Maandelijkse archieven: maart 2026

Wat platformwerk kan leren van het minimumtarief voor freelance journalisten

Een minimumtarief of -loon biedt bescherming voor werkenden, vooral aan de ‘onderkant’ van de arbeidsmarkt. Voor werknemers wordt een minimum bepaald door het minimumloon of via cao’s, maar voor zelfstandigen is dit niet geregeld. Dit terwijl maar liefst 46 procent van de werkende wereldbevolking geen werkgever heeft. 

Hoe bereken je een minimumuurtarief voor freelancers en hoe zorg je ervoor dat een cijfer ook echt impact maakt? Hierover ging ik tijdens een webinar, dat werd georganiseerd vanuit de WageIndicator Foundation, in gesprek met Milen van Boldrik van de NVJ (Nederlandse Vereniging voor Journalisten) en Paulien Osse, mede-oprichter van de WageIndicator Foundation. 

Een minimumtarief voor journalisten

De markt voor journalisten in Nederland kenmerkt zich door een gefragmenteerd aanbod van veel zelfstandig werkende journalisten en een behoorlijk geconcentreerde vraag, waar twee grote mediabedrijven samen de grootste opdrachtgevers zijn. Dit zorgt ervoor dat de onderhandelingspositie van freelance journalisten beperkt is. Dit was aanleiding voor vakbond en beroepsvereniging NVJ om de krachten van journalisten te bundelen en te strijden voor een minimumtarief. Waarbij de bond constant in contact is met leden via verschillende Whatsapp- en Signal-groepen. 

Diversificeren als sleutel tot succes

De strategie van de bond om tot dit minimumtarief te komen, komt neer op drie elementen: een brede strategie, het hebben van een lange adem en ultieme solidariteit. Parallel aan de onderhandelingen met opdrachtgevers voor het tarief werden er collectieve acties georganiseerd met publieke acties en protesten, werd er ingezet op een sterke lobby voor een nieuwe invulling van mededingingsrecht voor zelfstandige ondernemers en werden er rechtszaken gevoerd. 

Het resultaat: freelance journalisten verdienen minimaal 170 procent van het brutoloon dat een journalist in een vergelijkbare functie in loondienst volgens de cao minimaal zou moeten verdienen. Het tarief is afdwingbaar, omdat het onderdeel is van een collectieve afspraak en in een contract tussen de NVJ en de opdrachtgevers is vastgelegd. 

Solidariteit als lijm en versneller

Milen vertelt in het webinar dat solidariteit een cruciale rol speelde in het behaalde succes. Solidariteit tussen freelance journalisten is logisch: met twee grote opdrachtgevers is de onderhandelingspositie van de individuele journalist beperkt en loont het al snel om samen op te trekken. Minder gangbaar, maar des te belangrijker was de solidariteit tussen freelance journalisten en journalisten met een dienstverband. Ook journalisten met een dienstverband hebben belang bij goede minimumtarieven in de markt, aangezien lage tarieven voor freelancers uiteindelijk ook salarissen van werknemers onder druk zetten en daarnaast bij kunnen dragen aan een verschuiving van het werknemerschap naar een freelance bestaan. 

Als laatste is er ook solidariteit tussen de journalisten met een hoog tarief en zij met een laag tarief. De logica hierachter: bescherming van de onderkant van de markt weegt zwaarder dan het mogelijke nadeel voor een kleine groep topverdieners. Solidariteit betekent soms dat niet iedereen maximaal profiteert. Maar het alternatief – een race naar beneden – is uiteindelijk voor iedereen slechter. 

Hoe data kan bijdragen aan een betere onderhandelingspositie

Het tarief van 170 procent van het cao-loon is het resultaat van een onderhandeling. De belangrijkste tip van Milen: “Start hoog, omdat je weet dat je altijd lager zult eindigen.” Een praktische aanvliegroute, maar ik denk dat data bij kan dragen aan een betere uitgangspositie in een onderhandeling. 

Data stond dan ook centraal in de tweede bijdrage van dit webinar: Paulien Osse van de WageIndicator Foundation. Het doel van de stichting is om via data bij te dragen aan een beter geïnformeerd arbeidsmarktdebat. Veel lessen van Milen resoneerden bij Paulien, die al jaren betrokken is bij gesprekken over ‘leefbare’ betaling van werkenden via het Living Wage en Living Income, maar ook door transparantie te bieden middels databases over arbeidsrecht en cao’s wereldwijd.

Paulien staat ook aan de wieg van het aan het Living Wage gelieerde Living Tariff: een methodologie om op basis van de kosten om in een bepaalde regio te leven (‘cost of living’) te berekenen wat een zelfstandig ondernemer minimaal moet verdienen. Immers: om te kunnen overleven, moet een inkomen ook voldoende zijn om belasting en sociale zekerheid te kunnen betalen. 

Om tot deze berekening te komen, wordt ieder kwartaal in 185 landen en 4000 regio’s data over prijzen verzameld. Het Living Tariff zou onderhandelaars van vakbonden en werkenden kunnen helpen hun verhaal te onderbouwen. Belangrijkste les volgens Paulien: “Cijfers zullen nooit perfect zijn, daar moet je je niet door laten weerhouden. Iedere dag dat je je druk maakt om perfecte cijfers, breng je geen vooruitgang bij werkenden die het nodig hebben”. 

Wat platformwerk kan leren van de NVJ

Minimumtarieven voor zelfstandig werkenden zijn ook een belangrijk onderwerp in de discussies rondom platformwerk, zeker met het oog op de Europese Platformwork Directive en de ILO Platformwork Convention. De markten voor journalistiek en platformwerk hebben een aantal gelijkenissen. Zo is in beide markten het aanbod van werk sterk gefragmenteerd en is door de jaren heen de vraagkant (de klant) gecentraliseerd. In de journalistiek komt dit door fusies en overnames, bij platformwerk komt het door de komst van grote platformen die tussen de werkende en de klant zijn komen te staan. Beiden hebben hetzelfde effect: minder autonomie, minder ondernemingsruimte en een slechtere onderhandelingspositie voor de werkende. Het organiseren van werkenden in de platformeconomie is uitdagend in vergelijking met de journalistiek: de populatie is heterogener, de werkzaamheden gestandaardiseerd (waardoor de werkende makkelijker inwisselbaar is), de opdrachten zijn vaak heel kort en mensen werken vaak maar voor een korte periode in de sector. 

Toch kan de platformwerk-sector veel leren van deze casus: door te investeren in organiseren en solidariteit, door goed te verenigen voor lobby en door op meerdere paarden tegelijk te wedden kan er daadwerkelijk iets voor de werkende worden gedaan. 

Tot slot

Wat deze discussie uiteindelijk duidelijk maakt, is dat de toekomst van freelance werk niet alleen draait om flexibiliteit of ondernemerschap. Het draait om instituties. Om solidariteit en afspraken, collectieve afspraken en nieuwe vormen van organisatie die passen bij een arbeidsmarkt waarin steeds meer mensen zelfstandig werken. De ervaring uit de journalistiek laat zien dat verandering mogelijk is. Maar ook dat het tijd kost. Zoals Paulien Osse het nuchter samenvatte: structurele verbetering begint zelden met een revolutie, maar met een miljoen kleine stappen. En meestal begint het met één simpele vraag: wat is een leefbaar tarief waarmee de werkende de minimale kosten kan dragen?

Geplaatst in ZP en Ondernemen | Tags , , | 3s Reacties

Meerwaarde rechtsvermoeden arbeidsovereenkomst op basis van uurtarief?

Op 6 maart 2026 is via een nota van wijziging het “verduidelijkingsdeel” van het wetsvoorstel verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden (WVBAR) komen te vervallen. Met deze wijziging resteert van dit wetsvoorstel nog enkel het onderdeel rechtsvermoeden.

Het kabinet wenst een wettelijk rechtsvermoeden van een arbeidsovereenkomst op basis van een uurtarief (van EUR 38: peildatum 1 januari 2026) te introduceren. Bij kortweg een uurtarief van ten hoogste EUR 38 per uur wordt vermoed dat de arbeid wordt verricht krachtens arbeidsovereenkomst. Wat is de meerwaarde van dit rechtsvermoeden? Die vraag staat centraal in deze bijdrage.

Vraagtekens bij de aanleiding

De aanleiding voor het rechtsvermoeden is volgens pagina 64 van de memorie van toelichting bij de WVBAR kortweg de volgende: een laag uurtarief wijst op beperkte onderhandelingsmacht van de werkende. “Dit kan op zijn beurt weer een aanwijzing zijn voor het risico dat de werkende zich gedwongen voelt om als zelfstandige aan het werk te gaan, terwijl er feitelijk sprake zou moeten zijn van een arbeidsovereenkomst. Voor werkenden met een beperkte onderhandelingspositie is het dan moeilijk de werkverschaffer hierop aan te spreken, laat staan naar een rechter te stappen.” Een rechtsvermoeden zou dan helpen.

Bij deze redenering moeten vraagtekens worden geplaatst.

De eerste vraag ziet op de grondslag van de aanleiding voor het rechtsvermoeden. De memorie van toelichting bij de WVBAR (p. 64) verwijst primair naar een 15-jaar oud Panteia-rapport. De memorie gaat vergaand met dit kwantitatieve rapport naar het gebruik van de overeenkomst van opdracht aan de haal. Uit dit rapport volgt dat een kleine groep van de respondenten (9%) het werken op basis van een overeenkomst van opdracht niet als een vrije keuze ziet. Drie procent is ontevreden over het werken met een overeenkomst van opdracht. “Ook voor het laagste uurtarief (0-10 euro) geldt dat 67 procent tevreden tot zeer tevreden is over het werken op basis van een ovo” (p. 68).

Dit rapport lijkt een wankele basis te bieden ter rechtvaardiging van de aanleiding voor het rechtsvermoeden, te meer het uurtarief van EUR 38 bijna twee keer zo hoog ligt dan de EUR 20 die het Panteia-rapport noemt als omslagpunt waaronder opdrachtgevers vooral het tarief bepalen.

De memorie van toelichting bij de WVBAR verwijst ook naar het bijna 5 jaar oude SER-MLT-advies (2021) en het rapport van de Commissie Borstlap (2020). Het SER-MLT-advies stipt echter enkel het rechtsvermoeden aan. De onderbouwing betreft een statement van één zin op p. 24. De commissie Borstlap behandelt niet enig rechtsvermoeden conform de WVBAR en is juist kritisch op de beschreven opties van kortweg “werknemer, tenzij”, “opt out” en “minimumtarief” (p. 70-72).

Vraagtekens bij effect

De Afdeling advisering van de Raad van State wees eind 2024 in haar advies er op dat de stap voor veel werkenden groot is om het rechtsvermoeden in te roepen. Dit is ook een kritiek vanuit de literatuur op de introductie van het rechtsvermoeden met referte aan de summiere “succes rate” van het rechtsvermoeden arbeidsomvang. Daarbij komt dat de nadelen van de schijnzelfstandigheid vaak pas op langere termijn zullen blijken, bijvoorbeeld bij arbeidsongeschiktheid, werkloosheid of pensionering. Hierdoor bestaat het risico dat werkenden beperkt gebruik zullen maken van het rechtsvermoeden, aldus de Afdeling.

Het kabinet erkent dit zorgpunt van de Afdeling om vervolgens in te zetten op het zogenaamde “normstellend effect” (p. 67 MvT WVBAR). Ofwel angst en onrust, alias: “ervaren pakkans”. Deze onrust is echter nu juist een belangrijke reden voor het kabinet om niet door te gaan met het verduidelijkingsdeel van de WVBAR.

Het SEO rapport uit 2025 (gebaseerd op het toetsingskader van de WVBAR) maakt verschillende kanttekeningen bij het rechtsvermoeden. Hoewel gemiddeld genomen kenmerken van werknemerschap zich vaker voordoen bij zzp’ers met lagere uurtarieven, zijn voor een specifiek deel van deze groep zzp’ers kenmerken van zelfstandigheid ook bovengemiddeld aanwezig. Daarnaast stuit volgens het SEO het introduceren van een rechtsvermoeden van werknemerschap op basis van een uurtarief mogelijk ook op uitvoeringstechnische problemen, reeds gezien de heterogeniteit in zzp’ers en tarifering. Het SEO verwijst naar alternatieven om de externe effecten van laagbetaalde arbeid te beprijzen en zo de onderkant van de zzp-markt meer bescherming te bieden, zoals bijvoorbeeld het afbouwen van de zelfstandigenaftrek, een verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering en/of verplichte pensioenopbouw voor zzp’ers.

De memorie van toelichting bij de Zelfstandigenwet onderkent dat gedwongen zzp-schap nauwelijks voorkomt (2.7%). Het verwijst daartoe op p. 10 naar het rapport “Grip op het zzp-dossier. Feiten en cijfers over zelfstandigen.” Dit zou tevens op soortgelijke wijze volgen uit onder andere een CBS-rapport, een IPSOS-rapport en een promotieonderzoek van Van den Groenendaal. Met verwijzingen naar verschillende bronnen wijst de memorie van toelichting bij de Zelfstandigenwet dus juist in de richting dat een zeer klein deel van zzp’ers zich gedwongen voelt als zzp’er aan de slag te gaan, terwijl het kabinet dat specifiek aanvoert als aanleiding voor de introductie van het rechtsvermoeden.

De effectiviteit van het rechtsvermoeden kan verder onder druk komen te staan doordat dit vermoeden uitsluitend civielrechtelijk werkt. Derden kunnen hierop geen beroep doen, zoals vakbonden en pensioenuitvoerders. Het rechtsvermoeden werkt niet rechtstreeks door naar de uitvoering van de sociale zekerheidswetgeving en de fiscaliteit. Dit betekent dat het UWV, de Belastingdienst en de NLA niet zelfstandig toetsen aan het rechtsvermoeden. Het rechtsvermoeden is daarbij niet van toepassing op particuliere opdrachtgevers.

Rechtsvermoeden weerlegbaar

Bovendien is het rechtsvermoeden weerlegbaar. Er is geen sprake van een omkering van de bewijslast. De werkende moet allereerst aantonen dat zijn beloning lager ligt dan de wettelijke grens. Slaagt hij daar in, dan wordt de relatie vermoed een arbeidsovereenkomst te zijn. De werkgever kan daarop dit vermoeden ontkrachten door concrete feiten te stellen die twijfel aan de juistheid van dat vermoeden wettigen. Sneuvelt vervolgens het vermoeden omdat de rechter is gaan twijfelen aan de juistheid van het vermoeden, dan draagt de werkende de bewijslast van de door hem aangevoerde feiten ter onderbouwing van zijn stelling dat een arbeidsovereenkomst bestaat, maar de werkgever heeft betwist. De bewijslast van het bestaan van een arbeidsovereenkomst blijft dus op de werkende rusten.

Een wettelijk rechtsvermoeden is een volgende overbelichting van een klein onderdeel van het geldende holistisch toetsingskader (zo men wil gezichtspunten 6 en 7), waarbij heterogeniteit en pluriformiteit wordt miskend bij hoe je werkt. De meerwaarde van het rechtsvermoeden zal in het beste geval enkele procenten betreffen en lijkt daarmee niet in verhouding tot de mogelijke nieuwe onrust welke het kan veroorzaken. Ook ten aanzien van dit voorstel lijken reeds nut en noodzaak onvoldoende aanwezig.

Conclusie: doet het niet

Ik herhaal deels mijn eerdere pragmatische voorstel op dit platform. Trek zsm de WVBAR volledig in en haal eindelijk de angel uit de HVP-discussie door voor nu heel strikt de rechtspraak van de Hoge Raad te codificeren middels de volgende twee leden:

Lid 2

Of een overeenkomst als arbeidsovereenkomst moet worden aangemerkt, hangt af van alle omstandigheden van het geval in onderling verband bezien. Daarbij wordt aan de hand van de Haviltex-maatstaf vastgesteld welke rechten en verplichtingen partijen zijn overeengekomen.

Indien deze rechten en verplichtingen voldoen aan de omschrijving van lid 1, wordt de overeenkomst als arbeidsovereenkomst aangemerkt, ongeacht de bedoeling van partijen.

Bij de beoordeling kunnen onder meer van belang zijn: de aard en duur van de werkzaamheden, de wijze waarop werkzaamheden en werktijden worden bepaald, de inbedding van het werk en de werkende in de organisatie van degene voor wie wordt gewerkt, het bestaan van een verplichting tot persoonlijke arbeidsverrichting, de totstandkoming en inrichting van de contractuele verhouding, de wijze waarop de beloning wordt vastgesteld en uitgekeerd en de hoogte daarvan, het lopen van commercieel risico, alsmede de vraag of de werkende zich in het economisch verkeer als ondernemer gedraagt of kan gedragen. Tussen deze gezichtspunten bestaat geen rangorde; ook andere gezichtspunten kunnen gelden. De beoordeling kan mede betrekking hebben op omstandigheden die zich voordoen buiten de door de te kwalificeren overeenkomst beheerste verhouding of binnen een driehoeksverhouding. Het gewicht van een contractueel beding hangt mede af van de daadwerkelijke betekenis ervan voor de werkende.”

Lid 3

“Indien na toepassing van het tweede lid niet voldoende duidelijk is hoe de overeenkomst moet worden aangemerkt, wordt deze als een arbeidsovereenkomst aangemerkt”.

Met de voorgestelde aanvullingen van artikel 7:610 BW kan de ingezette handhavingskoers worden vervolgd en het kabinet zal dan moeten menen dat zij aan het HVP voldoet. Vanuit daar kan worden gestart met de eigenlijke opgave naar de rol en positie van het arbeidsrecht ten opzichte van het collectieve arbeidsrecht, de fiscaliteit, het pensioenrecht en de sociale zekerheid. De (ook Europeesrechtelijke) holistische toets vraagt geen nieuw begin, maar meer inzicht en een consequente toepassing van wat reeds recht is.

Geplaatst in ZP en Politiek | Tags | 2s Reacties

Waarom Haidy James stopte als zzp’er: ‘Zorg moet weer uitvoerbaar worden’

Tekst: Floris Visman

Na 25 jaar werken in de zorg besloot Haidy James recent te stoppen als zzp’er. Niet omdat ze het vak wil verlaten, maar omdat de manier waarop zorg in instellingen en verpleeghuizen is georganiseerd haar steeds vaker in situaties bracht die zij niet langer verantwoord vindt.

Haar loopbaan begon in de mantelzorg en liep via één-op-één-zorg uit tot jarenlang werken als zelfstandige. “Ik ben vanuit de mantelzorg het zzp-werk ingerold. Elf jaar lang heb ik dag en nacht voor iemand gezorgd. Daarna ben ik via bemiddelingsbureaus één-op-één-zorg gaan doen, omdat je dan de zorg kunt leveren zoals het hoort en naar de behoeften van de cliënt,” vertelt ze. Juist die werkvorm gaf haar jarenlang het gevoel dat ze haar vak goed kon uitoefenen.

Personeelstekorten bepalen het tempo

Dat gevoel staat volgens James steeds verder onder druk. In instellingen ziet zij hoe structurele personeelstekorten het dagelijkse werktempo bepalen. Diensten starten vaak met minimale bezetting en uitval door ziekte of het niet komen opdagen van collega’s is geen uitzondering meer.

“Als je een ochtend- of avonddienst begint, kijk je met hoeveel mensen je het moet doen. Vaak zijn het er te weinig. Je hoopt dat collega’s zich niet ziek melden, want anders sta je er alleen voor,” zegt ze. Dat alleen staan is volgens haar geen incident, maar onderdeel van het systeem.

Ze maakte meerdere keren mee dat zij in haar eentje verantwoordelijk was voor grote groepen bewoners. “Ik heb diensten gehad waarin ik twintig bewoners naar het toilet en naar bed moest brengen. Dan gaan overal de bellen, maar je hebt maar twee handen.”

Wachten wordt onvermijdelijk

Voor bewoners betekent die onderbezetting wachten. Soms lang. James noemt dat één van de zwaarste kanten van het werk. “Het gaat om kwetsbare mensen die afhankelijk zijn van jou. Als zij moeten wachten omdat er simpelweg niemand anders is, dan gaat dat tegen alles in waar zorg voor zou moeten staan.”

Dat personeelstekort vertaalt zich volgens James niet alleen in wachten, maar ook in zorg die simpelweg niet meer wordt geleverd. Ze ziet regelmatig dat basiszorg wordt uitgesteld of helemaal niet wordt uitgevoerd. “Het toiletteren in de middag schiet er vaak bij in. Mensen zitten dan uren in een vuile broek, omdat de ochtenddienst het niet redt en de avonddienst al overbelast binnenkomt. Als je dan begint met je dienst, ruik je het al. Dat zijn situaties waarvoor bewoners zich schamen, maar waar zij zelf niets aan kunnen doen.”

Volgens haar zijn dit geen uitzonderingen meer. “Je weet dat mensen rond twee uur eigenlijk weer naar het toilet moeten, zeker op een somatische of dementieafdeling. Maar het lukt gewoon niet. Er zijn te weinig handen. En dan hoor je later: we komen er niet aan toe. Dat doet iets met mensen. En het doet ook iets met jou als zorgverlener, omdat je weet dat dit niet de zorg is die je wilt geven.”

Volgens James heeft dit direct effect op de kwaliteit van zorg. Niet omdat zorgverleners hun werk niet goed willen doen, maar omdat de omstandigheden dat steeds moeilijker maken. “Je wilt rust en aandacht geven, maar het tempo dwingt je om door te gaan.”

Inzet van zzp’ers zonder goede randvoorwaarden

De manier waarop zzp’ers en uitzendkrachten worden ingezet, vergroot die druk volgens James verder. Zij worden regelmatig zonder goede overdracht geplaatst op afdelingen die zij niet kennen. “Je komt binnen in een huis dat je niet kent, met bewoners die je niet kent, en dan word je in het diepe gegooid.”

Begeleiding en structuur ontbreken vaak. James probeert dat zelf op te vangen door actief vragen te stellen. “Dan vraag ik wie hier vast werkt, of er een lijst is met bewoners en hoe zij geholpen willen worden. Als die er niet is, ontstaat chaos. En daar zijn bewoners uiteindelijk de dupe van.”

Kleinschalig werken is geen wondermiddel

Hoewel instellingen steeds vaker zijn overgestapt op kleinschalig wonen, lost dat volgens James het probleem niet vanzelf op. In de praktijk wordt de term breed gebruikt, terwijl je in sommige verpleeghuizen volgens haar nauwelijks kunt spreken van kleinschaligheid. Dan gaat het om afdelingen met zo’n veertig bewoners, wat nog altijd een grote groep is.

Ook wanneer een afdeling daadwerkelijk kleiner is opgezet, verandert er weinig als de personele bezetting achterblijft. “Dan sta je ’s ochtends soms alleen of met z’n tweeën omdat collega’s ziek zijn of niet zijn komen opdagen,” zegt ze.

Te veel taken bij de zorgverlener

Een ander structureel probleem is volgens James de stapeling van taken bij zorgverleners. Behalve voor directe zorg zijn zij steeds vaker verantwoordelijk voor koken, administratie en facilitaire taken. Functies die eerder apart waren georganiseerd, zijn door bezuinigingen samengekomen in één rol. “Zorgverleners doen nu alles,” zegt James. “Dat hoort niet bij het vak waarvoor je bent opgeleid.” Die verbreding van taken gaat volgens haar ten koste van aandacht voor bewoners.

Hoewel James gediplomeerd is, weigert zij inmiddels om nog als zodanig te werken. Ze kiest er bewust voor haar functie lager in te schalen en geen verantwoordelijkheid meer te dragen voor medicatie en verpleegtechnische handelingen. De reden is het gebrek aan rust en focus. “Met dat soort taken moet je geconcentreerd bezig zijn, terwijl je continu wordt gestoord door piepers en telefoons,” legt ze uit. “Vroeger mocht je geen telefoon op zak hebben, omdat het afleidde. Nu piept alles de hele tijd.”

Stoppen als zzp’er, verder als flexer

Naast de inhoudelijke druk werd ook de financiële kant steeds zwaarder. Volgens James werd het steeds moeilijker om voldoende opdrachten te krijgen. Als zzp’er betekent dat direct minder inkomen. “Als je een dag niet werkt, verdien je die dag ook niets,” zegt ze. “Op een gegeven moment kwamen er zo weinig opdrachten binnen dat ik mijn vaste lasten niet meer kon betalen.”

Daarbij speelde mee dat zij eerder investeringen had gedaan, zoals een lening en een verbouwing aan haar woning. Toen de opdrachten terugliepen, werden die vaste lasten moeilijker te dragen. “Ik had nog gehoopt dat het werk weer zou aantrekken, maar dat gebeurde niet.”

Dat maakte de overstap naar loondienst uiteindelijk onvermijdelijk. Ze werkt nu in loondienst, maar wel als flexmedewerker. Vast in dienst gaan ziet ze niet zitten. “Als je vastzit aan een rooster, is het werk voor veel mensen te zwaar. Als flexer kan ik zelf bepalen wanneer ik werk en wanneer ik rust nodig heb.”

Andere keuzes nodig in de organisatie van zorg

Volgens James ligt de oplossing niet in het terugdringen van zzp’ers, maar in structurele keuzes over hoe zorg wordt georganiseerd. Ze ziet vooral kansen in een andere inrichting van de thuiszorg. Nu wordt die vooral geleverd in korte blokuren, terwijl veel mensen juist thuis verzorgd willen worden.

“Waarom kun je thuiszorg niet organiseren met volledige diensten, net als in een verpleeghuis?” vraagt ze zich af. “Met ochtend-, avond- en nachtdiensten, voor hetzelfde tarief. Dan geef je mensen keuzevrijheid en haal je druk weg uit instellingen.”

Zolang die keuzes uitblijven, vreest James dat het vertrek van ervaren zorgverleners zal doorgaan. Niet vanwege gebrek aan betrokkenheid, maar omdat de randvoorwaarden ontbreken om het werk goed te doen. “Zorg moet weer uitvoerbaar worden,” zegt ze. “Pas dan wordt het aantrekkelijk om in de zorg te blijven werken.”

Geplaatst in Toekomst visie | Tags , , | Laat een reactie achter

‘Sectorale minimumtarieven voor zzp’ers kunnen schijnzelfstandigheid oplossen’

Public Affairs-collega’s Sem Overduin en Oifik Youssefi van HeadFirst schreven samen het boek De ZZPuzzel, een feitelijke uiteenzetting van het zzp-dossier. Het boek kwam tot stand na vele gesprekken met arbeidsmarktexperts uit de wetenschap, politiek en het maatschappelijk middenveld. Hardnekkige misinformatie, eenzijdige beeldvorming, gebrek aan politieke daadkracht en de complexiteit van het arbeidsrecht maken het dossier een ingewikkelde puzzel. In deze artikelenreeks gaan de auteurs in gesprek met betrokkenen die een aanvullend puzzelstuk aandragen.

Praktijkervaring als vertrekpunt

Wilmar Dik is sinds 2008 werkzaam als beroepsfotograaf en zet zich de afgelopen jaren nadrukkelijk in voor de belangen van zelfstandigen, met name aan de basis van de markt. Vanuit zijn praktijkervaring zag hij hoe lage tarieven, beperkte onderhandelingsruimte en gebrekkige bescherming samenkomen bij kwetsbare groepen zzp’ers. Hij is onder meer actief als belangenbehartiger bij de Nederlandse Vereniging van Journalisten (NVJ) en aangesloten bij de Ketentafel Fotografie.

Vanuit zijn ervaring als zzp’er ontwikkelde hij een voorstel voor sectorspecifieke minimumtarieven. Zijn uitgangspunt is helder: wie bescherming wil organiseren, moet beginnen bij een reële ondergrens die aansluit bij de economische realiteit van een sector. In gesprek met Oifik vertelt Wilmar waarom zijn voorstel juist nu politieke aandacht verdient.

In hoeverre is het zzp-dossier volgens jou een puzzel?

“Voor mij is het dossier jarenlang een puzzel geweest. Sinds de invoering van de Wet DBA blijven we kauwen op hetzelfde probleem: de arbeidsrelatietoets. Dat komt deels door een zwakke belangenbehartiging van zelfstandigen en deels door een sterke lobby vanuit het bedrijfsleven. Dat maakt het moeilijk om tot een evenwichtige oplossing te komen. De roep om meer duidelijkheid over de arbeidsrelatie klinkt al jaren, maar de basis van de zzp-populatie blijft vaak buiten beeld.

Ik ben zelf lang bezig geweest met de vraag wat eerlijk is voor zzp’ers. Voor mij ligt de oplossing in sectorspecifieke minimumtarieven, wettelijk verankerd. Daarmee pak je de kern van het probleem aan.”

In het boek wordt het dossier uiteengezet langs lijnen als misinformatie, beeldvorming en politieke daadkracht. Welk puzzelstuk is volgens jou doorslaggevend? 

“Politieke daadkracht. We weten al jaren dat er een probleem is, vooral aan de basis van de markt. Mensen die structureel moeite hebben om rond te komen omdat tarieven onder druk staan. Zonder politieke wil verandert er niets. Je kunt eindeloos discussiëren over gezag en ondernemerschap, maar zolang je niets doet aan de inkomenspositie van kwetsbare zelfstandigen, blijft het probleem bestaan.”

Welk puzzelstuk zou jij toevoegen aan De ZZPuzzel?

“Ik los de puzzel liever op. Met sectorspecifieke minimumtarieven kom je al een heel eind. Niet één generieke grens, maar per sector berekende ondergrenzen die aansluiten bij het gemiddelde aantal declarabele uren en de kostenstructuur.

Belangrijk is dat die tarieven niet vrijblijvend zijn. Je kunt ze wettelijk verplichten, of koppelen aan toegang tot aanvullende sociale zekerheid. Zo creëer je een prikkel om binnen fatsoenlijke marges te opereren. Handhaving zou bijvoorbeeld bij de Arbeidsinspectie kunnen worden belegd.”

Je pleit in een artikel op ZiPconomy voor sectorale minimumtarieven voor zzp’ers. Wat is het kernprobleem dat je daarmee wilt oplossen?

“Een minimumtarief is geen standaardprijs, maar een ondergrens, vergelijkbaar met het minimumloon in loondienst. Onder dat niveau is het economisch niet reëel om duurzaam als zelfstandige te opereren. In de praktijk werken zelfstandigen soms tegen tarieven die niet houdbaar zijn, door concurrentiedruk of een zwakke onderhandelingspositie.

Mijn voorstel adresseert meerdere problemen tegelijk: concurrentie tussen werknemers en zelfstandigen, schijnzelfstandigheid, gebrek aan ruimte voor pensioen en arbeidsongeschiktheid, en armoede onder zzp’ers.

Veel mensen kijken alleen naar het uurtarief, maar vergeten dat zelfstandigen niet al hun uren kunnen declareren. Als een redacteur 37 uur werkt waarvan gemiddeld 23 uur declarabel is, moet het tarief zo worden berekend dat diegene, na aftrek van niet-declarabele uren en kosten, minstens op het niveau van het minimumloon uitkomt. Dat vraagt om een berekening per sector, niet om één generieke grens.”

Wouter Koolmees probeerde als minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in het verleden ook een minimumtarief in te voeren, maar dat voorstel sneuvelde. Waarom zou jouw idee wel kunnen werken?

“Het voorstel van Koolmees ging uit van één vast tarief. Mijn voorstel werkt met schijven, gebaseerd op declarabele uren per beroepsgroep. Daarmee sluit je aan bij de realiteit van een sector. Een vaste grens, zoals 16 euro destijds voorgesteld, doet geen recht aan verschillen tussen bijvoorbeeld media, cultuur of techniek en slaat de boel plat. Als je geen rekening houdt met die verschillen, is het niet gek dat zo’n voorstel het niet haalt.”

Critici stellen dat een minimumtarief de onderhandelingsruimte verkleint. Wat is jouw reactie daarop?

“Die ruimte wordt inderdaad kleiner. Maar nu is die ruimte zó groot dat het in sommige markten asociale proporties aanneemt. Het enige dat niet meer onderhandelbaar is, is een prijsniveau dat hard aanstuurt op armoede en het onmogelijk maakt om sociale zekerheid op te bouwen. Alles daarboven blijft gewoon onderhandelbaar. Nu liggen de risico’s volledig bij zelfstandigen, terwijl opdrachtgevers profiteren van lage tarieven.

Een ondergrens maakt de markt socialer. Een recente motie van onder meer Mirjam Bikker (ChristenUnie), waarin het kabinet wordt opgeroepen te waarborgen dat de armoedecijfers tijdens deze kabinetsperiode niet stijgen, is door de hele Tweede Kamer gesteund. Ook alle coalitiepartijen stemden voor.

Net zoals werknemers niet onder het minimumloon kunnen worden betaald, zou ook een zelfstandige een minimale inkomensbasis moeten hebben. Als je het gemiddeld aantal declarabele uren vermenigvuldigt met gangbare tarieven, kom je in sommige sectoren uit op een jaarinkomen ver onder het minimum.”

Hoe verhoudt jouw idee voor sectorale minimumtarieven zich tot het rechtsvermoeden van werknemerschap, zoals voorgesteld in het wetsvoorstel Verduidelijking Beoordeling Arbeidsrelaties en Rechtsvermoeden?

“Het rechtsvermoeden is gebaseerd op een uurtarief van 38 euro in 2026, opgebouwd uit minimumloon, pensioen, AOV en correctie voor niet-declarabele uren. Maar de gehanteerde percentages zijn vast, terwijl die in de praktijk variëren per sector.

Een deel van de zelfstandigen zal baat hebben bij zo’n rechtsvermoeden. Maar die vaste grens is te generiek. Er zijn sectoren waarin mensen onder de 38 euro werken en toch duidelijk ondernemer zijn. Tegelijkertijd zijn er beroepen waarin 38 euro onvoldoende is om, gezien het beperkte aantal declarabele uren per jaar, boven het minimumloon uit te komen. Sommige beroepen kennen slechts 700 tot 1.000 declarabele uren per jaar. Dan zegt 38 euro weinig. Je moet dus kijken naar de economische realiteit van een sector, en die is divers.”

Hoe kijk je naar het wetsvoorstel Zelfstandigenwet, waar het nieuwe kabinet op inzet?

“Verduidelijking van de arbeidsrelatie is positief. Maar als je tegelijkertijd verplichtingen invoert voor arbeidsongeschiktheid en pensioen, zonder iets te doen aan lage tarieven, leg je de rekening bij de kwetsbaarste groep. Dat is een blinde vlek. Als je de ondergrens goed berekent, zijn zelfstandigen per definitie duurder dan werknemers en vervalt de concurrentie op prijs. Dan wordt de contractvorm minder doorslaggevend.”

Welk advies geef je aan de politiek?

“Neem sectorspecifieke minimumtarieven serieus. Kijk per markt wat nodig is om zelfstandigen minimaal op het niveau van het minimumloon te laten verdienen. Daarmee pak je schijnzelfstandigheid aan en voorkom je concurrentie op prijs tussen zzp’ers en werknemers. Bovendien ontstaat er financiële ruimte voor een arbeidsongeschiktheidsverzekering en pensioensopbouw.

Daarnaast geldt dat met technologische ontwikkelingen zoals AI de druk op tarieven alleen maar zal toenemen. Zonder ondergrens groeit de armoede onder zelfstandigen verder. Politiek is al uitgesproken dat dit niet mag gebeuren. Nu is het tijd voor de uitvoering.”

Geplaatst in ZP en Ondernemen | Tags , , | 2s Reacties

Welke zzp’ers werken voor minder dan 38 euro per uur en hoeveel zijn het er?

Minister Thierry Aartsen (Werk & Participatie) maakt vaart met nieuwe zzp-wetgeving. Afgelopen vrijdag ging de ministerraad akkoord met het wetsvoorstel voor een rechtsvermoeden van werknemerschap. De kern: zelfstandigen die minder dan 38 à 39 euro per uur verdienen, kunnen straks eenvoudig bij de rechter claimen dat zij eigenlijk werknemer zijn. De opdrachtgever moet dan bewijzen dat het wél om zelfstandig ondernemerschap gaat.

Het is een maatregel die bedoeld is om kwetsbare werkenden te beschermen tegen schijnzelfstandigheid. Maar wie zijn die zzp’ers die onder dat tarief werken? In welke sectoren zitten ze? En hoe groot is de groep eigenlijk? En zitten die zzp’ers er zelf wel op te wachten?

De omvang van de groep zzp’ers

Nederland kent momenteel zo’n 1,2 miljoen zzp’ers voor wie het zzp-schap het hoofdinkomen is. Dat is overigens een kleine 100.000 minder dan een jaar geleden. Daarnaast zijn er nog iets meer dan een half miljoen mensen die als zzp’er bijverdienen. Maar niet al deze 1,7 miljoen werkenden kunnen iets aan deze wet, die in 2027 van kracht zou moeten gaan, hebben.

Ten eerste geldt de wet niet voor zzp’ers die producten verkopen. Dat is een kleine 15 procent van alle zzp’ers. Ook zzp’ers die werken voor particulieren – wat bij ongeveer een op de vier zzp’ers het geval is – kunnen geen beroep doen op deze nieuwe wet.

Zo’n 60 procent van alle zzp’ers – dat zijn er ongeveer een miljoen – kunnen in theorie gebruikmaken van deze wet. Als ze natuurlijk ingehuurd worden voor een tarief onder de 38 euro per uur. Dat geldt voor 15 procent van deze groep, zo rekende het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid uit op basis van cijfers uit de Zelfstandigen Enquête Arbeid, het grote tweejaarlijkse onderzoek van TNO en CBS.

Grote verschillen tussen sectoren

Die 15 procent – oftewel 150.000 zzp’ers – is een algemeen gemiddelde. Per sector zijn er natuurlijk grote verschillen. Dat blijkt ook uit het onderstaande staatje. In de landbouw wordt 64 procent van alle zzp’ers ingehuurd voor een tarief onder de 36 euro. In de financiële sector niemand.

De sectoren waar relatief veel zzp’ers tegen een laag tarief werken zijn niet per se de grootste sectoren qua zzp’ers. Zo werkt maar 2 procent van alle zzp’ers in de landbouw, 2 procent in de horeca en 3 procent in de vervoerssector.

Kleine minderheid wil liever in loondienst

Wat verder ook opvalt: van al die zzp’ers met een laag tarief wil maar een relatief kleine groep liever in loondienst werken. Gemiddeld zegt 27 procent liever in loondienst te willen werken; in een aantal sectoren ligt dat nog fors lager. Van alle zzp’ers (hoog en laag tarief) zegt 12 procent liever in loondienst te werken. Zzp’ers met een laag tarief willen dus vaker in loondienst werken, maar het blijft een kleine minderheid. 

Daarbij is ook opvallend dat zzp’ers met lagere inkomens minder enthousiast zijn over dit wetsvoorstel dan zzp’ers met een hoog inkomen. Uit het ZiPconomy-verkiezingsonderzoek bleek dat 68 procent van de zzp’ers met een jaarinkomen boven de 80.000 euro achter dit voorstel staat. Onder zzp’ers met een inkomen onder de 40.000 euro per jaar is dat 46 procent.

Overigens zegt het wetsvoorstel niet dat zzp’ers niet onder de tariefsgrens mogen werken. Het biedt zzp’ers alleen maar de mogelijkheid om via een rechter eenvoudig rechten als werknemer op te eisen.

Tarievenoverzicht zzp’ers per beroep

De cijfers op sectorniveau van het ministerie zijn natuurlijk vrij grof. Het is de standaardindeling van het CBS. In de groep informatie en communicatie zitten zowel de meestal goedbetaalde it’ers als de journalisten die het meestal voor een stuk minder moeten doen.

Goed dus om verder te kijken naar bronnen die iets zeggen over tarieven van zzp’ers. Zo maakt de ‘zzp-bank’ KNAB elk jaar een tarievenoverzicht, op basis van input van 20.000 rekeninghouders die aan het onderzoek hebben meegedaan. Uit het onderzoek over 2025 – met daarin 330 beroepen – komen 39 beroepen bovendrijven waarvan een deel aangeeft voor onder de 40 euro per uur te werken.

Dat geeft wat meer beeld over welke zzp’ers we het hebben. Daarbij wel aangetekend dat KNAB geen onderscheid maakt tussen zzp’ers die voor particulieren of voor bedrijven werken.

Ook komt de data van KNAB bij rekeninghouders vandaan. Dat betekent dat bepaalde groepen zzp’ers waarschijnlijk niet of minder vertegenwoordigd zijn in het onderzoek. Van arbeidsmigranten (de vragenlijst is ook in het Nederlands) tot studenten die via platforms als zzp’er in de horeca werken (gemiddeld tarief: 19 euro) en vast geen aparte zakelijke rekening openen.

Een lijst met tarieven van zzp’ers die iets meer diversiteit laat zien, is afkomstig van de WageIndicator Foundation. Een wereldwijde, onafhankelijke non-profitorganisatie die al vanaf 2000 gegevens over loon en inkomen verzamelt, ook onder freelancers.

In hun data wordt gewerkt met een laag, gemiddeld en hoog tarief per beroep. De onderstaande tabel geeft inzicht in welke beroepen volgens de WageIndicator met uurtarieven onder de 40 euro per uur werken.

Ook voor deze WageIndicator-cijfers geldt dat er geen onderscheid gemaakt wordt tussen werken voor particulieren (wet geldt niet) en voor bedrijven (wet geldt wel). En ook deze lijst is verre van volledig. Maar ook dit geeft een beeld, ook van de soms grote verschillen tussen een laag en hoog tarief.

Wat telt als uurtarief in het wetsvoorstel?

Een licht complicerende factor is dat in het wetsvoorstel staat dat het uurtarief waarnaar gekeken wordt niet direct hetzelfde is als het gefactureerde tarief. Direct aan de opdracht toe te rekenen kosten moeten er eerst nog van afgetrokken worden. Dat zijn kosten of uren die een zzp’er maakt om de opdracht uit te kunnen voeren. Denk aan acquisitiekosten of voorbereidingskosten. Die zijn natuurlijk niet altijd even helder.

Mogelijke effecten van het rechtsvermoeden

Heel precieze cijfers over hoe die hele groep van 150.000 zzp’ers er nu precies uitziet, zijn er niet. Een beeld hebben we wel. Wat kunnen we nu verwachten aan effect en impact?

Eerst nog maar even herhalen: het rechtsvermoeden betekent geen wettelijk verbod op het inhuren van zzp’ers met een tarief onder de 38 euro. Het is ook voor zzp’ers niet verboden hun diensten aan te bieden voor een tarief onder het drempelbedrag. Er wordt ook niet op gecontroleerd. Het is aan de werkenden om eventueel gebruik te maken van deze mogelijkheid. Individueel of collectief. Dat kan overigens ook via belangenbehartigers.

Aan bovenstaande cijfers is te zien dat gemiddeld driekwart van alle zzp’ers met een laag tarief toch liever zzp’er blijft. Gaan ze nu wel of niet naar de rechter stappen? Willen ze dat? Weten ze de weg te vinden? Durven ze dat? Want voor een deel hebben we het hier ook over kwetsbare groepen werkenden. Dat blijft lastig in te schatten. De hoop van de beleidsmakers is in ieder geval dat er een preventieve werking uitgaat van het drempelbedrag.

Verwachte gevolgen voor opdrachtgevers en zzp’ers

Het ligt voor de hand dat zowel opdrachtgevers als zzp’ers in het tariefsegment net onder het drempelbedrag pragmatisch zullen zijn en simpelweg het uurtarief gaan verhogen. Dat scheelt een boel mogelijke risico’s en gedoe. Let wel: alle andere regels rond de inhuur van zzp’ers blijven natuurlijk gewoon van kracht, ook als er meer dan het drempelbedrag betaald wordt.

Ook zullen er de nodige gesprekken gevoerd worden over het omzetten van bestaande opdrachtovereenkomsten naar arbeidsovereenkomsten. Mogelijk zullen sommige werkgevers het hierbij ook als drukmiddel gaan gebruiken om zzp’ers die dat eigenlijk zelf niet willen, toch te overtuigen om in loondienst te komen. Dat zagen we ook naar aanleiding van het aflopen van het handhavingsmoratorium, bijvoorbeeld in de zorg, kinderopvang en bouw.

Het omzetten van bestaande overeenkomsten naar een andere manier van werken, bijvoorbeeld met resultaatafspraken of op basis van een aanneemsom, ligt hier minder voor de hand. Het rechtsvermoeden geldt immers ook voor opdrachten die niet op urenbasis worden betaald.

Tot slot zal er ook simpelweg werk verdwijnen. Situaties waarin de aanbieder van werk, gezien mogelijke risico’s, hogere loonkosten en/of gebrek aan flexibiliteit binnen arbeidsovereenkomsten, simpelweg stopt met bepaalde activiteiten. In een recent onderzoek van werkgeversvereniging AWVN geeft 6 procent van de werkgevers aan te verwachten te gaan stoppen met bepaalde activiteiten vanwege de opstapeling van flexwetgeving.

 

Geplaatst in ZP en Politiek | Tags , | 6s Reacties

Van zzp naar loondienst: dit zijn de gevolgen voor de belastingaangifte

Ruim 190.000 ondernemers stopten in 2025 met ondernemen. Deze voormalig ondernemers moeten over 2025 aangifte doen van zowel winst uit onderneming als looninkomsten.

Als ondernemer voor de inkomstenbelasting heb je winst uit je onderneming. Hierover betaal je pas inkomstenbelasting na de jaarlijkse belastingaangifte. Als werknemer in loondienst houdt je werkgever loonheffing in als voorheffing op de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen. Daarmee betaal je meestal je belasting al grotendeels gedurende het jaar. Vaak staat de voorheffing op de inkomstenbelasting en premie zorgverzekeringen in de aangifte voor je ingevuld.

Verandering Zorgverzekeringswet

Om de zorg in Nederland te betalen, betaalt iedereen met een inkomen een bijdrage Zvw. Als ondernemer betaal je de bijdrage Zvw zelf aan de Belastingdienst. Meestal krijg je daar aan het begin van het jaar een voorlopige aanslag Zvw voor. Als werknemer wordt de bijdrage Zvw ingehouden op je loon. Heb je je voorlopige aanslag Zvw niet aangepast toen je in loondienst ging? Dan heb je mogelijk te veel bijdrage betaald. Na de aangifte wordt dit automatisch verrekend in de definitieve aanslag. Heb je ook voor 2026 een voorlopige aanslag Zvw ontvangen? Controleer dan of deze nog klopt met je huidige situatie.

Geen zakelijke kosten en aftrekposten 

Als ondernemer mag je onder voorwaarden een deel van de zakelijke kosten van je opbrengsten aftrekken om de winst uit onderneming te berekenen. En kun je ondernemersaftrekposten, zoals de zelfstandigenaftrek en de mkb-winstvrijstelling, van je winst aftrekken. In loondienst heb je deze mogelijkheid niet.

Voor het berekenen van de zakelijke kosten kun je alleen de kosten aftrekken die horen bij de periode en activiteiten van je ondernemerschap. De zelfstandigenaftrek, mkb-winstvrijstelling en andere aftrekposten die je als ondernemer had, kunnen ook gelden als je maar een deel van het jaar ondernemer was. Let daarbij wel op dat je aan het urencriterium voor het hele jaar voldoet. Dat was in 2025 tenminste 1.225 uur.

Stakingswinst in je aangifte

Wanneer je stopt met je onderneming, moet je de stakingswinst berekenen. Deze stakingswinst maakt deel uit van je inkomen in het jaar waarin je stopt.

De stakingswinst bestaat uit het verschil tussen de boekwaarde van je onderneming en de werkelijke waarde van bezittingen (bedrijfsmiddelen), zoals een laptop. Daarnaast bestaat de stakingswinst uit de fiscale reserves die vrijvallen, zoals de herinvesteringsreserve. Met het stoppen met je onderneming wordt deze reserve opgeheven. Het berekenen van de stakingswinst kan ingewikkeld zijn. Het is verstandig je te laten adviseren.

Meer informatie over stoppen met ondernemen

Kijk voor meer informatie op belastingdienst.nl/stoppende-ondernemers. Daar vind je ook een link naar de checklist Bedrijf stoppen van KVK. Kijk hier het webinar van de Belastingdienst en Kamer van Koophandel over stoppen met ondernemen terug. 

Geplaatst in ZP en Ondernemen | Tags , , | Laat een reactie achter