“Extra aandacht nodig voor zelfstandig ondernemers bij steunpakket” Geplaatst 27 oktober 2020 door ZiPredactie Zojuist heeft het kabinet aanvullende steun gepresenteerd om ondernemers door de coronacrisis heen te helpen. Cristel van de Ven, voorzitter van Vereniging Zelfstandigen Nederland (VZN) vindt het goed dat er een aangescherpt steunpakket ligt, maar vraagt extra aandacht voor zelfstandig ondernemers die zware tijden beleven. “Steun en toekomstperspectief zijn cruciaal voor zelfstandig ondernemers” aldus Van de Ven. “Veel zelfstandigen zien graag dat daar extra aandacht naar uit gaat binnen het generieke steunpakket.” VZN pleit voor vijf aanvullende punten: een betere tegemoetkoming vaste lasten, het oormerken van om- en bijscholingsgelden voor zelfstandig ondernemers, persoonlijke ondersteuning en coaching mogelijk maken, de beperkte vermogenstoets tot 1 juli 2021 achterwege laten en grenswerkers recht op inkomensondersteuning geven. Tegemoetkoming vaste lasten “VZN ziet dat de regeling Tegemoetkoming Vaste lasten (TVL) in de praktijk weinig zelfstandig ondernemers bereikt. De Tozo, daarentegen, is enkel een voorziening voor levensonderhoud. Hierdoor komen veel zelfstandigen in de problemen met hun doorlopende vaste kosten zoals verzekeringen, huur bedrijfsruimte en pensioenopbouw”, merkt de voorzitter van VZN. De vereniging stelt daarom voor om het Tozo-steunbedrag op te hogen zodat deze een deel van de vaste kosten gaat dekken. Een andere mogelijkheid is om aan de TVL knop te draaien. Het oormerken van om- en bijscholingsgelden voor zelfstandig ondernemers VZN pleit voor het oormerken van om- en bijscholingsgelden voor zelfstandig ondernemers die het roer willen omgooien en daarbij snel willen handelen. Zo houden zij regie over hun eigen werk, loopbaan en leven en hoeven zij geen gebruik (meer) te maken overheidssteun. “Ik zie zelfstandig ondernemers al overstappen naar sectoren waar behoefte is aan hun ondernemerschap. Denk bijvoorbeeld aan licht- en geluidstechnici die hun weg vinden naar de bouwsector en de zonnepanelenindustrie.” Dergelijke initiatieven vragen om bijval en steun, vindt VZN-voorzitter Van de Ven. Persoonlijke ondersteuning Naast financiële ondersteuning moet er ook aandacht komen voor persoonlijke ondersteuning en coaching van de zelfstandig ondernemer, vindt VZN. De tweede (gedeeltelijke) lockdown, in combinatie met teruglopende financiële buffers, komt bij veel zelfstandig ondernemers hard aan. VZN ziet dat er veel vragen leven onder zelfstandigen, zoals hoe ga ik om met het potje dat ik heb aangelegd voor mijn pensioen? En Heeft mijn beroep of business model nog toekomst? Onder de groep zelfstandig ondernemers zijn bedrijfscoaches en loopbaanadviseurs met een specialisatie in ondernemerschap. VZN ziet hen als uitgelezen sparring partners voor hun mede-zelfstandig ondernemers en vraagt het kabinet om de mogelijkheid van peer-to-peer coaching van zelfstandig ondernemers nader te onderzoeken. Beperkte vermogenstoets De beperkte vermogenstoets die eerder was opgenomen in de Tozo 3-regeling, is uitgesteld tot 1 april 2021. Begin december besluit het kabinet of maatregelen zoals de NOW en de TVL per 1 januari worden afgebouwd, of niet. Wanneer maatregelen zoals de NOW onverkort worden doorgezet tot 1 juli 2021 ziet VZN graag dat de TOZO ook onverkort tot 1 juli 2021 wordt doorgezet, door de vermogenstoets geheel achterwege te laten. Grenswerkers al maanden in onzekerheid Tot slot moet er een oplossing komen voor grenswerkers. Zelfstandigen die in een ander EU-land wonen en in Nederland gevestigd zijn met hun onderneming, komen niet in aanmerking voor levensonderhoud op grond van de Tozo. Onterecht, vindt VZN. Het gaat om enkele honderden gevallen die, wat VZN betreft, steun verdienen. De Nederlandse overheid en de Europese Commissie voeren momenteel gesprekken over de rechtmatigheid van het Tozo-beleid voor grensondernemers. VZN roept hen op snel met heldere afspraken te komen en gaat hierover graag in overleg met het kabinet. Geplaatst in ZP en Ondernemen | Tags Corona, tozo, VZN | Laat een reactie achter
Startup Cowboys.nl wil ondoorzichtige verdienmodellen online vacaturemarkt aanpakken Geplaatst 27 oktober 2020 door ZiPredactie Recruitment startup Cowboys.nl opent de aanval op de naar eigen zeggen ondoorzichtige verdienmodellen in de vacaturemarkt. Recruitment bureaus ondersteunen hun klanten vaak met het met plaatsen van personeelsadvertenties op vacaturesites. De inkoopmarges die bureaus kunnen krijgen, worden vaak niet verrekend met de klant. Volgens Cowboys.nl leidt dit veelal tot perverse prikkels waarbij adviezen vanuit de bureaus niet altijd in het belang zijn van de klant. De startup stelt dat die marges kunnen oplopen tot wel 80%. Cowboys.nl, opgericht door Sem Zijlstra, Wouter Aijtink en Lars Wetemans, wil meer transparantie brengen in de online vacaturemarkt. Enerzijds door haar verdiensten volledig inzichtelijk te maken, doordat Cowboys.nl op basis van gewerkte uren factureert. Anderzijds door alle data die vrij komt bij het online adverteren van vacatures volledig transparant te maken. Volgens CEO Sem Zijlstra ontbreekt het aan transparantie op de markt. “De recruitment industrie wordt gekscherend wel eens het wilde westen genoemd vanwege de vele cowboys die actief zijn. Cowboys.nl is een knipoog naar die markt en daarbij spelen we in op een bredere behoefte aan meer transparantie in de maatschappij.”, aldus Zijlstra. “Ook willen we ons onderscheiden door talent te werven met innovatieve campagnes op nieuwe media. TikTok, podcasts en zelfs de inzet van influencers moeten lastig bereikbaar talent in beweging brengen op de arbeidsmarkt.” Ervaren ondernemers Zijlstra en Aijtink, beiden ook eigenaar van event-marketing bureau Boest, zagen hun andere business ernstig krimpen als gevolg van het op slot gaan van de evenementenbranche door COVID-19. In minder dan een jaar na de oprichting groeide Boest vorig jaar uit tot marktleider in de Benelux op het gebied van event-advertising. Het Coronavirus gooide echter roet in het eten voor de ondernemers. Tijd om te rouwen namen ze niet. Samen met de derde partner, Lars Wetemans (mede-oprichter van recruitment scale-up en Sprout ‘Startup van het jaar’ Wonderkind) schakelden ze om naar de recruitmentbranche. “In tegenstelling tot de markt van vacatureplaatsingen op traditionele vacaturesites, was het in de eventbranche al heel gebruikelijk om transparant te zijn over verdienmodellen. Bovendien kent het werven van talent veel raakvlakken met het werven van bezoekers voor evenementen”, aldus Zijlstra. Cowboys.nl mikt voor komend jaar op een miljoen euro omzet. Geplaatst in Professioneel inhuren | Tags Cowboys.nl, online, recruitment | Laat een reactie achter
Drie rapporten over de platform-economie in een week. Een overzicht van wat er in staat. En wat nog niet. Geplaatst 27 oktober 2020 door Martijn Arets Afgelopen weken regende het onderzoeken over de Nederlandse kluseconomie. De SER publiceerde de verkenning ’Hoe werkt de platformeconomie’. Tegelijkertijd publiceerde SEO een meting van de kluseconomie. Deze was eigenlijk al 31 januari dit jaar klaar, maar aangezien deze onderdeel uitmaakte van het SER rapport moest de publicatie even wachten. En alsof dat nog niet genoeg was publiceerde TNO ook hun rapport ’Platformarbeid in kaart brengen’. Met ruim 200 pagina’s leesvoer over de Nederlandse kluseconomie, zou je zeggen dat alle vragen nu wel beantwoord zouden moeten zijn. Voor wie dat denkt heb ik slecht nieuws: nee. Nog lang niet. Wat hebben de rapporten ons wél gebracht? Nou, best veel. Zo heeft TNO in hoofdstuk 2 van het rapport uitgebreid de markt van platformen die bemiddelen tussen vraag en aanbod van arbeid in kaart gebracht. Belangrijke bron van dit overzicht is een lijst die ik heb samengesteld voor een nog te lanceren startpagina voor platformwerk. TNO heeft vervolgens uitgebreid naar deze platformen gekeken en hier mooie en nuttige overzichten van gemaakt. Het SER rapport, met 121 pagina’s de dikste van het stel (maar daar moesten dan ook veel stakeholders iets van vinden) geeft een mooi overzicht over de diversiteit van de kluseconomie. Zo wordt er in gegaan op digitalisering in de meest brede zin van het woord, wat werkplatforms nu precies zijn, wat er nieuw is aan werkplatforms en de gevolgen van platforms voor overige bedrijvigheid en werkgelegenheid. Tof vond ik ook om te zien dat mijn werk een belangrijke bijdrage aan dit rapport heeft geleverd: mijn werk (blogs, boek, nieuwsbrieven en paper) worden in het rapport maar liefst 12 keer aangehaald. Een hele eer. De SER besteed in het rapport en bijbehorende blog aandacht aan de positieve kanten van platformwerk: “Ze (platformen) vormen een snelle manier om aan werk te komen, ook als dat door opleiding of achtergrond moeilijk is. Meer mensen kunnen dus aan het werk. Ondernemers kunnen meer omzet maken door bijvoorbeeld een bezorgdienst op te zetten en consumenten krijgen meer keuze en gemak.” Ook waarschuwt de SER voor de risico’s, zoals afhankelijkheid (vooral voor lage inkomens) en het spelen van het spel met andere regels dan de rest van de markt. Over het algemeen is de SER mild over de impact van platformwerk. SER-voorzitter Mariëtte Hamer zegt in het FD: “De waanzinnige spanning die de platformeconomie op de arbeidsmarkt zou geven, zien we nog niet”. Uit de enquêteresultaten van de SEO blijkt dat slechts 0,9 procent van de Nederlandse beroepsbevolking tussen 18 en 67 jaar aangeeft in november 2019 werkzaam te zijn geweest in de kluseconomie. Dat is nog geen aantal om je nu zorgen over te maken. Daarnaast is de algehele tendens in de rapporten ook dat men zich er van bewust is dat dé platformwerker niet bestaat. Opvallend is de oproep van de SER in de laatste alinea van hun bericht: “Om de kansen die de platformeconomie biedt beter te kunnen benutten, zal Nederland meer moeten doen aan het ontwikkelen en implementeren van nieuwe technologieën. Dit vraagt om meer durfkapitaal, meer passend opgeleid personeel, met name bij de grotere platforms en investeringen in digitale vaardigheden van burgers. Werkgevers, werknemers, overheid en de platformbedrijven moeten hierin samen optrekken.” Het is duidelijk dat de SER het rapport, wat een uitgebreide verkenning is, niet afsluit met een punt, maar met een komma. En de leden uitdaagt / uitnodigt om vervolgstappen te nemen. Iets dat ik zeer kan waarderen. Wat hebben de rapporten ons níet gebracht? Je zou kunnen zeggen: de impact is klein en de voor- en nadelen zijn te overzien. Wat willen we nog meer? Nou, eigenlijk moeten we nog veel meer willen weten. Ten eerste is het natuurlijk fijn voor het debat dat de kluseconomie nu nog klein is, maar dat zegt natuurlijk niets over waar het heen zou kunnen gaan. Dat iets nu nog geen pijn doet, hoeft niet te betekenen dat we er niets van hoeven te vinden. En hoewel de rapporten breed hebben gekeken naar het begrip kluseconomie en platformwerk is het geschetste landschap nog lang niet allesomvattend. Zo heeft TNO (bewust) de online klusecomomie zo goed als buiten beschouwing gelaten. Het SEO rapport gaat hier wel meer op in. Maar toch wordt er nog weinig aandacht besteed aan bijvoorbeeld uitzendbureaus die platformen beginnen (wat voor impact heeft dat bijvoorbeeld op de zorgplicht die je als uitzender = werkgever hebt?), aan organisaties die platformen gebruiken om hun flexibele schil en interne mobiliteit te organiseren, in platformen voor meer gespecialiseerd (ZZP) werk en ga zo nog maar even door. Ook mis ik nog (en ik moet eerlijk zijn: ik heb dit weekend niet alle ruim 200 pagina’s gelezen) een meer brede blik van platformwerk in een bredere context van digitalisering en arbeid met onderwerpen als algoritmisch management, surveillance management, etc. etc. Als laatste mis ik de benchmark. Oftewel: hoe verhouden de omstandigheden (in de meest brede zin van het woord) van de platformwerker zich ten opzichte van de werker die hetzelfde werk uitvoert, maar waar een platform niet de matchmaker is tussen vraag en aanbod. Zo heeft de SER het over risico’s voor “wie weinig opleiding heeft, eenvoudig werk doet zoals oppassen of schoonmaken en geen ander inkomen heeft.”. Oppassen en schoonmaak is doorgaans werk dat zich in de zwarte markt bevindt waar de omstandigheden en vergoedingen niet optimaal zijn. Zijn de omstandigheden en verdiensten voor wie dit werk via een platform uitvoert slechter, gelijk of beter dan voor hen die het werk zonder tussenkomst van een platform doen? Volgens mij een enorm relevante en interessante vraag. Maar toch zie ik die nergens terugkomen. En natuurlijk besef ik mij dat een rapport nooit allesomvattend kan zijn, maar ik vond het wel belangrijk om deze aanvulling te vermelden. Hoe representatief zijn de cijfers? Veel inhoud van de onderzoeken is gebaseerd op interviews. Heel veel interviews. En natuurlijk literatuuronderzoek. Mijn idee is dat dit gedeelte bij alle 3 de onderzoeken grondig is gedaan en de uitkomsten waardevolle input en duiding geven aan het debat. Naast de interviews met verschillende experts en stakeholders en literatuuronderzoek hebben alle rapporten ook onderzoek gedaan naar hen waar veel over wordt gesproken, maar beroerd weinig mét wordt gesproken: de platformwerker. Op basis van deze data zijn de nodige resultaten gepubliceerd, zeker het SEO is grondig te werk gegaan. De vraag die wat mij betreft te weinig wordt gesteld in de reacties op de onderzoeken is: hoe representatief is deze data / doelgroep? En daaropvolgend: hoe serieus moeten we deze resultaten nemen? Zowel TNO als SER/SEO hebben interviews afgenomen met platformwerkers. Bij TNO waren dit er 70, bij het SEO (dat is gebruikt als input voor het SER rapport) 142. Daarnaast heeft SEO ook een brede enquête met een netto-respons van 5.440 personen uitgezet om te kunnen bepalen welk deel van de Nederlandse beroepsbevolking werkzaam is via platformen. Heel positief is dat de onderzoekers in zowel het TNO als het SEO onderzoek zelf ook de beperkingen van de dataset inzien. Bij TNO zijn ze hier het meest duidelijk over. In het rapport valt te lezen: “Deze verkenning levert nadrukkelijk geen representatief beeld van de kwaliteit van arbeid van platformwerkers.” De vragenlijst van TNO is dan ook naar eigen zeggen een pilot vragenlijst met als doel om tot een definitieve vragenlijst te komen voor in de toekomst. Ook in het SEO onderzoek wordt, zij het niet zo direct als bij TNO, de beperking van de meetmethode aangegeven: “Een beperking van het onderzoek is dat alleen werkers met een Nederlandse nationaliteit en beheersing van de Nederlandse taal zijn benaderd om de enquête in te vullen. Het panel van I&O research is weliswaar representatief voor de Nederlandse beroepsbevolking, maar bevat geen panelleden met een niet-Nederlandse nationaliteit. Daarnaast is alleen een Nederlandse versie van de enquête uitgezet onder de panelleden. Het is mogelijk dat een deel van de werkers actief in de kluseconomie in Nederland een niet-Nederlandse nationaliteit heeft, de Nederlandse taal niet beheerst of illegaal verblijft in Nederland. Navraag bij platforms bevestigt dit beeld. Doordat deze groep niet is meegenomen, is de schatting van de omvang van de kluseconomie mogelijk een onderschatting. Een andere beperking is dat het invullen van enquêtes (relatief kortdurende en gestandaardiseerde taken) kan samenhangen met het verrichten van andere online taken in de kluseconomie. Hierdoor is de schatting van het aandeel online werkers mogelijk een overschatting.” Deze transparantie in eigen bedenkingen is natuurlijk erg positief. Alleen ben ik dan wel weer van mening dat deze flinke slagen om de arm ook in de communicatie, zeker in het SER rapport, meer naar voren hadden moeten komen. Want wat er in feite moet worden gezegd is: “we hebben met de beste bedoelingen een inschatting gemaakt, maar we weten dat deze niet compleet en daarmee niet volledig representatief is.” Dit omdat de beperkingen van de SEO enquête er toe hebben kunnen leiden dat een groot deel van de platformwerkers niet in de steekproef is meegenomen en dat daardoor ook de resultaten van hoe platformwerkers hun werk ervaren, hoeveel inkomen zij hier uit halen, etc. etc. niet representatief zijn. Zo laat bijvoorbeeld het werk van Niels van Doorn van de UvA zien dat veel maaltijdbezorgers een migratieachtergrond hebben en zij bovengemiddeld veel uren werken en zeer afhankelijk zijn van het platform. Deze groep is niet terug te vinden in de cijfers van SEO en dus ook SER. Daarnaast geeft ook TNO aan dat deze doelgroep ook voor hun lastig te interviewen was vanwege een taalbarrière, maar ook omdat zij simpelweg het zich niet kunnen permitteren om tijd vrij te maken voor een enquête of interview omdat zij geld moeten verdienen. Wat zijn de rapporten waard? Als je naar de rapporten kijkt is er veel waardevolle informatie te vinden, wat weer te gebruiken is voor hen die meer met dit onderwerp willen of moeten. De rapporten vormen een goed basis document dat voor veel stakeholders hartstikke waardevol is. Even, en misschien nog, belangrijk(er) is dat de opmaat naar deze rapporten veel stakeholders bij elkaar aan tafel heeft gebracht om over dit onderwerp in gesprek te gaan. Om te leren en te verdiepen. En dat is ook heel wat waard. En hoewel verschillende stakeholders (vooral de vakbonden) de rapporten in eerste instantie gebruikten om, al cherry-pickend, hun agenda naar voren te schuiven heb ik er ook echt wel het vertrouwen in dat dit soort rapporten bijdragen aan een meer professionele blik op de ontwikkeling van de kluseconomie. Waarbij je je wel moet beseffen dat dit slechts een begin is en het ook belangrijk is dat de verbinding meer horizontaal wordt gelegd. En daar wordt achter de schermen hard aan gewerkt kan ik mededelen. Ik zie dat dus positief in. Maar dat zit dan ook wel in het aard van mijn beestje 😉 Geplaatst in Toekomst van Werk | Tags platformeconomie, SEO Economisch Onderzoek, ser, TNO | 1 Reactie
Zzp-schilders willen af van verplicht pensioen. Geplaatst 26 oktober 2020 door Hugo-Jan Ruts ‘Een verplicht schilderspensioen voor zzp’ers is volstrekt overbodig’. Dat stelt Zelfstandigen Bouw naar aanleiding van een onderzoek dat de belangenorganisatie liet uitvoeren door het bureau Panteia. De schildersbranche is een van de weinige sectoren waarin bindende afspraken zijn dat zzp’ers verplicht mee moeten doen aan een bedrijfstakpensioen fonds. Uit de representatieve enquête door onderzoeksbureau Panteia blijkt dat zelfstandige schilders bijna allemaal sparen om hun inkomen op hun oude dag te kunnen aanvullen. Dit doen zij zelfs bovenop het pensioen dat zij opbouwen bij het schilderspensioenfonds BPF waarbij zij verplicht zijn aangesloten. Van de ondervraagde zzp-schilders zet 95% geld opzij voor later. Drie op de tien hebben ook nog een lijfrente, 18% belegt en 13% spaart door te investeren in onroerend goed (anders dan de eigen woning). “Het beeld dat zzp’ers weinig tot niets aan hun pensioen doen, klopt dus niet”, constateert voorzitter Charles Verhoef van Zelfstandigen Bouw, die Panteia heeft gevraagd de enquête te houden. Rechtszaak tegen verplichting Zelfstandigen Bouw voert al jaren een juridische strijd tegen de verplichting dat zzp’ers zich moeten aansluiten bij de bedrijfstakpensioenfonds. De rechter wees het verzoek om een einde te maken aan de verplichting in eerste instantie af. Op 29 oktober dient het hoger beroep. Verhoef: “De meeste zzp-schilders (57%) willen van die verplichting af. Dat blijkt ook weer uit deze enquête.“ Van de zzp’ers die ervan af willen, geeft ruim een derde aan dat het hen weinig oplevert. “Dat strookt met berekeningen die Zelfstandigen Bouw heeft gemaakt”, aldus Verhoef. “Gemiddeld ontvangen zzp-schilders nauwelijks meer aan pensioen dan zij aan premie hebben betaald.” Als de zzp-schilders konden kiezen, zou slechts 23% zijn pensioen regelen via BPF, zo blijkt uit de enquête. De rest kiest voor een andere wijze. Slechts 2% zou niets regelen. “Je hebt dus helemaal geen verplichting nodig om zzp’ers iets aan hun pensioen te laten doen” stelt Verhoef. Geplaatst in ZP en Ondernemen | Tags verplicht schilderspensioen | 1 Reactie
Vraagtekens bij akkoord minimum zzp tarieven tussen NVJ en publieke omroep Geplaatst 26 oktober 2020 door Hugo-Jan Ruts Den vrijen journalist, aan geen redactie verbonden, onder niemands bevelen staande, die, in overeenstemming met den journalistieken eere-codex, en als vakman, zijn diensten tegen betaling verleent, d.w.z. zijn artikelen tegen honorarium verkoopt, dan hier, dan daar’. Dat was voor een columnist in het maandblad ‘Nederlandse Journalist (van ‘Het verbond van Nederlandse journalisten’) de omschrijving van een freelancer. De columnist pleit er in zijn stuk overigens voor om het woord ‘freelancer’ te vervangen door ‘vrijman’. De column stamt uit 1941. Journalisten waren zo’n beetje de eerste (moderne) freelancers. Bijna 80 jaar later hebben de Nederlandse Vereniging voor Journalisten (NVJ) en de publieke omroep onderling een ‘Fair Practice Code Goed Opdrachtgeverschap’ afgesloten. Onderdeel daarvan zijn bindende afspraken over minimumtarieven voor zzp-redacteuren en programmamakers. Zij krijgen voortaan tenminste 150% van het cao-loon dat past bij de functie (sic), zo schrijft de NVJ. De afspraken zijn onderdeel van een nieuw af te sluiten CAO. Freelanceleden van de NVJ die hun stem hebben uitgebracht bij een ledenraadpleging over de Fair Practice Code hebben deze overeenkomst massaal (96%) gesteund, zo meldt de NVJ trots. Code goed opdrachtgeverschap Het lijkt mij een prima ontwikkeling dat er op sectorniveau afspraken gemaakt worden over goed opdrachtgeverschap. Zoals een onderzoek van Tilburg University en ZiPconomy uit 2015 (zie hier) al liet zien, er is een boel te winnen in het afstemmen van (basis)verwachtingen tussen opdrachtgever en opdrachtnemer. De afgelopen jaren zijn er verschillende initiatieven gestart om op sectorniveau tot een code te komen. De Kunstensector heeft een Fair Praktisch Code, PZO en IZ-O Nederland/ABU hebben een code Goed Opdrachtgeverschap, een aantal grote financiële dienstverleners (waaronder ING, NN en Achmea) kwamen samen met een aantal vakbonden eind vorig jaar met een ‘Werkcode’, met daarin ook afspraken dat onder een bepaald functie niveau niet met zzp’ers gewerkt wordt maar met andere vormen van flex-contracten die meer zekerheid geven. Zeker waar de onderhandelingsmacht van opdrachtgevers (te) groot is, kan het nuttig zijn om in het verlengde van dit soort codes ook afspraken te maken over minimumtarieven. Dat is vorig jaar bijvoorbeeld gedaan In de CAO-O voor architecten. Waar het de politiek maar niet lukt tot enige bescherming te komen van de meer kwetsbare delen van de zzp-markt, lijkt het zinnig dat dit op sectorniveau wel gebeurt. Duurzaam Toch wil ik twee kanttekeningen plaatsen. Om te beginnen kan je je afvragen hoe duurzaam deze afspraken zijn? Er is in Nederland een merkwaardige situatie ontstaan: Collectieve afspraken maken over zzp-tarieven worden door de mededingingsautoriteit ACM alleen maar toegestaan indien betrokken werkenden ‘zij-aan-zij’ zzp’ers zijn. Het zij-aan-zij werken – dus hetzelfde werk doen onder dezelfde omstandigheden als een werknemer – wordt door de Belastingdienst gezien als een zeer sterke aanwijzing voor ‘schijnzelfstandigheid’. De webmodule die er aan komt, het advies van de Commissie Borstlap, een advies over een te behandelen zaak bij de Hoge Raad, ze bewegen allemaal in een richting dat het ‘ingebed zijn’ in een organisatie het bepalende criterium wordt om te beoordelen of iemand wel of niet als zzp’er ingehuurd kan worden. Uit de opinies van een groep arbeidsjuristen, die 84 casussen voor de webmodule beoordeelden, blijkt dat ook zij het ‘ingebed zijn’ zwaar laten meewegen. Afspraken over tarieven voor zzp’ers koppelen aan loonschalen lijkt mij bij uitstek een bewijs dat er feitelijk geen verschil is tussen het werk dat werknemers en zzp’ers doen. De NVJ heeft het over ‘functies’, niet opdrachten. Je kunt je afvragen hoe lang dit stand houdt. Starten als zzp’er Dan is er dit zinnetje: ‘een beginnend zzp-er redacteur zal minimaal € 260 (ex BTW) per dag kunnen factureren.’ Dit zijn tarieven die flink boven de tarieven liggen van bijvoorbeeld de regionale kranten. Waar het mij vooral om gaat is het woordje ‘beginnende redacteur’. Voor verreweg de meeste zzp’ers geldt dat ze zzp’er worden na een (flink) aantal jaren in loondienst. De gemiddelde leeftijd van zzp’ers (47 jaar) ligt ook hoger dan bij werknemers. De gemiddelde leeftijd van een startende zzp’er is 36 jaar. Eerst vlieguren maken, en daarna zoekt – een deel – de vrijheid van het zzp-schap. Zo was het in de mediawereld ook ooit. De ‘vrijmannen’ waar de columnist in de ‘Nederlandse Journalist het over had waren toen alleen de oude rotten in het vak. Maar in het Nederlandse medialandschap is – onder druk van dalende inkomsten – een voor de zzp-wereld vrij atypische situatie ontstaan. Freelancers zijn niet alleen die meer ervaren specialisten (M/V). Het zzp-contract wordt juist in de mediawereld ook ingezet voor jonge medewerkers. Het zzp-contract als proeftijd, in afwachting van – zo hopen ze dan maar – een arbeidsovereenkomst. Deze groep ‘beginnende redacteuren’ beschermen met een minimumtarief klinkt lovenswaardig. Maar het sanctioneert ook een ontstane praktijk waar zowel de NVJ als werkgevers toch ook vraagtekens bij zouden moeten zetten. Geplaatst in ZP en Politiek | Tags goed opdrachtgeverschap, minimumtarief, NVJ, tarief | 3s Reacties
“Samen zijn we de Verandering”. PZO online ondernemersevent deelt kennis en brengt zelfstandigen weer in contact met elkaar. Geplaatst 26 oktober 2020 door ZiPredactie Zelfstandig 3.0, het ondernemersevent van PZO, gaat dit jaar gewoon door. Maar natuurlijk helemaal online. Woensdag 28 oktober is er een ochtendvulllend programma. Zelfstandig 3.0 heeft dit jaar als thema ‘Samen zijn we de verandering.’ Er is een plenair gedeelte met Marijke Roskam, Tweede Kamerlid Steven van Weyenberg (D66) en Jacco Vonhof, voorzitter van MKB Nederland. PZO directeur Margreet Drijvers gaat in gesprek met de sprekers over de veranderingen van ons werk en de arbeidsmarkt als gevolg van de coronacrisis. Met twee ondernemers heeft ze het over hun worstelingen en hoe ze hun business succesvol hebben aangepast. Na het plenair debat zijn er tal van breakout sessies, sessies over verdienmodellen, acquisitie, vermogensopbouw, betaaltermijnen, duurzaamheid, leven lang ontwikkelen en opdrachten vinden. De ochtend wordt afgesloten met een digitaal netwerkmoment en er is nog een ‘uitsmijter’. Samen Margreet, waarom juist nu dit event? Deze tijd is in alle opzichten uitzonderlijk. We zitten middenin een pandemie met enorme economische effecten, maar vergeet niet de sociale effecten op onze gezondheid. Juist daarom vinden wij het belangrijk dat er een mogelijkheid komt voor zelfstandigen om elkaar te ontmoeten. Daarnaast proberen we de mogelijkheden die er nog wel zijn op verschillende manieren onder de aandacht te brengen. Het is een hoopvol event, om het zo maar te zeggen. Hoe wil je dat gaan doen? In het programma zitten een paar bijzondere ondernemersverhalen. Hoe ervaren zij deze tijd en op welke manier zijn ze de dingen anders gaan doen. Daarnaast komen er in de breakout sessies verschillende thema’s aan de orde, zoals hoe kun je jezelf ontwikkelen, welke kansen bieden duurzaamheid je, welke verdienmodellen zijn er, hoe kun je jezelf goed profileren, acquisitie en het opbouwen van vermogen. Voor ieder wat wils. We sluiten af met een inspirerende mindset training van Victor Mion. Wat maakt dit event anders? We doen alles uitsluitend online. Live en met opnames. Wel heel spannend. Naast de plenaire en breakout sessies gaan we ook online netwerken. Zo komen zelfstandigen in contact met andere ondernemers en kunnen ze hun netwerk vergroten. Op die manier hopen we het contact dat voorheen zo vanzelfsprekend was een klein beetje terug te brengen. Zie deze website voor meer informatie over dit event en de mogelijkheid tot inschrijven. Het event is gratis voor PZO leden. Niet leden betalen € 18,15 incl BTW. Geplaatst in ZP en Ondernemen | Tags Corona, persoonlijke ontwikkeling, PZO, webinar | Laat een reactie achter