Maandelijkse archieven: juni 2023

Kabinet verkent drie scenario’s om groei zzp in publieke sector af te remmen

Het is al langer bekend dat het kabinet de ‘balans wil herstellen tussen het werken met en als zelfstandigen’. Ondertussen neemt de inzet van zelfstandigen alleen maar toe, zo stelt de SER.

Politiek is er met name onrust rond de stijging in sectoren zorg en onderwijs. De toenemende inzet van (schijn)zelfstandigen brengt risico’s met zich mee, zo vindt het kabinet. Denk aan kwaliteitsrisico’s, stijgende personeelskosten en ‘spanningen op de werkvloer’. Dat schrijven minister Van Gennip (SZW), Helder (Langdurige zorg) en Wiersma (Onderwijs) in de Voortgangsbrief PNIL-werkprogramma van 2 juni jl.

PNIL staat voor ‘personeel niet in loondienst’. In de kamerbrief geeft het kabinet ook inzicht in de omvang van de PNIL (zie onderaan dit artikel). Deze groep bestaat overigens niet alleen uit zzp’ers maar ook uit uitzendkrachten en gedetacheerden. De onderzochte aanvullende maatregelen gaan alleen over zzp.

Aanvullende maatregelen voor Zorg en Onderwijs

Aanvullend op de nieuwe regels die voor alle sectoren gaan gelden (het werken met het inbeddingscriteriumm, zie hier), denkt het kabinet aan aanvullende maatregelen voor specifiek de sectoren zorg en onderwijs.

Dit zijn de drie opties die het kabinet verkent:

  1. een maximaal percentage van het aantal zelfstandigen in een sector; hierbij gaat het om de vraag of de inzet van zelfstandigen in de sectoren zorg, onderwijs en kinderopvang wettelijk procentueel in te perken is, dan wel een bepaald minimum aan werkenden met een dienstverband.
  2. verbod op het verrichten van bepaalde functies door zelfstandigen; ofwel een maatregel waardoor specifieke functies en/of werkzaamheden alleen binnen dienstbetrekking mogen worden verricht.
  3. rechtsvermoeden van werknemerschap; dit komt erop neer dat er bij bepaalde functies in principe van wordt uitgegaan dat er sprake is van schijnzelfstandigheid.

Juridische bezwaren

Het zijn drie vergaande, ingrijpende scenario’s, die niet zo gemakkelijk in de praktijk te brengen zijn, zo concluderen de ministers zelf. Er kleven – zeker aan optie 1 en 2 – juridische bezwaren. Beide maatregelen richten zich niet alleen op schijnzelfstandigen, maar raken ook (rechtstreeks) echte zelfstandigen. En dat betekent (Europeesrechtelijk) een inbreuk op het vrij verkeer van diensten.

Het is maar de vraag of de noodzaak (publiek doel) van deze maatregel dit rechtvaardigt (proportionaliteit) en of er geen minder ingrijpende maatregelen voorhanden zijn. Het kabinet zal goed moeten onderbouwen waarom generieke maatregelen voor deze sectoren niet toereikend zijn.

Rechtsvermoeden van werknemerschap

Voor wat betreft een wettelijk rechtsvermoeden van werknemerschap bij bepaalde functies lijkt er juridisch geen belemmering te zijn, zo concluderen de ministers. Een dergelijk rechtsvermoeden zou in lijn zijn met de maatregelen waaraan het kabinet al werkt. Wel roept dit de vraag op wat dit zou toevoegen aan artikel 7:610a van het Burgerlijk Wetboek, waarin al een rechtsvermoeden voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst is opgenomen.

En de ministers twijfelen of dit schijnzelfstandigheid zal tegengaan. Uit de brief: ‘Het zijn juist de werkenden zelf die in deze sectoren kiezen om te gaan werken als zelfstandige. Zij hebben daardoor waarschijnlijk weinig belang om zich te beroepen op een rechtsvermoeden van werknemerschap.’

Conclusie: niet haalbaar op korte termijn

Naast de juridische bezwaren, ziet het kabinet ook problemen bij de uitvoering van deze sectormaatregelen, zoals het toezicht en handhaving op naleving. Wie moet dat gaan doen en hoe werkt dat dan in de praktijk? Zelf concluderen de ministers dat ‘het handhaven op percentages of specifieke functieomschrijvingen geen sinecure’ zal zijn. Nog afgezien van de noodzaak om eerst een wetgevingstraject te starten.

Conclusie die het kabinet trekt na een eerste verkenning: deze maatregelen bieden binnen afzienbare tijd geen oplossing voor de problematiek die in de sectoren speelt. Volgens de ministers is de invoering van dergelijke maatregelen alleen haalbaar via een sectorale aanpak. Mocht die er komen, dan ondersteunt het kabinet de inzet hiervan.

Cijfers omvang PNIL in publieke sector

Gelijk met de bovenstaande verkenning, komt het kabinet ook met cijfers omtrent de omvang van de PNIL in de publieke sector.

Onderwijs

In het onderwijs schommelt het percentage van de totale personeelslasten dat in 2021 werd uitgegeven aan extern personeel tussen de 3,8% en 7,6%. Dat is overigens licht hoger dan in 2020. Bij het mbo zit het cijfer nog onder het niveau van 2016. Het gaat bij deze cijfers om alle vormen van ingehuurd personeel, dus ook om uitzendkrachten en gedetacheerden. En om zowel onderwijsgevend, als niet-onderwijsgevend personeel.

Zorg

Voor de zorg en welzijn sector komt het kabinet met een type cijfers, namelijk de CBS registratie van het aantal werkenden in de sector. Dat geeft dit overzicht, waarbij de rode cijfers een aanvulling door ZiPconomy zijn. Dit om de cijfers wat meer context mee te geven. In sommige sectoren is het aandeel zzp 50% of minder van het totaal aantal PNIL’ers.

In de sector ‘overige zorg en welzijn’ werken procentueel gezien het meeste mensen ‘niet in loondienst’. In die sectoren zitten bijvoorbeeld  tandartsen, fysio’s (zelfstandigen met personeel) en alternatieve genezers. Het percentage zzp’ers in de zorg & welzijn sector groeit, maar ligt nog onder het gemiddelde van alle sectoren.

Kinderopvang

In de kinderopvang is het aantal zzp’ers dat actief is in deze sector – uitgezonderd zzp’ers die als gastouders werken – gestegen van 4.072 in begin 2022 naar 6.717 nu. Dat is een forse stijging van meer dan 50% in anderhalf jaar tijd.

Culturele en creatieve sector

Uit gegevens van de monitor ‘Kunstenaars en andere werkenden met een creatief beroep’, blijkt dat in 2017/2019 circa 61 procent van de kunstenaars als zelfstandige werkte. Dat is een stuk hoger dan gemiddeld in de werkzame beroepsbevolking. Van alle kunstenaars werkte 57 procent als zelfstandige zonder personeel; een klein percentage zelfstandige kunstenaars (4 procent) had wel personeel in dienst. Verder blijkt uit cijfers van het CBS dat 29 procent van de werkzame kunstenaars werkte als werknemer met een vaste arbeidsrelatie en 10 procent als werknemer met een flexibele arbeidsrelatie. In beide gevallen is dat lager dan gemiddeld.

Overheid

Cijfers over inhuur bij de overheid zijn niet opgenomen in dit overzicht van het kabinet. Eerder werd duidelijk dat de Rijksoverheid 14,2% van het personeelsbudget uitgeeft aan extern personeel. Dat is dan wel inclusief ook ‘consultancy’ (wat dan waarschijnlijk niet in de PNIL cijfers van het onderwijs zit). Dat zijn ongeveer 6.000 uitzendkrachten. De rest is verdeeld over gedetacheerden (in loondienst dus van de detacheerder), consultants en zelfstandigen.

Bij gemeenten lag het percentage nog iets hoger. Daar werd 17% van het budget uitgegeven aan personeel niet in loondienst. Bij 43% van de gemeenten is detachering de meest gebruikte vorm van inhuur, bij 22% is dat uitzendkrachten en bij 18% is dat zzp.

Geplaatst in ZP en Politiek | Tags , , , , , , | 1 Reactie

“De zzp-geest is uit de fles: laat werkenden zelf hun contractvorm kiezen”

Recentelijk kwam arbeidsmarktdataspecialist Intelligence Group met cijfers waaruit blijkt dat het merendeel van de zzp’ers graag wil blijven ondernemen. Nog nooit wilden zo weinig zzp’ers terug in loondienst, slechts tien procent. In 2015 lag dit percentage op 18 procent. In alle opleidingsniveaus is dezelfde dalende trend te zien. Van gedwongen zelfstandig ondernemerschap is, zo durf ik op basis van deze informatie wel te stellen, nauwelijks nog sprake.

Ook onderzoeken van het CBS en data van de Zelfstandigen Enquête Arbeid laten keer op keer hetzelfde beeld zien: zzp’ers zijn – in vergelijking met werkenden in loondienst of uitzendkrachten – vaker tevreden over hun werkomstandigheden, gevoel van autonomie en de leermogelijkheden op het werk. Zzp’ers ervaren minder stress, zijn doorgaans trotser op het werk dat zij doen en hechten grote waarde aan hun gevoel van flexibiliteit en vrijheid. Positieve cijfers en een ontwikkeling die we mijns inziens moeten koesteren.

Niet voor niets stijgt het aantal zzp’ers al jaren snel. In Nederland zijn het er al ruim 1,2 miljoen. Wereldwijd is het met 1,57 miljard inmiddels de snelst groeiende groep werkenden op de arbeidsmarkt.

Waarom is volgens de minister het vaste contract de norm?

Ondanks deze duidelijke cijfers kwam minister Van Gennip (SZW) op 16 december 2022 met een stevige brief. Een brief vol met plannen en voorstellen die de duimschroeven aandraaien, het zzp-schap onaantrekkelijker maken en waar het werken in loondienst duidelijk als uitgangspunt wordt genomen. In deze plannen wordt zowel arbeidsrechtelijk als fiscaal de broekriem aangetrokken voor zzp’ers.

Het vaste contract is de norm en het mag van de minister wel wat minder met het aantal zzp’ers op de Nederlandse arbeidsmarkt. Dit lijkt haaks te staan op de keuzes die werkend Nederland maakt.

Het vaste contract is de norm en het mag van de minister wel wat minder met het aantal zzp’ers op de Nederlandse arbeidsmarkt. Dit lijkt haaks te staan op de keuzes die werkend Nederland maakt. De groep werkenden die gemiddeld genomen het meest gelukkig is, willen beperken? Te meer omdat het maar zeer de vraag is of zij daadwerkelijk terug zullen keren in loondienst als de regels strenger en de kaders beperkter worden.

Iedereen keihard nodig

Alle plannen en voorstellen die voor het voetlicht worden gebracht in de brief van afgelopen december en de bredere arbeidsmarktbrief van 3 april, hebben duidelijk als doel om flexwerk terug te dringen. Van Gennip laat dit ook duidelijk weten in speeches en televisieoptredens. De plannen zijn gebaseerd op de adviezen van de Commissie Borstlap en het SER MLT-advies, maar we gaan er veel te snel aan voorbij dat deze rapporten tot stand zijn gekomen in een werkelijk totaal andere tijd.

De realiteit heeft ons ingehaald: we hebben op dit moment immers te maken met een extreem krappe arbeidsmarkt. Werkgevers en opdrachtgevers schreeuwen om personeel, vacatures worden minder snel vervuld en veel organisaties zien dit momenteel als dé grootste uitdaging en bedreiging voor de continuïteit van hun dienstverlening. Moet de insteek van het beleid en het politieke debat dan juist niet gaan over méér werkenden op de arbeidsmarkt krijgen in plaats van het terugdringen van flexwerk? Moeten we niet juist meer ruimte en flexibiliteit geven aan werkgevenden? En alle werkenden omarmen, of ze nou als zzp’er, werknemer of uitzendkracht aan het werk willen?

Criterium ‘inbedding’ wordt een slagveld

Als ik vervolgens inzoom op de inhoud van de zzp-plannen ben ik toch gematigd enthousiast. In de wandelgangen hoor ik dat de beleidsmedewerkers en betrokken organisaties worstelen om de drie elementen van gezag, inbedding en zelfstandig ondernemerschap verder in te vullen. Gaat het criterium ‘inbedding in de organisatie’ voor de gewenste duidelijkheid zorgen? We stoeien nu al ongelofelijk met elkaar om de term ‘gezag’ te verduidelijken. Zorgt het inbeddingscriterium dan voor duidelijkheid, of gaat het enkel en alleen nog meer onduidelijkheid creëren? Terwijl opdrachtgevers, intermediairs en zzp’ers juist al jaren roepen om duidelijke kaders en spelregels.

Als CEO van één van de grootste HR-tech dienstverleners van het land zie ik dagelijks inhuuraanvragen binnenkomen van tal van organisaties. Denk hierbij aan ministeries, gemeenten, bedrijven en universiteiten. En keer op keer vraag ik mij af; is deze functie of opdracht ingebed in de organisatie? Naar de huidige definitie van inbedding is het antwoord vaak ‘ja’: het gaat dan om professionals die worden ingevlogen om te werken aan een project of iemand tijdelijk te vervangen. Door steeds meer organisaties wordt veel projectmatig gewerkt. Ingehuurde professionals – neem software developers als voorbeeld – werken schouder aan schouder in teams met werknemers aan dezelfde projecten. Na verloop van tijd – momenteel gemiddeld 1 jaar – stroomt de professional uit en heeft de professional met zijn of haar kennis en expertise een waardevolle bijdrage geleverd aan de doelen van de opdrachtgever. De inhurende organisatie blij en de professional blij. En keer op keer vraag ik mij dan af; is dit straks nog wel mogelijk?

Zo niet, dan gaat dat serieuze gevolgen hebben voor de stabiliteit van organisaties. De zeer krappe arbeidsmarkt en de nu soms al haperende dienstverlening gaan in nog grotere problemen komen. Ik voorspel u: dit wordt net zo’n slagveld als in 2016 bij de invoering van de wet DBA.

Ik voorspel u: dit wordt net zo’n slagveld als in 2016 bij de invoering van de wet DBA.

Los van de vraag hoe je inbedding gaat definiëren, is de vraag die hieruit voortvloeit: wat wordt de onderlinge samenhang tussen de drie elementen gezag, inbedding en zelfstandig ondernemerschap? Hoeveel gewicht krijgen de ondernemerscriteria? Worden deze criteria daadwerkelijk gezien als contra-indicatie van het bestaan van een arbeidsovereenkomst? En kijken we dan naar inbedding van het werk dat uitgevoerd wordt? Of kijken we naar inbedding van de werkende?

Terecht heeft de Tweede Kamer op 9 februari dan ook kritische vragen gesteld naar aanleiding van de zzp-plannen. Op woensdag 31 mei ontving de Kamer van de minister maar liefst 56 pagina’s beantwoording. Naar mijn mening geeft de minister nog onvoldoende antwoord op die vragen. De bal ligt nu bij de Kamerleden om hier tijdens de Commissievergadering op 7 juni nogmaals op door te vragen.

Wat dan wel?

Ik ben positief gestemd over het feit dat ondernemerscriteria duidelijk benoemd worden in de brief van half december. Ga daarom aan de slag met de verdere uitwerking van duidelijke en toetsbare ondernemerscriteria. En haal, min of meer in lijn met het advies van de Commissie Boot, de ondernemerscriteria naar voren. Formuleer stevige criteria waar een zelfstandig ondernemer aan moet voldoen. Springt de werkende door deze hoepel, dan is hij of zij evident zelfstandig ondernemer en dan zijn begrippen zoals inbedding en gezag niet meer relevant. Dit komt ook de handhaafbaarheid ten goede omdat het aantal te controleren situaties zo veel kleiner wordt.

Waar ik al langer voor pleit, is dat we het zzp-vraagstuk meer sectoraal gaan benaderen. De doelgroep is simpelweg veel te heterogeen en divers om met generieke maatregelen de excessen te bestrijden. Het merendeel van de zzp’ers heeft, zoals gezegd, bewust gekozen voor het zelfstandig ondernemerschap en is tevreden over de werkomstandigheden en het gevoel van autonomie. Dat moeten we koesteren en niet met generieke maatregelen frustreren. Volg het voorbeeld van de zorgsector en ga juist in gesprek met brancheverenigingen en marktpartijen in sectoren waar veel publiek geld mee is gemoeid zoals het onderwijs en de kinderopvang. Maak met elkaar duidelijke afspraken over wanneer het wel of niet mogelijk is om als zzp’er aan het werk te gaan. Die aanpak sluit veel beter aan bij de diversiteit van de doelgroep en zo zorg je op sectoraal niveau voor maatwerk.

En ga ten derde zo snel mogelijk aan de slag met een basisstelsel voor alle werkenden op het gebied van arbeidsongeschiktheid. Trek het los van de contractvorm en zorg dat iedereen mee gaat betalen aan een collectief stelsel. Dat is solidair, houdt het stelsel betaalbaar en zorgt ervoor dat we alle kwetsbare werkenden beschermen tegen de gevolgen en risico’s van arbeidsongeschiktheid. Dat vraagt om een grote stelselwijziging en het nodige denkwerk, maar het is meer dan nodig dat we hier zo snel mogelijk mee beginnen.

De geest is uit de fles

De zzp-geest is uit de fles. Ik geloof er niet in dat top-down maatregelen vanuit Den Haag hier verandering in gaan brengen. Het aantal zzp’ers zal verder toenemen. Die beweging is onomkeerbaar. Daarom vraag ik politici en beleidsmakers in Den Haag die ontwikkeling te omarmen en juist de zaken eromheen goed te regelen. Focus minder op de contractvorm, zorg ervoor dat iedereen bijdraagt aan een collectief stelsel en biedt juist nu, in tijden van extreme krapte, meer ruimte en vrijheid aan werkenden. Op woensdag 7 juni zal men in de Kamer de degens kruisen. Ik ben benieuwd of dit soort fundamentele vragen opgeworpen gaan worden en hoop op een goed inhoudelijk debat. Tot dan!

Geplaatst in ZP en Politiek | Tags , , | 3s Reacties

Graag meer aandacht voor het Europese grondrecht vrijheid van ondernemerschap

Al zeven jaar zitten we nu met het falen van de wet DBA in een impasse. Dat schept grote onzekerheid en veel ondernemers voelen zich weggezet als profiteurs of pseudo ondernemers.

Dat is een slechte zaak, omdat we toch met z’n allen in staat zouden moeten zijn om vooruit te komen in het belang van alle werkenden, bedrijven en organisaties en onze economie. Vooruit gaan we echter nog steeds niet; we gaan zelfs steeds verder terug in de tijd. Het beleid rond zelfstandigen zwabbert, omdat we niet de zelfstandig ondernemer als uitgangspunt nemen, maar de werknemer.

Nu is nog het moment om (opnieuw) een ander perspectief naar voren te brengen en niet te blijven hangen in de onmogelijkheden. Europa is zo’n onmogelijkheid waaraan wordt vastgehouden. SZW geeft namelijk aan geen ruimte te zien om wat vrijelijker om te gaan met de criteria van de arbeidsovereenkomst, omdat volgens de minister Europa met het Hof van Justitie EU precies de kaders aangeeft.

Grondrecht vrijheid van ondernemerschap

Europa kent geen formele definitie van de werknemer en ook in de verschillende richtlijnen wordt geen definitie gegeven. Het begrip wordt vooral ingevuld door de rechtspraak van het HvJEU. Er bestaat ook geen grondrecht op werknemerschap. Wel zijn er een aantal grondrechten die ten goede komen aan werknemers, zoals ontslagbescherming en arbeidsomstandigheden.

Europa kent echter wel het jonge grondrecht van vrijheid van ondernemerschap, opgenomen in het EU Handvest. Onder dit grondrecht valt ook het zelfstandig ondernemerschap (self-employment), waaronder wordt verstaan het bedrijfsmatig uitoefenen van een vak, beroep, specialisme, het verrichten van diensten. In Nederland is het een vrij onbekend grondrecht en er wordt vrijwel geen beroep op gedaan en SZW laat dit stelselmatig buiten beschouwing in de discussies. Dat is jammer, want in de afweging met de rechten van werkenden kan de vrijheid van ondernemerschap een belangrijke rol hebben en een ander perspectief bieden om uit de impasse en onzekerheid te komen.

Afweging tussen rechten

De Wet DBA wordt steeds aangevlogen vanuit de voorwaarden die aan een arbeidsovereenkomst worden gesteld (werknemersperspectief) en met het argument dat die ook in Europese jurisprudentie zijn vormgegeven. Maar wat zou er gebeuren als we het ingrediënt vrijheid van ondernemerschap zouden toevoegen? Er moet dan immers een eerlijke en rechtvaardige afweging plaatsvinden tussen de verschillende rechten. Zelfstandig ondernemers die het ondernemerschap ademen en beleven en daar een bewuste keuze voor hebben gemaakt, zouden in deze afweging dan toch gewoon mogen ondernemen.

Criterium organisatorische inbedding

Vrijheid van ondernemerschap zet ook het criterium organisatorische inbedding in een ander daglicht. Uit een recente brief van de minister valt te lezen dat het criterium organisatorische inbedding zou moeten bijdragen aan de verduidelijking van de gezagsrelatie en dus bijdragen aan een oplossing voor de Wet DBA. Het gaat dan volgens SZW om de kernactiviteiten van een organisatie, met als kenmerken het structurele karakter van de werkzaamheden en dat de werkzaamheden zij-aan-zij worden verricht met werknemers en binnen het organisatorisch kader van de opdrachtgever.

Maar juist de kern van de vrijheid van het ondernemerschap is dat de ondernemer mag bepalen hoe de bedrijfsvoering wordt vormgegeven. Door zo gedetailleerd vast te stellen wat wel en niet mag, gaat de minister zich flink bemoeien met de bedrijfsvoering van een onderneming. Deze beoordeling van organisatorische inbedding staat daarmee op gespannen voet met de vrijheid van ondernemerschap en daar zou de minister verre van moeten willen blijven.

Debat in Tweede Kamer

De vrijheid van ondernemerschap is zoals gezegd flink onderbelicht in Nederland en het werknemerschap heeft het primaat. Wordt het – gelet op de realiteit van de huidige arbeidsmarkt – niet eens tijd voor een eerlijke en redelijke afweging van die twee. Laat het debat in de Tweede Kamer daarover gaan om voor eens en altijd uit de impasse te komen.

Geplaatst in ZP en Politiek | Tags , , | 4s Reacties

Kamercommissie van SZW debatteert over zzp-plannen. Dit staat er op de agenda

Het kabinet is bezig met allerlei wetswijzigingen rondom zzp’ers. Zo komt er een verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zelfstandigen en gaat de Belastingdienst strenger handhaven op schijnzelfstandigheid. Ook werkt de minister aan verduidelijking van de regels om te bepalen wanneer een werkgever een zzp’er mag inhuren. Woensdag bespreken minister Karien van Gennip (Sociale Zaken en Werkgelegenheid) en staatssecretaris Marnix van Rij (Financiën) deze plannen in een speciaal commissiedebat over zzp’ers.

Wat zijn de plannen ook alweer? Wat weten we nog niet? Een overzicht.

Doelen en plannen zzp-beleid

Van Gennip en Van Rij maakten eind december hun plannen rondom zzp’ers bekend. Deze maatregelen zijn onderdeel van een bredere hervorming van de arbeidsmarkt. De hoofddoelen van het kabinet zijn betere balans op de arbeidsmarkt en duidelijkere regels rondom werken met zelfstandigen.

De minister en staatssecretaris werken ’langs drie sporen’ tegelijkertijd:

  • Verschillen in fiscale en sociale zekerheid tussen werknemers en werkgevers verkleinen;
  • Meer duidelijkheid bieden over de beoordeling van de arbeidsrelatie;
  • Handhaving op schijnzelfstandigheid intensiveren.

Daaruit volgen de volgende maatregelen:

Nieuwe, duidelijkere criteria om te bepalen wanneer iemand een opdracht mag uitvoeren als zelfstandig ondernemer

Wat weten we?

Het kabinet wil duidelijker maken wanneer iemand zzp’er is en wanneer werknemer. Op dit moment zit het wettelijk onderscheid tussen werknemers en zelfstandigen in de open norm ‘werken in dienst van’ (gezag). Soms is het overduidelijk wanneer iemand in dienst werkt van een ander, soms is dat discutabel en bepaalt de rechter hoe het zit.

Om het grijze gebied te verkleinen en werkgevers vooraf meer zekerheid te geven, gaat de minister de norm verduidelijken op basis van rechterlijke uitspraken. Ze legt criteria vast aan de hand van drie hoofdelementen uit de jurisprudentie:

  • Worden er instructies gegeven en wordt toezicht gehouden op het werk? (‘materieel gezag’)
  • Is het werk organisatorisch ingebed in de organisatie van de werkgevende?
  • Is er sprake van zelfstandig ondernemerschap binnen een arbeidsrelatie? Dit is dan een ‘contra-indicatie’ voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst.

Deze wetgeving moet uiterlijk in 2025 ingaan. Lees meer in dit artikel.

Van Gennip stuurde vorige week een brief naar kamerleden met antwoorden op vragen over de zzp-plannen. Daarin schrijft ze dat zij dat we ‘rond de zomer’ meer weten. Dan is de wetgeving klaar voor internetconsultatie.

Wat weten we niet?

Het is nog niet duidelijk hoe de criteria er precies uit gaan zien en hoe die zich tot elkaar verhouden. De minister gaat in elk geval vooral uit van jurisprudentie, schrijft ze. Als een criterium voor een rechter minder zwaar weegt, dan zal dat ook zo zijn in de nieuwe regelgeving.

Onder een bepaald uurtarief geldt een rechtsvermoeden van werknemerschap

Wat weten we?

Wie als zelfstandig ondernemer werkt tegen een laag tarief, kan straks sneller en makkelijker claimen dat hij een arbeidscontract moet hebben. De bewijslast wordt dan omgedraaid: als een werkgever het er niet mee eens is, moet die werkgever bewijzen dat de werkende toch zelfstandige is. Er ontstaat dus niet automatisch een arbeidsovereenkomst als een zzp’er werkt onder dit uurtarief, maar het wordt makkelijker voor kwetsbare schijnzelfstandigen om aan te tonen dat zij een dienstverband moeten hebben.

Wat weten we niet?

Het bedrag. Het kabinet denkt nu aan een tariefgrens van 30 á 35 euro per uur. Verder is ook niet duidelijk of dit nu ook geldt voor zzp’ers die voor particulieren werken. Juist dit type zzp’ers heeft werkt vaak met lage tarieven.

Het kabinet investeert in de webmodule

Wat weten we?

De webmodule is een hulpmiddel voor werkgevers om te bepalen of zij voor een opdracht een zzp’er mogen inzetten of iemand in dienst moeten nemen. Er is tot nu toe heel wat kritiek op de tool, omdat hij in veel gevallen geen uitslag geeft. Van Gennip schrijft dat het gebruik van de webmodule ‘beperkt’ is (ongeveer 200 gebruikers per maand). Maar ze schrijft ook: “Aangezien de webmodule wordt ingezet als voorlichtingsinstrument, is elke werkgevende die ermee wordt geholpen belangrijk.”

Daarom investeert ze in doorontwikkeling van de tool. De vragen in de webmodule worden aangepast op basis van de nieuwe wet- en regelgeving. De minister verwacht dat de webmodule dan meer duidelijkheid geeft en dat vervolgens meer werkgevers ‘m gaan gebruiken.

Wat weten we niet?

De nieuwe criteria om te bepalen wanneer een werkgever een zzp’er mag inhuren zijn nog niet bekend. Het is dus nog niet duidelijk of de webmodule daarmee inderdaad vaker duidelijkheid biedt.

Een wettelijk verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering (aov) voor zelfstandigen

Wat weten we?

Met een verplichte aov wil het kabinet zorgen dat minder zelfstandigen in de bijstand terechtkomen als ze arbeidsongeschikt raken. De verplichting geldt straks voor ondernemers voor de inkomstenbelasting (IB-ondernemers), maar niet voor directeur-grootaandeelhouders (dga’s) en resultaatgenieters. Ben je zzp’er met een BV, dan hoef je dus niet mee te doen met de verplichte aov.

Volgens de minister is zo’n verplichte aov zowel goed voor de zelfstandig ondernemers, als voor de maatschappij als geheel. De verzekering moet ervoor zorgen dat zelfstandigen minder vaak een beroep doen op de bijstand, een publiek betaald middel. Ook hoopt de minister met de verplichte aov de verschillen te verkleinen tussen zelfstandigen en werknemers.

De verplichte verzekering gaat gemiddeld 225 euro kosten en is fiscaal aftrekbaar. Voor de uitkering geldt een wachttijd van een jaar. Daarna kan een zzp’er een uitkering van het minimumloon krijgen tot de AOW-leeftijd. Het UWV moet de verplichte aov uitvoeren.

Lees ook: Dit gaat de verplichte AOV voor zelfstandigen kosten. En uitkeren.

Wat weten we niet?

Het is nog niet bekend of het UWV genoeg werknemers heeft om de wet uit te voeren. Op dit moment is er namelijk een groot tekort aan keuringsartsen en de uitkeringsinstantie kan geen extra werk aan. UWV heeft nu al te weinig verzekeringsartsen om de wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) uit te voeren. ‘De WIA loopt helemaal vast’, concludeerde de Algemene Rekenkamer vorige maand.

De minister wil de wet invoeren in 2025, maar weet nog niet precies vanaf wanneer de verplichte aov geldt. De ambitie van het kabinet is dat zelfstandigen hem vanaf 2027 gebruiken. Maar als de regeling ‘ingewikkeld’ is, wordt dat later.

Het zou bijvoorbeeld ingewikkelder worden met een ‘opt-out’. Dat betekent dat je kunt kiezen om in plaats van deze verzekering een private verzekering af te sluiten. Het kabinet onderzoekt nog of zo’n opt-out mogelijk is en voor hoeveel vertraging die zorgt. Het alternatief moet minstens dezelfde dekking en premie hebben als de publieke verzekering.

De minister vindt het onwaarschijnlijk dat bijvoorbeeld schenkkringen als broodfondsen aan de eisen voldoen. Verder wil zij dat zelfstandigen die de opt-out gebruiken een zogenaamde ‘stabiliteitsbijdrage’ betalen, zodat de collectieve verzekering betaalbaar blijft voor de rest. Hoe hoog die bijdrage wordt, is ook nog niet duidelijk.

De Belastingdienst gaat vaker handhaven op schijnzelfstandigheid

Wat weten we?

Tot nu toe waren er 55 fulltime-inspecteurs bezig met handhaving op schijnzelfstandigheid, in 2023 worden dat er 80. Uiteindelijk moet toezicht op schijnzelfstandigheid onderdeel worden van de reguliere handhaving van de fiscus. Om dat voor elkaar te krijgen wil de Belastingdienst ook meer samenwerken met marktpartijen, zoals brancheverenigingen.

In 2023 geldt nog een gedeeltelijke ‘pauze’ op handhaving van schijnzelfstandigheid. Dit handhavingsmoratorium houdt in dat belastinginspecteurs niet zomaar boetes mogen geven aan ondernemers die ten onrechte werken met zzp’ers in plaats van werknemers. De inspecteur moet bewijzen dat deze ondernemers ‘kwaadwillend’ zijn. Uiterlijk 1 januari 2025 wil het kabinet het handhavingsmoratorium volledig opheffen.

Het kabinet ziet vooral een sterke groei van het aantal zzp’ers in de sectoren kinderopvang, onderwijs en zorg. “In de sectoren kinderopvang, onderwijs en zorg is de schijnzelfstandigheidsproblematiek dusdanig urgent dat de continuïteit en de kwaliteit van de aangeboden diensten onder druk komt te staan”, schrijft minister Van Gennip in antwoord op kamervragen. Daarom komt het kabinet voor deze sectoren met een aanvullende aanpak: het werkprogramma Personeel niet in loondienst (PNIL).

Wat weten we niet?

Het is onzeker of het lukt om het handhavingsmoratorium op te heffen in 2025. Vorig jaar concludeerde de Rekenkamer al dat de Belastingdienst moeite heeft met handhaving van de Wet DBA. De oorzaken: de Belastingdienst heeft te weinig menskracht, regels rondom inhuur van zzp’ers zijn te complex en fiscale en arbeidsrechtelijke beoordeling lopen door elkaar heen. Als de wetgeving vertraging oploopt, is de kans dus groot dat ook de intensivering van handhaving stokt.

Ook weten we nog niet hoe de sectorspecifieke aanpak in de zorg, het onderwijs en de kinderopvang eruit ziet. Voor de zomer komt het kabinet met meer informatie.

Zelfstandigen krijgen meer mogelijkheden om collectief te onderhandelen

Wat weten we?

De Europese Commissie heeft een richtlijn gepubliceerd die zzp’ers meer ruimte geeft om collectief te onderhandelen. Aan de hand daarvan krijgen ook Nederlandse freelancers meer mogelijkheden om samen op te trekken. Zo kunnen zij bijvoorbeeld makkelijker samen tariefafspraken maken.

Wat weten we niet?

Het is nog niet duidelijk aan welke eisen zelfstandigen precies moeten voldoen om collectief te onderhandelen.

Zzp’ers worden beter vertegenwoordigd in de polder

Wat weten we?

De minister van Sociale Zaken wil dat zzp’ers beter vertegenwoordigd worden in de Sociaal-Economische Raad (SER). Daarom komen er drie extra zetels in deze beleidsraad, gereserveerd voor zelfstandig ondernemers, zelfstandig opdrachtnemers en een deskundige.

VVD en D66 hebben een motie ingediend om zelfstandigen ook een volwaardige rol te laten spelen in de Stichting van de Arbeid (StAr). Die motie is aangenomen en de minister is in gesprek met de StAr om dat voor elkaar te krijgen.

Wat weten we niet?

Wie straks namens de zzp’ers in de SER mag zitten. Ook weten we nog niet of zelfstandigen ook een plek krijgen in de StAr. Van Gennip wil de Kamer voor de zomer informeren over de stand van zaken.

Tijdspad en waterbedeffect

Tijdens het zzp-debat is de planning een belangrijk onderwerp. Het kabinet werkt aan veel maatregelen tegelijkertijd. Niet alleen zzp-beleid verandert, ook regels rondom flexibele contracten, uitzendwerk en vaste contracten worden anders. Kan dat wel allemaal tegelijkertijd? En wat betekent het als de minister wacht met een aanpassing, ontstaat dan een waterbedeffect?

Aanscherping van wet- en regelgeving van één vorm van flexibele arbeid (zoals uitzendwerk) kan ertoe leiden dat andere, nog flexibelere, arbeidsvormen populairder worden. Het kan zelfs ten koste gaan van de werkgelegenheid. Deze waarschuwing stond in het rapport van de Commissie Borstlap, dat samen met het SER MLT de basis is voor de hervormingen op de arbeidsmarkt. SEO Economisch Onderzoek bevestigt het risico op waterbedeffecten, ook al is dat ‘beperkt’.

D66, CDA en SGP maken zich zorgen over bijvoorbeeld een waterbedeffect tussen uitzendwerk en zzp, omdat nieuwe regels rondom zelfstandigen waarschijnlijk later ingaan dan die rondom uitzend. Van Gennip zegt dat ze ‘een waterbedeffect tussen uitzendwerk en zzp zoveel mogelijk wil voorkomen’, maar nooit helemaal kan vermijden. “Als we alle onderdelen op elkaar laten wachten, halen we 2030 niet eens.”

ZiPconomy doet verslag van het zzp-debat. Volg de ontwikkelingen woensdag live via Twitter en lees het belangrijkste nieuws op de website.

Geplaatst in ZP en Politiek | Tags , , , | Laat een reactie achter

Zo draagt de Belastingdienst vrijwillig sociale premies af voor ingehuurde schijnzelfstandigen

De Belastingdienst en de Dienst Toeslagen van het ministerie van Financiën huren per jaar zo’n 600 zzp’ers in, waarvan ze zelf constateren dat het daarbij mogelijk om schijnzelfstandigen gaat, zo werd onlangs duidelijk.

Dat er toch met zzp’ers gewerkt wordt, heeft volgens het ministerie te maken met de krapte op de arbeidsmarkt, de eigen voorkeur van kandidaten om als zzp’ers te werken en de druk om tempo te maken bij de afhandeling van de toeslagenaffaire. Minister van Financiën Kaag verwacht dat het aantal schijnzelfstandigen bij de Belastingdienst snel omlaag kan. Bij de Dienst Toeslagen zal dat minder snel lukken.

Afdracht sociale premies inhuur zzp

Wat ook duidelijk werd, is dat het ministerie sociale premies afdraagt voor de inhuur van zzp’ers. Opvallend, dus waren we nieuwsgierig naar het hoe en waarom.

Volgens het ministerie gaat het om een ‘vrijwillige afdracht van de premies werknemersverzekeringen’. We gaan ervan uit dat ze alleen de werkgeverspremies betalen en niet ook het werknemersdeel (werkgevers houden die in op het brutoloon van werknemers en dragen die dan namens hen af). “De premies werknemersverzekeringen is het onderdeel dat bij het vermoeden van schijnzelfstandigheid ten onrechte niet betaald zou worden en dat hebben wij willen compenseren”, zo laat het ministerie weten.

Het gaat daarbij dus niet om alle zzp’ers die ingehuurd worden, maar uitsluitend om mensen waarbij er volgens de eigen interpretatie van de Wet DBA een vermoeden is van schijnzelfstandigheid.

Daarbij merkt het ministerie op dat alle inhuur van zzp’ers verloopt via een intermediair. Niet het tarief dat de zzp’er zelf ontvangt is de basis van de premieafdracht, maar het tarief dat in rekening gebracht is door het bureau.

10 miljoen per jaar

Een eigen rekensommetje wijst uit dat het hier om een afdracht gaat van tussen de 10 en 7,5 miljoen per jaar. Daarbij gaan we ervan uit dat een zzp’er per jaar tussen de 1300 en 1000 uur per jaar gewerkt heeft. Het genoemde aantal van 600 gaat over personen, niet over fte’s.

Het ministerie van Financiën laat weten dat het deze vrijwillige afdracht al sinds 2018 doet. Op aanwijzing van de Audit Dienst Rijk draagt het ministerie vanaf dit jaar overigens geen premies meer af. De auditdienst heeft geoordeeld dat de afdracht “niet conform de comptabiliteitswet is. Het is immers een vrijwillige afdracht, waar geen wettelijke verplichting toe is”, aldus een woordvoerder van het ministerie. Het is het ministerie niet bekend of andere ministeries ook de vrijwillige afdracht doen of hebben gedaan.

Geplaatst in Professioneel inhuren | Tags , , , | 7s Reacties

Onderzoekers in actie: zo verbetert Fairwork arbeidsomstandigheden in de platformeconomie

Technologie heeft een steeds grotere invloed op de wereld van werk en de kluseconomie loopt voorop, vooral als het gaat om platformen voor ‘on demand’ en online werk. Mensen vinden niet alleen klussen via platformen, ze worden ook aangestuurd, beloond, gemonitord en geëvalueerd via deze technologie. Het Fairwork project bestudeert deze ontwikkeling en gaat verder dan ‘alleen’ onderzoek. “We onderzoeken niet alleen de arbeidsomstandigheden in de platformeconomie, we willen ze tegelijkertijd verbeteren”, vertelt Funda Ustek Spilda, senior onderzoeker en projectmanager bij Fairwork. “Dat noemen we ‘action research’.”

Het project loopt nu in 38 landen verspreid over 5 continenten en deze onderzoeker hebben al flink wat resultaat gehaald. Sinds 2018 hebben 44 platformen zo’n 156 veranderingen doorgevoerd ten gunste van werkenden. Daarnaast heeft Fairwork met meer dan 900 mediapublicaties flinke invloed op het wereldwijde debat rondom platformwerk. Voor The Gig Work Podcast van de Wageindicator Foundation reisde ik af naar Oxford om met Ustek Spilda te praten over dit bijzondere project.

Voordelen en risico’s

Fairwork is oorspronkelijk een academisch project dat wordt geleid door het Oxford Internet Institute en het WZB Social Science Center in Berlijn. Tot nu toe focussen de onderzoekers vooral op de positie van werkenden in de kluseconomie. Ze beoordelen de arbeidsomstandigheden van werkenden die via online platformen klussen vinden en uitvoeren. Gelijktijdig zoeken ze samen met de platformen en andere betrokken partijen manieren om arbeidsomstandigheden te verbeteren.

“Digitale ontwikkeling op de arbeidsmarkt heeft voordelen, het zorgt bijvoorbeeld voor meer efficiëntie en nieuwe arbeidsmogelijkheden”, vertelt projectleider Ustek Spilda. “Maar er zitten ook risico’s aan digitalisering, vooral voor werkenden. Denk aan lage lonen, gevaarlijke arbeidsomstandigheden en weinig bescherming.”

Onderzoeken, samenwerken, veranderen

Het onderzoek begon in India en Zuid-Afrika en is binnen 5 jaar verspreid over 38 landen. In ieder land werkt Fairwork samen met lokale onderzoeksteams. “We besteden het onderzoek niet uit, maar worden onderdeel van het lokale onderzoeksteam”, vertelt Ustek Spilda. “Op die manier kunnen we snel beginnen met diepgravend onderzoek. De lokale deskundigen weten tenslotte al veel over de cultuur, geschiedenis en wet- en regelgeving. Ze helpen ons onderzoekskader toe te passen op de lokale werkelijkheid.”

Onderzoek in ieder nieuw gebied begint met verkenning van de platformeconomie van die regio. De experts stellen een lijst samen van platformen en andere relevante instanties en personen, zoals beleidsmakers en vakbonden. Vervolgens begint het onderzoek naar de werkomstandigheden per platform.

Oordeel op basis van vijf principes

Fairwork beoordeelt de werkomstandigheden aan de hand van vijf principes:

  • Fair pay (eerlijke beloning)
  • Fair conditions (eerlijke omstandigheden)
  • Fair contracts (eerlijke contracten)
  • Fair management (eerlijk management)
  • Fair representation (eerlijke vertegenwoordiging)

Ieder principe bestaat uit een basisnorm en een verdiepende vereiste. De platformen krijgen per onderdeel een score van 0 of 1. Ze halen een 0-score als een platform helemaal niet voldoet of als er onvoldoende informatie beschikbaar is voor een oordeel. Als een platform geen informatie verstrekt over bepaalde zaken, krijgt het dus ook geen beoordeling voor dat onderdeel.

Dat lijkt mij wat vreemd, want zo geven de scores niet altijd een compleet beeld. Maar het heeft voordelen. Fairwork wil namelijk verandering in gang zetten in samenwerking met platformen. Door platformen te belonen als zij meewerken aan het onderzoek, motiveren zij de bedrijven om aan de slag te gaan met veranderingen.

Minimumloon en contracten in begrijpelijke taal

Hoewel het systeem niet feilloos is, leidt deze methode aantoonbaar tot verbeteringen. Een voorbeeld is dat steeds meer platformen hun werkenden een minimumloon of leefbaar loon geven.

Ook geven meer platformen een duidelijk contract. “Heldere afspraken op papier zetten lijkt vanzelfsprekend, maar is het helaas nog niet altijd”, vertelt de projectmanager. “Bovendien zijn contracten vaak onbegrijpelijk voor werkenden, omdat niet alle platformen de informatie vertalen.”

Elk jaar een nieuwe kans

De onderzoekers beoordelen de werkomstandigheden van de platformen elk jaar opnieuw. “De platformeconomie en platformbedrijven zijn namelijk continu in ontwikkeling”, vertelt Ustek Spilda. “Daarom updaten we ook jaarlijks de principes en criteria. We willen zorgen dat die zo goed mogelijk aansluiten bij de werkelijkheid.”

Een recente verandering in het beoordelingssysteem draait om risico’s. “Op veel platformen moeten werkenden continu doelen halen. In hoeverre leidt dat ertoe dat ze hun veiligheid op het spel zetten, bijvoorbeeld door te hard te rijden? Als een platform zijn best doet werkenden daartegen te beschermen, krijgt het een betere beoordeling.”

Fairwork voert veranderingen in het scoresysteem door in nauwe samenwerking met alle lokale teams, zodat de criteria aansluiten bij iedere markt. “Het is een lang proces waarbij we discussiëren met alle teams in ons netwerk”, vertelt de projectleider. “We willen de nationale teams geen dingen opleggen die niet passen bij hun lokale platformeconomie.”

Inclusief, objectief en up-to-date

Bij Fairwork draait alles om onderzoeken, luisteren en stakeholders betrekken. Volgens Ustek Spilda spreekt haar team met betrokken partijen met verschillende achtergronden en meningen. “Zo blijven we inclusief en objectief. Ons doel is echt begrijpen hoe de platformeconomie verandert over de hele wereld. Welke waarden en normen horen erbij? Welke invloed heeft kunstmatige intelligentie op automatisering van de werkplek?”

Als kunstmatige intelligentie meer invloed krijgt op dit proces, heeft dat ook gevolgen voor het onderzoek en de beoordelingen van Fairwork. “We moeten bijblijven om invloed uit te oefenen”, zegt Ustek Spilda. “Voor mij is impact maken het belangrijkste. Als ik kan helpen om de arbeidsmarkt een beetje eerlijker te maken dan hij is, dan is dat toch geweldig?”

Conclusie

Ik vind het mooi hoe Fairwork diepgravend onderzoek doet door samen te werken met de lokale teams. Deze methode is niet feilloos, maar ik denk dat het de enige manier is om het op zo’n grote schaal uit te voeren en echt impact te maken. De uitdaging zit in balans vinden tussen opschalen door het concept te kopiëren en tegelijkertijd dit concept doorontwikkelen.

Ook interessant is de verschuiving van de focus op platformen naar de relatie tussen digitale technologieën en werkomstandigheden. Zo’n bredere blik is volgens mij onvermijdelijk, want uiteindelijk worden de verschillen tussen platformen en andere werkgevers en bemiddelaars irrelevant. Nu al is lang niet altijd duidelijk wanneer een organisatie valt onder de definitie ‘platformbedrijf’.

Daarnaast heeft technologie een steeds grotere invloed op de wereld van werk, de platformeconomie loopt simpelweg voorop. Logisch dus om te verbreden, maar ook een uitdaging. De platformeconomie was een duidelijk omkaderd fenomeen. Dit maakte het makkelijker voor de onderzoekers om zich te focussen op bepaalde partijen en praktijken. Dat is volgens mij een onderdeel van het succes. Ik ben nieuwsgierig hoe ze dit komende jaren gaan aanpakken. Ik blijf het volgen.

Geplaatst in Toekomst van Werk | Tags , | Laat een reactie achter