Maandelijkse archieven: mei 2026

Groeiende vraag naar zzp bij Defensie zorgt voor verschuiving in toch al schaarse marktsegmenten

De groeiende vraag van het ministerie van Defensie naar zelfstandig professionals heeft een opvallend bijeffect: drie op de tien zelfstandigen die de overstap maken, komen uit de publieke sector. Dat blijkt uit een data-analyse van HeadFirst Group over de afgelopen drie jaar.

Van de 791 zelfstandig professionals die tussen 2022 en 2025 de overstap maakten naar Defensie, was dertig procent afkomstig uit de publieke sector. Nog eens 25 procent kwam uit de zakelijke dienstverlening. Ruim de helft van de Defensie-instroom is daarmee afkomstig uit twee sectoren waar de krapte al langere tijd pijnlijk voelbaar is.

Bredere effecten dan eerder zichtbaar

In de publieke discussie over de gevolgen van hogere defensie-uitgaven ligt de nadruk doorgaans op de druk die ontstaat in de bouw, de energiesector en de infrastructuur. De cijfers van HeadFirst Group nuanceren dat beeld. De verschuiving van professionals richting Defensie speelt ook nadrukkelijk in de publieke sector en zakelijke dienstverlening — twee domeinen die al onder druk staan en tegelijkertijd cruciaal zijn voor maatschappelijke opgaven als de energietransitie, woningbouw en de digitale overheid.

Daarnaast leveren ook ICT en communicatie (9%), de industrie (8%) en de financiële dienstverlening (6%) een substantieel aandeel aan de Defensie-instroom. Stuk voor stuk sectoren met structurele tekorten en een sleutelrol in grote nationale transities.

Herverdeling, geen uitbreiding

Ton Sluiter, manager data bij HeadFirst Group, plaatst de bevindingen in breder perspectief: “Defensie staat voor een belangrijke maatschappelijke opdracht en het is positief dat zij in een krappe arbeidsmarkt talent weten aan te trekken. Tegelijkertijd laten onze cijfers zien dat deze extra Defensie-investeringen vooral leiden tot herverdeling van schaarse expertise, niet tot extra capaciteit op de arbeidsmarkt als geheel. Dat vraagt voor andere sectoren om scherper nadenken over behoud, opleiding en sectoroverstijgende samenwerking, én om slimmer omgaan met schaars talent.”

Met andere woorden: het totale aanbod van gespecialiseerde zelfstandigen neemt niet toe doordat Defensie meer inhuurt. De professionals die naar Defensie gaan, worden elders gemist.

Ketens onder druk

Die dynamiek heeft gevolgen die verder reiken dan individuele organisaties. Wanneer meerdere sectoren tegelijkertijd een beroep doen op dezelfde beperkte talentpool, werkt schaarste door in ketens. Projecten lopen vaker vertraging op, worden afgeschaald of vragen om alternatieve oplossingen. Voor opdrachtgevers in zorg, onderwijs, gemeenten en adviesbureaus betekent dit dat de concurrentie om schaarse professionals verder toeneemt — ook van een partij die zij normaal gesproken niet als concurrent beschouwen.

Geplaatst in Professioneel inhuren | Tags | Laat een reactie achter

Interim Hoofd ICT int kickbackvergoeding van ingehuurde zzp’ers. Daar was de opdrachtgever niet blij mee. En de rechter ook niet.

Wat als een interim manager die zzp’ers werft voor zijn afdeling, van die zzp’ers een vergoeding per gewerkt uur ontvangt zonder dat de opdrachtgever dat weet? Is hij dan aansprakelijk voor de schade die de opdrachtgever lijdt? En maakt het nog uit dat de vergoeding pas na het vaststellen van het uurtarief ter sprake zou zijn gekomen? De Rechtbank Den Haag deed op 15 april 2026 einduitspraak in een zaak die precies deze vragen aan de orde stelt.

De kern van de zaak

Een interim manager werkte van februari 2021 tot en met januari 2024 bij de Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten (AHK), onder meer als interim Hoofd ICT. In die hoedanigheid wierf hij twee zzp’ers voor de ICT-afdeling. Met die zzp’ers had hij zonder medeweten van AHK een bemiddelingsvergoeding van 10 euro per gewerkt uur afgesproken, te betalen aan zijn eigen vennootschap. Hij tekende zelf namens AHK de urenstaten van de betreffende zzp’ers af.

Nadat de interim opdracht was afgelopen, raakte AHK via gesprekken met de zzp’ers op de hoogte van de constructie. AHK startte een onderzoek en stapte vervolgens naar de rechter, met een eis tot schadevergoeding van ruim 26.000 euro, aangevuld met onderzoeks- en advocaatkosten.

Aanleiding: kickbackfee verzwegen voor opdrachtgever

De interim manager stelde dat het werven van de zzp’ers geen onderdeel was van zijn opdracht, maar een incidenteel verzoek aan zijn eigen vennootschap. Het zou zijn vennootschap dan ook vrij hebben gestaan een bemiddelingsvergoeding overeen te komen. Bovendien stelde hij dat de bemiddelingsvergoeding pas met de zzp’ers ter sprake was gekomen nadat AHK en de zzp’ers het uurtarief al hadden vastgesteld. Het uurtarief van AHK zou daardoor niet hoger zijn uitgevallen.

AHK betwistte dit en stelde dat de interim manager bij het werven van de zzp’ers handelde in het kader van zijn eigen opdracht, en dat de bemiddelingsvergoeding het uurtarief wel degelijk had opgedreven. AHK vorderde schadevergoeding gelijk aan de totale bemiddelingsvergoeding: 10 euro per gewerkt uur, maal het totale aantal gewerkte uren van beide zzp’ers.

De afweging van de rechter: tussenvonnis

In een tussenvonnis van 6 augustus 2025 stelde de rechtbank vast dat de interim manager bij het werven van de zzp’ers handelde in het kader van zijn interim opdracht, en niet namens zijn eigen vennootschap. Doorslaggevend daarvoor was onder meer een chatgesprek in de Teams-omgeving van AHK, waarin de opdrachtgever van de interim manager uitdrukkelijk vroeg of het plaatsen van de vacature kosten met zich meebracht voor AHK. De interim manager antwoordde dat het plaatsen gratis was. Dat AHK een tegenprestatie van zijn kant was overeengekomen, bleef onvermeld.

De rechtbank oordeelde dat de interim manager daarmee zijn zorgplicht richting AHK had geschonden. De twee zzp’ers kwamen immers in zijn team te werken en hij tekende hun urenstaten af namens AHK. Door zonder medeweten van AHK een kickbackvergoeding overeen te komen, creëerde hij een direct en potentieel gevaar voor belangenverstrengeling: hij had er belang bij dat de zzp’ers zoveel mogelijk uren draaiden, terwijl AHK er belang bij had dat zij snel en efficiënt hun werk deden.

Of het uurtarief van AHK daadwerkelijk 10 euro hoger was uitgevallen door de constructie, kon de rechtbank op dat moment nog niet vaststellen. De interim manager betwistte dit en AHK had haar stellingen op dit punt nog onvoldoende onderbouwd. De rechtbank droeg AHK op dit bewijs te leveren, en wees erop dat de zzp’ers als getuigen gehoord zouden worden.

De afweging van de rechter: eindvonnis

Dat de AHK daadwerkelijk 10 euro meer heeft betaald door deze constructie werd duidelijk in een getuigenverhoor waarbij zzp’ers aan het woord kwamen.  Een van hen verklaarde dat de interim manager tijdens hun eerste gesprek het uurtarief had vastgesteld, waarna hij had – via het mailadres van zijn eigen bv – aangegeven dat daar nog een bemiddelingsvergoeding van 10 euro bovenop zou komen. De andere zzp’er herinnerde zich aanvankelijk de volgorde niet meer, maar werd tijdens het verhoor geconfronteerd met een e-mail van de interim manager zelf. Daarin stond expliciet: “Jouw tarief is 135,00 euro per uur. Mijn kickback fee is 10 euro per uur. Aan de klant factureer je 145,00 euro per uur.” Haar reactie op die e-mail, destijds, was kort: “Akkoord.”

Dat was voor de rechtbank voldoende bewijs. Het verweer van de interim-manager dat AHK zelf navraag had moeten doen naar mogelijke commissiestructuren werd verworpen: het was aan de interim manager om openheid van zaken te geven, zeker gezien de leidinggevende functie die hij vervulde.

De uitspraak

De rechtbank veroordeelde de interim manager tot betaling van 26.849,90 euro aan schadevergoeding, gelijk aan de totale bemiddelingsvergoeding die AHK te veel had betaald, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 20 juli 2024. Daarnaast moet hij de onderzoekskosten van AHK van 10.317,76 euro vergoeden en een bedrag van 1.146,68 euro aan buitengerechtelijke kosten. Ook de proceskosten, begroot op 9.478,15 euro, komen voor zijn rekening.

Bron: Rechtbank Den Haag, 15 april 2026, zaaknummer C/09/679142 / HA ZA 25-101

Geplaatst in ZP en Ondernemen | Tags | 4s Reacties

Gemeenten stappen over van extern inhuren naar meer vaste banen

Gemeenten gaven in 2025 minder uit aan externe inzet. Het aandeel daalde van 17,5 procent naar 16,1 procent van de loonsom. Dat blijkt uit de jaarlijkse personeelsmonitor van A&O. Die daling heeft zeer waarschijnlijk te maken met de strengere handhaving van de Wet DBA. Gemeenten denken kritischer na over hun externe inzet en sturen bewuster op hun personeelsmix. Zo is het aantal gemeenten dat actief beleid voert om externe inzet te beperken flink toegenomen, van 57 procent in 2024 naar 70 procent in 2025. In 2023 was dat 50 procent.  

Het terugdringen gebeurde vooral door tijdelijke arbeidsovereenkomsten aan te bieden (55 procent) of door flexibele banen om te zetten in vaste banen (47 procent). 

Groei van vaste contracten en omzetten van flexbanen

Dat ziet A&O ook terug in een stijging van het aandeel vaste contracten. In 2025 bestond 79 procent uit vaste bezetting, terwijl dat een jaar geleden nog 76 procent was. Ook het aandeel extern ingehuurde leidinggevenden daalde, van 7 naar 5 procent. 

Deze ontwikkeling laat volgens de onderzoekers zien dat gemeenten meer grip willen op hun personeelsbestand, terwijl flexibiliteit nodig blijft bij piekbelasting en specialistisch werk. De uitdaging is om daarin de juiste balans te vinden. Het wijst erop dat gemeenten in een andere fase terechtkomen. De nadruk verschuift van uitbreiden naar het maken van keuzes: waar zetten we mensen op in, wat doen we zelf en waar organiseren we het werk anders?

Uitgaven externe inzet 

Bij alle gemeenten is een daling in de uitgaven aan externe inzet te zien. De uitgaven van gemeenten met meer dan honderdduizend inwoners en middelgrote gemeenten met tussen de vijftigduizend en honderdduizend inwoners dalen het meest, beiden 1,5 procent. Bij de G4-gemeenten (Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht), waar eerdere jaren ook al een daling te zien was, zijn de uitgaven aan externe inzet het laagst met 13,3 procent. 

Volgens de Personeelsmonitor is de uitzendkracht en gedetacheerden bij gemeenten de meest voorkomende vorm van externe inhuur. Bij 76 procent van de gemeenten is dit de dominante contractvorm. Voor 19 procent is dat het inhuren van zzp. In 2025 heeft A&O wel de definitie van externe inzet in de Personeelsmonitor iets aangepast. Uitbesteed werk aan zzp wordt niet meer gezien als ‘inhuur’. Dit kan een deel van het verschil in cijfers verklaren. 

De Personeelsmonitor Gemeenten 2025 is te vinden op de website van het A&O fonds Gemeenten.

Geplaatst in Professioneel inhuren | Tags , , | 1 Reactie

Zorgbureau en zelfstandigen stappen naar de rechter om zekerheid te krijgen over contractvorm. Wat was het oordeel?

Mag je als zorgbedrijf blijven werken met freelance zorgverleners op basis van een overeenkomst van opdracht? En wat als zowel het bureau als de zelfstandigen zelf die zekerheid willen, maar de rechtspraak daarover verdeeld is? Zorgmaatje aan Huis en drie van haar freelance zorgverleners namen een opmerkelijke stap: zij trokken gezamenlijk naar de rechter om duidelijkheid te vragen of ze door kunnen via het werken met een overeenkomst van opdracht. En, als dat dan niet zo is, moet Zorgmaatje aan Huis dan gezien worden als uitzendbureau? De kantonrechter van de Rechtbank Rotterdam gaf ze onlangs antwoord.

De kern van de zaak

Zorgmaatje aan Huis biedt aanvullende mantelzorg aan thuiswonende ouderen en andere hulpbehoevenden. Die zorg wordt verleend door freelance ‘zorgmaatjes’. Ze houden die ouderen gezelschap, doen boodschappen doen of maken een wandeling.

Drie van deze zorgmaatjes werkten op basis van een overeenkomst van opdracht voor het bureau.

Zowel het bureau als de drie zorgmaatjes waren ervan overtuigd dat hun samenwerking geen arbeidsrelatie was. Maar door de wisselende rechtspraak over arbeidsrelaties van zelfstandigen, recente uitspraken van de Hoge Raad en aangekondigde wetswijzigingen wilden zij juridische zekerheid. Zij stapten daarom gezamenlijk naar de kantonrechter, een bijzondere route via artikel 96 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, die het mogelijk maakt om samen een rechtsvraag voor te leggen zonder dat er een geschil is.

Gezamenlijk initiatief om duidelijkheid te krijgen

Het verzoek is vrij bijzonder: er was geen conflict tussen partijen, geen ontslagprocedure en geen claim van achterstallig loon. Juist omdat beide kanten het eens waren over de gewenste uitkomst, maar wisten dat de arbeidsrechtelijke discussie rondom zelfstandigen in Nederland volop in beweging is, wilden zij een rechterlijk oordeel. Het verzoek was primair dat de rechter voor recht zou verklaren dat de overeenkomsten kwalificeren als overeenkomst van opdracht. Voor het geval de rechter anders zou oordelen, vroegen de zorgmaatjes aanvullend of dan in elk geval sprake was van een uitzendovereenkomst.

De zorgmaatjes onderbouwden hun positie als zelfstandigen aan de hand van de praktijk. Zij werkten op basis van losse opdrachten die zij per keer konden accepteren of weigeren, zonder dat een weigering gevolgen had. Zij bepaalden zelf hoe en wanneer zij het werk uitvoerden, in overleg met de cliënt en zonder directe instructies van het bureau. Zij konden zich laten vervangen, mochten tegelijkertijd voor andere opdrachtgevers werken en kregen alleen betaald voor daadwerkelijk gewerkte uren. Bij ziekte of vakantie was er geen recht op doorbetaling. Kortom: zij gedroegen zich als zelfstandigen en werden ook zo behandeld.

De afweging van de rechter

De kantonrechter beoordeelde de arbeidsrelatie aan de hand van de negen gezichtspunten uit het Deliveroo-arrest van de Hoge Raad (2023). Dat kijkt onder meer naar de aard en duur van de werkzaamheden, de vrijheid bij de uitvoering, de inbedding in de organisatie, het recht op vervanging, de beloningsstructuur en het ondernemersgedrag.

Vrijwel alle gezichtspunten wezen in dezelfde richting. De opdrachten waren tijdelijk en per cliënt afzonderlijk vastgelegd, geen structureel werk. De zorgmaatjes bepaalden zelf de invulling van hun werk en werktijden, zonder aansturing van het bureau. Zij maakten slechts beperkt deel uit van de organisatie: geen verplichte vergaderingen, geen interne gedragsregels, geen bedrijfsmiddelen buiten een identificatiebadge. Zij mochten zich laten vervangen en werken voor andere opdrachtgevers. Zij droegen zelf financieel risico en werden uitsluitend betaald voor gewerkte uren.

Tarief niet erg relevant

Interessant is ook wat de rechter zegt over de hoogte van het tarief. De zorgmaatjes werken namelijk voor een bescheiden €21,60 per uur (exclusief btw en exclusief toeslagen). De rechter constateert dat de hoogte van het tarief in dit specifieke geval minder relevant is omdat de zorgmaatjes dit werk ‘vaak niet in de eerste plaats voor het geld doen. Velen van hen doen dit om maatschappelijk betrokken te blijven, om na hun pensioen actief te blijven of om iets voor een ander te betekenen.’ Omdat ze financieel niet afhankelijk zijn van deze inkomsten zegt de hoogte van het uurtarief, in dit geval, ‘niet zoveel voor de beoordeling of sprake is van een arbeidsovereenkomst of een overeenkomst van opdracht.’

Aansturing via de app?

Eén element vroeg extra aandacht: de zorgmaatjes registreerden hun werkzaamheden in een app die ook door het bureau kon worden ingezien. De rechter oordeelde echter dat dit geen toezicht of gezagsuitoefening inhield, maar voortvloeide uit praktische en wettelijke rapportageverplichtingen in de zorg en uit de behoefte om vervangende zorgmaatjes te kunnen informeren.

De rechter verwijst daar weliswaar niet naar, maar dit punt doet wel denken aan de EU-richtlijn platformwerk, die in Nederland – via de Wet verbetering positie van werkenden bij platformwerk – nog geïmplementeerd moet worden. De reikwijdte daarvan wordt onder meer bepaald in hoeverre een platform of app managementtaken als toezicht en sturing overneemt.

De uitspraak

Na deze holistische afweging van alle omstandigheden concludeerde de kantonrechter dat er in deze specifieke situatie geen sprake is van een gezagsverhouding, en dus ook niet van een arbeidsovereenkomst. Daarbij keek de rechter ook nog eens apart naar de specifieke omstandigheden (ondernemerschap) van de drie individuele zorgmaatjes.

Zorgmaatje aan Huis en de drie zorgmaatjes kunnen dus door met het werken via een overeenkomst van opdracht. Aan de vraag of Zorgmaatje aan Huis mogelijk als uitzendbureau gezien moest worden, kwam de rechter niet toe. Die vraag is immers niet relevant meer.

Beide partijen droegen, zoals zij zelf hadden voorgesteld, de eigen proceskosten.

Geplaatst in ZP en Ondernemen | Tags , , , | 4s Reacties

Freelance Markt Index Q2 2026: aantal opdrachten stijgt, maar tarieven staan onder druk

De freelancemarkt herstelt langzaam. Echte groei zit er nog niet in, want opdrachtgevers blijven voorzichtig zolang er nog geen concrete nieuwe regels zijn rondom de inhuur van zzp’ers. Toch komt de Freelance Markt Index (FMI) dit tweede kwartaal met 99 punten hoger uit dan vorig kwartaal en hoger dan in dezelfde periode vorig jaar.

De vraag naar zelfstandig professionals groeit dus nog niet, maar de daling is flink minder dan het dieptepunt een jaar geleden. Het vertrouwen herstelt, concluderen de onderzoekers van Freelance.nl.

Kwartaalmonitor

De FMI is een kwartaalonderzoek op basis van gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), de Algemene Bond Uitzendondernemingen (ABU) en een telefonische enquête onder 125 opdrachtgevers op Freelance.nl. De index geeft een beeld van vraag, aanbod en vertrouwen in de freelancemarkt. Het gaat specifiek om zzp’ers die hun eigen arbeid verkopen aan zakelijke opdrachtgevers.

De FMI sinds het tweede kwartaal van 2024. Bron: Freelance.nl

Stijgende lijn

In de indexcijfers zie je duidelijk het effect van de intensievere handhaving op schijnzelfstandigheid sinds begin 2025. In het eerste kwartaal van 2025 daalde de index naar 86: de sterkste daling sinds de coronacrisis. Vervolgens herstelde de vraag naar freelancers langzaam, met pieken in het tweede (97) en vierde kwartaal (100). Zelfs de zomerdip van 2025 (94) was opvallend minder diep dan voorgaande jaren.

Het totaal aantal opdrachten op Freelance.nl steeg met 2% ten opzichte van vorig kwartaal. Dat verschilt wel sterk per vakgebied. Zo zien de onderzoekers stevige groei in de sectoren Personeel & HR, Data-analytics, ICT en Finance. De vraag naar freelancers in Communicatie en Techniek blijft juist laag.

Nieuw overheidsbeleid en aanstaande wetgeving

Met een score van 99 is er nog geen groei, maar de grote daling lijkt voorbij. Hoewel er op dit moment nog geen nieuwe regels zijn, besteedt minister Thierry Aartsen (VVD) van Werk en Participatie in publiekscampagnes bovendien meer aandacht aan hoe opdrachtgevers juist wel met zzp’ers kunnen werken.

Bovendien wil de minister zo snel mogelijk nieuwe regels invoeren. Onlangs ging de Tweede Kamer akkoord met het wetsvoorstel voor een rechtsvermoeden van werknemerschap onder 38-39 euro. Lees meer in dit artikel.

96% werkt voor meer dan 38 euro per uur

Uit de nieuwste FMI blijkt dat veel zzp’ers die hun eigen arbeid verkopen aan zakelijke opdrachtgevers al ruim boven het minimumtarief zitten. Maar liefst 96% van de freelancers werkt met een uurtarief boven 38 euro. Opdrachtgevers zeggen dat 86% van hun ingehuurde krachten meer verdient per uur dan dit grensbedrag.

Opdrachtgevers bieden minder dan freelancers vragen

Gemiddeld bieden opdrachtgevers 87 euro per uur. Dat is bijna 22% lager dan wat zzp’ers vragen, namelijk gemiddeld 106 euro. Uit het onderzoek blijkt dat dit verschil jaarlijks groter wordt. De tarieven die freelancers vragen stijgen sneller dan de tarieven die opdrachtgevers aanbieden.

De aangeboden uurtarieven stegen dit jaar met gemiddeld 2,4%, de kleinste groei in vijf jaar. Vorig jaar lag de stijging nog op 3,7% en in recordjaar 2023 op 6,7%. De afvlakking valt samen met toenemende concurrentie sinds de herstart van de handhaving op de Wet DBA.

Verschillen per vakgebied en expertise

Hoe minder concurrentie een freelancer heeft, hoe hoger zijn tarief. Een opdracht binnen de overheid krijgt bijvoorbeeld gemiddeld twee inschrijvingen en de freelancer verdient gemiddeld 96 euro per uur. In de sector tekst en vertaling is meer concurrentie. Freelance.nl ziet per opdracht grofweg 17 kandidaten en een gemiddeld tarief van 66 euro.

De onderzoekers stelden een Freelance Tarief Index samen waarin vraag en aanbod rechtstreeks tegenover elkaar staan: wat opdrachtgevers gemiddeld bieden en wat freelancers gemiddeld vragen. Per vakgebied en regio, op basis van tienduizenden opdrachten. Hieronder een voorproefje:

Download hier de volledige FMI voor het gemiddelde tarief per sector.

Uurtarief blijft veel populairder dan projectprijs

In plaats van uurtarieven, kun je ook werken met projectprijzen, dagtarieven of op projectbasis. Dit kan voordelen hebben voor beide partijen. Toch gebeurt het nog heel weinig. 89% van de freelancers werkt met uurtarieven, slechts 8% rekent een prijs per project.

Grafiek: Uurtarief blijft de meest gebruikte beloningsstructuur. Bron: Freelance.nl

Zzp’er wil wel een projectprijs, opdrachtgever ziet het niet zitten

De meeste freelancers (72%) staan wel open voor andere beloningsstructuren, blijkt uit het onderzoek. Maar opdrachtgevers zijn terughoudend. Slechts 28% van de organisaties staat open voor samenwerken zonder uurtarief.

Volgens de onderzoekers heeft dat te maken met de manier waarop zij opdrachten uitzetten: de meeste freelanceopdrachten zijn nog altijd inspanningsgericht in plaats van resultaatgericht.

Meer weten? Download hier het volledige rapport.

Geplaatst in ZP en Ondernemen | Tags , , , | Laat een reactie achter

Bescherming of ontregeling van de markt? De impact van een minimumtarief in de platformeconomie

De laatste tijd besteed ik veel aandacht aan de vraag wat een goed minimumtarief is voor zelfstandigen in het algemeen en platformwerkers specifiek. Ik keek naar het leefbaar tarief (Living Tariff) en onderzocht in mijn gesprekken met Human Rights Watch en de Nederlandse Vereniging voor Journalisten (NVJ) hoe je zo’n tarief zou kunnen invoeren. Een vraag die nog openstond was: wat is nou eigenlijk het effect van zo’n tarief op de markt? Hoe verandert de dynamiek tussen platform, klanten en werkenden als de overheid ingrijpt met een minimumtarief?

Onbedoelde effecten van een minimumtarief

Ik was gelukkig niet de enige die zich dit afvroeg. Wetenschappers van de TU Delft en Jagiellonian University (Polen) zochten het uit. Farnoud Ghasemi, Arjan de Ruijter, Rafal Kucharski en Oded Cats publiceerden recent (maart 2026) hun bevindingen in het rapport Regulating ride-sourcing markets: Can minimum wage regulation protect drivers without disrupting the market?

Hun hoofdvraag: kun je zelfstandig taxichauffeurs beschermen zonder de markt te verstoren? De onderzoekers gebruikten computersimulaties om het gedrag van taxichauffeurs en klanten op platformen zoals Uber en Lyft na te bootsen. Zo kunnen ze voorspellen hoe zij reageren op nieuwe regels (een zogenaamd ‘agent-based model’).

In The Gig Work Podcast van de WageIndicator Foundation sprak ik onderzoeker Farnoud Ghasemi over de uitkomsten en de onbedoelde effecten die een ogenschijnlijk simpele maatregel kan hebben.

Digitale proeftuin voor taxi-apps

Ghasemi is postdoctoraal onderzoeker op het gebied van transport- en mobiliteitsmodellering aan de TU Delft. Hij doet al jaren onderzoek naar platformen zoals taxi-apps Uber, Lyft of Didi. Tijdens zijn PhD ontwikkelde hij een soort digitale proeftuin: een geavanceerd simulatiemodel van een stad met duizenden virtuele taxichauffeurs en reizigers. Hiermee kan hij testen hoe zij zouden reageren op nieuwe regels, zoals een minimumtarief.

Meer vrijheid, minder rechten en zekerheid

Volgens Ghasemi hebben platformen de taximarkt radicaal veranderd. Ze maakten de aanvraag van taxiritten soepeler en efficiënter. “Ze veranderden ook de positie van de chauffeur”, zegt de onderzoeker. “Van oudsher is het aanbod gecentraliseerd: chauffeurs zijn verbonden aan een taxibedrijf en kunnen niet zomaar ritten weigeren of eigen werktijden bepalen. Platformen veranderen dat. Zij bieden chauffeurs als zelfstandig ondernemers meer flexibiliteit en keuzevrijheid. Maar die vrijheid heeft ook een keerzijde: chauffeurs hebben vaak geen werknemersrechten of verzekeringen.”

Ghasemi sprak chauffeurs in allerlei steden. “Ik hoor vaak hetzelfde verhaal: ze zijn gelokt door platformen met de belofte van vrijheid en inkomen, maar in de praktijk vallen de verdiensten tegen”, zegt hij. “Soms verdienen taxichauffeurs zelfs ver onder het minimumloon. Sommigen kunnen nu eenmaal niet anders.”

Dit was een herkenbaar verhaal voor mij. Ook ik sprak chauffeurs wereldwijd en zij vertelden mij dat ze achteraf niet makkelijk weg kunnen, omdat ze fors geïnvesteerd hebben in een auto. Ze kunnen het zich vaak simpelweg niet permitteren om te stoppen, hoe slecht de tarieven en voorwaarden ook zijn.

De effecten van een minimumtarief in de platformeconomie

In verschillende landen oordeelden rechters dat platformen chauffeurs in dienst moeten nemen. Dat levert in de praktijk weinig op, vertelt de onderzoeker. In Nederland moest bijvoorbeeld schoonmaakplatform Helpling de werkenden in dienst nemen, maar daardoor was het niet meer competitief. Helpling moest stoppen en zo schoten de werkenden hier uiteindelijk niets mee op.

Een andere oplossing zijn minimumvoorwaarden voor platformwerkers, bijvoorbeeld minimumtarieven. Dit zie je bijvoorbeeld bij bezorgers in New York en de Transport Workers Union in Australië. Welk effect heeft dat? Op het moment dat er een minimumtarief geldt, komen kosten en risico’s van wachttijden voor rekening van het platform. Het bedrijf zal dus minder chauffeurs toegang geven, om het risico op die wachtkosten te verminderen.

Bescherming zonder verstoring

Ghasemi en zijn collega’s onderzochten wat de effecten zijn van een dergelijke interventie en onder welke voorwaarden een minimumloon taxichauffeurs kan beschermen, zonder de markt te verstoren. 

“Het is een complexe vraag, omdat er vele belangen spelen die vaak niet overeenkomen”, vertelt hij. “Reizigers willen goedkope ritten met korte wachttijden. Chauffeurs willen een goed inkomen. Het platform wil winst maken en tegelijkertijd zowel reizigers als chauffeurs tevreden houden. Tot slot heb je nog beleidsmakers en wetgevers met een eigen visie en agenda.”

Het is ingewikkeld om maatregelen te nemen die de situatie van één partij verbeteren, legt hij uit. “Je weet vooraf niet precies wie er nog meer geraakt wordt, hoe en wat de impact is. Een commissieverhoging van 20 procent heeft niet precies 20 procent invloed op de rest. Daarom moet je naar het hele systeem kijken in plaats van één onderdeel.”

Digitale proeftuin stimuleert gedrag van alle partijen

Onderzoek is lastig, omdat platformen weinig data delen over tarieven, aantal ritten en de werking van de algoritmes. In zijn digitale proeftuin kon Ghasemi die beperkingen deels omzeilen. Hij identificeerde de belanghebbenden (chauffeur, platform, reiziger, beleidsmaker) en modelleerde hun specifieke gedrag.

Ghasemi: “Voor chauffeurs keken we naar beslissingen om al dan niet te gaan rijden op basis van eerdere ervaringen. Voor reizigers kijken we of ze een taxi-app gebruiken of bijvoorbeeld het openbaar vervoer. En voor platformen modelleren we hun strategie: de commissie en de prijzen. We brengen dit bij elkaar en zo ontdekken we patronen.”

In de digitale proeftuin kunnen ze zelfs zien wat er gebeurt als de verschillende apps met elkaar concurreren. “Als het ene platform de prijs verlaagt en alle chauffeurs wegtrekt, moet het andere platform reageren. Dat soort complexiteit hebben we nu toegevoegd.”

Minimumloon voor platformwerkers: lager, gemiddeld of hoog?

De onderzoekers gebruikten de simulatie om te testen wat er gebeurt als je een minimumtarief invoert. Ze testten drie scenario’s: een minimumtarief lager dan het minimumloon, een tarief gelijk aan het minimumloon en een hoger tarief.

Een tarief gelijk aan minimumloon bleek het best te werken. “We zien dat platformen dan vaak kiezen voor een lager tarief per rit. Dat is positief voor zowel reizigers als chauffeurs: hoewel het tarief per rit lager is, vult het platform het loon aan tot het minimumloon.”

Te hoog tarief heeft negatieve gevolgen voor iedereen

Een te hoog minimumtarief heeft een averechts effect: het aantal ritten daalt en dat gaat ten koste van de winstgevendheid van het platform. “Wat bedrijven dan doen, is de toegang beperken tot een selecte groep chauffeurs op basis van algoritmes”, vertelt de onderzoeker. “Ze behouden slechts het aantal chauffeurs dat ze nodig hebben voor de verwachte vraag.”

Dat heeft forse gevolgen. “Voor de individuele chauffeur die ineens niet meer kan inloggen is het vreselijk, die verliest van de ene op de andere dag zijn werk en inkomen”, legt hij uit. “De chauffeurs die mogen blijven hebben weliswaar een stabieler inkomen, maar minder mensen hebben toegang tot werk.”

De sleutel tot succes: bewaak de balans

Maatregelen en beleidsregels zijn vaak niet effectief, omdat ze slechts voordelig zijn voor een of enkele belanghebbenden. “Je slaagt pas als je het systeem in balans houdt”, zegt Ghasemi. “Als het loon van de chauffeur stijgt maar een rit te duur wordt voor de reiziger, daalt het aantal ritten. Uiteindelijk verdienen chauffeurs dus minder en zullen ze het platform verlaten.”

De inzichten van Ghasemi en zijn collega’s gelden niet alleen voor taxi-apps, maar voor alle platformen die vraag- en aanbod samenbrengen. “De belangrijkste les is: verander niet zomaar de regels, maar houd rekening met de complexiteit van het systeem. Een maatregel die bedoeld is voor één partij, heeft direct effect op de rest van de belanghebbenden. Zo kan een maatregel precies het tegenovergestelde effect hebben van wat je wilde bereiken.”

Uiteindelijk begint het allemaal met politieke keuzes, besluit de onderzoeker. “Willen we dat heel veel mensen een beetje extra kunnen bijverdienen met een onzeker inkomen? Of willen we dat minder mensen toegang hebben tot werk, maar dat wie werkt wel een stabiel, goed loon heeft?”

Conclusie: een politieke, noodzakelijke keuze

Het onderzoek laat zien hoe regulering het ingewikkelde evenwicht in de platformeconomie uit balans brengt. Hoewel een minimumtarief de individuele chauffeur beschermt tegen onderbetaling, kan het leiden tot hogere prijzen voor klanten, financiële problemen voor platformen en uiteindelijk minder werk. Beleidsmakers moeten dus voorzichtig zijn, want een te strikt minimumtarief kan de markt verstoren.

Een bijkomende complexiteit is de concurrentie van de niet-platformeconomie. Dit hebben de onderzoekers niet meegenomen in hun studie, maar het heeft wel flinke invloed. Er zijn namelijk nog veel taxichauffeurs en maaltijdbezorgers die niet via platformen werken. Als er een minimumtarief alleen voor platformen wordt ingevoerd, dan hebben zij ineens een flink concurrentienadeel. Zo kan een maatregel leiden tot minder werk via platformen en dus minder werkenden die onder de voorwaarde vallen.

Tot slot is het belangrijk om niet alleen minimumvoorwaarden in te voeren, maar ze ook te handhaven. Als bedrijven merken dat ze onder de regels uit kunnen komen, ontstaat namelijk oneerlijk concurrentievoordeel. Ik heb het vaker gezien in de maaltijdbezorging. Terwijl het ene platform zich netjes aan de regels houdt en mensen in dienst neemt, houdt de ander de kosten laag door te blijven werken met zelfstandigen.

Transparantie van platformen

Ghasemi en zijn team hebben fantastisch werk verricht met de bouw van een simulatie. We kunnen effecten zelfs nog beter voorspellen met inzicht in data en algoritmes. Hier ligt een taak voor de platformen. Het is verbazingwekkend hoe complex en ondoorzichtig de modellen van taxi-apps zoals Lyft en Uber zijn geworden. Het is haast onmogelijk om als chauffeur, klant of buitenstaander inzicht te krijgen.

Daarnaast werken platformen met ondoorzichtige, dynamische tarieven. Het is niet duidelijk welke marges ze inhouden. Het algoritme bepaalt bovendien tarieven die verschillen per chauffeur en zo kan het gebeuren dat twee taxichauffeurs voor exact dezelfde rit een andere vergoeding krijgen. Oneerlijk en daarom komt er ook steeds meer weerstand tegen dit systeem.  

Dit sluit aan bij wat ik eerder besprak met de Worker Info Exchange: kennis is macht. Als het platform alle data heeft, kan hij werkenden wijsmaken wat hij wil. Maar zoals de proeftuin van Ghasemi laat zien: beleid zonder strategie om de balans te bewaren heeft mogelijk negatief effect op iedereen. Ook het platform. Mijn pleidooi is daarom: maak het systeem minder complex en geef werkenden, onderzoekers en beleidsmakers relevante inzichten en mechanismen om invloed te hebben op deze besluitvormingsprocessen.

Politieke keuzes

Zoals Ghasemi zegt: tot slot moet de politiek kiezen. Het is inmiddels duidelijk dat er een probleem is in de platformeconomie. Politici mogen dit niet langer negeren. Als we een minimumtarief afdwingen, zullen platforms minder werkenden toelaten om de kosten laag te houden. Dat betekent dat sommige zelfstandigen hun (bij)baan verliezen. Maar de grote vraag is: hoe erg vinden we dat? Wat voor werk willen we eigenlijk toestaan? Is het niet belangrijker dat wie werkt een eerlijk, leefbaar loon krijgt? Dat is een politieke keuze.

Beluister hier de podcast-aflevering van The Gig Work Podcast over dit onderwerp:

Geplaatst in ZP en Politiek | Tags , , | 1 Reactie