Payrolling: Welke keuze maak ik als opdrachtgever Geplaatst 2 juni 2021 door Bureau Cicero In de eerste blog hebben we op vijf elementen een ‘juridische pasfoto’ gemaakt van de payrollkracht. In de tweede blog hebben we op acht elementen de rechten van de payrollkracht weergegeven. En dit doen we door een vergelijking te maken met een uitzendkracht en een medewerker in dienst bij uw eigen onderneming. Uit die twee blogs blijken de verschillende risicoprofielen. En het is duidelijk geworden dat de invoering van de Wet arbeidsmarkt in balans (Wab) heeft geleid tot nieuwe risico’s, waarvan de juridische gevolgen niet altijd even duidelijk zijn. De toegenomen complexiteit bij de keuze hoe een flexwerker in te zetten, noopt tot een duidelijke strategie en taakverdeling binnen een organisatie; er moet een keuze gemaakt worden tussen inzet als payrollkracht, als uitzendkracht of direct dienstverband bij de eigen onderneming. Die keuze heeft al invloed op de manier van werven. Het gaat dan om de vraag welk doel de onderneming nastreeft met de inzet van die medewerker. Er zijn nog veel meer factoren die de uiteindelijke keuze bepalen. Wordt dit niet bewust gedaan, dan kunnen mogelijk risico’s onopgemerkt blijven. Tegen welke prijs worden deze genomen? En hoe kunnen deze risico’s beperkt worden? In deze blog gaan we hier nader op in. Belangrijke factoren bij de keuze hoe een flexkracht in te zetten Er kunnen talloze redenen zijn om voor een bepaald model van tijdelijke inzet van flexwerkers te kiezen, die per bedrijf en naar gelang omstandigheden kunnen verschillen. We noemen er een aantal: Omvang van het werk, is er bijv. sprake van seizoensarbeid of piek/ziek Duur van het project; kort of lang Vervangbaarheid van de medewerker Complexiteit van het werk Soort functie; afbreukrisico, schaarste Fluctuaties binnen het project Capaciteit van de onderneming om zelf de juiste mensen te werven Voorbeeld Een eerste voorbeeld is een technisch hoogwaardige functie, waarvoor moeilijk in Nederland zelf gekwalificeerde kandidaten te vinden zijn en waarvoor ook derdelanders in aanmerking komen. Misschien is een werkvergunning nodig, de 30% regeling is van toepassing, er is huisvesting nodig en enige sociale begeleiding om de weg in Nederland te vinden. Op de loonlijst bij een gespecialiseerde onderneming die deze faciliteiten kan bieden en de weg weet in alle regels die hiermee samenhangen, lijkt dan een verstandige keuze. Een tweede voorbeeld is een kippenvanger. Vuil en zwaar werk op onregelmatige tijden. Geen cao, minimumloon. Makkelijk vervangbaar, maar moeilijk mensen te vinden. Veelal zijn Oost-Europeanen uit landen met lagere lonen bereid dit werk te doen. Alleen ondernemingen die de weg kennen in die landen of streken kunnen sourcen. Een laatste voorbeeld zou een bouwvakker kunnen zijn. Bouw gebeurt veelal op projectbasis. De projectmanagers en werkvoorbereiders weten heel goed welke mensen met welke vaardigheden nodig zijn om de klus te klaren. Vakkrachten worden door de projectorganisatie zelf aangetrokken maar ze worden ook geworven via uitzendbureaus. Ook hier speelt het kunnen vinden van de goede mensen op juiste tijd tegen de juiste prijs een belangrijke rol. Naast de bedrijfseigen argumenten spelen de volgende afwegingen mede een rol: Behoefte aan dienstverlening en ontzorging door een derde partij Prijs en risico’s Behoefte aan dienstverlening De opdrachtgever kan alleen kiezen voor ‘zelf doen’ als ze daar ook toe in staat is. Een voorbeeld is het leveren van huisvesting. Voor veel bouwondernemers zou het zeer lastig zijn om een buitenlandse bouwvakker te huisvesten. De uitzendbureaus waarmee ze werken zijn daarop ingericht. Zo zijn er vele soorten dienstverlening rondom flexwerk te bedenken. Prijs en risico De combinatie van de vijf elementen die de ‘juridische pasfoto’ van de medewerker vormen én de acht elementen die de rechten van de flexwerker weergegeven, bepalen uiteindelijk de initiële kostprijs. Daarmee is de feitelijke prijs nog niet bepaald. Prijs en risico zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Een initiële lage prijs kan feitelijk duur uitpakken en andersom. Hieronder bieden wij inzicht in een aantal factoren waarmee rekening dient te worden gehouden bij de inhuur van flexwerkers. Er zal per geval een vergelijking moeten worden gemaakt tussen de situatie waarin een werknemer rechtstreeks in dienst is van een opdrachtgever en de situatie waarin het een flexwerker betreft. Waarbij rekening dient te worden gehouden met het onderscheid tussen payrollkrachten en uitzendkrachten. Factoren Prijs: Sectorindeling (ZW en WGA (WHK)) Uurloon en overige arbeidsvoorwaarden, waaronder ook pensioen Vergoedingen bij ontslag zoals de transitievergoeding Leegloop Loondoorbetaling bij ziekte en re-integratie Werving- en selectiekosten Risico’s: Outsourcingsrisico’s Ketenrisico’s en aansprakelijkheid Juridische kosten Imagoschade Aanvullende factoren: Werving- en selectie Beschikbaarheid huisvesting Beschikbaarheid vervoer Flexibiliteit en ontslag(mogelijkheden) Binding van werknemers De inzet van flexwerkers en het uitvoeren van werkgeverstaken is complex geworden om zomaar wat te doen. Wanneer er strategisch en met een stappenplan gewerkt wordt, is duidelijk wie zich waarmee bezighoudt, met welk doel en wat de risico’s en de kansen zijn. Zowel voor de formeel werkgever alsmede voor de opdrachtgever en de flexwerker. Dit geldt voor iedere ondernemer, groot of klein. Wanneer een onderneming denkt een uitzendkracht in te huren, maar het blijkt een payrollkracht te zijn, dan kunnen grote risico’s op loonclaims ontstaan. Voorbeeld in geval van de medewerker die (zoals geschetst in blog 1) reeds ingezet werd via een uitzendonderneming maar moest stoppen op initiatief van deze uitlener maar toch behouden moet worden voor de onderneming. Wordt deze dan op uitzendbasis via een derde opnieuw ingezet en blijkt dit een payrollkracht te zijn, dan kan de schade achteraf ongewild groot zijn. Flexwerkers zijn mensen Inhuren van flexwerkers is meer dan prijs en risico’s. De grootste uitdaging van de toekomst is het vinden én behouden van talent. Uw klanten zijn net mensen. Natuurlijk zegt u. Hetzelfde geldt voor flexwerkers die u inhuurt. Vele elementen die belangrijk zijn in de klantrelatie die u hebt met uw klanten zijn ook toepasbaar op flexwerkers die u inhuurt. Klanten hebben de keuze om bij u in te kopen of niet. Dat hebben flexwerkers ook. Zoals u omgaat met uw klanten, zo zou u ook met flexwerkers dienen om te gaan. Zeker met het oog op schaarste als het aankomt op talent, is een strategische aanpak van inhuur van flexwerkers in het belang van een gezond en toekomstbestendig werkklimaat onmisbaar. Het is belangrijk voor alle partijen die flexwerkers inhuren dat: Er een bewuste keuze wordt gemaakt via welk kanaal flexwerkers worden ingehuurd; De operationele uitvoering hiervan helder belegd is in de organisatie; Men zich realiseert dat flexwerkers ook mensen zijn en behoren tot het menselijk kapitaal van uw onderneming. Behandel uw flexwerkers net zoals u uw klanten zou behandelen; Vooraf duidelijk is onder welke voorwaarden de inhuur van flexwerkers plaatsvindt; Erop wordt toegezien dat flexwerkers correct worden beloond en de formeel werkgever in dat kader beschikt over de benodigde certificaten. Het is dan het overwegen waard om een strategische samenwerking aan te gaan met een klein aantal gespecialiseerde partners die gecertificeerd zijn voor NEN 4400-1 en PayOK en die bereid zijn om transparant te werken met hun opdrachtgevers; Goede schriftelijke afspraken worden gemaakt tussen de opdrachtgever en de formele werkgever. Het drieluik over payrolling beschrijft hoe uitzend- en payrollland eruitziet sinds de intrede van de Wet arbeidsmarkt in balans (Wab) op 01-01-2020. Maarten de Jong, inspecteur voor Bureau Cicero, schreef het samen met Hendarin Mouselli, flexwerk-specialist bij VRF Advocaten. Het drieluik behandelt achtereenvolgens wat payrollkrachten juridisch kenmerkt (deel 1), op welke rechten payrollktachten zich kunnen beroepen (deel 2), en wat de afwegingen zijn als opdrachtgever (deel 3). Het drieluik werd op 27 mei afgesloten met een webinar. In dit webinar gingen Maarten de Jong (Bureau Cicero), Hendarin Mouselli (VRF advocaten) en Tjebbe van Oostenbruggen (Brainnet / PRO Unlimited) in op de keuzes die opdrachtgevers kunnen maken. Bekijk nu de webinar terug via Bureau Cicero. Auteurs Hendarin Mouselli (VRF Advocaten) Maarten de Jong (Bureau Cicero) Geplaatst in Professioneel inhuren | Tags payrolling | Laat een reactie achter
Lost een aparte positie voor zzp´ers in het Burgerlijk Wetboek iets op? Geplaatst 2 juni 2021 door Malini Witlox Karel werkt een klein jaar, vier dagen per week voor een multinational. Hij verstuurt facturen, maar kan zich als kenniswerker niet makkelijk laten vervangen. Hij werkt nauw samen met mensen die in loondienst zijn en is dan ook regelmatig op kantoor van de opdrachtgever aanwezig. Is hij eigenlijk wel een echte zzp’er? Er is veel discussie over de vraag wie een zelfstandige is en bij wie het om een fictief dienstverband gaat. De invoering van de wet DBA is mislukt maar hoe nu verder? Werkgeversorganisatie ONL, de Vereniging Zelfstandigen Nederland en vakbond AVV presenteerden deze week hun sociaal akkoord (zie hier). Daarin pleiten ze voor ‘eigentijdse afbakening van het werknemer en zelfstandige begrip’. En daarmee de aparte positie van de zelfstandig ondernemer op te nemen in de wet. Lost zo’n aparte rechtspositie in het Burgerlijk Wetboek (BW), zoals PZO en ZZP Nederland al jaren willen, iets op? Vervanging van de Wet DBA, een regeling voor arbeidsongeschiktheid, een vangnet voor zelfstandigen met een laag verdienvermogen, sectorale afspraken, duidelijkheid voor de echte ondernemer, hervorming van het fiscale stelsel voor zzp’ers. Het is het huidige kabinet niet gelukt om een doorbraak te realiseren in deze onderwerpen. Ideeën en voorstellen genoeg. In de formatie zullen daar keuzes in gemaakt worden. Moeten we bijvoorbeeld zelfstandigen met een maximaal fiscaal jaarinkomen van 24.000 euro qua sociale zekerheid en fiscaal behandelen alsof ze in dienst zijn? Moeten we verder met de webmodule? Was de wet DBA achteraf zo’n slecht idee nog niet? In een serie artikelen zet ZiPconomy de belangrijkste voorstellen nog eens op een rij. En bespreekt met insiders in hoeverre ze ook haalbaar zijn. Zie voor alle artikelen uit deze serie, en ander nieuws rond de formatie de pagina #formatie2021 Omgedraaide bewijslast Momenteel ben je nog ‘schuldig totdat onschuld is bewezen’. Zzp’ers moeten aantonen dat ze geen werknemer zijn. PZO en VZN wil dat omdraaien. Er wordt dan wettelijk vastgelegd wat een zzp’er is. VNO-NCW heeft zich nu bij dit idee aangesloten, blijkt uit haar in februari gepresenteerde plan. Ook CDA, D66 en VVD zijn voor. Het voorkomt dat over grensgevallen eindeloos wordt gediscussieerd. Zowel opdrachtgever als opdrachtnemer hebben de zo gewenste zekerheid vooraf. De Werkvereniging en FNV Zelfstandigen zijn echter tegen. Ook zitten er juridische haken en ogen aan, zo zegt advocaat Johan Zwemmer die lid was van de commissie Borstlap. Er moet een einde komen aan de discussie over de positie van de zzp’er. Daar zijn vriend en vijand het wel over eens. Maar een eigen rechtspositie in het BW is geen oplossing, zo vindt Irene van Hest van FNV Zelfstandigen. ‘Het lost niets op’, aldus FNV “Opdrachtgevers stellen steeds dat het zo lastig om onderscheid te maken tussen zelfstandigen en werknemers. Daarom wordt er al zo lang niet gehandhaafd op de regels. Als je nu een nieuwe categorie in het leven roept via het BW, dan maak je het alleen nog ingewikkelder. Dat lost niets op.” Bij een discussie over de positie van zelfstandigen in de culturele sector vroeg een opdrachtgever zich hardop af of een circusartiest die in een circus werkt, op de loonlijst gezet moet worden, geeft Van Hest een voorbeeld uit de praktijk. “Hij voert voor langere tijd een kernactiviteit in het bedrijf uit, dan is er al snel sprake van loondienst”, zo vindt ze. “Maar als die artiest eenmalig door een ziekenhuis wordt ingehuurd om kinderen te vermaken, kan hij zich natuurlijk prima laten inhuren als zzp’er.” Ze krijgt bijval van Roos Wouters van de Werkvereniging, het belangenplatform voor Modern Werkenden. Een aparte positie in het BW maakt de problemen alleen groter, zo vindt Wouters. Want aan welke kwalificaties moet iemand voldoen om het stempel zzp’er te mogen krijgen? “Wanneer pas je in het hokje zelfstandige? Ligt dat aan het tarief? Je mag toch zelf bepalen voor welk bedrag je wilt werken. En wat als je in meerdere hokjes opereert? Wat doen we met de mensen die niet in het vakje zelfstandige passen maar er wel in willen werken? Worden die verplicht tegen hun zin in aangenomen?” De arbeidsmarkt moet juist ontschot worden, zo vindt ze. “Het moet makkelijker worden om te werken, zo wendbaar en weerbaar als mogelijk. Een arbeidsmarkt waar we nog een hokje optrekken met eigen rechten en plichten voor zelfstandigen, zorgt voor nog meer bureaucratische rompslomp om te kunnen bepalen wanneer je aan de voorwaarden voldoet.” ‘Niet vergelijken met werkgevers of werknemers’ Margreet Drijvers, directeur bij het Platform Zelfstandige Ondernemers (PZO) wil juist graag dat zzp’ers een eigen rechtspositie krijgen. De term ‘zelfstandige zonder personeel’ komt nog niet voor in wetten en regels. Het begrip ‘zzp’er’ heeft geen juridische of fiscale betekenis. “Daarom is het belang dat het huidige arbeidsrecht wordt gemoderniseerd. Zelfstandig ondernemers zijn ondernemers en geen werknemers noch werkgevers. Je moet ze daar qua rechtspositie dus ook niet mee vergelijken.” Via de webmodule wordt nu alleen gekeken naar hoe een opdrachtgever omgaat met de zelfstandigen. ”Is er sprake van gezag, kan iemand zich laten vervangen, wordt het werk ook gedaan door anderen, moet iemand mee doen aan vergaderingen? “Maar daar willen we vanaf. De zelfstandige wordt dan namelijk langs de meetlat van werknemers beoordeeld,” stelt Drijvers. Ze pleit voor een andere aanpak: “Kijk gewoon of iemand debiteurenrisico loopt. Betaalt hij zijn eigen opleidingen, is zzp’en een vrije keuze? Zo ja, geef hem dan een aparte positie in het BW. Dat hoef je die discussies ook niet meer te voeren.” Commissie Borstlap Er komen als het aan de commissie Borstlap ligt straks drie soorten arbeidskrachten: de werknemer, de zelfstandige en de uitzendkracht. Je bent een werknemer tenzij… Advocaat Johan Zwemmer, docent en onderzoeker Arbeidsrecht aan de UvA, was lid van de commissie Borstlap. Zwemmer ziet zelf, net als de commissie Borstlap, een zelfstandige als iemand die werk verricht dat niet behoort tot de reguliere activiteiten van de opdrachtgever en die niet is ingebed in de organisatie van de opdrachtgever. Een zelfstandige heeft dus een expertise die niet aanwezig is bij zijn klant en bepaalt zelf op welke manier hij zijn werkzaamheden verricht en inricht. Juridisch kun je de zzp’er een aparte positie in het BW geven, zegt hij. Daar zijn echter wel meerdere mitsen en maren aan verbonden. “Het Burgerlijk Wetboek kent bijvoorbeeld al de overeenkomst van opdracht en de overeenkomst van aanneming van werk. Een zzp’er kan nu een opdrachtnemer zijn op basis van een opdracht- of aannemingsovereenkomst, of hij is werknemer als wordt voldaan aan de criteria in de definitie van de arbeidsovereenkomst. Wanneer je nog een bijzondere overeenkomst gaat opnemen in het BW maar dan speciaal voor de zzp’er, moet duidelijk worden gemaakt waarin deze zich onderscheidt van een opdrachtnemer binnen een opdracht- of aannemingsovereenkomst.” Je kunt ook simpelweg in de wet opnemen dat iemand zzp’er is als hij op basis van een zzp-overeenkomst werkt, zegt de jurist. Als in die wetsbepaling ook wordt opgenomen dat in dat geval geen sprake is van een arbeidsovereenkomst, dan is die er in dat geval niet. Maar zelfs dan ben je er nog niet, benadrukt Zwemmer. Los van het feit dat je het dan voortaan -ook bij alle werkenden die niet zoveel te kiezen hebben- aan de opdrachtgever/werkgever laat om te beslissen of het werk op basis van een arbeidsovereenkomst of als zzp’er wordt verricht, kan dan nog steeds arbeidsrecht van toepassing zijn op deze zzp’er met een zzp-overeenkomst. Europees recht Dat komt omdat inmiddels een groot deel van de in het BW en in wetgeving daarbuiten opgenomen arbeidsrechtelijke voorschriften (denk aan de Arbowet en de Arbeidstijdenwet) is gebaseerd op Europese richtlijnen en verordeningen. “Dit arbeidsrecht van Europese origine blijft van toepassing op een zzp’er die op basis van een zzp-overeenkomst werkt, maar die op basis van Europees recht kwalificeert als werknemer. Dat laatste is het geval als sprake is van loon, arbeid en gezag. Hoe dat contractueel is ingericht doet er hierbij niet toe. Dit betekent dus dat zelfs bij meest eenvoudige vorm van wettelijke definiëring van een zzp-overeenkomst sprake zou zijn van een contractvorm waarbij, afhankelijk van hoe de zzp’er feitelijk werkt, soms een deel van het arbeidsrecht toch van toepassing is.” Een aparte positie aan de zzp’er geven in het BW brengt dus nieuwe onduidelijkheden mee. Veel beter is daarom volgens Zwemmer om de afbakening tussen werknemer en zelfstandig ondernemer meer eigentijds te maken, de kostenverschillen (belastingen en premies) tussen de verschillende contractvormen terug te brengen én de regulering van de arbeidsovereenkomst zelf te moderniseren en aan te laten sluiten op wat werkgevers en werknemers in de 21e eeuw van elkaar mogen en kunnen verwachten. “De zzp’er die niet een echte zelfstandig ondernemer is, maar die hecht aan een bepaalde autonomie en vrijheid in de manier waarop hij werkt kan dan als werknemer bij de werkgever afdwingen dat die daarin meebeweegt. Voor een echte zzp’er zou het geen moeite moeten kosten om aan te tonen dat hij zelfstandig ondernemer is.” Dat is bijvoorbeeld aan de orde bij een zzp’er die producten verkoopt, diensten levert aan particulieren of korte specialistische opdrachten verricht voor opdrachtgevers. In de overblijvende grensgevallen – en dat zullen er veel minder zijn dan nu, verwacht Zwemmer, kan een webmodule beoordeling arbeidsrelatie zoals die nu door de overheid wordt ontwikkeld behulpzaam zijn bij het vooraf duiden van de arbeidsrelatie. “Behulpzaam bij het duiden dus, niet doorslaggevend. De manier waarop het werk feitelijk wordt verricht is beslissend.” Geplaatst in ZP en Politiek | Tags formatie2021, Webmodule, wet dba | 6s Reacties
Webmodule is onbemind of onbekend Geplaatst 1 juni 2021 door ZiPredactie Van organisaties met een actief beleid rond het inhuren van zelfstandigen maakt ongeveer een op de vijf gebruik van de webmodule. Bij organisaties waarbij lijnmanagement zelf extern personeel inhuurt geeft meer dan de helft aan geen idee te hebben wat de webmodule is. Dat blijkt uit het ZiPconomy onderzoek ‘Inhuur externen. Trends 2021-2022’ waaraan meer dan 200 organisaties hebben deelgenomen. Pilot webmodule Begin van dit jaar startte de pilot met de webmodule. Een online vragenlijst die opdrachtgevers moet ondersteunen om er achter te komen of ze voor een bepaalde opdracht wel of geen zelfstandige kunnen inhuren. De pilot loopt tot september, waarna de werking geëvalueerd wordt. Direct bij aanvang van de pilot is de webmodule veel geraadpleegd, de belangstelling schijnt daarna flink te zijn afgenomen. Een campagne om de webmodule onder de aandacht te brengen is uitgebleven. Lees ook: Staatssecretaris Vijlbrief wil webmodule mogelijk ook gebruiken als handhavingsinstrument Veel onbekendheid In haar onderzoek vroeg ZiPconomy opdrachtgevers naar het gebruik van de webmodule. Daarbij hebben we een onderscheid gemaakt tussen de resultaten van organisaties die aangeven een centraal geleid beleid te hebben ten aanzien van inhuur, veelal ondergebracht bij de afdeling HR, inkoop of bij een aparte afdeling inhuur en organisaties waar inhuur (nog) gedaan wordt door directie of lijnmanagement. Van de organisaties met een ‘inhuurbeleid’ geeft 19% aan gebruik te maken van de webmodule. 43% zegt dat ‘mogelijk’ te gaan doen. De rest zegt dat niet of waarschijnlijk niet te gaan doen. Een van de genoemde redenen om de webmodule niet te gebruiken (39%) is het feit dat er niet rechtstreeks maar via een bureau wordt ingehuurd. Een webmodule voor ‘tussenkomst’ is echter niet beschikbaar. 10% vindt de webmodule te arbeidsintensief, vindt te uitkomsten te vaag of wacht totdat de webmodule een definitieve uitkomst geeft. Een deel geeft ook aan weinig toegevoegde waarde te zien in de webmodule omdat ze vertrouwen op hun eigen beleid en beoordeling. Van deze respondenten uit organisaties met een inhuurbeleid, zegt 9% niet te weten wat de webmodule is. Dat percentage is onder organisaties waarbij inhuur niet centraal geregeld fors hoger. 55% van de respondenten (zowel directie, management als HR of inkoop) uit die organisaties stelt nog nooit van de webmodule gehoord te hebben. 22% geeft aan (waarschijnlijk) geen gebruik te gaan maken van de webmodule. 24% gaat dat ‘mogelijk’ doen, geen enkele organisatie uit deze groep geeft aan de webmodule nu te gebruiken. Overigens zijn organisaties met minder dan 100 fte fors ondervertegenwoordigd in dit onderzoek. Verondersteld kan worden dat ook in deze groep bedrijven de bekendheid met de webmodule laag is. De webmodule is geen verplicht instrument voor organisaties. Het is vooral een hulpmiddel om te kunnen beoordelen of voor een opdracht nu wel of geen zelfstandige ingehuurd kan worden. Dat kan met name behulpzaam zijn voor organisaties die geen eigen beleid rond inhuren van externen hebben. De onbekendheid onder juist deze groep is zorgelijk. Geplaatst in Professioneel inhuren | Tags Webmodule | Laat een reactie achter