Maandelijkse archieven: januari 2021

SCP: platformwerk biedt meer voordelen dan nadelen

Dit is de conclusie uit het rapport dePlatformisering en de kwaliteit van werkdat het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) heeft gepubliceerd.

Voordelen platformwerk

Het SCP ziet dus zeker ook voordelen. Platformwerk biedt mensen de flexibiliteit (vrijheid en autonomie) die ze nodig hebben om hun werk met zorgen (gezin) en leren (studie) te combineren. Het maakt bijklussen ook gemakkelijk, ook voor mensen die bijvoorbeeld door de coronacrisis hun hoofdinkomen zien dalen.

En platformisering maakt de arbeidsmarkt zelfs inclusiever; het biedt kansen voor mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt, omdat het vaak laagdrempelig is. Het creëert daarmee werkgelegenheid voor groepen die het ‘in de traditionele economie moeilijk hebben’, zoals mensen met een migratie-achtergrond.

En platformwerk moedigt ondernemerschap aan; werkenden, met expertise en vaardigheden waar veel vraag naar is, krijgen toegang tot meer potentiële klanten en kunnen hierdoor meer verdienen.

Nadelen platformwerk

Maar het SCP noemt ook een aantal nadelen van platformisering. Omdat het bij platformwerk om korte klussen gaat is er sprake van relatief veel onzekerheid en onvoorspelbaarheid. (Ook omdat de meeste platformen in kortdurende klussen bemiddelen. De platformwerkers zijn meestal zzp’ers of flexkrachten met een nulurencontract.)

En volgens het SCP zijn er ‘indicaties’ dat de verdiensten in de platformeconomie gemiddeld lager liggen dan de verdiensten voor vergelijkbaar werk in de traditionele economie. Dat eenvoudige klussen relatief slecht verdienen komt natuurlijk ook doordat het op grote schaal online kan worden geoutsourced; op internationale online platformen is er concurrentie met werkenden uit lage loonlanden.


Platform of uitzenden 

Een van de meest actuele discussies rond platformen is de vraag wat nu precies het verschil is tussen de (sterk gereguleerde) uitzendbureaus en platformen, waar (nog?) geen aparte regels voor zijn. 

Zo ligt bijvoorbeeld platform Temper onder vuur vanuit de arbeidsinspectie. MT/Sprout meldt dat in een nog niet uitgebracht rapport de conclusie wordt getrokken dat het bemiddelingsplatform voor zzp’ers feitelijk een werkgever is. Temper-oprichter Niels Arntz reageert nonchalant: ‘Het ministerie heeft na drie jaar onderzoek van de 26.992 bijverdieners die in diezelfde periode via ons platform aan de slag zijn gegaan slechts twee gevallen van mogelijke schijnzelfstandigheid gevonden. Het beste bewijs dat er bij Temper geen sprake is van structurele schijnconstructies.’   

Platformexpert Martijn Arets en universitair HRM-deskundige Jeroen Meijerink publiceerden op ZiPconomy dit mooie en lange artikel naar aanleiding van hun onderzoek naar de verschillen tussen uitzenders en klusplatformen. 


Voor mensen die voor platformen werken die actief sturen – bijvoorbeeld door het werk digitaal te monitoren- geldt dat zij minder autonomie en een hogere werkdruk ervaren en vaak minder verdienen. Daarnaast is er weinig aandacht voor (formele) scholing; de platformwerkers worden immers als zelfstandigen gezien. Ook verslechtert de kwaliteit van het platformwerk als platformwerkers zich niet goed kunnen organiseren en een beperkt aantal platformen veel macht krijgt (monopolipositie).

Nadelen clusteren zich bij kwetsbaren

Volgens het SCP ‘clusteren’ de nadelen (lage beloning, nauwelijks werkzekerheid, lange uren, geen vrijheid/flexibiliteit en zeggenschap) zich vooral bij een kleine groep kwetsbaren op de arbeidsmarkt. Die ‘kwetsbaren’ bevinden zich natuurlijk vooral in de groep platformwerkers die hiervan moeten rondkomen.  Maar die groep is beperkt, blijkt ook uit de factsheet, behorend bij het SCP-rapport. Het aandeel werkenden dat met platformwerk het hoofdinkomen verdient ligt tussen de 0,4% en 2,8% van de beroepsbevolking.

Dat ter relativering van de geluiden uit de politiek en vooral vakbonden die regelmatig roepen dat de opkomst van platformen de positie van de werkenden ondermijnt. Dat is vooralsnog niet of nauwelijks het geval

Oude en nieuwe economie

Het idee dat technologische toepassingen voor het bij elkaar brengen van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt, zoals platformisering, een probleem vormt is sowieso niet terecht. Het SCP ziet de platformeconomie als ‘een zichtbare manifestatie’ van een viertal ontwikkelingen op de arbeidsmarkt: de digitalisering, flexibilisering, intensivering en globalisering. Maar zij stelt in het rapport ook dat de ‘sociale verschillen in de kwaliteit van platformwerk deels langs de lijnen van huidige verschillen lopen’; groepen aan de onderkant van de arbeidsmarkt hebben een kwetsbaardere positie. Oftewel, de sociaal-economische ongelijkheid wordt niet veroorzaakt door de komst van platformen, maar is een al bestaand probleem. Zowel in de oude als de nieuwe economie.

SER-rapport

Ook de Sociaal-Economische Raad (SER) publiceerde in oktober vorig jaar een rapport over de werking van de platformeconomie in Nederland. Volgens de SER is de vrees dat de platformeconomie de arbeidsmarkt zou ontwrichten onterecht. De conclusie van dit rapport ligt dus in lijn met het SCP-rapport.

In een toelichting op dat rapport aan Kamerleden op 14 januari somde SEO directeur en SER lid Bas ter Weel de dilemma’s rond platformwerk in vier punten samen. 1. een deel van de platformwerkers is economisch (te) afhankelijk 2. de tevredenheid is in algemeenheid groot (met name vanwege de autonomie) 3. omvang platformwerk is nog klein en 4. zonder (politieke) uitspraak over ‘kwalificatievraag’ is handhaving niet mogelijk. 

Geplaatst in Toekomst van Werk | Tags , | Laat een reactie achter

KVK Jaaroverzicht 2020: Forse toename in stoppende bedrijven maar groei in aantal zzp’ers

Het aantal bedrijven in Nederland is in 2020 met 78.312 toegenomen tot 2.078.716. Dit aantal bedrijven stond geregistreerd in het Handelsregister op 1 januari 2021. Dat betekent dat afgelopen jaar een toename van 4% heeft laten zien, één procentpunt lager dan het jaar ervoor, toen de groei van het aantal bedrijven nog 5% bedroeg. Dit blijkt uit het KVK Jaaroverzicht Bedrijvendynamiek.

Uit dit overzicht blijkt ook dat de bedrijvendynamiek in 2020 heel anders was dan in 2019. In 2019 waren er 9% meer starters en 2% meer stoppers dan in 2018. In 2020 waren er 3% meer starters en maar liefst 21% meer stoppers dan in 2019. De groei van het aantal starters is daarmee afgelopen jaar enigszins afgeremd en het aantal stoppers is hoger dan in voorgaande jaren.

Meer vrouwelijke ondernemers

Wat opvalt, is dat het percentage vrouwelijke ondernemers met 1% toeneemt tot 37%. Het hoogste percentage vrouwen (85%) is werkzaam in de sector Persoonlijke dienstverlening (denk bijvoorbeeld aan haarverzorging, schoonheidsverzorging en uitvaartverzorging), het laagste percentage vrouwen is werkzaam in de bouw (5%). De toename van vrouwelijke ondernemers is relatief meer te zien in de sectoren ICT en media, Industrie en Land- en tuinbouw. In de Industrie is de hoogste toename van het aantal vrouwelijke starters, waar sprake was van 29% meer vrouwelijke starters dan in 2019.

Gemiddelde leeftijd

De gemiddelde leeftijd van ondernemers is net zoals vorig jaar 46 jaar. De gemiddelde leeftijd van starters is veel lager dan die van gevestigde ondernemers, namelijk 34 jaar.

Veel niet in Nederland geboren starters

Onder de starters is het aandeel niet in Nederland geboren ondernemers hoog, namelijk 23% versus 16% op het hele bestand. Qua geboorteland zien we een relatief hoge toename van het aantal starters dat niet in Nederland is geboren in de sector Cultuur, sport en recreatie (+11%), en een afname van het aantal starters dat niet in Nederland is geboren in de sectoren Detailhandel (-7%) en Industrie (-9%) t.o.v. 2019.

Aantal faillietverklaringen neemt met 15% af

In het coronajaar 2020 nam het aantal faillietverklaringen af met 15%. Waren het er in 2019 nog 3084, in 2020 zijn er 2630 faillissementen. Onder zzp’ers nam het aantal faillietverklaringen zelfs met 20% af.

Vooral in ICT en media was sprake van minder faillietverklaringen (van 143 naar 87; -39%). Juist meer faillietverklaringen waren er in de sectoren Cultuur, sport en recreatie (van 45 naar 65; +44%) en Persoonlijke dienstverlening (van 41 naar 50; + 22%). In de horeca en het toerisme hebben veel bedrijven gebruikgemaakt van de door de overheid verstrekte coronasteun.

Starters en stoppers per sector

Vooral de Detailhandel heeft een sterke groei van het aantal starters, met 39% meer starters dan in 2019. Van afname van het aantal starters is vooral sprake in de sectoren Cultuur, sport en recreatie (-15%) en Horeca (-18%).

Het aantal stoppers neemt vooral toe bij ICT en media (41%) en de Zakelijke diensten (39%). Het aantal starters bleef in deze sectoren nagenoeg gelijk aan het jaar daarvoor.

Groei in aantal zzp’ers, ondanks de stoppers

Het totale aantal zzp’ers is in 2020 met 5% gegroeid naar 1.092.666 zzp’ers. Daarnaast zijn er 300.689 parttime zzp’ers, 7% meer dan het jaar daarvoor. Van het aantal startende ondernemingen bestaat het merendeel uit zzp’ers.

Waar in 2019 nog 71.723 zzp’ers stopten, zijn dat er afgelopen jaar 90.190. Dat betekent dat er afgelopen jaar 26% meer zzp’ers zijn gestopt dan het jaar daarvoor. Het percentage stoppende parttime zzp’ers is nog groter; dit aantal lag afgelopen jaar 44% hoger. Parttime zzp’ers hebben een betrekking in loondienst naast hun eigen onderneming, waardoor ze minder afhankelijk zijn van de inkomsten uit hun eigen onderneming en de drempel om te stoppen lager ligt.

Geplaatst in ZP en Ondernemen | Tags , , | 1 Reactie

Uitzendbureaus versus klusplatformen: nieuwe wijn in oude zakken of oude wijn in nieuwe zakken?

De afgelopen jaren is het aandeel van online klusplatformen die bemiddelen tussen vraag en aanbod van werk gegroeid. Deze groei is het sterkst te zien in platformen die bemiddelen tussen een individuele werkende en een zakelijke afnemer. Het ING Economisch Bureau voorspelde in 2018 dat in 15 jaar, afhankelijk van de ontwikkeling van techniek en regelgeving, 20 tot 70 procent van de uitzendmarkt zal verlopen via online platformen. En hoewel deze spectaculaire groei nog niet is terug te zien in de cijfers, kabbelt het maatschappelijk debat rustig voort.

Een van de meest prangende discussies rondom platformwerk is die van de status van de werkende. Sommige platformen werken volgens een freelance constructie, anderen kiezen voor een uitzendconstructie. Volgens velen is de flexibiliteit en autonomie van de werkende alleen mogelijk vanuit het freelancemodel. Anderen weerleggen dit en wijzen erop dat een platform prima via een uitzendconstructie kan werken. In debatten hierover ontbreekt veelal een diepgang in de verschillen en overeenkomsten tussen deze modellen en de manier waarop platformen individuele werkenden het mogelijk maken om autonoom en flexibel te werken.

Universitair docent Jeroen Meijerink van de Universiteit Twente (vakgroep Human Resource Management) en onafhankelijk platformexpert Martijn Arets (o.a. auteur Platformrevolutie) vonden dat de tijd rijp is om duidelijkheid in dit debat te brengen. Niet met de ambitie om een uitspraak te doen over de juridische status van werkenden, maar om de verschillen en overeenkomsten in bemiddelingsactiviteiten van zowel freelance- als uitzendplatformen in de to-business markt in kaart te brengen. Om hiermee het debat te voeden met relevante inzichten vanuit de praktijk en wetenschap.

Online klusplatformen

Online klusplatformen verwijzen naar organisaties die gebruik maken van informatietechnologie (inclusief mobiele applicaties, kunstmatige intelligentie en software-algoritmen) om vraag en aanbod van kortdurende arbeid (klussen) op elkaar af te stemmen. Deze platformen kenmerken zich door hun marktplaatsfunctie: zonder tussenkomst van een menselijke intercedent kunnen opdrachtgevers en werkenden elkaar vinden, beoordelen en de gehele transactie, inclusief betaling, afhandelen. Bekende voorbeelden van klusplatformen zijn Uber, Fiverr, Upwork, Helpling, Temper en YoungOnes. Klusplatformen verschillen van elkaar in het soort klant dat zij bedienen (zakelijk of consument), de status van de werkende (freelance, uitzend of ander statuut), het soort uit te voeren werkzaamheden, de manier waarop de match wordt gemaakt (algoritme of voorselectie door platform), waar de uitvoer van de klus plaatsvindt (online of offline) en de manier waarop het platform invloed uitoefent op het uitvoeren van de klus. In alle gevallen heeft het platform als ‘private regulator’ een belangrijke sturende rol: het bepaalt spelregels onder welke voorwaarden de transactie plaats kan vinden, wie wel en niet toegang hebben tot het platform en hoe de prijs voor een klus wordt bepaald.

Om een goede vergelijking te maken tussen online klusplatformen die werken met freelancers en platformen die werken middels een uitzendconstructie, richten we ons hier alleen op online platformen die middels een marktplaatsmodel vraag en aanbod samenbrengen voor een zakelijke klant (zogenoemde to-business [2B] platformen).

Online klusplatform versus uitzendbureau

Om de verschillen en overeenkomsten in kaart te brengen tussen platformen die met een freelance- of uitzendmodel werken, is het belangrijk om eerst te begrijpen wat de overeenkomsten en verschillen zijn tussen een platformbemiddelaar en een traditionele bemiddelaar voor korte klussen: het uitzendbureau. Online klusplatformen en uitzendbureaus lijken in de kern veel op elkaar. Beiden voorzien hun klant van tijdelijk personeel dat werkzaamheden uitvoert bij en onder toezicht van de klant. Om de verschillen en overeenkomsten te kunnen duiden, hebben wij interviews gehouden met vertegenwoordigers van zes online klusplatformen en een juridische specialist arbeidsrecht.

In onderstaande tabel zijn de verschillen en overeenkomsten samengevat:

Uitzendbureaus en klusplatformen verschillen met name in de manier waarop de match tussen werkenden en de klant tot stand komt. Waar bij uitzendbureaus de intercedent de klant ontzorgt in het vinden van de juiste werkende, biedt een klusplatform (marktplaats) een online omgeving waar de klant een opdracht plaatst en de werkende direct reageert en communiceert met de klant. Het platform zorgt ervoor dat zoekkosten worden verlaagd, maar verlegt ook het werk dat voorheen door een intercedent wordt gedaan naar de klant en de werkende. De klant stelt namelijk zelf de opdrachtomschrijving op, kiest wie de klus uiteindelijk gaat doen en kan in veel gevallen een favorietenpool aanmaken van werkenden die zijn bevallen. Dit zorgt voor veel flexibiliteit en autonomie (ownership) bij de klant en werkende. Zo kent een platform geen openingstijden en is er geen informatie-asymmetrie gecreëerd door losse databases van intercedenten en regio’s. Het ‘eigenaarschap’ van (het contact met) de werkende ligt immers niet bij een intercedent: werkende en klant zijn in grote mate in controle over de (totstandkoming van de) transactie.

Hoewel ook uitzendbureaus flexibiliteit bieden, faciliteren online klusplatformen – althans in theorie – wat we hyperflexibliteit noemen (d.w.z. bijna onmiddellijke, on-demand werving van werkenden zonder tussenkomst van een menselijke intermediair). Het directe contact tussen klant en werkende in combinatie met het ontbreken van openingstijden, zorgt voor lage transactiekosten en een hoge snelheid van matching. Zo vond en contracteerde een klant op een van de geïnterviewde platformen op een zaterdagmorgen binnen twee minuten een werkende voor een opdracht op diezelfde dag.

Wij verwachten dat uitzendbureaus eerder werkenden in dienst hebben die langdurige en/of zeer specifieke opdrachten uitvoeren bij een klant, omdat deze voldoende inkomsten opleveren voor de uitzender die de hoge(re) transactiekosten die komen kijken bij het ontzorgen van de klant rechtvaardigen. Online klusplatformen zullen, voor nu, vooral de focus leggen op de dagklussen. Zo gaf één van de geïnterviewde vertegenwoordigers van een klusplatform aan dat de gemiddelde opdracht op het platform zeseneenhalf uur duurt.

Samenvattend stellen online klusplatformen klanten en werkenden in staat om zelf transacties te initiëren, af te handelen en te controleren. Dit zorgt ervoor dat klusplatformen bijzonder geschikt zijn om te voorzien in de vraag naar hyperflexibele, tijdelijke arbeid. In wezen dragen klusplatformen verantwoordelijkheden (die de menselijke intermediairs van uitzendbureaus uitvoeren) over aan klant en werkende met behulp van technologie. Als zodanig bieden klusplatformen ‘low-frills services’ aan hun gebruikers, wat de bedrijfskosten voor het platformbedrijf verlaagt, maar de administratieve lasten voor klantorganisaties verhoogt (die bijvoorbeeld zelf online oproepen moeten opstellen en publiceren, werknemers moeten selecteren en een pool van favoriete kandidaten bijhouden). Het is overigens de vraag of het uitzetten van een klus via een platform netto meer of minder werk voor klant of werkende oplevert: klanten dienen immers ook met een intercedent af te stemmen en contact te houden.

Verschillen tussen uitzend- en freelance platformen

Nu de verschillen en de overeenkomsten tussen uitzendbureaus en online klusplatformen duidelijk zijn, is het tijd om de verschillen en overeenkomsten tussen online klusplatformen die gebruikmaken van het uitzend- versus freelancestatuut voor de werkende te verkennen. In de onderstaande tabel zijn de verschillen weergegeven.

Hoewel er overeenkomsten zijn, zijn er ook de nodige verschillen. Het belangrijkste verschil zit in de status van de werkende. Uitzendplatformen hebben de werkenden in dienst en zijn daarom onderworpen aan collectieve arbeidsvoorwaarden van het platformbedrijf en/of die van een klant. Dit heeft effect op de volgende aspecten:

  1. Vergoeding

  2. Verantwoordelijkheid

  3. Verzekering en sociale zekerheden

  4. Vervanging

Vergoeding

Uitzendplatformen werken volgens de geldende CAO. Dit resulteert in een vast uurloon, waar klanten in tijden van schaarste aan arbeidskrachten een toeslag op kunnen rekenen, maar ook vaste toeslagen. Freelance platformen werken met zelfstandige ondernemers die vrij zijn om een eigen uurtarief te bepalen. Afhankelijk van hoe het matchmakingproces technisch is georganiseerd, doet de freelancer of de klant een voorstel voor het uurtarief. Sommige freelance platformen stellen de klant en freelancer in staat binnen het platform te onderhandelen over het tarief. Het is niet vreemd om te verwachten dat in de toekomst dit soort onderhandelingen worden geautomatiseerd, net als bij de ‘surge pricing’ van Uber, waar vraag en aanbod wordt gestuurd door middel van een dynamisch pricing algoritme. Om een ‘race to the bottom’ te voorkomen, hebben sommige freelance platformen een minimumtarief ingesteld. Hoewel freelancers in staat zijn een eigen prijs te bepalen, is het de vraag in hoeverre dit een reëel scenario is, zeker in een laagconjunctuur en/of overaanbod aan werkenden op het platform. In dergelijke gevallen bestaat het risico dat het eerder genoemde minimumtarief gelijk komt te staan aan het maximumtarief.

Verantwoordelijkheid

Uitzendplatformen zijn verplicht – volgens de (Nederlandse) wet – om de arbeidsveiligheid van werknemers te waarborgen door middel van de zorgplicht. Dit betekent onder meer dat uitzendplatformen formeel verplicht zijn om te beoordelen of de arbeidsomstandigheden bij de opdrachtgever veilig zijn. In de praktijk is het veelal zo dat de inlenende partij Arbo-technisch veilige werkomstandigheden moet kunnen garanderen. Een dergelijke verplichting bestaat niet voor freelance platformen.

Hoewel dit een belangrijk verschil is op papier, is het de vraag in hoeverre uitzendplatformen die werkenden en klanten faciliteren met een online marktplaats in staat zijn om aan deze zorgplicht te voldoen. Het uitzendplatform heeft immers beperkt contact met haar klanten, omdat de transactie voornamelijk door de werkende en opdrachtgever georganiseerd wordt. De rol van het platform in de transactie is daardoor beperkt, wat haaks zou kunnen staan op het concept zorgplicht. Daar komt bij dat de transacties die via uitzendplatformen worden georganiseerd vooral dagklussen betreffen, waardoor het voor de uitzender economisch niet haalbaar is om voor iedere klus de risico’s te bepalen.

Daartegenover staat dat de klant van een (uitzend)platform wellicht meer verantwoordelijkheid voor de transactie zal voelen: de klant is immers verantwoordelijk voor het organiseren van de transactie en dit proces is lastig uit te besteden aan een derde partij. In dit geval maakt het niet uit of de transactie via een freelance- of een uitzendplatform verloopt. Wij adviseren dit verder te onderzoeken.

Verzekering en sociale zekerheden

Een van de grootste verschillen tussen freelance- en uitzendplatformen betreffen verzekeringen en sociale zekerheden voor werkenden. Werkenden bij een uitzendplatform zijn in dienst van het platform en hebben daarbij recht, op basis van hun cao, op bepaalde verzekeringen en vergoedingen voor arbeidsongeschiktheid, ziekteverlof, vakantiegeld, WW en ouderschapsverlof. Voor freelance platformen geldt deze verplichting niet: de werkenden dienen dit zelf te organiseren. In sommige gevallen is het voor freelancers laagdrempelig om een verzekering via het platform af te sluiten, zowel voor langere periode of per gewerkte klus. Hoewel freelance platformen de zelfstandige ondernemers niet kunnen dwingen zich te verzekeren, kunnen zij dit wel stimuleren. Een ‘badge’ van een WA- of arbeidsongeschiktheidsverzekering in een profiel maakt een freelancer bijvoorbeeld aantrekkelijker om in te huren.

Dit wil echter niet zeggen dat werkenden via uitzendplatformen vanzelfsprekend beter af zijn dan werkenden via freelancerplatformen. Het dienstverband van uitzendkrachten wordt bij ziekte direct beëindigd en werkenden via een uitzendconstructie bouwen in de eerste 78 weken (de A fase), afhankelijk van of er wel of niet met een uitzendbeding wordt gewerkt, geen garantie op werk op. Je zou kunnen zeggen dat het begrip ‘zekerheid’ voor uitzendkrachten die dagklussen uitvoeren minder rooskleurig is dan je zou mogen verwachten. Dat geldt ook voor andere discussiepunten zoals pensioen en het betalen van belasting en sociale premies. Zo bouw je in lijn met de uitzend-cao pas pensioen op na 26 weken werken via eenzelfde werkgever en zullen degenen die sporadisch via klusplatformen werken ook in dienstverband weinig belasting betalen.

Vervanging

Een ander verschil is terug te vinden in de vraag wie verantwoordelijk is voor vervanging wanneer een werkende is verhinderd of niet op komt dagen. Bij uitzendplatformen is het platform verantwoordelijk voor vervanging, terwijl bij freelance platformen de freelancer hiervoor verantwoordelijk is. Freelance platformen hebben net als uitzendplatformen baat bij tevreden klanten en sturen op twee manieren op een zo laag mogelijke uitval. De eerste strategie betreft een boete: bij een no-show krijg je als freelancer bij menig freelance platform een boete, wat freelancers moet stimuleren om de gemaakte afspraak na te komen. Daarnaast wordt op een profiel van een werkende het opkomstpercentage getoond. Deze start op 100 procent en zal na een no-show dalen, wat impact heeft op de kans dat een werkende wordt uitgekozen door een klant. Aangezien een freelancer zich vrij mag vervangen, faciliteren freelance platformen ook dit proces. Dit doen zij middels het aanbieden van WhatsApp-groepen waar klussen kunnen worden teruggegeven aan de groep of het inbouwen van ruilmechanismen in het platform, waarbij ook de rating van de kwaliteit van vervanging op het profiel van de oorspronkelijke uitvoerder komt te staan. Volgens een van de platformvertegenwoordigers die we hebben geïnterviewd, heeft ongeveer 75% van de freelancers die meer dan 50 ‘gigs’ via het platform uitvoerden, minstens één keer een klus intern doorgezet.

Belangrijke kanttekening is dat wij in bovenstaande alinea alleen spreken over de zichtbare manieren waarop platformen sturen op een lage no-show. Het is voor ons niet duidelijk op welke manier uitzendbureaus hierop sturen en in hoeverre een no-show impact heeft op de kans om een volgende keer te worden ingehuurd. Dit gebrek aan transparantie is bij alle type intermediairs die wij in dit stuk bespreken van toepassing en zou bij platformen kunnen worden ondervangen door het instellen van een ‘algoritme-accountant’. Daarnaast verwachten wij dat de komende jaren, net als in de consumentenmarkt, regelgeving zal worden ingevoerd die platformen verplicht inzicht te geven in de (automatische) besluitvormingsprocessen.

Platform voor uitzendbureau of uitzendbureau als platform?

In dit artikel hebben wij een vergelijking gemaakt tussen uitzend- en freelance platformen, waarbij wij ervan uitgaan dat beiden een ‘platform first’-benadering hanteren. Dit wil zeggen: de gehele transactie verloopt via het platform (de marktplaats) en de rol van het platform is puur faciliterend. Dit is wat wij noemen ‘platform first’, of beter: uitzendbureau als platform.

In de praktijk zien wij dat veel uitzendplatformen, zeker zij die zijn gestart vanuit een bestaande uitzendorganisatie, een strategie hebben die wij omschrijven als ‘platform voor uitzendbureau’. Hierbij is het platform een instrument dat het bestaande matchingproces van de uitzender ondersteunt. Bij een van de onderzochte platformen hadden bijvoorbeeld wel de werkenden, maar niet de klanten toegang tot het platform. Intercedenten gebruiken het platform om processen te vereenvoudigen en te versnellen, maar in de kern verandert er weinig tot niets aan het bedrijfsmodel en -proces van de uitzendorganisatie. Een veilige keuze die relatief snel kan worden geïmplementeerd, maar ook een keuze waarbij nooit de voordelen van de technologische innovatie volledig kunnen worden benut en de klant nooit zelf volledig in controle kan zijn. Dit werpt ook de vraag op in welke mate transactiekosten in het geval van een ‘platform voor uitzendbureau’ echt worden verlaagd.

Welk model uiteindelijk het beste de werkende én de klant bedient, zal zich moeten uitwijzen.

Snelheid en flexibiliteit

Een van de onderwerpen die je in de tabel van verschillen en overeenkomsten tussen uitzend- en freelance platformen had kunnen verwachten, is snelheid en flexibiliteit. Uit onze verkenning hebben wij duidelijke verschillen tussen uitzendbureaus en klusplatformen gevonden en geduid, maar is het verschil in flexibiliteit tussen de beide statuten over het algemeen minimaal. Op het moment dat een werkende bij een uitzendplatform in de A-fase zit, zijn er weinig beperkingen om een werkende flexibel via een platform in te zetten. Op het moment dat een werkende in fase B of C komt, zijn er zowel vanuit de kant van de werkende als vanuit de kant van het uitzendplatform beperkingen in deze flexibiliteit. Het is dan ook de vraag of dit soort platformen voor dagklussen interessant zijn voor werkenden in deze fases.

Wanneer je dieper in het uitzendmodel duikt, zie je dat er nog wel de nodige uitdagingen zijn om dagklussen via platformen te laten lopen middels een uitzendconstructie. In de cao voor uitzendkrachten is geregeld dat een uitzendkracht niet via meerdere arbeidsovereenkomsten na elkaar bij dezelfde klant werkzaamheden kan verrichten. Als een uitzendovereenkomst voor bepaalde tijd – bijvoorbeeld een dag of week – wordt afgesloten en de werkende wil binnen een maand weer via het platform bij dezelfde klant werken, dan moet de looptijd van de nieuwe uitzendovereenkomst minimaal vier weken zijn. Dit betekent dat platformen die (dag)klussen matchen middels het uitzendmodel slechts achter elkaar dagcontracten kunnen afsluiten als de werknemer werkzaamheden verricht voor verschillende opdrachtgevers. Platformen kunnen hier omheen werken door een uitzendovereenkomst met uitzendbeding af te sluiten. Tot en met 2019 was het voor een werkgever niet aantrekkelijk om te werken met een uitzendovereenkomst met uitzendbeding omdat er hogere premies betaald moesten worden. Met de inwerkingtreding van de ‘Wet arbeidsmarkt in balans’ (Wab) in 2020 is deze verplichting komen te vervallen.

Het alternatief voor uitzenders en platformen is dan ook om een uitzendovereenkomst met uitzendbeding af te sluiten met werknemers. Dan geldt de hierboven beschreven beperking niet. Een uitzendovereenkomst met uitzendbeding kent wel een andere beperking: deze eindigt alleen als de opdrachtgever aangeeft dat er geen werk meer is of de uitzendkracht zelf wil stoppen. De werkgever/uitzender kan het contract dus niet op eigen initiatief op een bepaalde datum laten eindigen. Hoewel het uiteindelijk aan de partijen is om hier een afweging in te maken en de meest geschikte contractvorm te kiezen, achten wij en een aantal geïnterviewde experts het zeer waarschijnlijk dat platformen die (dag)klussen matchen, zullen kiezen voor het werken met een uitzendovereenkomst met uitzendbeding.

Hoewel er in hoofdlijnen geen grote verschillen zitten in de snelheid en flexibiliteit die freelance- en uitzendplatformen bieden, zijn er dus wel de nodige nuances aan te merken. In de voorgaande alinea wordt duidelijk dat de huidige uitzendregels niet eenvoudig zijn toe te passen op platformen voor korte (dag)klussen. Dit komt waarschijnlijk doordat uitzendbureaus voornamelijk langere klussen (enkele weken tot maanden) bemiddelen. Daarnaast ligt de focus ook veelal op grote aantallen werkenden. De markt voor hyperflexible dagklussen voor individuele matches was er één die voorheen nauwelijks bestond. Dat is ook niet vreemd: de transactiekosten (loonkosten, administratieve lasten, snelheid) voor een menselijke intercedent wegen immers niet op tegen de marge die op een dagklus wordt gemaakt. Deze klussen werden dan voornamelijk uitgevoerd in de hoop dat de klant ook wel economisch interessante klussen bij het bureau zou neerleggen. Je zou kunnen zeggen dat de huidige uitzendregels en cao geen rekening hebben gehouden met een grootschalige bemiddeling van individuele dagklussen, simpelweg omdat dat voor traditionele uitzendbureaus – zonder gebruik van een platform – financieel niet uit kon en alleen kon worden opgepakt wanneer het verlies op die klussen werd gecompenseerd door andere grotere opdrachten.

Ook zal de juridische complexiteit van het uitzendstatuut impact hebben op de flexibiliteit en complexiteit van het platform: bij het freelance statuut zijn immers veel minder variabelen die vanuit de cao zijn vastgelegd waar rekening mee moet worden gehouden. Daarnaast is het niet ondenkbaar dat het faciliteren van het zelf zoeken van vervanging (in combinatie met de dreiging van een boete) voor een lagere no-show zal zorgen, wat positief is voor de tevredenheid van de klant. In hoeverre dit wenselijk is voor de werkende en wat de daadwerkelijke impact is, dat zal uit verder onderzoek moeten blijken. Het is ook de vraag of de beperkingen van de complexiteit naar aanleiding van een cao al dan niet een probleem vormen dat kan worden opgevangen door technologische innovaties van het platform.

Conclusie

Online klusplatformen en uitzendbureaus verschillen sterk van elkaar in de mate waarin zij de klant de controle (en verantwoordelijkheid) geven in het proces van het vinden van geschikte werkenden voor een (dag)klus. Hiermee lijken zij vooral van toegevoegde waarde te zijn in kortlopende klussen waar snelheid en flexibiliteit vooropstaan, de klant zelf de controle wil hebben en de uitvoering van de klus weinig specifieke vaardigheden vraagt van de werkende. Hierin voorzien platformen door het verlagen van de informatie-asymmetrie en het direct koppelen van klant met werkende zonder tussenkomst van een intercedent, wat zich ook zou moeten vertalen in de (kost)prijs. Hiermee hebben klusplatformen de potentie om een nieuwe markt te creëren van klussen waarvan het voorheen economisch niet rendabel was om via een traditionele weg te bemiddelen.

Hoewel er veel discussie is over de vraag of de werkende in dienst moet zijn van het platform of als freelancer via het platform werkt, hebben wij weinig verschillen gezien qua impact van de status van de werkende op de flexibiliteit en wendbaarheid van het platform en de klus. In dit artikel hebben we getracht de verschillende variabelen en scenario’s te beschrijven. Wat hier vervolgens mee gedaan wordt en de vraag welke scenario’s al dan niet gewenst zijn, dat is en blijft een (politieke) keuze.

In ons onderzoek hebben we vooral gekeken naar verschillen op organisatieniveau. Dit laat veel vragen onbeantwoord, vooral vragen die betrekking hebben op de interesses, attitudes en gedragingen van individuele werkenden. Zo gaven vertegenwoordigers van freelance platformen aan dat hun werkenden gezien hun zelfstandigenstatuut meer ondernemend zijn. Uit ons onderzoek blijkt niet of dit daadwerkelijk het geval is. Daarom kan toekomstig onderzoek vragen beantwoorden zoals:

  • Creëren platformen nieuw werk, of wordt bestaand werk in kleine (dag)klussen opgeknipt?

  • Zijn freelancers proactiever dan werkenden in loondienst?

  • In hoeverre besteden zelfstandige ondernemers op freelance platformen werk uit aan anderen?

  • In hoeverre verschillen freelancers en medewerkers van elkaar wat betreft (ervaren) werkzekerheid, pensioensparen en verzekeringen?

  • In hoeverre dragen freelancers of freelance platformen zorg voor veilige werkomstandigheden bij klanten, of creërem medewerkers dit zelf?

  • Hoe verschilt de arbeidstevredenheid van werkenden via freelance- en uitzendplatformen?

Ook brengt het onderzoek nieuwe vraagstukken omtrent de rol en verantwoordelijkheden van platformen naar boven. Zo is het de vraag in hoeverre uitzendplatformen zich aan hun zorgplicht kunnen houden. Wordt deze zorgplicht ‘uitbesteed’ aan de gebruikers van het platform? Een andere vraag is in hoeverre de matching algoritmes die (freelance) platformen ontwikkelen, kunnen worden gezien als (indirect) alloceren, iets dat voor nu alleen is toegestaan binnen het uitzendstatuut. Wij verwachten dat dit vraagstuk urgenter zal worden op het moment dat (freelance) platformen in meerdere sectoren en voor meerdere functies zullen worden ingezet, waarmee de complexiteit van de matching zal toenemen.

Ons onderzoek heeft ook enkele beperkingen. Zo hebben we een beperkt aantal platformen onderzocht en de interviews met vertegenwoordigers zijn een momentopname. De technologische ontwikkeling gaat snel en wat vandaag de norm is, kan over een aantal maanden of jaren zomaar veranderen. Een tweede beperking is dat onze focus ligt op platformen (marktplaatsen) voor dagklussen in de to-business markt. Wij zijn ons ervan bewust dat de platformisering en digitalisering van de markt van arbeidsbemiddeling en HR (veel) verder gaat dan alleen deze categorie. Zo werken organisaties (voor langere opdrachten) inmiddels ook met FMS (Freelance Management Systemen), VMS (Vendor Management Systeem), DAS (Dynamisch Aankoop Systeem) en eigen inhuurdesks. Daarnaast bieden uitzendbureaus meer dan alleen matching, het is de vraag in hoeverre platformen zich zullen ontwikkelen in het aanbieden van aanvullende dienstverlening richting klant en werkende. Dit grote plaatje valt buiten de scope van deze verkenning, maar is zeker iets dat in verder onderzoek aandacht verdient. Een laatste beperking is dat we met dit onderzoek hebben gekeken naar feitelijkheden en processen, maar niet naar degene waar het om draait: de werkende. En dat is juist degene die platformen, in het ideale geval, centraal zou moeten stellen.

Ondanks de behoefte aan meer onderzoek, hebben we een overzicht gegeven van de overeenkomsten en verschillen tussen uitzendbureaus en online arbeidsplatformen. We hopen dat we door het beschrijven van deze variabelen een bijdrage hebben geleverd aan (de kwaliteit van) het debat rondom platformen in de to-business bemiddelingsmarkt.

Disclaimer: om de onafhankelijkheid van dit onderzoek te garanderen, is dit onderzoek uitgevoerd zonder hiervoor gebruik te maken van externe financiering door uitzendbureaus, online klusplatformen en/of andere belanghebbenden. Wij danken alle geïnterviewden en meelezers voor hun bijdrage!

  Martijn Arets en Jeroen Meijerink

Geplaatst in Professioneel inhuren | Tags | 7s Reacties

“Doorpakken op een toekomst waarin data, technologie en ook het eigen businessmodel aan bod komen.” Désirée Simons, nieuwe voorzitter RIM.

De Raad voor Interim Management is een netwerkorganisatie die kwaliteit van het vak bevordert in het belang van opdrachtgevers, interim-managers  en de politiek. De RIM-bureaus ondersteunen opdrachtgevers en interim-managers bij het oplossen van complexe organisatievraagstukken. In de afgelopen jaren, onder voorzitterschap van Sietse Bergstra (InterExcellent), is de RIM gegroeid van een ‘gezellige vereniging’ tot een impactvolle netwerkorganisatie. Désirée Simons van bureau De Roo is hem per 1 januari 2021 opgevolgd als voorzitter.

Met de transformatie naar een impactvolle netwerkorganisatie is de RIM  waardevolle content gaan creëren over het vakgebied en zichtbaarder geworden in de markt, bij de politiek en er kwamen meer nieuwe leden bij. De aangesloten bureaus werken samen in drie thematische werkgroepen: Innovatie & Marktontwikkeling, Ons Vak en Governance. Zij wisselen kennis uit over trends en ontwikkelingen, die leden kunnen gebruiken in hun eigen dienstverlening.

“De ontmoeting in kleine werkgroepen levert meer kennisuitwisseling en diepgang op het thema,” zegt Simons. Er ontstaat ruimte om elkaar te leren kennen waardoor open gecommuniceerd wordt. De kracht van de RIM is dat we niet alleen beleefd beelden uitwisselen maar ook toegeven waar het lastig is in de markt.” Voorbeelden van effectieve samenwerking  zijn de gedragscode voor bureaus, de modelovereenkomst en het feit dat de RIM gesprekspartner is in de politieke discussie over de zzp’er.

Data en technologie

Waar zal de RIM zich in 2021 vooral op richten? Simons ziet een duidelijke trend bij opdrachtgevers naar datagericht werken. “Daarin speelt technologie een rol. Ik zie het in het onderwijs, waar operational excellence de uitdaging is. Procedures en processen moeten eenvoudiger waardoor systemen beter op elkaar afgestemd worden en data voor sturing leveren. Voor de RIM betekent dit dat we de werkgroepen mogelijk andere thema’s geven om zich in te verdiepen. Ook zijn deze trends van invloed op de selectie van kandidaten.”

Eerst interim, dan vast

Veel RIM-bureaus combineren hun interimmanagement-dienstverlening met executive search. Het onderscheid tussen interim-management en search vervaagt, zeggen Simons en Bergstra. De eisen die bij executive search gesteld worden aan het profiel, bevatten steeds meer interim-management karakteristieken. Zeker bij complexe vraagstukken leidt dit vaker tot de conclusie dat de zoektocht naar een vaste manager wordt uitgesteld en eerst een interim-manager wordt ingezet. “De combinatie van dienstverlening betekent mogelijk iets voor de vergoedingsvorm en het businessmodel van het bureau. En dat leidt wellicht weer tot het bijstellen van de RIM-gedragscode,” aldus Simons.

Flexibele inzet

Simons en Bergstra zien dat opdrachtgevers vaker op zoek gaan naar flexibele arbeid voor specialistische functies. Nu wordt de flexibele schil gezien als een noodzakelijk kwaad in plaats van de nieuwe werkelijkheid, terwijl het effect van projectmatig werken is dat het vast dienstverband vaak korter wordt en interim-management opdrachten langer. “Jongeren hebben deze mindset van flexibele inzet al,” zegt Simons. “Zij hebben een ander arbeidsethos en hechten aan vrije tijd en zelfontwikkeling. De jonge interim-manager onderkent dat hij vaker een andere context nodig heeft om zich te ontwikkelen en wisselt makkelijker. Dat staat haaks op organisaties die pools van managers opleiden om intern te kunnen rouleren. Zij vergeten daarbij dat mensen in dezelfde context blijven en de slagkracht missen voor grote veranderopdrachten.”

Een interim-manager krijgt complexe veranderingen vaak niet in een jaar voor elkaar, die termijn is een irrelevant criterium

Simons ziet steeds meer wicked problems in organisaties: meervoudige problematiek waarvoor het noodzakelijk is externe denk- en uitvoeringskracht in te zetten, wat de kracht van interim-management is. Door de verandersnelheid in organisaties is de impact die interim-managers leveren groot. Dat staat los van de contractvorm, zegt ze. “Dat is ook mijn bezwaar tegen toekomstige criteria waarop bepaald wordt of iemand zzp’er is, zoals de tijdsduur van een opdracht. Een interim-manager krijgt complexe veranderingen vaak niet in een jaar voor elkaar, die termijn is een irrelevant criterium. Daar zal de RIM voor blijven pleiten.”

Doorpakken

Wat kan de buitenwereld verwachten onder het nieuwe voorzitterschap? “Intern blijven we verdiepen op de trends en ontwikkelingen,” zegt Simons. “Verder ben ik voorstander om van het RIM-lidmaatschap een RIM-stempel te maken, om de onderscheidenheid van een RIM-bureau te laten zien. Een label waaraan de buitenwereld ziet dat het gaat om een kwalitatief hoogwaardig bureau. Zo geven we nog meer betekenis aan wat we doen.”

De afgelopen jaren is een stevig fundament gelegd van kwaliteit, diepgang en openheid

“De afgelopen jaren is een stevig fundament gelegd van kwaliteit, diepgang en openheid,” zegt Simons. “Nieuwe leden geven nieuwe impulsen. Nu gaan we doorpakken op ontwikkelingen die de toekomst domineren zoals data, technologie en het eigen businessmodel. Ik wil daar graag een bijdrage aan leveren om snelheid en meters te maken. Ik wil het verschil maken met de RIM-bureaus.”

Geplaatst in Professioneel inhuren | Tags , | Laat een reactie achter

Branchevereniging voor intermediairs en brokers test webmodule en komt met advies

De testfase van de webmodule is maandag begonnen en leden van brancheorganisatie Bovib zijn volop aan het testen. Voorzitter Frederieke Schmidt Crans verzamelt de uitkomsten en komt later met concrete aanbevelingen voor het kabinet, zegt ze. “We testen uitvoerig, ook samen met onze klanten.”

“Ik maak me wel zorgen, omdat we zien dat er niets is gedaan met onze vorige aanbevelingen”, zegt ze. “Dat geldt trouwens niet alleen voor ons, ook andere brancheorganisaties hebben feedback gegeven. Nu we zien dat er niets is veranderd, vragen we ons af hoe bereid de beleidsmakers zijn om daadwerkelijk aan de slag te gaan met aanbevelingen.”

Voorlichtingsinstrument

Via de nieuwe online vragenlijst kan een opdrachtgever te weten komen of hij voor een opdracht een zzp’er mag inhuren. In deze pilotfase is dat niet verplicht en invullen anoniem. De vragenlijst is te vinden op  startvragenlijst.nl/pilotwba.

Minister Wouter Koolmees (Sociale Zaken en Werkgelegenheid) schreef eerder al dat de webmodule in deze pilotfase bedoeld is als ‘voorlichtingsinstrument’. De tool moet opdrachtgevers helpen zich aan de regels te houden. Daarnaast is de pilot nadrukkelijk bedoeld om de ervaring van de invullers te testen. “Uw gebruikerservaring bepaalt mede of de webmodule wordt ingevoerd”, staat in de toelichting.

Vragenlijst voor tussenkomst

De vragenlijst is voor opdrachtgevers, niet voor zelfstandigen zelf. Er zou ook een speciale vragenlijst komen voor tussenkomst, maar die is nog niet af. Van tussenkomst is sprake als de zzp’er een contract heeft met het bureau en het bureau met de feitelijke opdrachtgever. Dit is veelvoorkomende dienstverlening van intermediairs en brokers.

De voorzitter van Bovib vindt het vreemd dat de pilot al is begonnen, terwijl de vragenlijst voor tussenkomst nog niet af is. “Tussenkomst komt vaak voor, dat soort opdrachten kun je niet zomaar opzij schuiven. Wordt die vragenlijst straks nog getest? Ook dat is niet duidelijk.”

Bovib komt binnenkort met een eigen voorstel voor zo’n speciale vragenlijst voor tussenkomst.

Lees meer: Belangenbehartigers luiden de noodklok: ‘Webmodule is niet klaar om getest te worden’

Eerdere waarschuwing

Na de pilotperiode van zes maanden wordt de webmodule geëvalueerd. Het kabinet wil die evaluatie in september/oktober met de Tweede Kamer bespreken. De regering bekijkt dan of de online tool behulpzaam genoeg is in de strijd tegen schijnzelfstandigheid. Of de webmodule uiteindelijk wordt ingevoerd, hangt ook af van ‘de mogelijkheden voor handhaving, misbruikrisico’s en de gevolgen voor de uitvoeringsinstanties’.

Drie maanden geleden waarschuwden brancheorganisaties Bovib, Intermediairs voor Zelfstandig Ondernemers Nederland (I-ZO Nederland) en Platform Zelfstandig Ondernemers (PZO) al dat de webmodule niet klaar was voor een test.

Volgens de verenigingen is de online tool namelijk niet neutraal, voldoet hij niet aan de huidige jurisprudentie en zal de test leiden tot onrust in de markt. Schmidt Crans: “Voor veel opdrachten is de uitkomst ‘geen oordeel mogelijk’. Wat dat betreft draagt de tool niet bij aan duidelijkheid, in tegendeel. Ik vraag me af hoe dat in de toekomst opgelost wordt.”

Geplaatst in ZP en Politiek | Tags , , | Laat een reactie achter

Vraag naar finance & IT professionals neemt toe

De verwachting is dat de IT-sector in 2021 met 2,6 procent groeit, zo meldt ING in een sector-update. Er wordt meer geïnvesteerd in IT-projecten en er worden meer consultants gedetacheerd. Ook de verwachtingen van IT-ondernemers worden weer positiever. In het vierde kwartaal van 2020 rekenden meer bedrijven op groei dan op krimp.

Meer behoefte aan IT

Door het thuiswerken is er meer behoefte aan apparatuur en andere IT-oplossingen. Er is ongeveer 7 procent meer geïnvesteerd in computers, telecom en andere vormen van IT. Hiermee gaat Nederland mee in de ontwikkelingen die de coronapandemie teweeg heeft gebracht. Dit in tegenstelling tot andere landen, waar de investeringen in ICT daalden.

Een andere oorzaak van de groei in IT, is volgens ING de Brexit. Dit heeft te maken met belemmeringen voor de uitwisseling van persoonsgegevens. Er is afgelopen jaar veel aandacht geweest voor het delen van persoonsgegevens. De Brexit maakt dit nog complexer, waardoor de behoefte aan IT-professionals groeit.

Meer vraag naar finance professionals

Ook de vraag naar finance professionals groeit, deze is weer bijna terug op het niveau van vorig jaar. Dit groeide in het vierde kwartaal namelijk van 9.779 openstaande vacatures naar 11.929, terwijl dit er 12.062 waren in 2019. Aan deze cijfers is te zien dat de vraag naar gespecialiseerde arbeid zich herstelt.

Er is vooral vraag naar finance professionals die goed zijn in financial modelling en data analytics. “Bedrijven hebben door de pandemie behoefte aan extra informatie, analyses en duiding van financiële cijfers, en dat zorgt voor allerlei extra werkzaamheden voor finance teams”, legt Annemarie Peskens uit, van recruitmentspecialist Robert Walters. De jaarlijkse Salary Survey van de recruitmentspecialist laat een herstel van de arbeidsmarkt zien. “De toegenomen werkdruk is een van de redenen dat er in de tweede helft van 2020 een fors herstel is geweest op de arbeidsmarkt voor accounting & finance”, vertelt Peskens.

Behoefte aan financial modelling en data analytics

Financial modelling is het uitwerken van een aantal mogelijke toekomstscenario’s voor een bedrijf, waarbij een groot aantal variabelen wordt meegenomen. Deze risicomodellen helpen bedrijven om beslissingen te nemen en om risico’s te vermijden.

Data analytics en data management houdt de analyse van grote hoeveelheden gegevens in, om directies en management van correcte informatie te voorzien. Op basis hiervan bepalen zij richting voor een bedrijf en kunnen ze uitzonderlijke kansen direct aangrijpen.

Juist in onzekere tijden is er meer behoefte aan informatie. Peskens: “Controllers die uitblinken op dat snijvlak van finance en IT, richting informatievoorziening, zijn op dit moment erg gewild.” Financial modelling en data analytics helpen bedrijven om meer grip te krijgen op hun situatie en toekomstperspectief.

Stabiele salarissen

De salarissen van finance professionals zijn stabiel. Dit geldt zowel voor juniors en mediors als voor seniors. “De salarissen voor juniors en mediors zaten vóór corona enorm in de lift,”vertelt Peskens. “Die groei vlakte in de loop van 2020 af door de crisis. Daarnaast gaan bedrijven in deze tijden überhaupt behoedzamer om met de financiën, waardoor ze niet zo heel snel forse salarisverhogingen zullen doorvoeren.”

Ook voor de salarissen van senior finance professionals verwacht Peskens geen grote ontwikkelingen. “In het senior segment komen dit jaar mogelijk meer professionals op de arbeidsmarkt vanwege reorganisaties of herstructureringen. Daarnaast is er mogelijk concurrentie van interim-professionals die in deze periode op zoek zijn naar de veiligheid van een vaste baan”, speculeert Peskens.

Economisch herstel naar pre-coronaniveau

De trend is dat de vraag naar gespecialiseerde arbeid toeneemt, zoals in de IT, finance en snijvlakken zoals financial modelling en data analytics. Het herstel van de economie wordt vertraagd door een tweede dip in het bbp (bruto binnenlands product) eind afgelopen jaar als gevolg van het aanwakkerende corona-virus en de nieuwe lockdown-maatregelen. Fiscale steun en vaccinatieprogramma’s dragen echter bij aan een verder herstel, verwacht de ING-bank. De voorspelling van ING is dat de economie met 2,6 procent zal groeien en eind 2021 weer nagenoeg op pre-coronaniveau zal zijn.

Geplaatst in Professioneel inhuren | Tags , , , , , | Laat een reactie achter