaring aan toe. Voor 55-plussers is het lastiger om een vaste of zelfs tijdelijke baan te vinden. “Arbeidsmarktdiscriminatie op leeftijd is de grootste arbeidsmarktdiscriminatie die er is.” Wie weinig opdrachten heeft, blijft in de CBS-cijfers toch als zzp’er meetellen. Hard maken kunnen de sprekers het niet, want zo gedetailleerd zijn de data niet. Ruts verbaast zich er wel over dat “de overheid best weinig data gebruikt” bij dit soort afwegingen.

De geest is nog niet terug in de fles

Tegenover de dalende CBS-cijfers staat een opvallend gegeven: het aantal zzp’ers dat staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel blijft netto groeien. Dat lijkt tegenstrijdig, maar de bronnen meten iets anders. Het CBS legt vast in welke contractvorm iemand op dit moment werkt. Wie een eenmanszaak heeft maar nu in loondienst werkt, telt daar als werknemer, terwijl de inschrijving bij de KvK gewoon blijft staan.

Ook in de afgelopen zomermaanden kwamen er volgens de KvK netto 7.000 tot 9.000 zzp’ers bij, met elke maand bijna 20.000 nieuwe inschrijvingen. Ruts leest daarin dat de wens om zelfstandig te werken overeind blijft. “De geest is wat dat betreft nog niet terug in de fles.” Wie blij is met een nieuwe vaste baan, schrijft zijn eenmanszaak uit, redeneert hij. Dat dit niet massaal gebeurt, suggereert dat veel tijdelijke werknemers denken: “Mijn tijd komt wel weer.”

De cijfers van Intelligence Group wijzen dezelfde kant op. Het aandeel zzp’ers dat liever een baan zou hebben, schommelt al jaren rond de 11 procent, in lijn met onderzoek van TNO. Zouden de vertrokken zelfstandigen tevreden zijn met hun nieuwe dienstverband, dan had dat aandeel fors moeten dalen. Dat gebeurt niet. Ruts trekt er een scherpe conclusie uit: “Vroeger hadden we het over gedwongen zzp’ers. We hebben het nu over gedwongen werknemers.” 

Hij herinnert aan een uitspraak van oud-minister Koolmees, die ooit zei mensen niet tegen hun wil gelukkig te willen maken. “Daar zijn we nu wel een beetje mee bezig.”

Wat Den Haag met de cijfers zou moeten doen

Hoewel de opstellers benadrukken dat de afweging aan de politiek is, geven beiden duidelijke signalen mee. Overduin vraagt beleidsmakers te toetsen of hun maatregelen het beoogde doel wel bereiken. Organisaties blijven flexibiliteit nodig hebben, en als die niet via zzp’ers kan, verschuift ze naar onzekere contracten. “Den Haag moet dat altijd wel in ogenschouw nemen”, aldus Overduin.

Overduin verwijst naar onderzoek van SEO Economisch Onderzoek uit 2024. Daaruit bleek dat ervaren zelfstandig professionals eerder stoppen als flexibel doorwerken moeilijk wordt, terwijl de krappe arbeidsmarkt hen hard nodig heeft. “Men wil ook graag. Dat is misschien nog wel het belangrijkste.”

Tot slot pleiten de sprekers voor beter onderbouwd beleid en een logische volgorde. De zachte landing van de handhaving vervalt per 1 januari 2027, terwijl de Zelfstandigenwet, nu nog in internetconsultatie, mogelijk per 1 januari 2028 ingaat. Overduin verwacht dat de nieuwe cijfers het debat in de Tweede Kamer over het gelijktrekken van die data kunnen aanwakkeren. Ruts plaatst er nog een kanttekening bij: of de 138.000 ‘verdwenen’ zzp’ers terugkeren met de Zelfstandigenwet, “dat vraag ik me wel een beetje af”. Daarvoor ligt de lat van de zelfstandigenwet – zeven vinkjes noemt Ruts dat – toch best hoog. 

Het rapport ligt straks op de bureaus in Den Haag

In Den Haag is het volgens Ruts nog relatief stil rond de zzp-markt; direct na Prinsjesdag ligt de aandacht bij grotere politieke dossiers. Maar met de Zelfstandigenwet in aantocht verwacht hij dat de discussie snel losbarst. Overduin gaat het rapport persoonlijk langs politici en beleidsmedewerkers brengen. Zijn boodschap: “Lees het vooral.”

 

Het volledige rapport ‘De nieuwe werkelijkheid van de zzp’ is hier  te downloaden. Wie het hele gesprek wil zien, inclusief de vragen uit het publiek over de omzetting van eenmanszaak naar bv en de verschillen tussen CBS- en KvK-cijfers, kan onderstaande webinar terugkijken.

 

Geplaatst in ZP en Ondernemen | 7s Reacties

Inhuren via broker of MSP: waar schuurt het marktmodel met de Aanbestedingswet?

Publieke organisaties kiezen steeds vaker voor het marktmodel bij het inkopen van flexibele arbeid. Na een stijging van 62 procent in het aantal aanbestedingen in 2025, zet deze trend strak door. Tot en met september 2026 staat de teller voor raamovereenkomsten broker/MSP al op 53 aanbestedingen, goed voor een totale contractwaarde van 3,35 miljard euro.

De oorzaak van deze verschuiving is helder: inhuur wordt steeds complexer. Organisaties zoeken grip op hun flexibele schil, willen versnippering tegengaan en verlangen naar uniformiteit in contracten en scherpe risicobeheersing. De marktcijfers laten zien dat steeds meer publieke opdrachtgevers stoppen met een dynamisch aankoopsysteem (DAS). Zij stappen over op een broker of managed service provider (MSP) voor meer regie op hun externe inhuur.

Definitie

Inhuren via het marktmodel is vanuit aanbestedingsperspectief best bijzonder. De mededinging tussen leveranciers vindt pas plaats nadat de aanbestedingsprocedure is afgerond. De aanbestedende dienst contracteert hierbij in de regel één partij. Deze zal met een brede marktbenadering, en in samenwerking met toeleveranciers en zzp’ers, de aanvragen invullen. 

Dit verschilt fundamenteel van een traditionele raamovereenkomst met voorkeursleveranciers. Je legt namelijk een procesvraag neer bij de markt om de beste kandidaat tegen een marktconform tarief te vinden. Publieke organisaties passen dit model vooral toe bij grote inhuurvolumes en/of een breed scala aan functieprofielen.

Waar schuurt het marktmodel met de Aanbestedingswet?

Bij het marktmodel besteed je geen inhuurkrachten aan, maar het proces van inhuren. In de markt en bij juristen roept dit regelmatig discussie op. Critici en marktpartijen wijzen hierbij op drie potentiële risico’s en spanningsvelden:

Direct handmatige gunning verdringt de markt (Art. 1.9 AW)

De daadwerkelijke competitie voor inhuuropdrachten vindt pas ná de gunning plaats, ‘achter de schermen’. Wanneer een broker inhuuraanvragen niet transparant en openbaar uitzet, ontstaat een besloten selectie die de wettelijke mededinging doorkruist. Ook het één-op-één contracteren van ‘eigen wervingen’ uit het netwerk van de aanbestedende dienst omzeilt de eerlijke mededinging en verdringt de markt. 

Eigen personeel aanbieden verstoort de gelijke behandeling

Sommige brokers en MSP’s detacheren ook eigen personeel. Zodra zo’n partij ook eigen kandidaten mag voordragen op inhuuraanvragen, vervalt hun onafhankelijke rol. Zonder strikte kaders en voorwaarden ontstaat er een directe schijn van belangenverstrengeling en ongelijke behandeling ten opzichte van andere leveranciers.   

Het clusterverbod (Art. 1.5 AW)

Het bundelen van alle inhuurcategorieën (finance, HR, juridisch, IT, bedrijfsvoering, etc.) bij één partij vereist een deugdelijke motivering. Je moet kunnen verantwoorden waarom samenvoegen het MKB niet onnodig uitsluit. 

Handelt een broker of MSP niet volkomen neutraal en openbaar, of krijgt één leverancier bevoorrechte toegang tot aanvragen? Dan is er simpelweg geen sprake meer van een marktmodel, maar van een traditionele raamovereenkomst met een voorkeursleverancier. 

Rechtspraak en adviezen

Rechters en de Commissie van Aanbestedingsexperts gaven eerder in uiteenlopende inhuur-casuïstiek duidelijke kaders voor de praktijk, zoals bij: 

Mag een MSP-model überhaupt? (Gemeente Eindhoven, 2019)

Ja, de rechter oordeelde dat een MSP-model rechtmatig is. In deze specifieke casus stelde de aanbestedende dienst in het programma van eisen al heldere voorwaarden aan de uitvoering. Bijvoorbeeld het openbaar publiceren van inhuuropdrachten, het neutraal handelen van de MSP en het bieden van gelijke kansen aan toeleveranciers. Volgens de rechter namen deze concrete uitvoeringseisen de bezwaren over mogelijke ongelijke behandeling voldoende weg.

Gelijkheid en informatievoorsprong (TenneT, 2023)

Zittende leveranciers beschikken vaak over historische data, zoals de feitelijke verdeling van de inhuurpopulatie en actuele inkooptarieven. Volgens een nieuwe inschrijver belemmerde deze kennisvoorsprong een eerlijke concurrentie. De voorzieningenrechter oordeelde dat de inschrijver deze bezwaren proactief en tijdig (vóór inschrijving) naar voren had moeten brengen op grond van het Grossmann-beginsel. Wacht een inschrijver hiermee tot na de gunning, dan verliest deze het recht om nog bezwaar te maken.

Beleidsvrijheid bij prijsmodellen (Gemeente Deventer, 2024 & 2025)

De rechter laat aanbestedende diensten veel ruimte bij het inrichten van hun gunningsmethodiek. De voorzieningenrechter oordeelde dat het voorschrijven van een minimale en maximale opslag (fee) juridisch houdbaar is, mits de regels vooraf transparant en voor iedereen gelijk zijn. Uurtarieven hoefden niet in het prijscriterium te zitten, zolang zij aantoonbaar onderdeel zijn van de kwaliteitsbeoordeling. Voorbeelden van gunningscriteria voor kwaliteit bij deze aanbesteding waren het uitvoeren van benchmarks, tariefonderhandelingen en een uitgewerkte aanpak om marktconformiteit van uurtarieven te toetsen.

Gunnen op uitsluitend een ‘broker fee’ (CvAE Advies 659, 2022)

Marktpartijen maakten bezwaar tegen enkel gunnen op basis van de fee (marge of opslag) bij een aanbesteding voor broker-dienstverlening. De commissie beoordeelde het als ondeugdelijk wanneer de inhuurkosten zelf (de uurtarieven van de professionals) geen rol spelen in de beoordeling. Door een dergelijke opzet bestaat het risico dat de opdracht niet wordt gegund aan de inschrijver met de economisch meest voordelige inschrijving (EMVI). Wel geldt dat een advies van de Commissie zwaar weegt in de praktijk, maar formeel geen jurisprudentie vormt. 

Inzichten van advocaten: hoe borg je de rechtmatigheid?

Juridisch experts benadrukken dat het succes van de aanbesteding valt of staat met de inrichting van de keten:

Aanbestedingsadvocaat Anke Stellingwerff Beintema (Maasdam Broers Fischer Advocaten) benadrukt in het Tijdschrift Aanbestedingsrecht en Staatssteun (2024/2) dat inhuur via een broker of MSP niet per definitie onrechtmatig is, mits het proces aan strikte randvoorwaarden voldoet. Om te voorkomen dat een raamovereenkomst de mededinging op kunstmatige wijze beperkt of vervalst, stelt zij dat de uiteindelijke mededinging voor concrete inhuuropdrachten openbaar en transparant op kandidaatniveau moet plaatsvinden (paragraaf 6). In haar visie dient de broker of MSP inhuuraanvragen in ieder geval via een voor iedereen toegankelijk portaal te publiceren en te gunnen op basis van de beste prijs-kwaliteitverhouding (BPKV), om zo gelijke kansen voor de gehele markt te borgen (paragraaf 3 en 4).  

Zoals aanbestedingsrechtadvocaat Erik Plas (Infense Advocaten) betoogt in het Tijdschrift Aanbestedingsrecht en Staatssteun (2024/5, paragraaf 3.3), betreft de nadere contractering door een broker in essentie een privaat inkoopproces. De broker treedt daarbij op als private entiteit of hoofdaannemer. Wel vereist dit dat de Europese aanbesteding voor de broker aan de voorkant transparant en met de juiste waarborgen is ingericht. Een gebrek aan detail of transparantie in de uitvraag maakt een brokerconstructie volgens Plas niet per definitie onrechtmatig of een omzeiling van de wet (paragraaf 3.4 en 4). Wanneer de opdrachten binnen de vooraf omschreven scope vallen en er fatsoenlijke, transparante procesafspraken zijn gemaakt, kan het model de mededinging en MKB-toegang juist bevorderen (paragraaf 2 en 3.1).

De zienswijzen van Stellingwerff Beintema en Plas illustreren het huidige juridische spanningsveld in de markt. Waar de een pleit voor een strikte, publieke mededinging op kandidaatniveau, ziet de ander de aanpak voor marktontsluiting door de broker juist als een privaat inkooptraject. Wel benadrukken beiden dat transparantie en een onafhankelijke rol van de broker essentieel zijn bij contracten waar honderden miljoenen euro’s aan publiek geld doorheen stromen.

Conclusie: naar een volwassen en rechtmatige inhuurketen

De markt voor broker- en MSP-dienstverlening groeit niet alleen in omvang, maar ontwikkelt zich ook razendsnel. De focus verschuift van ‘puur administratief ontzorgen’ naar strategisch talent- en compliancemanagement. Overheid en marktpartijen bouwen zo samen aan een professionele inhuurketen. Tegelijkertijd beweegt de markt mee. Nieuwe, innovatieve spelers betreden het speelveld, wat meer te kiezen geeft. 

Publieke opdrachtgevers kunnen hun behoefte nu veel scherper definiëren. Vraag jezelf vooraf goed af: welke specifieke ondersteuning zoek je precies, en welk probleem moet de leverancier oplossen? Vraag in een tender daarom niet langer simpelweg om ‘een partij die de inhuur regelt’. Schrijf vooraf helder voor hoe de broker of MSP gelijke markttoegang, volledige transparantie en strikte naleving van wetgeving (zoals de Wet DBA) voor jouw organisatie borgt. Met de juiste juridische kaders in de raamovereenkomst benut je de effectiviteit van het marktmodel, terwijl je de rechtmatigheid volledig waarborgt.

Dit artikel werd eerder gepubliceerd op Aanbestedingscafé.

 

Geplaatst in Professioneel inhuren | Tags , , | 1 Reactie

Een korte inhuurketen is geen commerciële keuze, maar een compliance-noodzaak

Er leeft een grote behoefte onder eindklanten om meer inzicht en grip te krijgen op de inhuurketen. De belangrijkste reden: de angst dat de compliance niet in orde is en dus het risico op naheffingen en boetes. De invloed van wet- en regelgeving in de markt heeft de noodzaak van compliance hoog op de agenda gezet bij eindklanten. 

Recent onderzoek van Vereniging ZZP Nederland toont aan dat zzp’ers aangeven dat eindklanten ‘bang’ zijn voor schijnzelfstandigheid en daardoor zekerheid en grip zoeken bij de broker. En dat is niet gek, omdat er in het huidige landschap van wet- en regelgeving veel gebeurt en er helaas ook veel fout gaat, waardoor de behoefte aan risicobeheersing nog groter wordt.

Wet- en regelgeving zijn de verpakking. De werkelijke inhoud, en tegelijkertijd zorg van eindklanten, is het mitigeren van inhuurrisico’s om geen naheffingen en boetes te krijgen en het risico te ontlopen op reputatieschade. Want uiteindelijk roept wetgeving, zoals hierboven genoemd, continu dezelfde vragen op bij eindklanten. Wie is verantwoordelijk voor de compliance? Wie is verantwoordelijk als er iets misgaat? Kunnen wij aantonen dat de juiste controles zijn uitgevoerd? Hebben wij één aanspreekpunt dat de volledige keten beheerst? Zijn onze risico’s bestuurlijk beheersbaar? Dit zijn vragen die ver voorbij wetgeving gaan en de kern raken waarom eindklanten met brokers en MSP’s in zee gaan: inzicht en grip op externe inhuur.

Een te lange keten creëert een ‘in-elkaars-oor-fluisteren-effect’, waardoor er essentiële informatie in de keten sneuvelt, en dat ontlokt kostbare fouten. Een korte keten biedt uitkomst, maar nog geen garantie op compliance. Wat de korte keten wel doet, is het aanzienlijk vereenvoudigen van risicobeheersing. Verantwoordelijkheden, controles en risico’s zijn beter te beheersen en aantoonbaar te organiseren.

Van contracteren naar risicobeheersing

De nadelen van een lange keten worden direct duidelijk bij dit simpele voorbeeld. Een eindklant contracteert een broker. De broker werkt met een leverancier, die op zijn beurt weer samenwerkt met weer een andere leverancier die uiteindelijk de zzp’er levert. Iedere extra schakel betekent een extra contract, extra overdracht van informatie, aanvullende controles en een extra partij die verantwoordelijkheden draagt. Juist daardoor wordt het steeds lastiger om compliance aantoonbaar te organiseren. De langere keten brengt een complexiteit met zich mee die eindklanten juist willen vermijden. Dus achter de vraag ‘wie is er verantwoordelijk voor de compliance?’ van de eindklant schuilt vaak de behoefte aan complete risicobeheersing. Maar hoe wordt dat ingericht in de kortere keten?

Anno 2026 is een soepel verlopend en inhoudelijk correct contractproces een basis die wordt geëist van elke broker. De broker doet ook een stap naar voren en pakt de regie op externe inhuur en het beheren van risico’s, omdat de eindklant dit verwacht en zelfs eist. De broker transformeert van administratieve leverancier naar strategisch partner door middel van procesoptimalisatie, leveranciersmanagement, compliance, governance, periodieke rapportages, dashboards en data, KPI-monitoring en risicobeheersing. 

Alles wordt belegd bij één partij, waardoor er een antwoord komt op die prangende vraag van eindklanten: wie neemt de regie over het aantoonbaar beheersen van compliance-risico’s binnen de inhuurketen? Tegenwoordig: de broker. Die marktbrede ontwikkeling zorgt ervoor dat eindklanten één aanspreekpunt wensen voor alles omtrent externe inhuur. En als bijkomend voordeel: door de regie op de keten nadrukkelijker bij de broker te beleggen, ontstaat ook meer transparantie over marges en de toegevoegde waarde van iedere schakel.

Geen ruimte voor hoge tussenmarges in kortere ketens

Het verdwijnen van tussenmarges is een gezonde marktontwikkeling en zelfs een logisch gevolg van strakkere wet- en regelgeving. Een kortere keten maakt bovendien inzichtelijker welke partijen daadwerkelijk waarde toevoegen. Iedere extra schakel moet immers niet alleen vanuit commercieel perspectief, maar ook vanuit compliance en beheersbaarheid een duidelijke functie hebben. Daarom heeft de doorleenconstructie niet de waarde die het vroeger wel had. De eindklant heeft vandaag de dag behoefte aan grip en inzicht in compliance en risicobeheersing, omdat de wet- en regelgeving te complex wordt.

De eindklant en de ketenregisseur

De noodzaak van compliance verschuift het risico en de regie van de inhuurketen (ongeacht het aantal schakels) naar de broker. Daarbij treedt de broker op als regisseur van de keten. Deze ontwikkeling zien we inmiddels bij steeds meer publieke en private eindklanten. Zij vragen niet alleen om capaciteit, maar ook om een partij die de volledige keten aantoonbaar beheerst. En zoals eerder genoemd is de broker verantwoordelijk voor zaken als procesoptimalisatie, compliance, risicobeheersing, leveranciersmanagement en rapportage.

Het nieuwe ketenbeleid van Circle8 is een logisch gevolg van deze ontwikkeling. Met dit beleid verkorten en vereenvoudigen we de keten, waarbij de regie op het beheersen van compliance-risico’s nadrukkelijker bij Circle8 wordt belegd. Daarmee wordt de administratieve werklast ook verschoven naar Circle8. Als ketenregisseur contracteert Circle8 de leverancier en zzp’er apart, wat ervoor zorgt dat de compliance binnen de keten overzichtelijk en beheersbaar blijft. En dat is precies waar de eindklant om vraagt.

De vraag naar talent is onlosmakelijk verbonden met compliance

De inrichting van de kortere keten blijft een wisselwerking en samenwerking tussen de eindklant, de broker en de leverancier dan wel zzp’er. Iedere samenwerking is anders, en de spelregels van externe inhuur worden in lijn gebracht met de wens van de klant en binnen de kaders van wet- en regelgeving. De vraag aan een broker is daarmee fundamenteel veranderd. Het gaat niet langer alleen om de vraag of de juiste professional geleverd kan worden, maar steeds vaker om de vraag of de volledige inhuurketen aantoonbaar compliant, transparant en beheersbaar georganiseerd kan worden. Juist daarin onderscheidt de broker zich de komende jaren.


Over de auteur

Ghiel Wijdeven is Client Manager bij Circle8. Hij beargumenteert dat een kortere inhuurketen geen commerciële keuze is, maar een compliance-noodzaak.  

 

Geplaatst in Professioneel inhuren | Tags , | Laat een reactie achter

Bovib-directeur Smals positief over Zelfstandigenwet, maar er zijn ook enkele ‘ernstige zorgen’

“De Bovib is ronduit blij met de Zelfstandigenwet. Eindelijk is er expliciet oog voor mensen die hun werkzame leven naar eigen inzicht willen inrichten en krijgt zelfstandig ondernemerschap een eigen plaats in ons stelsel van arbeidsrelaties.” Smals prijst de inspanningen van minister Aartsen om zzp’ers en opdrachtgevers een ‘veilige haven’ te bieden na zo’n lange periode van onzekerheid in de markt. “Het is een erkenning van het zelfstandig ondernemerschap en de belangrijke rol van zzp’ers op de arbeidsmarkt.”

Want de Zelfstandigenwet (beoogde ingangsdatum: 1 januari 2028) komt volgens Smals niets te vroeg. Het CBS stelde onlangs nog dat er momenteel zo’n 140.000 zzp’ers minder een zelfstandige opdracht uitvoeren dan anderhalf jaar geleden, het moment waarop het handhavingsmoratorium verviel. De oorzaak is dat door de huidige onduidelijke wet- en regelgeving opdrachtgevers geen of minder zzp’ers inhuren uit angst voor naheffingen en boetes wegens schijnzelfstandigheid.

Bij menig aanbesteding worden zzp’ers zelfs categorisch uitgesloten. Dat is de Bovib al lange tijd een doorn in het oog. De (intermediaire) markt wacht met smart op de aanpassing van de Leidraad inhuur Rijksoverheid die hopelijk aan het categorisch uitsluiten van zzp’ers een eind moet maken. (Minister Aartsen heeft de Kamer toegezegd deze herfst hiermee te komen.)

Zzp-populatie weer op peil brengen

Het doel van de Zelfstandigenwet is om een wettelijk kader bieden dat meer duidelijkheid en zekerheid geeft, zodat opdrachtgevers weten wanneer zij in ieder geval wel met zzp’ers kunnen werken. De Bovib-directeur: “Het streven is dat er met die veilige haven weer meer opdrachten komen voor zzp’ers. Voor een gezonde arbeidsmarkt is het van belang dat de zzp-populatie op peil blijft. Ik zou dan ook graag zien dat de minister gaat monitoren of dit doel inderdaad met de Zelfstandigenwet wordt bereikt.”

Resultaatverplichting is zeker niet altijd mogelijk en mag het werken op basis van uurtarief niet vervangen

Zelfstandigenwet is extra optie

Minister Aartsen heeft in een toelichting laten weten dat de Zelfstandigenwet naast de bestaande wet- en regelgeving en jurisprudentie (Deliveroo-gezichtspunten) staat. Voldoet een zelfstandig ondernemer niet aan de criteria uit de zelfstandigen- en werkrelatietoets, dan komt hij niet in de veilige haven van de Zelfstandigenwet. De wet is echter niet verplicht, maar een optie. Is voor een zzp’er de Zelfstandigenwet niet van toepassing, dan geldt voor hem nog altijd de reguliere beoordeling volgens de bestaande wet- en regelgeving en jurisprudentie (Deliveroo-criteria), waaruit nog steeds zelfstandigheid kan blijken. Smals juicht dat toe, maar zou dat graag explicieter terugzien. “Ik zou het liefst willen dat dit in de wet wordt opgenomen.”

Zorgen over enkele criteria

In het concept wetsvoorstel staan alle criteria voor de zelfstandigentoets en werkrelatietoets. Deze zullen uiteindelijk bepalend voor de praktische uitvoerbaarheid, zowel voor de zzp’er als voor intermediairs en brokers. Smals: “Over enkele daarvan maak ik mij ernstige zorgen, bijvoorbeeld over de voorwaarden voor urenvergoeding en het aantal opdrachtgevers.”

Resultaatverplichting

Een van de criteria uit de werkrelatietoets bepaalt dat de zelfstandig ondernemer resultaatverantwoordelijkheid draagt, dus resultaatafspraken maakt en minder werkt op basis van uurtje-factuurtje. Deze resultaatverplichting is volgens Smals zeker niet altijd mogelijk en mag het werken op basis van uurtarief niet vervangen. “Denk aan professionals in het hogere segment met een complexe opdracht. Daar kun je lang niet altijd een concreet resultaat aan verbinden. Die zzp’ers worden op uurbasis ingehuurd om hun kennis en expertise te leveren.”

Positie intermediair

Een criterium uit de zelfstandigentoets is dat de zelfstandige in een periode van 2 jaar (het lopende en voorgaande kalenderjaar) ten minste 3 klanten heeft gehad. Een intermediair geldt als 1 opdrachtgever. “Dat is onwenselijk, in sommige gevallen bijna praktisch onmogelijk”, stelt Smals. Bijvoorbeeld als wordt gewerkt met raamcontracten, die vaak worden afgesloten tussen overheden en brokers. De zzp’er kan van daaruit voor verschillende overheidsdiensten werken. “Dat zijn wel degelijk verschillende opdrachtgevers.”

Minister Aartsen stelt in een interview met ZiPconomy dat de partij met wie een overeenkomst is afgesloten, vooralsnog leidend is. Maar de minister nodigt de markt expliciet uit om naar de situatie van de intermediair te kijken en met alternatieven te komen. Smals roept Bovib-leden dan ook op om gebruik te maken van de mogelijkheid om via de internetconsultatie hun input te geven.


Meer weten : schrijf je dan in voor het ZiPconomy webinar Alles over de Zelfstandigenwet . Maandag a.s. om 14:45 uur. ZiPconomy hoofdredacteur Jan-Willem Weijers bespreekt het wetsvoorstel met experts Boris Emmerig en Alexander Kist. Ze gaan in op vragen van deelnemers aan het webinar. Inschrijven (gratis) kan via deze link.

 

Geplaatst in Professioneel inhuren | 1 Reactie