SCP: platformwerk biedt meer voordelen dan nadelen

Er werken in ons land op dit moment zo’n 34.000 personen via een platform. Die zijn over het algemeen heel tevreden met hun werk. En dat geldt niet alleen voor studenten met een bijbaan, maar ook voor de meeste platformwerkers voor wie dit
het hoofdinkomen vormt.

Dit is de conclusie uit het rapport dePlatformisering en de kwaliteit van werkdat het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) heeft gepubliceerd.

Voordelen platformwerk

Het SCP ziet dus zeker ook voordelen. Platformwerk biedt mensen de flexibiliteit (vrijheid en autonomie) die ze nodig hebben om hun werk met zorgen (gezin) en leren (studie) te combineren. Het maakt bijklussen ook gemakkelijk, ook voor mensen die bijvoorbeeld door de coronacrisis hun hoofdinkomen zien dalen.

En platformisering maakt de arbeidsmarkt zelfs inclusiever; het biedt kansen voor mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt, omdat het vaak laagdrempelig is. Het creëert daarmee werkgelegenheid voor groepen die het ‘in de traditionele economie moeilijk hebben’, zoals mensen met een migratie-achtergrond.

En platformwerk moedigt ondernemerschap aan; werkenden, met expertise en vaardigheden waar veel vraag naar is, krijgen toegang tot meer potentiële klanten en kunnen hierdoor meer verdienen.

Nadelen platformwerk

Maar het SCP noemt ook een aantal nadelen van platformisering. Omdat het bij platformwerk om korte klussen gaat is er sprake van relatief veel onzekerheid en onvoorspelbaarheid. (Ook omdat de meeste platformen in kortdurende klussen bemiddelen. De platformwerkers zijn meestal zzp’ers of flexkrachten met een nulurencontract.)

En volgens het SCP zijn er ‘indicaties’ dat de verdiensten in de platformeconomie gemiddeld lager liggen dan de verdiensten voor vergelijkbaar werk in de traditionele economie. Dat eenvoudige klussen relatief slecht verdienen komt natuurlijk ook doordat het op grote schaal online kan worden geoutsourced; op internationale online platformen is er concurrentie met werkenden uit lage loonlanden.


Platform of uitzenden 

Een van de meest actuele discussies rond platformen is de vraag wat nu precies het verschil is tussen de (sterk gereguleerde) uitzendbureaus en platformen, waar (nog?) geen aparte regels voor zijn. 

Zo ligt bijvoorbeeld platform Temper onder vuur vanuit de arbeidsinspectie. MT/Sprout meldt dat in een nog niet uitgebracht rapport de conclusie wordt getrokken dat het bemiddelingsplatform voor zzp’ers feitelijk een werkgever is. Temper-oprichter Niels Arntz reageert nonchalant: ‘Het ministerie heeft na drie jaar onderzoek van de 26.992 bijverdieners die in diezelfde periode via ons platform aan de slag zijn gegaan slechts twee gevallen van mogelijke schijnzelfstandigheid gevonden. Het beste bewijs dat er bij Temper geen sprake is van structurele schijnconstructies.’   

Platformexpert Martijn Arets en universitair HRM-deskundige Jeroen Meijerink publiceerden op ZiPconomy dit mooie en lange artikel naar aanleiding van hun onderzoek naar de verschillen tussen uitzenders en klusplatformen. 


Voor mensen die voor platformen werken die actief sturen – bijvoorbeeld door het werk digitaal te monitoren- geldt dat zij minder autonomie en een hogere werkdruk ervaren en vaak minder verdienen. Daarnaast is er weinig aandacht voor (formele) scholing; de platformwerkers worden immers als zelfstandigen gezien. Ook verslechtert de kwaliteit van het platformwerk als platformwerkers zich niet goed kunnen organiseren en een beperkt aantal platformen veel macht krijgt (monopolipositie).

Nadelen clusteren zich bij kwetsbaren

Volgens het SCP ‘clusteren’ de nadelen (lage beloning, nauwelijks werkzekerheid, lange uren, geen vrijheid/flexibiliteit en zeggenschap) zich vooral bij een kleine groep kwetsbaren op de arbeidsmarkt. Die ‘kwetsbaren’ bevinden zich natuurlijk vooral in de groep platformwerkers die hiervan moeten rondkomen.  Maar die groep is beperkt, blijkt ook uit de factsheet, behorend bij het SCP-rapport. Het aandeel werkenden dat met platformwerk het hoofdinkomen verdient ligt tussen de 0,4% en 2,8% van de beroepsbevolking.

Dat ter relativering van de geluiden uit de politiek en vooral vakbonden die regelmatig roepen dat de opkomst van platformen de positie van de werkenden ondermijnt. Dat is vooralsnog niet of nauwelijks het geval

Oude en nieuwe economie

Het idee dat technologische toepassingen voor het bij elkaar brengen van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt, zoals platformisering, een probleem vormt is sowieso niet terecht. Het SCP ziet de platformeconomie als ‘een zichtbare manifestatie’ van een viertal ontwikkelingen op de arbeidsmarkt: de digitalisering, flexibilisering, intensivering en globalisering. Maar zij stelt in het rapport ook dat de ‘sociale verschillen in de kwaliteit van platformwerk deels langs de lijnen van huidige verschillen lopen’; groepen aan de onderkant van de arbeidsmarkt hebben een kwetsbaardere positie. Oftewel, de sociaal-economische ongelijkheid wordt niet veroorzaakt door de komst van platformen, maar is een al bestaand probleem. Zowel in de oude als de nieuwe economie.

SER-rapport

Ook de Sociaal-Economische Raad (SER) publiceerde in oktober vorig jaar een rapport over de werking van de platformeconomie in Nederland. Volgens de SER is de vrees dat de platformeconomie de arbeidsmarkt zou ontwrichten onterecht. De conclusie van dit rapport ligt dus in lijn met het SCP-rapport.

In een toelichting op dat rapport aan Kamerleden op 14 januari somde SEO directeur en SER lid Bas ter Weel de dilemma’s rond platformwerk in vier punten samen. 1. een deel van de platformwerkers is economisch (te) afhankelijk 2. de tevredenheid is in algemeenheid groot (met name vanwege de autonomie) 3. omvang platformwerk is nog klein en 4. zonder (politieke) uitspraak over ‘kwalificatievraag’ is handhaving niet mogelijk. 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *