Maandelijkse archieven: april 2026

Afschaffen cao-afwijking gelijke beloning: onverstandig én onwerkbaar

De WAADI is de Nederlandse implementatie van de Europese Uitzendrichtlijn (Richtlijn 2008/104/EG betreffende uitzendarbeid). Het leidend principe over beloning uit die Richtlijn — “De essentiële arbeidsvoorwaarden van uitzendkrachten zijn, voor de duur van hun opdracht bij een inlenende onderneming, ten minste dezelfde als die welke voor hen zouden gelden als zij rechtstreeks door de genoemde onderneming voor dezelfde functie in dienst waren genomen” — is in Nederland ingevoerd als het “loonverhoudingsvoorschrift” in art. 8 lid 1 van de WAADI.

In art. 5 lid 3 van de Richtlijn wordt de mogelijkheid geboden om, onder voorwaarden, per cao af te wijken van dat principe. Nederland heeft dat gedaan via art. 8 lid 4 van de WAADI. In hetzelfde artikel van de Richtlijn wordt (in art. 5 lid 2) ook de mogelijkheid geboden om van het bovengenoemde principe af te wijken als de betreffende werknemer een contract voor onbepaalde tijd heeft met zijn werkgever (de uitlener) en dus tussen opdrachten gewoon wordt doorbetaald. Door het toenmalige kabinet werd het onnodig geacht om die uitzondering ook in de WAADI op te nemen.

Het amendement-Patijn: sympathiek, maar riskant

Via een ingediend amendement op de Wet meer zekerheid flexwerkers wil PRO-Nederland-Kamerlid Mariette Patijn deze optie — vastgelegd in art. 8 lid 4 WAADI — afschaffen.

Dat klinkt wellicht sympathiek en het voorstel lijkt gesteund te worden door meerdere fracties. Maar de — mogelijk onbedoelde — negatieve effecten zijn groot.

Het poldermodel verdient beter dan een achterdeur

Door het afschaffen wordt het gebruik in Nederland Polderland, dat arbeidsvoorwaardenkwesties worden geregeld in cao’s tussen de sociale partners en niet door de wetgever, drastisch overboord gegooid. Je moet je dan ten eerste afvragen welk probleem je daarmee oplost: het ligt immers voor de hand dat onder het regime van een cao, zéker als die algemeen verbindend wordt verklaard, geen uitbuiting van kwetsbare werknemers kan en mag plaatsvinden. De handhaving daarop is bovendien bewijsbaar effectief (SNCU).

Dat kan natuurlijk anders, als de politiek dat wil, maar dat moet dan niet via het achterdeurtje van een amendement op een al heel oud wetsvoorstel (dat overigens door de sociale partners al grotendeels via de cao’s is ingevoerd) erdoorheen worden gerommeld. Zo’n enorme wijziging van de manier waarop in Nederland arbeidsvoorwaarden tot stand komen, verdient een eigenstandig plenair debat in het parlement.

Feitelijk onuitvoerbaar

Maar bovendien is het feitelijk onuitvoerbaar. Het zonder meer afschaffen van art. 8 lid 4 van de WAADI leidt er, in combinatie met het Dosign-arrest, toe dat in de praktijk bij alle inleen-uitleenrelaties de arbeidsvoorwaarden van de opdrachtgever gevolgd moeten worden. Bij traditioneel uitzenden (ziek & piek, werving & selectie, korte tot zeer korte duur) is dat nog tot daaraantoe, maar voor uitleners waar het merendeel van de werknemers een overeenkomst van onbepaalde duur heeft, is dat volstrekt onwerkbaar.

Duizenden bedrijven in de knel door de WTTA

Om nóg betere bescherming te bieden aan kwetsbare arbeidskrachten heeft het parlement juist onlangs de WTTA aangenomen. Op dit moment wordt hard gewerkt aan het operationaliseren van die wet per 1 januari 2027. Onder de WTTA moet elke onderneming die ook maar één werknemer ter beschikking stelt om onder leiding en toezicht van de opdrachtgever werkzaamheden te verrichten, worden toegelaten via een certificeringsstelsel. Daar zitten, behalve alle detacheerders, ook heel veel (naar schatting tussen de 9.000 en 15.000) bedrijven bij die helemaal niet herkenbaar zijn als uitleenbureaus: vrijwel alle administratiekantoren, heel veel consultancies, vrijwel alle interim-managementbureaus met managers in loondienst en heel veel andere dienstverleners van uiteenlopende soort. En vrijwel alle werknemers van die bedrijven hebben een vast contract met zeer acceptabele en vaak zelfs genereuze arbeidsvoorwaarden — voor een deel anders dan die van de klant, maar qua pakketwaarde wel minimaal gelijkwaardig.

Als art. 8 lid 4 WAADI zonder meer wordt afgeschaft, zouden die bedrijven, om te worden toegelaten, in plaats van ‘minimaal gelijkwaardige’ arbeidsvoorwaarden ineens per plaatsing steeds precies dezelfde arbeidsvoorwaarden moeten hanteren als de opdrachtgever. Dat dient geen zinvol doel. Bovendien werken de ter beschikking gestelde werknemers van die bedrijven vaak voor meer dan één opdrachtgever tegelijk, waardoor ze per week of zelfs per dag steeds wisselende arbeidsvoorwaarden zouden hebben. Behalve zeer onwenselijk is dat ook onwerkbaar.

Als het toch gebeurt: beperk de schade

Mocht de Tweede Kamer toch besluiten te gaan sleutelen aan de WAADI en art. 8 lid 4 af te schaffen, dan kan een enorme chaos bij de invoering van de WTTA eigenlijk alleen worden voorkomen door dit artikel te vervangen door de uitzondering voor contracten van onbepaalde duur van art. 5 lid 2 van de Europese Uitzendrichtlijn.

Geplaatst in Toekomst van Werk | Tags , | Laat een reactie achter

Zes op de tien zzp’ers krijgen moeilijker opdrachten door handhaving schijnzelfstandigheid

Sinds 1 januari 2025 kan de Belastingdienst weer naheffingen en correcties opleggen in de handhaving op schijnzelfstandigheid. De effecten hiervan zijn voelbaar voor veel zelfstandige professionals. Dit blijkt uit de nieuwste opiniemonitor van HeadFirst Group onder bijna 1.300 hoogopgeleide zzp’ers. 

Zo geeft 59 procent van hen aan dat het moeilijker is geworden om aan opdrachten te komen. Dat is een stijging van tien procentpunten ten opzichte van 2024. Voor 39 procent blijft het daar niet bij: zij geven aan daadwerkelijk opdrachten te zijn misgelopen. 

Onduidelijke overheidscommunicatie

Ondanks die toegenomen druk lijkt vertrek uit het zelfstandig ondernemerschap voor de meesten geen serieuze overweging. Vier op de tien geeft aan er niet over na te denken. Wie graag als zelfstandige blijft werken, verwacht wel duidelijkheid van de overheid. Op dat vlak is er nog veel te winnen. 

Ruim twee derde (69%) geeft aan de handhavingsstrategie te kennen, maar tegelijkertijd is 71 procent ontevreden over de manier waarop de overheid via haar eigen kanalen informeert over de handhaving op schijnzelfstandigheid. Nog kritischer zijn zzp’ers als het gaat om de praktische duiding. 77 procent geeft aan niet te weten welke opdrachten zij als zelfstandige wel of niet mogen uitvoeren.

Meningen verdeeld over BAZ en Zelfstandigenwet

Aan de zelfstandig professionals is ook hun mening gevraagd ten aanzien van de wetsvoorstellen Basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen (BAZ) en de Zelfstandigenwet. Ook daarover zijn de meningen verdeeld. Over de BAZ – die op vrijdag 13 maart officieel naar de Tweede Kamer is gestuurd – is bijna 38 procent positief over een verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering, terwijl 39 procent het juist een slecht idee vindt. Tegelijkertijd heeft het overgrote deel van de zzp’ers al zelf voorzieningen getroffen voor arbeidsongeschiktheid en pensioen. Bijna zestig procent spaart, en bijna vijftig procent heeft al een private verzekering tegen arbeidsongeschiktheid. 

Ook de Zelfstandigenwet, die beoogt duidelijkheid te scheppen over welke opdrachten door een zzp’er mogen worden uitgevoerd, overtuigt nog niet. Slechts iets meer dan een kwart van de zzp’ers (28%) verwacht dat deze wet dat doel in de praktijk ook zal bereiken. 

Sem Overduin, Manager Public Affairs & Public Policy bij HeadFirst Group: “De resultaten schetsen een duidelijk beeld van het sentiment onder hoogopgeleide zzp’ers. Opdrachtgevers zijn terughoudender met het inzetten van zzp’ers en die onzekerheid vertaalt zich direct in minder opdrachten. Tegelijkertijd laat de opiniemonitor zien dat er een grote behoefte bestaat aan duidelijke communicatie vanuit de overheid, zeker in een tijd waarin er veel misinformatie op sociale media circuleert. Wij roepen de overheid op om actief, concreet en duidelijk te communiceren over wat er wel en niet mogelijk is. Met heldere informatie kan de markt weer vol vertrouwen gaan samenwerken met zelfstandig professionals, want in een krappe arbeidsmarkt hebben we alle werkenden keihard nodig.” 

Geplaatst in ZP en Ondernemen | Tags , | 5s Reacties

De partijvraag als vergeten realiteit in het dossier schijnzelfstandigheid

  1. Inleiding

Aan de kwalificatievraag of een overeenkomst als een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 lid 1 BW moet worden aangemerkt, gaat de vraag vooraf of er überhaupt een overeenkomst in de zin van artikel 6:213 BW juncto artikel 6:217 BW bestaat. Deze bijdrage staat stil bij de plaats en functie van deze partijvraag in het dossier schijnzelfstandigheid.

Deze bijdrage start in paragraaf 2 met het onderscheid tussen deze twee vragen en de implicaties hiervan voor de beantwoording van de partijvraag. Daarop duidt paragraaf 3 de door de Webmodule beoordeling arbeidsrelatie (“Webmodule”) en de in de Memorie van Toelichting van de Wet verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden (“MvT WVBAR”) genoemde “realiteitswaarde”-toets als methode voor de beantwoording van de partijvraag. Deze bijdrage eindigt met enkele conclusies in paragraaf 4.

2. Partijvraag en kwalificatievraag

2.1 Onderscheid partijvraag en kwalificatievraag 

Er geldt een onderscheid tussen de vraag of een overeenkomst bestaat (“partijvraag”) en de kwalificatie van een bestaande overeenkomst (“kwalificatievraag”). De partijvraag gaat aan de kwalificatievraag vooraf. Dit brengt mee dat aan de kwalificatievraag al dan niet wordt toegekomen, afhankelijk van het antwoord op de partijvraag (1).

2.2 Partijvraag

Ter beantwoording van de partijvraag geldt de ABN AMRO/Malhi-doctrine (2). In het ABN AMRO/Malhi-arrest overwoog de Hoge Raad: “De onderdelen 1 en 2 gaan terecht ervan uit dat in deze zaak beslissend is of de bank en [verweerder] zich jegens elkaar verbonden hebben (HR 27 november 1992, nr. 14777, NJ 1993, 273). Het door de Rechtbank toegepaste, aan het arrest van de Hoge Raad van 14 november 1997, nr. 16453, NJ 1998, 149, ontleende criterium – hoe hebben partijen feitelijk uitvoering en aldus inhoud gegeven aan hun arbeidsverhouding – is op zijn plaats in situaties waarin het gaat om de vraag hoe een – op zichzelf vaststaande – overeenkomst krachtens welke een van de partijen bij die overeenkomst werkzaamheden verricht voor de ander, moet worden gekwalificeerd. Het gaat in deze zaak echter niet om die vraag of de daarmee verwante vraag of, en zo ja vanaf wanneer, moet worden aangenomen dat een arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen indien iemand zonder duidelijke afspraken daarover werkzaamheden voor een ander is gaan verrichten. Uitgangspunt is hier dat [verweerder] met zijn werkzaamheden bij de bank is begonnen krachtens zijn arbeidsovereenkomst met [A] en de door de Rechtbank als inleenovereenkomst aangemerkte overeenkomst tussen [A] en de bank met betrekking tot [verweerder]. […] “In een dergelijke situatie verzet de rechtszekerheid zich tegen een geruisloze vervanging van de tussen [verweerder] en de bank bestaande verhouding van ingeleende werknemer tot inlener in een arbeidsovereenkomst, waarvan voor geen van de partijen duidelijk zou zijn op welk tijdstip zij zich zou hebben voltrokken.”

Ter beantwoording van de partijvraag dienen partijen zich dus tot elkaar te hebben verbonden (het “verbondenheidscriterium”). Dat hoeft niet uitdrukkelijk, maar is afhankelijk van hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en redelijkerwijze mochten afleiden. Er dient een contractuele relatie te bestaan. 

Hier kunnen leerstukken als simulatie (schijnhandeling als mismatch tussen wil en verklaring), wetsinterpretatie, fiscale kwalificatie (3) en correctie door de redelijkheid en billijkheid door bijvoorbeeld misbruik van recht (ten aanzien van een subjectief recht) en fraus legis (ten aanzien van een objectief recht) onder omstandigheden worden ingezet (4).

De rechtszekerheid verzet zich als uitgangspunt tegen een geruisloze vervanging in contractstructuur. Omdat de rechtszekerheid centraal staat bij de beantwoording van de partijvraag, geldt met toepassing van kortweg de artikelen 3:33 BW en 3:35 BW, alsmede de Haviltex-maatstaf (5), een hoge drempel om een andere contractuele structuur aan te nemen. 

Wordt als antwoord op de partijvraag vastgesteld dat een rechtspersoon heeft te gelden als de partij welke zich tot de andere partij heeft verbonden, dan kan onder voorwaarden deze rechtspersoon worden gelijkgesteld met een natuurlijke persoon. De bekendste vorm van directe doorbraak daartoe is de methode van vereenzelviging. De vereenzelvigingstoets heeft de Hoge Raad nader geformuleerd in het Rainbow-arrest (6).

Hier overwoog de Hoge Raad: “Bij de beantwoording van deze vraag moet worden vooropgesteld dat, zoals het Hof kennelijk en terecht tot uitgangspunt heeft genomen, door degene die (volledige of overheersende) zeggenschap heeft over twee rechtspersonen, misbruik kan worden gemaakt van het identiteitsverschil tussen deze rechtspersonen, en dat hetgeen met zodanig misbruik werd beoogd, in rechte niet behoeft te worden gehonoreerd. Het maken van zodanig misbruik zal in de regel moeten worden aangemerkt als een onrechtmatige daad, die verplicht tot het vergoeden van de schade die door het misbruik aan derden wordt toegebracht. Deze verplichting tot schadevergoeding zal dan niet alleen rusten op de persoon die met gebruikmaking van zijn zeggenschap de betrokken rechtspersonen tot medewerking aan dat onrechtmatig handelen heeft gebracht, doch ook op deze rechtspersonen zelf, omdat het ongeoorloofde oogmerk van degene die hen beheerst rechtens dient te worden aangemerkt als een oogmerk ook van henzelf. De omstandigheden van het geval kunnen evenwel ook zo uitzonderlijk van aard zijn dat vereenzelviging van de betrokken rechtspersonen – het volledig wegdenken van het identiteitsverschil – de meest aangewezen vorm van redres is (vgl. het geval dat aan de orde was in HR 9 juni 1995, nr. 8551, NJ 1996, 213).

Er is dus kortweg sprake van vereenzelviging, wanneer door degene met zeggenschap over de rechtspersoon misbruik van identiteitsverschil wordt gemaakt, waarbij hetgeen met dit misbruik wordt beoogd in rechte niet behoeft te worden gehonoreerd. De juridische vormgeving wordt uitdrukkelijk genegeerd en in plaats daarvan geldt op basis van een herkwalificerende interpretatie de andersluidende economische werkelijkheid (7).

Dusdanig misbruik is in de regel een onrechtmatige daad met toerekening van een ongeoorloofd oogmerk (8), welke uitzonderlijke omstandigheden van het geval vereisen, waarbij geldt dat omstandigheden terughoudend als zodanig dienen te worden aangemerkt. Vereenzelviging is dus een ultimum remedium (9)

Daarmee geldt een strenge toets, welke terug te voeren valt op de rechtszekerheid en de autonomie van een rechtspersoon als juridische constructie, die is gecreëerd om een abstracte entiteit een eigen identiteit in het economisch verkeer te geven, en aan deze entiteit een afgescheiden vermogen toe te kennen om ongewenste aansprakelijkheden te voorkomen (10).

2.3 Kwalificatievraag

Voor de kwalificatievraag geldt de Groen/Schoevers-doctrine, bevestigd in arresten van de Hoge Raad als Deliveroo, Uber en Helpling. Er geldt een volgordelijke (11) tweefasenleer van een uitlegfase en een kwalificatiefase met een holistische toets. 

In de woorden van de Hoge Raad: “Art. 7:610 BW omschrijft de arbeidsovereenkomst als de overeenkomst waarbij de ene partij, de werknemer, zich verbindt in dienst van de andere partij, de werkgever, tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten. Om te kunnen beoordelen of een overeenkomst als een arbeidsovereenkomst moet worden aangemerkt, moet door uitleg aan de hand van de Haviltexmaatstaf worden vastgesteld welke rechten en verplichtingen partijen zijn overeengekomen. Als de overeengekomen rechten en verplichtingen voldoen aan de wettelijke omschrijving van de arbeidsovereenkomst, moet de overeenkomst als zodanig worden aangemerkt. Voor deze kwalificatie is niet van belang of partijen de bedoeling hadden de overeenkomst onder de wettelijke regeling van de arbeidsovereenkomst te laten vallen. Of een overeenkomst moet worden aangemerkt als arbeidsovereenkomst, hangt af van alle omstandigheden van het geval in onderling verband bezien.”

Op basis van het Groen/Schoevers-arrest geldt “dat partijen die een overeenkomst sluiten die strekt tot het verrichten van werk tegen betaling, deze overeenkomst op verschillende wijzen kunnen inrichten, en dat wat tussen hen heeft te gelden wordt bepaald door hetgeen hun bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stond, mede in aanmerking genomen de wijze waarop zij feitelijk aan de overeenkomst uitvoering hebben gegeven en aldus daaraan inhoud hebben gegeven. Aan de hand van de op deze wijze vastgestelde inhoud van de overeenkomst kan de rechter vervolgens bepalen of de overeenkomst behoort tot een van de in de wet geregelde bijzondere overeenkomsten.” 

Dit citaat bevat de zogenaamde “wezen gaat voor schijn”-leer in de kwalificatievraag. Hiermee wordt dan doorgaans kortweg bedoeld dat de werkelijke partijbedoeling (de feitelijke uitvoering) voorrang heeft op de uitgedrukte partijbedoeling (papier) (12)

2.4 Enkele conclusies op basis van het onderscheid tussen de partijvraag en de kwalificatievraag

Het verschil in toetsingskader per vraag impliceert onder andere het volgende:

  • bij de beantwoording van de partijvraag staat de rechtszekerheid centraal; uitgangspunt is dat geen geruisloze vervanging in contractstructuur wordt aangenomen in het kader van de vraag welke partijen zich jegens elkaar hebben verbonden;
  • voor het gelijkstellen van een rechtspersoon met een natuurlijk persoon geldt (analoog) een strenge toets op basis van onder andere het Rainbow-arrest: vereenzelviging is een ultimum remedium;
  • het Groen/Schoevers-criterium van “hoe hebben partijen feitelijk uitvoering en aldus inhoud gegeven aan hun arbeidsverhouding” dient niet voor de beantwoording van de partijvraag te worden toegepast;
  • behalve in de kwalificatiefase in de kwalificatievraag, speelt de Haviltex-maatstaf als een tweezijdige toepassing van het vertrouwensbeginsel een essentiële rol bij de beantwoording van de partijvraag én de uitlegfase van de kwalificatievraag ter bepaling van de inhoud van een overeenkomst (tot het verrichten van werk tegen betaling). Het komt aan op “de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten”; 
  • afhankelijk van de vraag verschilt het object van de Haviltex-maatstaf: identificatie versus inhoud. Dit brengt mee dat gedragingen uit de kwalificatievraag over hoe er wordt gewerkt niet zonder meer kunnen worden gebruikt ter beantwoording van de partijvraag (over met wie er wordt gewerkt), of dat zij bijvoorbeeld niet van hetzelfde gewicht zijn (13).

3. De realiteitswaardetoets 

3.1 Inleiding

Zowel de Webmodule als de MvT WVBAR spreken over de mogelijkheid dat een arbeidsovereenkomst bestaat bij het contracteren met een rechtspersoon, wanneer die rechtspersoon geen “realiteitswaarde” heeft. Andersom: is er sprake van realiteitswaarde van een rechtspersoon en is met die rechtspersoon gecontracteerd, dan zou geen arbeidsovereenkomst kunnen ontstaan. Het al dan niet bestaan van realiteitswaarde zou daarmee van grote betekenis kunnen zijn bij het beoordelen of sprake is van een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 lid 1 BW. Deze paragraaf onderzoekt de rol en betekenis van de (hier te noemen) realiteitswaardetoets in het dossier schijnzelfstandigheid, mede in het licht van de conclusies in paragraaf 2.

3.2 Webmodule

De Webmodule is ingevolge vraag 1.1 niet van toepassing op rechtspersonen. De Webmodule vermeldt bij de toelichting “rechtspersoon”: “Gaat u een overeenkomst aan met een rechtspersoon, dan gaat u een overeenkomst aan met het bedrijf. Er ontstaat dan geen arbeidsrelatie met het bedrijf. Als er geen arbeidsrelatie ontstaat, geeft de Webmodule geen oordeel.”

Kies je bij vraag 1.1 voor de optie “Nee, ik sluit een overeenkomst af met een rechtspersoon”, dan verschijnt het volgende in beeld: “Gaat u een overeenkomst aan met een rechtspersoon, dan gaat u een overeenkomst aan met een bedrijf. Deze webmodule kan echter niet bepalen of de rechtspersoon (van de werkende) realiteitswaarde heeft.”

De toelichting “realiteitswaarde beoordelen” vermeldt: “Wel kan een arbeidsrelatie ontstaan zijn als de rechtspersoon geen realiteitswaarde heeft. Bijvoorbeeld omdat alleen een rechtspersoon is opgericht om persoonlijke aansprakelijkheid te voorkomen, of om te zorgen dat opdrachtgevers geen loonheffingen hoeven af te dragen. In dit soort gevallen kan door de rechtspersoon heen gekeken worden en wordt ervan uitgegaan dat er geen sprake van een rechtspersoon is. Dan ontstaat de arbeidsrelatie tussen de opdrachtgever en de werkende persoon. Om de realiteitswaarde te kunnen beoordelen, is echter een uitgebreid onderzoek nodig naar de rechtspersoonsvorm van degene die u inhuurt. Daar is de webmodule niet geschikt voor. Daarom kan de webmodule bij inhuur van een rechtspersoon geen oordeel geven.”

Ingevolge de Webmodule geldt dus het volgende: 

  1. wordt een overeenkomst aangegaan met een rechtspersoon, dan ontstaat in de regel “geen arbeidsrelatie”;
  2. bij uitkomst “geen realiteitswaarde” is er geen rechtspersoon;
  3. een uitgebreid onderzoek is vereist voor de beoordeling of sprake is van realiteitswaarde (14);
  4. door het woordgebruik “alleen” lijkt niet snel het standpunt “geen realiteitswaarde” te kunnen worden ingenomen.

3.3 MvT WVBAR

In de Memorie van Toelichting van de WVBAR valt één keer de term “realiteitswaarde”. Dat gebeurt in voetnoot 75 (15). Hier staat: “Dat betekent ook dat als gecontracteerd wordt met een rechtspersoon, zoals een directeur grootaandeelhouder (DGA) die zich vanuit een BV laat inhuren, er in beginsel geen arbeidsovereenkomst met de opdrachtgever ontstaat. Er is gecontracteerd met de rechtspersoon en niet met de werkende in persoon. Wel kan een arbeidsovereenkomst ontstaan als de rechtspersoon geen realiteitswaarde heeft (“wezen gaat voor schijn”). Bijvoorbeeld, omdat alleen een rechtspersoon is opgericht om persoonlijke aansprakelijkheid te voorkomen, of om te zorgen dat opdrachtgevers geen loonheffingen hoeven af te dragen. In dit soort gevallen wordt ervan uitgegaan dat er geen sprake van een rechtspersoon is. De arbeidsrelatie ontstaat dan niet met de rechtspersoon, maar met de persoon die de opdracht uitvoert. Zie bijvoorbeeld het arrest HR 13 juli 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA6231 (Thuiszorg Rotterdam/PGGM).”

Uit dit citaat volgt het volgende: 

  1. in beginsel kan geen arbeidsovereenkomst met de opdrachtgever ontstaan, wanneer met een rechtspersoon wordt gecontracteerd. Volgens de regering is bij het contracteren met een rechtspersoon geen arbeidsovereenkomst het uitgangpunt; “er door heen kijken” de uitzondering;
  2. door het woordgebruik “alleen” lijkt, ook op basis van de MvT WVBAR, niet snel het standpunt “geen realiteitswaarde” te kunnen worden ingenomen;
  3. bij uitkomst “geen realiteitswaarde” is er geen rechtspersoon;
  4. de regering lijkt de beoordeling op realiteitswaarde met “de wezen gaat voor schijn”-leer gelijk te stellen;
  5. de regering lijkt het Thuiszorg Rotterdam/PGGM-arrest te beschouwen als een voorbeeld uit de rechtspraak, waarin de Hoge Raad overwoog dat er geen sprake was van realiteitswaarde van een rechtspersoon.

3.4 Beoordeling Webmodule en MvT WVBAR

Realiteitswaarde is geen gebruikelijk civielrechtelijk begrip. Het is veeleer een fiscaal verzamelbegrip. De algemene (rechtsgebiedoverstijgende) verwijzing naar het begrip “realiteitswaarde” in de Webmodule en de MvT WVBAR roept verschillende vragen op.

Ten eerste is op basis van de Webmodule en de MvT WVBAR niet zonder meer duidelijk op welke vraag de realiteitswaardetoets ziet: de partijvraag of de kwalificatievraag. Op basis van de Webmodule en de MvT WVBR ziet realiteitswaarde op de partijvraag (zie vraag 1.1. van de Webmodule) én wordt het op basis van de MvT WVBAR daar gelijkgesteld met “de wezen gaat voor schijn-leer”. Daarmee zouden de kwalificatievraag (Groen/Schoevers-doctrine met “de wezen gaat voor schijn”-leer) en de partijvraag ten onrechte door elkaar worden gebruikt (16). Het is onjuist om een realiteitswaardetoets uit de kwalificatievraag gelijkelijk in te zetten in de partijvraag, om de redenen uitgezet in paragraaf 2. Na “uitleg” lijken de Webmodule en de MvT WVBAR de realiteitswaardetoets veeleer te plaatsen in het slot van de partijvraag. 

Dat aannemende zou dit betekenen dat de verwijzing van de regering naar het Thuiszorg Rotterdam/PGGM-arrest nuance vergt. In die zaak had een directeur en enig aandeelhouder met zijn Holding B.V. een managementovereenkomst gesloten met Thuiszorg Rotterdam. Daar speelde voor de Hoge Raad nu juist niet de vraag of er sprake was van een geruisloze overgang van een inleensituatie naar een arbeidsovereenkomst in de zin van HR 5 april 2002, nr. C00/334, NJ 2003, 124. 

De Hoge Raad merkt uitdrukkelijk op: “Opmerking verdient hierbij dat in de onderhavige zaak, anders dan in het geval van HR 5 april 2002, nr. C00/334, NJ 2003, 124, waarnaar het onderdeel verwijst, niet de vraag aan de orde is of sprake is van een geruisloze overgang van een inleensituatie naar een arbeidsovereenkomst, nu het hof niet heeft aangenomen dat [betrokkene 1] aanvankelijk op andere basis dan een arbeidsovereenkomst voor Thuiszorg Rotterdam werkzaam was.” 

Het hof had feitelijk vastgesteld dat de arbeidskracht en Thuiszorg Rotterdam zich tot elkaar hadden verbonden. De partijvraag, als voorvraag of tussen de betrokken partijen een overeenkomst bestond, was derhalve reeds feitelijk beantwoord en voor de Hoge Raad met dat feitelijke oordeel een gegeven (17). 

Aannemende dat de realiteitswaardetoets ziet op de partijvraag, is het ten tweede niet zonder meer duidelijk op basis van de Webmodule of de MvT WVBAR hoe de realiteitswaardetoets zich verhoudt tot de te onderscheiden en in te zetten leerstukken bij de beantwoording van de partijvraag op basis van het verbondenheidscriterium. 

Net als bij kwalificatie (18) van een overeenkomst tot het verrichten van werk tegen betaling mag worden aangenomen dat het fiscale recht voor de partijvraag aansluit bij het civiele recht, althans beide rechtsgebieden gelijke tred houden. Daartoe kan worden verwezen naar Nieuwenhuizen, welke terzake de interpretatie van civielrechtelijke rechtshandelingen en/of rechtsverhoudingen voor het fiscale recht het volgende concludeert: 1) de rechtswil van partijen bepaalt de inhoud van de rechtshandeling/rechtsverhouding; 2) deze inhoud is voor het civiele en het fiscale recht gelijk; 3) de inhoud wordt niet beïnvloed door de (zakelijke of fiscale) motieven die partijen hebben voor hun handelingen; en 4) het is voor de inhoud niet van belang in welke mate partijen er zich van bewust zijn dat ze aan derden een onjuiste rechtsverhouding presenteren of onderling een onjuiste rechtsvorm hanteren.” (19) 

De toelichtingen in de Webmodule en de MvT WVBAR stellen dat er bij de uitkomst “geen realiteitswaarde” “geen sprake van een rechtspersoon is”. De realiteitswaarde lijkt daarmee niet te gelden als methode ter invulling van de vereenzelvigingstoets, waarbij er wel sprake is van een rechtspersoon, maar die wordt gelijkgesteld met in dit kader de natuurlijke persoon.

De voorbeelden ter toelichting van het begrip “realiteitswaarde” in de Webmodule en de MvT WVBAR (uitsluitend voorkomen persoonlijke aansprakelijkheid of geen loonheffingen opdrachtgevers) lijken te zien op misbruik als methode tot (de dan wel genoemde) omvorming van een feitencomplex in het kader van de verbondenheidstoets in de partijvraag. De realiteitswaardetoets lijkt geënt op het fiscale recht. In de (fiscale) literatuur wordt het belang van materiële werkelijkheid veeleer gekoppeld aan fraus legis. Het betreft dan een rechtsvindingstechniek waarbij, in geval een reeks van handelingen is verricht met als doorslaggevend motief om een (belasting)voordeel te behalen, doel en strekking van de wet tot uitdrukking worden gebracht met als gevolg dat het voordeel niet wordt verleend (20). Gebrek aan economisch realiteit is dan een belangrijke aanwijzing voor de aanwezigheid van wetsontduiking (21). De economische realiteit zou dan soms voorrang moeten hebben boven de privaatrechtelijke vorm die belastingplichtigen hebben gekozen (22). Fraus legis geldt als ultimum remedium vanwege de inbreuk op het rechtszekerheidsbeginsel, maar is ook “per definitie een subsidiair rechtsmiddel in de zoektocht naar de meest redelijke oplossing”. (23) Voor fraus legis gelden strenge vereisten met een ontgaansmotief (subjectief element) en normvereiste (objectief element).

3.4 Enkele conclusies 

Aannemende dat de realiteitswaardetoets een indicatie is voor fraus legis ter invulling van het verbondenheidscriterium heeft dit onder andere de volgende implicaties:

  • de realiteitswaardetoets is niet gelijk te stellen met het geldende verbondenheidscriterium; het is daarvan een sub-toets. Gebrek aan realiteitswaarde is een indicatie voor fraus legis;
  • in het privaatrecht kent fraus legis beperkte toepassing;
  • de Webmodule en de MvT WVBAR slaan onvoldoende acht op andere leerstukken ter beoordeling van het verbondenheidscriterium; 
  • realiteitswaarde is methodisch niet de hoofdregel om (niet) tot verbondenheid (in civielrechtelijke kaders) te concluderen, maar de uitzondering.

4. Conclusie

De eerste stap is bepalen of een overeenkomst bestaat. Ter bepaling van die partijvraag geldt niet de Groen/Schoevers-doctrine, maar de ABN AMRO/Malhi-doctrine. 

Het uitgangspunt is dat bij het contracteren met een rechtspersoon geen overeenkomst bestaat met een werkende van die rechtspersoon. De rechtszekerheid verzet zich daartegen.

De in de Webmodule en MvT WVBAR genoemde realiteitswaardetoets kan niet met “de wezen gaat voor schijn”-leer worden gelijkgesteld. De eerste ziet op de partijvraag; de laatste op de kwalificatievraag. Kwalificatiecriteria dienen niet ter beantwoording van de partijvraag te worden gebruikt.

De realiteitswaardetoets lijkt een indicatie te betreffen voor (hoofdzakelijk fiscale) fraus legis ter invulling van het verbondenheidscriterium. Het is echter niet de hoofdweg om in civielrechtelijk kader uitspraken te doen over de vraag of partijen zich jegens elkaar hebben verbonden.

Ook als indicatie voor fraus legis is de realiteitswaardetoets streng. Het is een subsidiair aan te voeren ultimum remedium. De conclusie “geen realiteitswaarde” vergt daarbij volgens de Webmodule een “uitgebreid onderzoek” van de Belastingdienst, welke onderzoeken effectief niet lijken voor te komen.

In elk geval betekent dit dat wanneer is gecontracteerd met een rechtspersoon met bijvoorbeeld meerdere vennoten, eigen cliënten, vermogensafscheiding, eigen risico’s en aansprakelijkheden, een eigen marktpositie en dergelijke, de Belastingdienst bij uitzondering lijkt te kunnen aannemen dat met een werkende een overeenkomst bestaat, laat staan een arbeidsovereenkomst. Rechters dienen (meer) serieus hobbels te nemen om te kunnen concluderen dat een werkende van een rechtspersoon zich tot de andere partij heeft verbonden of rechtspersoonlijkheid dient te worden doorbroken.

Voetnoten

  1. Zie bijvoorbeeld C.J.H. Jansen, “Het ontstaan van een arbeidsovereenkomst: de Hoge Raad op het scherp van de snede”, ArA 2022/2.
  2. HR 5 april 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8186. Zie ook HR 27 november 1992, JAR 1992/148 en HR 11 maart 1977, NJ 1977/521.
  3. De uitleg van feiten in het fiscale recht kan afwijken van het civiele recht, indien de aan de gekozen rechtsvorm verbonden fiscale gevolgen niet aanvaardbaar zijn gezien het economische resultaat ervan en gelet op de strekking van de belastingwet. Zie HR 15 december 1999, nr. 33 830, BNB 2000/126. 
  4. Voor verdere uitwerking (waaronder afbakening) hiervan: A. Zwanenburg, Schijnconstructies in het sociaal recht, Boom Uitgevers, Rotterdam, 2024.
  5. Ik beschouw in deze bijdrage fiscale kwalificatie en fraus legis als vormen van omvorming van het feitencomplex.
  6. Zie ook HR 9 juni 1995, NJ 1996/213; HR 3 november 1995, NJ 1996/215; HR 13 december 1991, NJ 1992/279; HR 24 juni 1994, NJ 1995/578; HR 13 december 1996, NJ 1997/557; HR 13 september 1996, NJ 1997/637; HR 20 december 1996, NJ 1997/638 en bijvoorbeeld HR 15 januari 1999, NJ 1999/573.
  7. Zie bijvoorbeeld H. Koster, ‘Vereenzelviging?’ Maandblad voor Vermogensrecht 2018/9.
  8. Ook het relativiteitsvereiste van artikel 6:163 BW geldt dus.
  9. Zie de noot van J.J.W. Maeijer bij het Rainbow-arrest: NJ 2000, 698.
  10.  Zie ook artikel 2:5 BW, welke het beginsel van rechtssubjectiviteit markeert. Er geldt in dat verband een gelijkstelling met een natuurlijk persoon, tenzij uit de wet anders voortvloeit.
  11. Tussen de partijvraag en de kwalificatievraag geldt een volgordelijkheid, net als tussen de uitlegfase en de kwalificatiefase van de kwalificatievraag. Zoals de partijbedoeling geen rol mag spelen bij kwalificatie, kan in de uitlegfase niet worden vooruitgelopen op een mogelijke kwalificatie als arbeidsovereenkomst. De herhaaldelijk door de Hoge Raad benadrukte volgordelijkheid wil zeggen dat de uitlegfase niet langer openstaat en is afgerond tijdens de kwalificatie. Wel zal er na de vaststellingen, en dus na het afronden van de uitlegfase, heen en weer worden gegaan tussen de in de uitlegfase vastgestelde feiten en omstandigheden enerzijds en de omschrijving van de arbeidsovereenkomst in artikel 7:610 lid 1 BW anderzijds. Anders gezegd: door de volgordelijkheid van de tweefasensystematiek kan de kwalificatietoets niet de vaststelling van de inhoud van de overeenkomst beïnvloeden, alsook andersom: de partijbedoeling niet de (objectiviteit van de) kwalificatie. Van andere orde is dus dat er noodzakelijkerwijs een wisselwerking dient plaats te vinden tussen de vastgestelde overeengekomen rechten en verplichtingen in de uitlegfase enerzijds en de omschrijving van de arbeidsovereenkomst anderzijds. Anders: bijvoorbeeld A-G De Bock in haar conclusie in de Participatieplaats-zaak: Parket 17 juni 2020, ECLI:NL:PHR:2020:698.
  12. Zie bijvoorbeeld HR 24 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:443, Ondernemingsrecht 2023/50, m.nt. J. van Slooten en Concl. A-G Drijber 29 juni 2018, ECLI:NL:PHR:2018:752, par. 3.4. In deze bijdrage wordt uitgegaan van deze meer enge opvatting van “de wezen gaat voor schijn”-leer in specifiek het kwalificatieproces.
  13. Dit maakt de motivering belangrijk. Zie HR 18 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:282.)
  14. Zie ook TK 2024-2025, Aanhangsel, antwoord op vraag 4.
  15. Dit is voetnoot 80 in de op 9 juli 2025 gepubliceerde MvT WVBAR: TK 2024-2025, 36783, nr. 3.
  16. Dit is anders voorzover “de wezen gaat voor schijn”-leer hier meer algemeen wordt bedoeld als kortweg een stelregel voor het verschil tussen de facto en de iure. Deze leer wordt dan echter snel, in de woorden van Van Slooten een “niet erg dogmatisch onderbouwde toverformule”. Zie voetnoot 11.
  17. Let daarbij op de feitelijke bijzonderheden: (1) de statuten van de stichting bepaalden dat de directeur een natuurlijk persoon was in dienst van een stichting en (2) de stichting betaalde rechtstreeks aan de directeur in plaats van op factuurbasis met btw aan de management-BV. L.G. Verburg, ‘Payrolling: over duiding en verbinding’, Ars Aequi 2013/12, p. 913. Zie ook Hof Arnhem-Leeuwarden 22 mei 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:3494. Hier stelde het hof vast dat uit de omstandigheden, verklaringen en gedragingen, in samenhang bezien, niet kon worden afgeleid dat de partijen zich jegens elkaar hadden verbonden. “In een dergelijke situatie verzet de rechtszekerheid zich tegen een geruisloze vervanging van de tussen [appellant] eenmanszaak, HeadFirst en RIVM bestaande contractuele inleenverhouding in een arbeidsovereenkomst tussen [appellant] en RIVM. Dat betekent dat de verzoeken van [appellant] tegen RIVM worden afgewezen.”
  18. Zie in dit verband bijvoorbeeld de Toelichting Beoordeling arbeidsrelatie en de verschillende tranches van het Handhavingsplan arbeidsrelaties van de Belastingdienst.
  19. J.H.M. Nieuwenhuizen, Rechtsvinding en fiscale werkelijkheid, Kluwer, Deventer, 2010, p. 201. Er bestaat dan beperkt ruimte voor fiscale kwalificatie. 
  20. J.H.M. Nieuwenhuizen, Rechtsvinding en fiscale werkelijkheid, Kluwer, Deventer, 2010, p. 262.
  21. R.L.H. IJzerman, Het leerstuk van de wetsontduiking in het belastingrecht, Deventer, Kluwer, 1990, p. 12.
  22. J.L.M. Gribnau & R.H. Happt, “Convergentie en divergentie”. in: R.H.J. Essers (red.). Verkenningen op de grens van burgerlijk recht en belastingrecht. Boom Juridische uitgevers, Den Haag, 2000.
  23. K.L.H. Mens en A.L. Faber, “Fraus legis. Het grijze gebied tussen belastingontduiking, belastingontwijking en geoorloofde financiële planning”, Tijdschrift voor Fiscaal Recht (België), 2008/337, p. 219.
Geplaatst in Professioneel inhuren | Tags , | 2s Reacties

easeley wordt partner van ZiPconomy: meer kennis én betaalbare verzekeringen voor zelfstandig professionals

De behoefte aan heldere, betrouwbare informatie over verzekeringen groeit onder zelfstandig ondernemers. Tegelijkertijd neemt de complexiteit van het ondernemerschap toe, gedreven door veranderende wet- en regelgeving en groeiende onzekerheden rondom inkomen en aansprakelijkheid. easeley, een digitale verzekeringsaanbieder gericht op zelfstandig ondernemer, sluit zich nu als partner aan bij ZiPconomy, om op dat vlak extra waarde te bieden.

Kennis en oplossingen hand in hand

ZiPconomy voorziet zijn lezers al jaren van actueel nieuws, inzichten en analyses over wat er gaande is op de zzp-markt. easeley vult dat aan met diepgaande kennis en praktijkervaring op het gebied van verzekeringen.

Als partner zal easeley actief bijdragen met inhoudelijke artikelen, analyses en opinies over thema’s als aansprakelijkheid, inkomensrisico’s en de impact van beleidswijzigingen.

Hugo-Jan Ruts, oprichter van ZiPconomy, ziet de samenwerking als een logische aanvulling: “Onze lezers kunnen van ZiPconomy verwachten dat we boven op de actualiteit zitten, met nieuws, inzichten en analyses. Fijn om partners als easeley te hebben, die dan verder gaan met  meer uitleg, handvatten en oplossingen. Dat vult elkaar goed aan.”

Verzekeren moet simpeler

Michel Verheij, oprichter van easeley, ziet dagelijks hoe de verzekeringsmarkt voor zzp’ers tekortschiet: “De zzp-verzekeringsmarkt is nog te vaak complex, versnipperd en niet ingericht op hoe zelfstandig professionals vandaag werken. Ondernemers willen snelheid, duidelijkheid en flexibiliteit, en geen dikke polisvoorwaarden en lange doorlooptijden.”

Volgens Verheij is het gebrek aan overzicht een belangrijke reden waarom veel zelfstandigen onvoldoende verzekerd zijn: “Veel zzp’ers weten dat ze iets moeten regelen, maar stellen het uit omdat verzekeren als gedoe voelt. Als je het simpel, transparant en betaalbaar maakt, zie je dat de bereidheid om goed verzekerd te zijn direct toeneemt.”

De keuze voor ZiPconomy als platform is voor Verheij dan ook een logische: “ZiPconomy bereikt precies de doelgroep waar het om draait: zelfstandigen die bewust bezig zijn met hun ondernemerschap. Dat maakt het voor ons een logisch en krachtig platform om hen te helpen betere keuzes te maken rondom risico’s en verzekeringen.”

Politieke context: meer ruimte, maar ook meer eisen

De samenwerking komt op een moment waarop de regels rond zelfstandig ondernemerschap in beweging zijn. Ruts plaatst het in een breder perspectief: “De politieke lijn voor de komende jaren is duidelijk: mogelijk meer ruimte voor zelfstandigen, maar ook meer eisen. Rond arbeidsongeschiktheidsverzekeringen en pensioen, maar ook verzekeringen rond beroep- en bedrijfsaansprakelijkheid kunnen meegewogen worden in de beoordeling of je een echte ondernemer bent. De situatie is voor iedereen weer anders. Afhankelijk van welk type opdrachten je doet en in welke fase van je ondernemerschap je zit.”

Exclusieve korting voor ZiPconomy-lezers

Met deze samenwerking zet easeley de volgende stap in hun ambitie: zelfstandig professionals niet alleen voorzien van kennis en inzicht, maar ook van praktische oplossingen die bijdragen aan zekerheid, continuïteit en groei.

Als concreet voordeel voor de ZiPconomy-lezers biedt easeley een extra korting van 5% bovenop de al scherp geprijsde combinatie van beroeps- en bedrijfsaansprakelijkheidsverzekeringen.

Geplaatst in ZP en Ondernemen | Tags , | Laat een reactie achter

“Ondernemerschap is vrijheid, maar zonder individuele verantwoordelijkheid werkt het systeem niet.”

Public Affairs-collega’s Sem Overduin en Oifik Youssefi schreven samen het boek De ZZPuzzel, een feitelijke uiteenzetting van het zzp-dossier. Het boek kwam tot stand na vele gesprekken met arbeidsmarktexperts uit de wetenschap, politiek en het maatschappelijk middenveld. Hardnekkige misinformatie, eenzijdige beeldvorming, gebrek aan politieke daadkracht en de complexiteit van het arbeidsrecht maken het dossier een ingewikkelde puzzel. In deze artikelenreeks gaan de auteurs in gesprek met betrokkenen die een aanvullend puzzelstuk aandragen.

Steeds meer zzp’ers bouwen hun pensioen op via een pensioenaanbieder. Een trend die volgens verschillende experts samenhangt met de plannen om box 3 te herzien. Veel zzp’ers die sparen voor pensioen of arbeidsongeschiktheid doen dat nu nog in box 3, terwijl er fiscaal aantrekkelijkere routes bestaan. Sjaak Zonneveld weet daar alles van. Als mede-oprichter van BrightPensioen zet hij zich al jaren in om pensioenopbouw voor zzp’ers toegankelijker en begrijpelijker te maken. Tegelijk pleit hij voor meer flexibiliteit binnen het stelsel, zodat zelfstandigen niet alleen voor later opbouwen, maar ook in moeilijke tijden op hun opgebouwde buffer kunnen terugvallen. Vanuit zijn ervaring in de sector en het publieke debat schetst hij waar het huidige systeem tekortschiet en wat er nodig is om het beter aan te laten sluiten op een steeds flexibelere arbeidsmarkt. Oifik gaat hierover met Sjaak in gesprek. 

In hoeverre is het zzp-dossier een puzzel volgens jou?  

Dat valt eigenlijk best mee. Er wordt steeds een puzzel van gemaakt, maar dat komt wat mij betreft vooral door partijen die het hele idee van zzp’en niet zien zitten, zoals vakbonden. Als je uitgaat van de werkende zelf, is het vrij simpel. Iedereen moet kunnen werken in de vorm die hij of zij wil. Loondienst is prima, zelfstandig werken ook. De meeste zzp’ers kiezen bewust voor het ondernemerschap. Dan is het dus niet echt een probleem. 

Waar het wel misgaat, is dat sommige zzp’ers voor veel te lage tarieven werken. Dat moet je aanpakken. Daar kan het rechtsvermoeden van werknemerschap een rol in spelen. Maar dat maakt het hele dossier nog geen onoplosbare puzzel.

Welk puzzelstuk zou je willen toevoegen aan De ZZPuzzel? 

De individuele verantwoordelijkheid van zzp’ers. Dat zie ik te weinig terug in de discussie over het zzp-dossier. Bedenk: als je geen voorzieningen treft voor arbeidsongeschiktheid of pensioen, dan gaat er iets mis. Ondernemerschap betekent ook dat je vooruitkijkt. 

Wat mij betreft maak je fiscale voordelen voorwaardelijk. Denk aan de mkb-winstvrijstelling of zelfstandigenaftrek. Koppel daar eisen aan. Als je geen voorzieningen hebt geregeld, waarom zou je dan wel alle voordelen krijgen? Beide regelingen worden nu wel fors afgebouwd, maar anders was dat een mooi streven geweest. 

Veel zzp’ers maken zich zorgen over de wijzigingen in box 3. In hoeverre is de huidige ophef volgens jou gebaseerd op feitelijke risico’s, en in hoeverre op misinformatie of framing? 

Je moet het simpel houden: vergelijk wat er nu is met wat het wordt. Op dit moment betaal je belasting over een fictief rendement. Dat is fundamenteel scheef, omdat het niets zegt over wat je daadwerkelijk hebt verdiend. De stap naar belasting op werkelijk rendement is dus logisch. 

De discussie zit vooral bij niet-liquide beleggingen. Crypto wordt de laatste tijd vaak als voorbeeld genoemd, maar daar wordt het probleem overdreven. Als je winst hebt, kun je een deel verzilveren en daar je belasting van betalen. Dat is geen onoverkomelijke drempel. 

Complexer ligt het bij vermogen dat je niet zomaar liquide maakt, zoals vastgoed. Daar is het uitgangspunt terecht anders: pas belasten op het moment dat je daadwerkelijk verkoopt en de winst realiseert. 

De kern is helder. Liquide te maken rendement kun je vest direct belasten. Niet-liquide rendement belast je op het moment van verzilvering. Dat onderscheid maakt het systeem juist consistenter. 

De verontwaardiging komt vaak voort uit onduidelijkheid of framing. In de basis verandert er minder dan wordt gesuggereerd. Je betaalt nog steeds belasting over niet gerealiseerd rendement – net als nu -,alleen niet langer over een fictie maar over wat je echt hebt verdiend.

NOS meldde in februari dat pensioenaanbieders meer interesse van zzp’ers signaleren door de nieuwe box 3-regels. Zie je dit als een tijdelijke reactie op de herzieningsplannen, of wijst dit op een structurele omslag in hoe zelfstandigen naar hun pensioen kijken? 

We zien eigenlijk ieder jaar een stijging in het aantal aanmeldingen van zzp’ers ten opzichte van het jaar ervoor. Dit jaar wel een groetere toename. Of er een structurele omslag is, durf ik niet te zeggen. Wat wel vaststaat, is dat er een kenniskloof is. Een groot deel van de zzp’ers weet niet eens dat ze fiscaal gunstig pensioen kunnen opbouwen in box 1. De meesten sparen nog steeds in box 3. 

Dat is eigenlijk de kern. In box 1 kun je inleggen en dat aftrekken van je inkomstenbelasting, én je betaalt die vermogensrendementsheffing. Dat is echt veel gunstiger. De berichtgeving hierover is vaak misleidend. Het lijkt alsof box 3 dé plek is voor het pensioen van ondernemers, maar dat klopt niet. 

De aankondiging van Eelco Heinen (VVD), minister van Financiën, om box 3 op een aantal punten opnieuw te herzien, zonder breed overleg, zorgde voor veel kritiek. Wat doet zo’n spontane koerswijziging volgens jou met het vertrouwen van zzp’ers in de politiek op dit thema? 

Ik vind dat in het algemeen inderdaad een probleem. In het kader van continuïteit is dit niet gewenst. Kijk maar bijvoorbeeld naar de discussie rondom de verhoging van de AOW-leeftijd. Een paar jaar geleden is in het pensioenakkoord afgesproken dat de stijging zou worden afgeremd, en vervolgens wordt daar toch weer door de nieuwe coalitie van afgeweken. Dat ondermijnt vertrouwen. 

Hetzelfde zie je bij box 3. Dat dossier sleept al jaren voort en hangt als een soort zwaard van Damocles boven de markt. Iedereen begrijpt dat het huidige systeem niet houdbaar is en dat er iets moet gebeuren, maar het gebrek aan consistentie maakt het onvoorspelbaar. Continuïteit is hier cruciaal, en het is logisch dat zzp’ers hierdoor kritischer zijn geworden. 

Daarnaast is er terechte kritiek op de manier waarop verliezen worden behandeld, met name het voorwaarts en terugwaarts verrekenen. Als je dat goed regelt en tegelijkertijd afstapt van het fictieve rendement, heb je in de kern een werkbaar systeem. 

In de plannen rond de beoogde Zelfstandigenwet wordt gesproken over het (deels) verplicht stellen van pensioenvoorzieningen voor zzp’ers. In hoeverre acht je dit criterium voor zzp’ers noodzakelijk? 

Commercieel gezien zou het voor ons interessant zijn, dat zeg ik eerlijk. Ondernemerschap draait niet alleen om vrijheid, ook om verantwoordelijkheid. Tegelijkertijd ben ik principieel geen voorstander van verplichtingen via de wet. 

Het wetsvoorstel spreekt over ‘adequate voorzieningen’, maar wat dat concreet betekent blijft vaag. Iedereen draagt al bij aan de AOW, dat is helder. Waar het volgens mij om zou moeten draaien, is dat zzp’ers niet alleen sparen voor later, maar ook ruimte hebben voor het hier en nu. 

Als iemand in financiële problemen komt, en dat is gewoon zichtbaar in de inkomstenbelastingaangifte, moet het mogelijk zijn om eerder geld op te nemen uit zo’n opbouwde pot voor later. Nu kan dat alleen bij langdurige arbeidsongeschiktheid. 

Verruim die regels. Zorg dat mensen eerder bij hun pensioenpot kunnen als dat nodig is. De coronacrisis heeft laten zien waarom dat essentieel is. Veel zzp’ers moesten toen interen op hun eigen middelen. Dat moet je serieus nemen in hoe je het stelsel inricht. 

Werknemers bouwen pensioen op via collectieve regelingen, terwijl zzp’ers dat zelf moeten organiseren. In een arbeidsmarkt waarin mensen steeds vaker wisselen tussen loondienst en zzp, wringt die scheiding volgens critici steeds meer. Waar begint dit systeem volgens jou vast te lopen? 

Pensioen in Nederland zou in de kern persoonsgebonden moeten zijn. Onder het oude stelsel, met het Financieel Toetsingskader, lag de nadruk sterk op zekerheid. Daardoor is er veel collectief vermogen opgebouwd, waarbij een deel daarvan zat vast in buffers, om die zogenaamde zekerheid te bieden. 

Met de Wet toekomst pensioenen verschuift dat, maar de structuur is nog steeds deels gebaseerd op een arbeidsmarkt die niet meer bestaat. Vroeger bleef je vaak lange tijd werkzaam in één sector, die gekoppeld was aan één pensioenfonds. Dat model sluit steeds minder aan op de realiteit. De gemiddelde 35-jarige heeft al een stuk of 5 pensioenregelingen.  

Werkenden bewegen nu veel vaker tussen werk- of opdrachtgevers, tussen sectoren en contractvormen. In zo’n context is een systeem dat gekoppeld is aan werkgevers simpelweg minder logisch. Door pensioen echt persoonsgebonden te maken, wordt het arbeidsvormneutraal. Dat sluit beter aan bij hoe mensen vandaag de dag werken en organiseer je continuïteit, ongeacht de vorm van arbeid. 

Experts, ook in het boek, pleiten veelal voor een herziening van het socialezekerheidsstelsel waarin zowel mensen in loondienst als zzp’ers bijdragen aan o.a. pensioen en arbeidsongeschiktheid. Hoe kijk je hiernaar?

Ik ben hier een groot voorstander van. Iedere werkende zou moeten bijdragen aan sociale zekerheid. Dat maakt het stelsel eerlijker en breder gedragen. 

Er zit wel een risico in. Als je als zzp’er tijdelijk geen opdrachten hebt of niet winstgevend bent, wordt bijdragen lastig. Dat vraagt om flexibiliteit in hoe je het organiseert. 

Juist daarom blijft eigen verantwoordelijkheid essentieel. Als zzp’er moet je zelf zorgen voor een buffer en een eigen pot, zodat je ook in mindere periodes overeind blijft.

Afsluitend, wat is jouw advies aan politiek Den Haag?

Zorg dat zelfstandigen – in geval van financiële nood – eerder toegang kunnen krijgen tot hun lijfrentekapitaal. Niet om het systeem uit te hollen, maar om de drempel te verlagen om geld opzij te zetten. 

Het gaat er niet om dat mensen hun pensioenpot leegtrekken, maar dat die ruimte er wel is, in uitzonderlijke situaties. De pandemie heeft laten zien dat die nood reëel is. 

Juist die flexibiliteit kan mensen over de streep trekken om wél via box 1 iets op te bouwen. Door de recente Box 1-verruiming kunnen mensen bovendien veel meer opzijzetten, zodat die buffer ook makkelijker voor andere financiële nood aangewend kan worden. Een zelfstandige wil heus ook wel een appeltje voor de dorst. Alleen kan die dorst bij een zelfstandige ook al veel eerder en op onverwachte momenten toeslaan! 

Geplaatst in ZP en Ondernemen | Tags , , | 1 Reactie

VS vereenvoudigt belastingregels voor freelancers en gig workers

De discussie over wat te doen met de groeiende groep freelancers is zeker geen exclusief Nederlands onderwerp. Waar Nederland belastingvoordelen voor zzp’ers in rap tempo afbouwt en regels aanscherpt, kiest de VS voor een andere koers. Dat blijkt uit een nieuw overzicht op de website van de Amerikaanse belastingdienst IRS.

Daarin staat uitgewerkt wat de – omstreden – One Big Beautiful Bill Act concreet betekent voor freelancers.

Minder formulieren, meer eigen verantwoordelijkheid

De kern van de wet is eenvoudig: minder papierwerk. In de VS moeten opdrachtgevers en betaalplatforms bij de belastingdienst (IRS) melden hoeveel ze aan freelancers betalen, via zogenaamde 1099-formulieren. De drempel daarvoor is verdrievoudigd, van 600 naar 2.000 dollar. Voor platforms als Uber, Etsy en PayPal geldt voortaan pas een meldplicht bij 20.000 dollar én 200 transacties per jaar — een eerdere verlaging naar 600 dollar is definitief geschrapt. Het resultaat: naar schatting verdwijnt meer dan een derde van alle formulieren.

De keerzijde is dat de verantwoordelijkheid verschuift. Zonder formulier als geheugensteuntje moeten freelancers hun inkomsten nu zelf nauwkeurig bijhouden — alle verdiensten blijven gewoon belastbaar, ongeacht of de IRS er een formulier voor ontvangt.

Permanente belastingverlaging voor zelfstandigen

Naast de administratieve vereenvoudiging maakt de wet een aantal belastingvoordelen permanent. De belangrijkste is de Qualified Business Income-aftrek: zelfstandigen met een eenmanszaak of vergelijkbare ondernemingsvorm mogen voortaan 23 procent van hun bedrijfswinst aftrekken, verhoogd ten opzichte van de eerdere 20 procent. In de praktijk betaalt een freelancer met 100.000 dollar winst daardoor belasting over nog geen 77.000 dollar.

Daarnaast mogen bedrijfsmiddelen als laptops, camera’s en auto’s direct volledig worden afgeschreven in het jaar van aankoop, in plaats van gespreid over meerdere jaren. Een nieuwe aftrekpost voor rente op autoleningen — tot 10.000 dollar — komt daar nog bij, al geldt die alleen voor in de VS geassembleerde voertuigen.

Fooien en overwerk: Trumps belofte ingelost

De politiek meest opvallende maatregel is de belastingvrijstelling op fooien, een verkiezingsbelofte van Trump. Werkenden in de horeca, rideshare-chauffeurs en kappers mogen tot 25.000 dollar aan fooien aftrekken. Voor overwerk geldt een vergelijkbare regeling. Beide maatregelen zijn wel tijdelijk en lopen in 2028 alweer af.

In verschillende landen worden flink verschillende keuzes gemaakt rond freelancers en zzp’ers. In dit ZiPconomy-paper uit 2024 hebben we een aantal opvallende verschillen op een rij gezet.

Geplaatst in ZP en Ondernemen | Tags , , | Laat een reactie achter